CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 2023-063 1180656-Nadere duiding van het begrip bouwwerk

Raadsvergaderingen 2022-2026 29 november 2023, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/429632 Vaststelling Hemelwaterverordening en Aansluitverordening riolering gemeente Zevenaar 20234.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSINFORMATIEBRIEF – Nr. 2023-063 Aan de leden van de gemeenteraad

Datum 26 september 2023 Zaaknummer Z/23/456952 /ADV/23/1180656 Onderwerp Nadere duiding van het begrip bouwwerk Portefeuillehouder A. van Orden Contactpersoon E-mail Telefoon

Vergunningen, Toezicht & Handhaving Vergunningen@zevenaar.nl 0316-595111

Geachte leden van de gemeenteraad, Inleiding Op 24 mei 2023 zijn in de Commissie Ruimte de hemelwaterverordening gemeente Zevenaar 2023 en de aansluitverordening riolering gemeente Zevenaar 2023 behandeld. Omdat de in de hemelwaterverordening opgenomen definitie van bouwwerk vragen opriep, heeft de portefeuillehouder toegezegd dat daarover nadere duiding zal worden gegeven in een raadsinformatiebrief (RIB). Die RIB ligt nu voor. Kernboodschap Het college wil de raad informeren over de definitie van bouwwerk. Hieronder zal allereerst uiteengezet worden wat daaronder wordt verstaan. Daarnaast bevat de bijlage een overzicht met voorbeelden van objecten die wel of niet onder die definitie vallen (Bijlage deel 1), aangevuld met relevante wet- en regelgeving (Bijlage deel 2). Context context context2 context3 ☐ Actueel maatschappelijk onderwerp/probleem ☐ Collegeprogramma X Motie/amendement/toezegging ☐ Anders, namelijk Inhoudelijke boodschap Definitie bouwwerk De definitie van het begrip ‘bouwwerk’ is op dit moment nog niet in de wet vastgelegd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) zoekt daarom bij herhaling aansluiting bij de definitie uit de Modelbouwverordening van de VNG. Deze definitie luidt: ‘elke constructie van enige

omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren’. Echter vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 wordt een vergelijkbare definitie wél wettelijk verankerd. De volgende definitie wordt (in de bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet) opgenomen: ‘constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming -hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart’. Het staat een individuele gemeente (nu of straks) niet vrij om een eigen, afwijkende definitie van ‘bouwwerk’ te hanteren. Welk object een bouwwerk is, verschilt per geval. Het is een zeer rekbaar begrip. Het is niet eenvoudig om van een bepaald object te bepalen of het wel of geen bouwwerk is. Die vraag valt niet altijd met exacte logica te beantwoorden. Wat wel of niet onder het begrip valt, wordt doorgaans pas bepaald door de Afdeling.

Er is daar door de jaren heen veel jurisprudentie over gevormd. In deel 1 van de bijlage is een (niet volledig) overzicht van objecten opgenomen waarvan de Afdeling in het verleden heeft bepaald of er wel of geen sprake is van een bouwwerk. NB! Is er eenmaal sprake van een bouwwerk, dan moet er nog worden nagegaan of voor het bouwen van dat bouwwerk een vergunning nodig is (zie onderstaand stroomschema). De vergunningvrije bouwwerken zijn opgesomd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en voor monumenten in de artikelen 3a en 4a van bijlage II Bor. Deze artikelen staan opgenomen in deel 2 van de bijlage. De lijst met vergunningsvrije bouwwerken is wettelijk bepaald. Een gemeente is vooralsnog niet bevoegd om bouwwerken aan die lijst toe te voegen.

Valt een object onder de definitie van bouwwerk?

Ja

Nee

Het is geen bouwwerk

eee

Het is een bouwwerk bouwwerk

Komt het bouwwerk voor in de lijst van vergunningvrije bouwwerken?

Ja

Voor het bouwen is geen vergunning nodig

Nee

Voor het bouwen is een vergunning nodig

Communicatie en vervolgproces Met deze raadsinformatiebrief informeert het college de raad over wat wordt verstaan onder het begrip ‘bouwwerk’.

Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Zevenaar,

Danielle Jansen secretaris

Lucien van Riswijk burgemeester

Bijlage 1. Z/23/456952/INT/23/1180681 Bijlage: definitie bouwwerk (september 2023) naar aanleiding van de Commissie Ruimte van 24 mei 2023

Bijlage: definitie bouwwerk (september 2023) naar aanleiding van de Commissie Ruimte van 24 mei 2023 Deel 1 Jurisprudentieoverzicht met voorbeelden waarin er volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wel of geen sprake is van een bouwwerk. Wel bouwwerk: -

-

-

Woonboot (ongeacht hoe de woonboot fysiek met de oever is verbonden of is afgemeerd). Tenten → bestaande uit een tentdoek en bevestigingsmiddelen, met een omvang van circa tien bij zes meter en tien bij vijf meter en jaarlijks gedurende een periode van drie maanden worden geplaatst ten behoeve van het aflammeren van schapen dienen te worden aangemerkt als bouwwerken. Paardenbak met een afmeting van 27 m bij 14,75 m die bestaat uit een laag zand met daar omheen een afrastering van houten en metalen palen met daartussen metalen buizen en kantplanken. De kantplanken zijn gedeeltelijk ingegraven in de grond en rusten gedeeltelijk tegen de palen, zodat zij zijn gefixeerd. Deze kantplanken functioneren als grondkerende schotten. Paardenbak. Op het perceel is een omheining van 25 m bij 15 m geplaatst die aan drie zijden bestaat uit palen met daartussen gespannen schrikdraad in de vorm van een wit lint en aan één zijde uit een hek van gaaswerk met een poort van ijzeren buizen. Binnen de omheining is een zandlaag aanwezig met daaronder een doek en een drainagesysteem. De drainage en het doek zijn aangebracht om de zandlaag ter plaatse te laten liggen teneinde het omheinde gedeelte geschikt te maken voor gebruik door paarden.

-

Paardenspringbak. De bak is omringd door vier bielzen die met enige tussenruimte bij elkaar liggen. De bielzen hebben als doel om de paardenbak te omheinen. De bielzen zijn aan twee zijden van de paardenbak ongeveer 60 m lang en aan de andere twee zijden ongeveer 20 m lang. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016 volgt dat niet alle bouwonderdelen aan elkaar bevestigd hoeven te zijn om te kunnen spreken van één bouwwerk.

-

Vernieuwen van fundering: het met inkassingen in het dragende metselwerk bevestigen van de gewapende betonvloer op schroefinjectiepalen dienen te worden aangemerkt als constructieve handelingen.

-

Het plaatsen van een kinderzwembad in een tuin.

-

Een nylon net in een achtertuin: een op 2.20 meter geknoopt net gespannen over de gehele achtertuin, door middel van staaldraden en nagels bevestigd aan de achtergevel van de betreffende woning en de voorgevel van de schuur op het perceel.

-

Houten paaltjes en houten schotten die opgeslagen mest aan twee zijden omheinen De houten paaltjes en houten schotten die de mest aan twee zijden omheinen, vormen een constructie van enige omvang die met de grond is verbonden door middel van in de grond geslagen houten palen en is bedoeld om langere tijd op dezelfde plek te blijven.

-

Metalen voederruif op betonnen plaat in weiland: een metalen constructie die op een speciaal daarvoor geplaatste betonnen plaat in het weiland staat en bedoeld is om ter plaatse te functioneren, omdat deze reeds sinds 2013 op dezelfde plaats in de weide aanwezig is. Dat de voederruif verplaatsbaar is doet aan het plaatsgebonden karakter, niet af.

-

Rij betonblokken: langwerpige betonblokken zijn per ongeveer vijf stuks naast elkaar gelegen, met enige tussenruimte tot de opvolgende serie betonblokken. Het doel van de betonblokken is om een deel van dat perceel af te grenzen. De betonblokken vinden direct steun op de grond en zijn bedoeld om ter plaatse te functioneren. De betonblokken zijn geplaatst met als kennelijk doel om deze daar voor langere tijd op dezelfde plek te laten staan.

-

Friteskraam.

-

Sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en schuilgelegenheid. Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een tuincentrum.

-

Een draagluchthal dat aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden.

-

Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen door een reclamebord in de vorm van een raket.

-

Een duiker in een weg.

-

Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m².

Geen bouwwerk: -

Een terras in de vorm van een zandbed omgeven door niet constructief met elkaar verbonden muren en keerwanden.

-

Mestopslag bestaande uit betonplaten onder afschot op een ondergrond van landbouwfolie geen constructief element.

-

Koelwateruitlaat, waarbij basaltblokken en breuksteen min of meer willekeurig op de zeebodem worden gestort wordt niet gezien als een constructie.

-

Het planten van een boom, aangezien de natuur zelf zorgt voor de groei van dit object.

-

Het aanbrengen van één rotsblok op een locatie leidt niet tot het bouwen van een bouwwerk.

-

Losse stapels hout en stenen, en opvouwbare stalen korven.

-

Vogelverschrikkers (zogenoemde categorie “Hawk Eyes”). Ze bestaan elk uit een metalen buisje met een diameter van 1,5 cm. Daarop is op eenvoudige wijze een ronde bal met een doorsnede van 50 cm geplaatst. Het buisje wordt in de grond gestoken en kan hier gemakkelijk weer uitgehaald worden. De bal draait rond in de wind en weerkaatst het zonlicht. De vogelverschrikkers zijn respectievelijk 2 m en 5 m hoog. De vogelverschrikkers zijn jaarlijks op het perceel aanwezig van maart tot en met september. Gedurende deze periode moeten ze af en toe een paar meter verplaatst worden, omdat de vogels anders aan de vogelverschrikkers gewend raken en er niet meer door verjaagd worden. Aangezien de vogelverschrikkers bedoeld zijn om slechts kortdurend op dezelfde plek te worden gezet om daarna verplaatst te worden om effectief te blijven, is de Afdeling van oordeel dat de vogelverschrikkers niet bedoeld zijn om langere tijd op dezelfde plaats te functioneren. De Afdeling overweegt voorts dat de vogelverschrikkers niet kunnen worden aangemerkt als een constructie, nu de bal en het buisje op eenvoudige wijze aan elkaar bevestigd zijn en het buisje slechts in de grond gestoken wordt. Dat de vogelverschrikkers een flink stuk de grond in moeten worden gestoken om bestand te zijn tegen de wind, maakt dat niet anders.

-

Paalmatras voor een weg. Een paalmatras maakt onderdeel uit van het aanleggen van een weg en kan in zoverre niet los van de weg worden gezien. Een weg is geen bouwwerk. Nu de

paalmatras onderdeel uitmaakt van een weg en een weg geen bouwwerk is, is ook de paalmatras geen bouwwerk. -

Volledig demontabel springtoestel bestaande uit verschillende elementen die in wisselende samenstelling op wisselende plaatsen zonder verankering worden opgericht kunnen niet als een bouwwerk worden aangemerkt.

-

Reclamebord van 5 meter breed en 0,5 meter hoog welke met schroeven aan de gevel is bevestigd.

Deel 2: Vergunningvrije bouwwerken op grond van artikel 2 en 3 van Bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 2 Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: 1. gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen; 2. werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet; 3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1°. 5 m, 2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3°. het hoofdgebouw, b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; 2°.

functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg, c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: 1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied, 2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2, 3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2, g. niet aan of bij: 1°. een woonwagen, 2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben, 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden; 4. een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voorzien van een plat dak, b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet, d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, e.

zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en f. niet op: 1°. een woonwagen, 2°. een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

5. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. indien in het achterdakvlak, een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of een plat dak, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak respectievelijk het platte dak uitsteekt, b. indien in een ander dakvlak dan bedoeld in onderdeel a, 1°. de constructie niet buiten het dakvlak uitsteekt, of 2°. ingeval geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak uitsteekt, en c. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak of het platte dak; 6. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. indien op een schuin dak: 1°. binnen het dakvlak, 2°. in of direct op het dakvlak, en 3°. hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak, b. indien op een plat dak: afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan hoogte collector of paneel, en c. indien de collector of het paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een bouwwerk is geplaatst; 7.

een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; 8. een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw, mits bij een rolhek, luik of rolluik in een voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een ander hoofdgebouw dan een woning of woongebouw, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geplaatst aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie, en b. voor ten minste 75% voorzien van glasheldere doorkijkopeningen;

9. een afscheiding tussen balkons of dakterrassen; 10. tuinmeubilair, mits niet hoger dan 2,5 m; 11. een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 2,5 m, en b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 1 m, of b. niet hoger dan 2 m, en 1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat, 2°. achter de voorgevelrooilijn, en 3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; 13. een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein; 14. een vlaggenmast op een erf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 6 m, en b. maximaal één mast per erf; 15. een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie op of aan een bouwwerk, met inbegrip van een hekwerk ter beveiliging van een zodanige antenne-installatie op of aan een bouwwerk als bedoeld in onderdeel a, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

indien op of aan een hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windmolen, sirenemast dan wel een niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen, of op een antenne-installatie als bedoeld in onderdeel 16 dan wel een antenne-installatie voor het bouwen waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is vereist: 1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 5 m, en 2°. de antenne hoger geplaatst dan 3 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

b. indien op of aan een ander bouwwerk, dan bedoeld in onderdeel a: 1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 0,5 m, of 2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien bevestigd aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m, en: a. de antenne, met antennedrager, hoger geplaatst dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein, b. de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig is aangebracht, dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst, en c. de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw: 1°. aan of bij een op het dak aanwezig object geplaatst, 2°. in het midden van het dak geplaatst, of 3°. elders op het dak geplaatst, mits de afstand in m tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende afgewerkt terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager; 16. een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten; 17.

een andere antenne-installatie dan bedoeld in de onderdelen 15 en 16, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de antenne-installatie achter het voorerfgebied geplaatst, b. indien het een schotelantenne betreft: 1°. de doorsnede van de antenne niet meer dan 2 m, en 2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 3 m, of c. indien het een andere antenne betreft dan bedoeld in onderdeel b: de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien deze is

bevestigd aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m; 18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft: a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. niet hoger dan 3 m, en 2°. de oppervlakte niet meer dan 15 m2, b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het weren van voorwerpen die de veiligheid van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer in gevaar kunnen brengen, ten behoeve van de beveiliging van een weg, spoor- of waterweg of een spoorweg- of luchtvaartterrein, of ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding, handhaving van de verkeersregels, wegaanduiding, het opladen van accu’s van voertuigen, verlichting, tolheffing of het verschaffen van toegang tot het openbaar vervoer of openbaar vervoersgebouwen, c. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen, d. ondergrondse buis- en leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen, e.

een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. niet hoger dan 2 m, en 2°. indien bovengronds geplaatst: de oppervlakte niet meer dan 4 m2, f. een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan, alsmede de daarbij behorende bevestigingsconstructie, g. straatmeubilair; 19. een magazijnstelling die uitsluitend steunt op een vloer van het gebouw waarin zij wordt geplaatst, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet lager dan 3 m en niet hoger dan 8,5 m, en b. de magazijnstelling niet is voorzien van een verdiepingsvloer of loopbrug;

20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd; 21. een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 1 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 2 m2; 22. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 3 Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op: 1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; 2. een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; 3. een dakkapel in het voordakvlak, een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of, voor zover het betreft een bouwwerk als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, onder f, het achterdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. redelijke eisen van welstand zijn niet van toepassing;

b. voorzien van een plat dak, c. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, d. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet, e. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, en f. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; 4. een sport- of speeltoestel anders dan voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 m, en b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 5. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening, dan wel vijver op het erf bij een woning of woongebouw, mits deze niet van een overkapping is voorzien; 6. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft: a. een silo, of b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; 7. een buisleiding waarop artikel 2, onderdeel 18, niet van toepassing is; 8. een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen verandering van de draagconstructie, b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering, c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Artikel 3a Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op: 1.

gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, voor zover ook materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of

2.

een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Artikel 4a 1. Onverminderd artikel 5, zijn de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, een monument of archeologisch monument waarop artikel 9.1, eerste lid, onderdeel b, van de Erfgoedwet van toepassing is, een krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in: a. artikel 2, onderdelen 1 en 2, of b. artikel 2, onderdelen 4 tot en met 21, of artikel 3, onderdelen 4 tot en met 8: ▪

1°. in, aan of op een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft, of

▪

2°. bij een monument.

2. Onverminderd artikel 5, zijn de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in: a. artikel 2, onderdelen 1 en 2, of b. artikel 2, onderdelen 4 tot en met 21, of artikel 3 voor zover het betreft: 1°. inpandige veranderingen, 2°. een verandering van een achtergevel of achterdakvlak, mits die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, 3°. een bouwwerk op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, of 4°. een bouwwerk op gronden die onderdeel zijn van openbaar toegankelijk gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=69b647e2-9cd5-48bc-931d-e74a14c7181e