Raadsvoorstel en -besluit 1123660 Wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar
Tekst van het document
Raadsvoorstel Onderwerp Zaaknummer Documentnummer Portefeuillehouder Portefeuille Behandelend ambtenaar/afdeling Telefoon E-mail
Wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Z/22/429474 INT/22/1123660 Lucien van Riswijk Openbare orde en veiligheid Pascal Polman 0316 595 409 p.polman@zevenaar.nl
1. Samenvatting Het raadsvoorstel heeft als doel om de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar (hierna: APV) te wijzigen. Zoals elk jaar is er een aantal redactionele wijzigingen doorgevoerd op basis van diverse documenten van de Vereniging Nederlandse Gemeente (hierna: VNG). Daarnaast is er een uitvraag gedaan bij relevante interne en externe partners om te inventariseren welke wensen er zijn met betrekking tot de APV. Een aantal belangrijke wijzigingen van de APV is: 1) Artikel 2:53. Dit artikel is vervallen omdat het artikel onverbindend is verklaard door de Hoge Raad. 2) Artikel 2:78. In lid 1 van dit artikel is het woord ‘openlijk’ verwijderd om verschil in interpretatie te voorkomen. 3) Artikel 2:79. Door de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte is een beperking die in dit artikel zat, komen te vervallen. 4) Artikel 5:10. Dit artikel vervalt omdat het artikel in strijd is met hogere regelgeving. 5) Hoofdstuk 2, afdeling 8 ‘Toezicht op openbare inrichtingen’ (artikel 2:27 tot en met artikel 2:33) is voor een groot deel herzien. 6) Hoofdstuk 3 ‘Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.’ is volledig herzien. 7) Artikel 6:1. De strafbepaling is aangepast omdat verschillende geldboetes voor eenzelfde overtreding mogelijk waren. De Omgevingswet is al meerdere malen uitgesteld.
Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, moet een aantal redactionele wijzigingen worden doorgevoerd. Deze wijziging zal op dat moment aan de raad worden voorgelegd. Begin 2023 wordt naar verwachting de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: VFL) aan de raad voorgelegd. Gevolg daarvan is dat een aantal artikelen vanuit de APV wordt overgeheveld naar de VFL. 2. Raadsvoorstel Wij stellen u voor om: 1. De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar te wijzigen overeenkomstig het bijgevoegde raadsbesluit. 3. Waarom naar de raad De raad is op basis van artikel 108 en artikel 147 van de Gemeentewet bevoegd om gemeentelijke verordeningen vast te stellen.
4. Doelstelling en beoogd resultaat Om de veiligheid en leefbaarheid voor de inwoners van Zevenaar te vergroten, is het doorvoeren van noodzakelijke wijzigingen in de APV nodig. Het vaststellen heeft in ieder geval de volgende effecten: - De APV is geactualiseerd in relatie tot de laatste wetgeving. - Recente landelijke en lokale ontwikkelingen zijn in de APV opgenomen. - Openbare ordeverstoringen kunnen beter worden voorkomen. 5. Argumenten en alternatieven Argumenten 1.1 De Hoge Raad heeft de APV-bepaling met het verbod op uiterlijke kenmerken van verboden organisaties onverbindend verklaard Het verbod op het dragen van uiterlijke kenmerken van verboden organisaties is enkele jaren geleden in de APV opgenomen. Het geeft de politie de mogelijkheid om op te kunnen treden tegen de kenmerken (‘colors’, met name hesjes) van nog niet onherroepelijk verboden organisaties, zoals motorclubs. Zolang een organisatie nog niet onherroepelijk is verboden, biedt het strafrecht daar geen mogelijkheid voor. De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat artikel 2:50a van de APV (artikel 2:53 in de APV van Zevenaar) in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV.
De Hoge Raad verklaart artikel 2:50a APV (en dus artikel 2:53 van de APV van Zevenaar) onverbindend (ECLI:NL:HR:2021:1946). 1.2 Er is behoefte om beter op te kunnen treden tegen het dragen van een gevaarlijk voorwerp en verschil in interpretatie te voorkomen In het afgelopen jaar is onder andere de overlast door jeugdgroepen toegenomen. Het dragen van gevaarlijke voorwerpen (bijvoorbeeld een mes) is daarbij steeds vaker regel dan uitzondering. In artikel 2:78, lid 1 van de APV staat een verbod om een gevaarlijk voorwerp openlijk bij zich te dragen. Daarbij ontstond de discussie of daarmee het voorwerp ook zichtbaar moet zijn. Om verschil in interpretatie te voorkomen en omdat er behoefte is om beter op te kunnen treden tegen het dragen van een gevaarlijk voorwerp wordt het woord ‘openlijk’ uit het artikel verwijderd. 1.3 Woonoverlast kan beter worden tegen gegaan In artikel 2:79 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven.
Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:79 aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan zaaknummer Z/22/429474
pagina 2 van 24
dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. 1.4 Het verbod op ‘bermparkeren’ is in strijd met hogere regelgeving Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat artikel 5:10 (‘bermparkeren’) in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen. 1.5 Met de herziening van hoofdstuk 2 afdeling 8 wordt de APV beter leesbaar en toepasbaar Artikel 2:28 lid 1 verbiedt het zonder vergunning exploiteren van een openbare inrichting of een daarbij behorend terras. Bij de inwerkingtreding van de bepaling is gekozen voor een systeem waarbij bestaande openbare inrichtingen vrijgesteld konden worden van dit verbod. Daarvoor was vereist dat zich in de periode september 2018 - september 2019 in de openbare inrichting geen incidenten gepaard gaande met geweld, drugshandel of overlast hadden voorgedaan. De vrijstelling kan alleen worden ingetrokken als achteraf alsnog blijkt dat zich in diezelfde periode wél een dergelijk incident heeft voorgedaan.
Om beter toezicht te kunnen houden op openbare inrichtingen wordt op den duur gewerkt naar een systeem waarin alle openbare inrichtingen een exploitatievergunning hebben. Daarom bestaat de behoefte om ook bij een recenter incident als voornoemd de vrijstelling in te kunnen trekken. De herziening voorziet in deze mogelijkheid. Artikel 2:81 lid 12 verbiedt het geopend hebben van een bedrijf voor bezoekers zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. De exploitant moet daarom altijd een aanhangsel met daarop de leidinggevenden vermeld in de openbare inrichting aanwezig hebben, zodat hierop door toezichthouders kan worden gecontroleerd. De Kamer van Koophandel heeft ons medegedeeld dat die verplichting in onze APV te lastig te vinden is voor horecaondernemers. Artikel 2:81 staat namelijk niet in hoofdstuk 2, afdeling 8 over horecabedrijven. De herziening lost dit op door wel expliciet in die afdeling in te gaan op de inhoud van de exploitatievergunning en het bijbehorende aanhangsel. 1.6 Landelijk en regionaal zijn afspraken gemaakt om tot een sluitende aanpak mensenhandel te komen Mensenhandel komt in alle soorten en maten voor. Mensenhandel komt onder andere veel voor in de (illegale) prostitutie. Om hier grip op te krijgen, zijn afspraken gemaakt dat elke gemeente een sluitende aanpak voor mensenhandel moet hebben.
Het herzien en daarmee vernieuwen van hoofdstuk 3 van de APV draagt bij aan die sluitende aanpak. Het nieuwe hoofdstuk is gebaseerd op de model APV van de VNG en sluit aan bij de beleidsregels prostitutie gemeente Zevenaar 2019. Vanuit Samen Weerbaar (een samenwerking voor de aanpak van ondermijning in Gelderland-Midden) zijn relevante artikelen toegevoegd en inmiddels heeft al een behoorlijk aantal gemeenten deze bepalingen opgenomen in de APV. 1.7 Het is niet mogelijk om voor eenzelfde overtreding twee verschillende categorieën geldboetes op te leggen In artikel 6:1 lid 1 en lid 2 van de huidige APV staan verschillende geldboetes opgenomen (eerste en tweede categorie) voor dezelfde overtredingen. Dat zorgt voor onduidelijkheid. Daarom is er voor gekozen om de geldboetes voor alle overtredingen van het bij of krachtens in de APV bepaalde gelijk te trekken. Alternatieven N.v.t.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 3 van 24
6. Hoe gaan we dat bereiken en is evaluatie nodig? De APV wordt jaarlijks geëvalueerd en gewijzigd op basis van documenten van de VNG en ambtelijke en bestuurlijke afstemming. Deze wijziging vindt doorgaans rond het einde van het jaar plaats. Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt begin 2023 jaar naar verwachting de VFL aan u voorgelegd. Dit heeft redactionele gevolgen voor de APV. Een aanzienlijk deel van de artikelen in de APV wordt namelijk overgeheveld naar de VFL. De inhoud van die artikelen blijft gelijk, alleen wordt het in een andere verordening opgenomen. Aan het raadsvoorstel m.b.t. de VFL zal een gewijzigde versie van de APV worden toegevoegd. Bij deze versie zijn dan alleen redactionele wijzigingen doorgevoerd en geen inhoudelijke wijzingen. 7. Klimaat en duurzaamheid N.v.t. 8. Communicatie De wijziging van de APV wordt bekend gemaakt via een publicatie in de Zevenaar Post, op www.zevenaar.nl en op www.overheid.nl. De gewijzigde APV sturen wij naar het Openbaar Ministerie, arrondissementsparket Oost-Nederland en de Politie-eenheid Oost-Nederland, district GelderlandMidden, basisteam Rivierland-Oost. 9. Kosten, baten en dekking De verwachting is dat het doorvoeren van de voorgestelde wijzigingen geen extra kosten met zich mee zal brengen. 10. Bijlagen De volgende bijlagen horen bij dit voorstel: Volgorde 1.
Documentnummer INT/22/1126772
2.
INT/22/1125239
Naam Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 – geconsolideerde tekst Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 - met wijzigingen bijhouden
Burgemeester en wethouders van Zevenaar De secretaris Danielle Jansen
zaaknummer Z/22/429474
De burgemeester Lucien van Riswijk
pagina 4 van 24
Raadsbesluit Onderwerp Zaaknummer Documentnummer
Wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Z/22/429474 INT/22/1123660
De raad van de gemeente Zevenaar; overwegende dat het wenselijk is om de Algemene Plaatselijke Verordening te actualiseren; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Zevenaar; gelet op artikel 108 van de Gemeentewet en artikel 147 van de Gemeentewet ; besluit: de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar als volgt te wijzigen: 1. Het voorblad is als volgt gewijzigd: 1.
De titel is gecorrigeerd naar ‘Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023’.
2. De inhoudsopgave is als volgt gewijzigd: 1.
Hoofdstuk 3 gecorrigeerd naar ‘Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen’.
2.
Afdeling 1 gecorrigeerd naar ‘Algemene bepalingen’.
3.
Afdeling 2 gecorrigeerd naar ‘Vergunning seksbedrijf’.
4.
Afdeling 3 gecorrigeerd naar ‘Uitoefenen seksbedrijf’.
5.
Afdeling 4 gecorrigeerd naar ‘Overige bepalingen’.
3. Artikel 2:24 ‘Begripsbepaling’, wordt als volgt gewijzigd: 1.
Lid 2 wordt als volgt gewijzigd: Onder evenement wordt mede verstaan een: a. herdenkingsplechtigheid; b. braderie; c. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. e. straatfeest of buurtbarbecue op één dag (een klein evenement). f. door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 5 van 24
4. Artikel 2:27 ‘Begripsbepalingen’, wordt als volgt gewijzigd: 1.
Lid 1 wordt als volgt gewijzigd: In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe of latere consumptie worden bereid of verstrekt, of waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, (afhaal)restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.
b.
terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van de inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;
c.
exploitant: degene die een openbare inrichting exploiteert;
d.
vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:28, eerste lid van deze verordening is verleend;
e.
leidinggevende: leidinggevende als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
f.
bezoeker: eenieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: i. leidinggevenden; ii. de gezinsleden van de vergunninghouder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; iii. personen die dienst doen in de inrichting; iv. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; v. personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
2.
Lid 2 komt te vervallen.
5. Artikel 2:28 ‘Exploitatievergunning openbare inrichting’, wordt als volgt gewijzigd: 1. 2.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: a. een openbare inrichting te exploiteren; b. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren indien er gesproken kan worden van slecht levensgedrag van de horeca ondernemer of de horeca ondernemer heeft de leeftijd van 21 jaar niet bereikt of staat onder curatele.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 6 van 24
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat; a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de financier, exploitant, eigenaar en/of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; d. sport-, school- of bedrijfskantine of – restaurant uitsluitend voor zover deze als zodanig in gebruik is; e. rouwcentrum, begraafplaats en crematorium; f. para commerciële instelling. 5. Onverminderd het gestelde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien: a. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften of beperkingen, behorende bij de vergunning, overtreedt; b.
aannemelijk is, dat de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel de vrees hiertoe wettigen; c. de vergunninghouder of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; d. de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; e. de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; f.
zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
g. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28, tweede lid, gestelde eisen; h. de vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28c, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid;
6.
i.
er sprake is van een gewijzigde exploitatie of vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;
j.
de vergunninghouder in de artikelen 2:28c, eerste lid en 2:28e bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan.
De burgemeester kan op verzoek of ambtshalve vrijstelling verlenen van het verbod genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van
zaaknummer Z/22/429474
pagina 7 van 24
7. 8.
de Alcoholwet indien zich in de achttien maanden voorafgaand aan de dag waarop het verzoek om vrijstelling is ontvangen geen: a. incidenten gepaard gaande met geweld, het schenken van alcohol aan minderjarigen, overlast of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting en/of handhavingsincidenten hebben plaatsgevonden. De vrijstelling kan worden ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zesde lid, aanhef en onder a. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het zesde lid.
Artikel 2:28a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1. De burgemeester vermeldt in een vergunning: a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakte van de inrichting; e. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2.
De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.
3.
De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28c, derde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.
Artikel 2:28b Eisen aan leidinggevenden De leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. zij staan niet onder curatele. Artikel 2:28c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. 2.
Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
3.
De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.
4.
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel als de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:28b gestelde eisen.
5.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de melding.
Artikel 2:28d Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden als in deze inrichting niet aanwezig is: a. een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in artikel 2:28a, tweede lid, met betrekking tot die openbare inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder of
zaaknummer Z/22/429474
pagina 8 van 24
b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28c, eerste lid is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. Artikel 2:28e Wijziging openbare inrichting 1. Als een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, als nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge 2:28a, eerste lid vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. 2.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de wijzigingsvergunning.
Artikel 2:28f Vervallen vergunning exploitatie openbare inrichting Een vergunning vervalt, wanneer: a. sinds haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b.
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
c.
de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2:28g Terrassen 1. Als een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de openbare inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften of beperkingen verbinden, onder andere ten aanzien van:
2.
3.
a.
de inrichting, situering en het gebruik van het terras;
b.
gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen;
c.
de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras;
d.
de brandveiligheid.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:8 en 2:28 kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren, als: a.
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b.
dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg;
c.
dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
Als de vergunning bedoeld in artikel 2:28 eerste lid is verleend voor een terras, mag dit terras het gehele kalenderjaar worden geëxploiteerd.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 9 van 24
4.
Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semi-permanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de vergunninghouder of de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen.
5.
Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29 en artikel 2:30 dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is.
6. De burgemeester dan wel het college van burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel. 6. De titel van hoofdstuk 2, afdeling 8a en bijbehorende artikelen (2:34a t/m 2:34e) zijn doorgehaald. 7. Artikel 2:49a ‘Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet’ komt te vervallen en is verplaatst naar artikel 2:79. 8. Artikel 2:53 ‘Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties’ komt te vervallen. 9. Artikel 2:60 ‘Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren’, wordt als volgt gewijzigd: 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven, of d. te voeren. 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4. Op de beschikking op de aanvraag voor vergunning / ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 10. Artikel 2:73a ‘Carbidschieten’, wordt als volgt gewijzigd: 1.
Lid 3 wordt als volgt gewijzigd:
zaaknummer Z/22/429474
pagina 10 van 24
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur indien: a. carbidschieten plaatsvindt op een perceel buiten de bebouwde kom, waarbij gebruik wordt gemaakt van bussen met een maximale inhoud van 60 liter mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: i.
er worden in totaal niet meer dan tien bussen gebruikt;
ii.
het carbidschieten gebeurt onder het toezicht van een meerderjarig persoon die ervoor zorg draagt dat deze voorwaarden worden nageleefd;
iii.
er worden geen handelingen verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens, dier goed of milieu, in ieder geval: 1.
wordt uitsluitend geschoten met een bal (geen deksel);
2.
dienen de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze te zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen;
3.
wordt geschoten met een schiethoek die niet meer bedraagt dan 45 graden;
4.
vindt het beheer en de uitgifte van carbid alsmede het carbidschieten zelf uitsluitend plaats door personen ouder dan 16 jaar, die niet verkeren onder invloed van alcohol en/of drugs;
5.
dient het carbid zodanig bewaard te worden dat deze niet in contact kan komen met water;
6.
zijn op het schietterrein voldoende blusmiddelen aanwezig in de vorm van droog zand en
7.
bevindt het aanwezige publiek zich op een minimale afstand van 25 meter van de schietopstelling;
iv.
de afstand vanaf de plek waar het carbidschieten plaatsvindt tot gebouwen van derden bedraagt ten minste 75 meter, tenzij deze derden schriftelijk toestemming hebben gegeven voor een kortere afstand;
v.
het vrijschootsveld bedraagt ten minste 75 meter, dit terrein is in eigendom van of wordt gehuurd of gepacht door degene onder wiens verantwoordelijkheid het carbidschieten gebeurt; hierin liggen geen openbare paden of wegen;
vi.
de minimale afstand tot het stiltegebied Oude Weide Rijnstrangen bedraagt 500 meter;
vii.
indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang dient het schietterrein goed te worden verlicht.
11. Artikel 2:78 ‘Dragen gevaarlijk voorwerp’, wordt als volgt gewijzigd: 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te dragen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet Wapens en Munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 11 van 24
12. Artikel 2:79 ‘Woonoverlast als bedoelt in artikel 151d Gemeentewet’ wordt als volgt toegevoegd: 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. 3. De last kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet. 4. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. 13. Hoofdstuk 3 ‘Seksinrichtingen, sekswinkel, straatprostitutie e.d.’ wordt als volgt gewijzigd: Hoofdstuk 3.
Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3.1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; c. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; d. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;
zaaknummer Z/22/429474
pagina 12 van 24
e. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; f.
klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;
g. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; h. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; i.
prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;
j.
raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;
k. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; l.
seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
m. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning seksbedrijf i.
Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
ii.
Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.
iii.
Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
iv.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
v.
Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.
vi.
De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.
vii.
De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij in de vergunning anders staat vermeld.
viii.
De vergunning kan ten hoogste tweemaal worden verlengd. Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. zaaknummer Z/22/429474
pagina 13 van 24
Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen 1. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. 2. Er kan voor in totaal ten hoogste twee [2] seksbedrijven, niet zijnde een raamprostitutiebedrijf, een vergunning worden verleend. Artikel 3:6 Aanvraag 1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; f.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
g. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; h. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; i.
een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;
j.
bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;
k. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; l.
voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.
3. Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
zaaknummer Z/22/429474
pagina 14 van 24
d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: i. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; ii. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; iii. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; iv. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; v. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of vi. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i.
het maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;
j.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de
zaaknummer Z/22/429474
pagina 15 van 24
voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f.
als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;
g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend. Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning 1. De vergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam van de exploitant; b. voor zover van toepassing, die van de beheerder; c. voor welke activiteit de vergunning is verleend; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; f.
voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
g. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; h. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; i.
het nummer van de vergunning.
2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1. De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; zaaknummer Z/22/429474
pagina 16 van 24
b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, eerste lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h; f.
de vergunninghouder dat verzoekt;
g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; i.
gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel 3:9A Sluiten van een seksinrichting
1. Het bevoegde bestuursorgaan kan bij een overtreding van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen een last onder bestuursdwang opleggen.
2. Een last onder bestuursdwang kan inhouden:
a. een bevel tot een al dan niet tijdelijke gedeeltelijke of algehele sluiting van de seksinrichting of escortbedrijf; of b. een vaststelling van tijdelijk andere sluitingsuren voor de seksinrichting dan de krachtens artikel 3:12, eerste en tweede lid, geldende sluitingsuren. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 17 van 24
Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel 3:11 Verlening vergunning 1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden. 2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten. Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met zondag tussen 01.00 en 10.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald. 2.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. 3. Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksrichting tussen 03.00 uur en 07.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald. 4. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel 3:13 Adverteren 1. Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; b. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en c. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees en verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf 1. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 18 van 24
2. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. Artikel 3:15 Bedrijfsplan 1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a. op het gebied van hygiëne; b. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; c. ter bescherming van de gezondheid van de klanten; d. ter voorkoming van strafbare feiten. 2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; b. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; c. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; d. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; e. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; f.
de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;
g. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken; h. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; i.
de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;
j.
aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;
k. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; l.
de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuurof arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;
m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;
zaaknummer Z/22/429474
pagina 19 van 24
n. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; o. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt. 3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning. 4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld. 5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant. 6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken. Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte (Vervallen) Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.
De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend. 2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: a. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; b. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; i. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; ii. de verhuuradministratie; iii. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; iv. de werkroosters van de beheerders; c. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; d. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; e. onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;
zaaknummer Z/22/429474
pagina 20 van 24
f.
onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur; g. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf. Artikel 3:18 Raamprostitutie 1. Het is een prostituee verboden: a. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en b. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden. Artikel 3:19 Straatprostitutie 1. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie. Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie 1. Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 2.
De burgemeester kan aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 3 maanden niet op te houden op de betreffende locatie. 3. De burgemeester beperkt het in het tweede lid bedoelde bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt. Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten 1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor, bij of na bemiddeling door een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 21 van 24
Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 14. Artikel 4:13 ‘Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz’, wordt als volgt gewijzigd: Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke. 1.
In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, kan het college plaatsen aanwijzen die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg zijn gelegen, waar het verboden is de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening. 15.
Artikel 5:10 ‘Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan’ komt te vervallen. 16. Artikel 5:12 ‘Overlast van fiets of bromfiets’ wordt als volgt gewijzigd: 1. Het college kan openbare plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare zaaknummer Z/22/429474
pagina 22 van 24
gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. 17. De titel van hoofdstuk 5, afdeling 3 en bijbehorende artikelen (5:14 t/m 5:16) zijn doorgehaald. 18. De titel van hoofdstuk 5, afdeling 10 is doorgehaald. 19. Artikel 6:1 ‘Strafbepaling’, wordt als volgt gewijzigd: 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, artikel 2:12, eerste lid, en artikel 4:11, tweede lid. 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
20. Artikel 6:4 ‘Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening’, wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6:4 Intrekking oude verordening 1. De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2018 vierde wijziging wordt per 1 januari 2023 ingetrokken. 21. Artikel 6.6 ‘Citeertitel’, wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6:6 Inwerkingtreding nieuwe verordening De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 treedt in werking per 1 januari 2023. 22. Artikel 6:7 wordt als volgt toegevoegd: Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023.
zaaknummer Z/22/429474
pagina 23 van 24
23. In de gehele APV zijn daarnaast een aantal tekstuele redactionele wijzigingen doorgevoerd, zoals hoofdletter, haakje openen en/of sluiten, punten e.d.. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zevenaar, gehouden op 21 december 2022.