CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

NIEUWE VERSIE Bijlage 1. 1274346 - Wijzigingsbesluit Verordening fysieke leefomgeving gemeente Zevenaar 2024 derde wijziging

Raadsvergaderingen 2022-2026 17 december 2025, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/25/497977 Vaststellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving 2024 derde wijziging gemeente Zevenaar50.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken. Ook de voorbeeldbepalingen 3.1.5a tot en met 3.1.5c zullen moeten worden uitgezonderd voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten buiten een inrichting. Gebeurt dit niet dan loopt de bepaling het risico onverbindend verklaard te worden. Deze voorbeeldbepalingen vallen - net als artikel 3.1.4 zelf - onder voorschriften over overlast in het algemeen. Om die reden staat “geluid” steeds tussen haakjes). De voorbeelden zijn - net als artikel 3.1.4 - gebaseerd op de verordenende bevoegdheid krachtens de Gemeentewet. Let wel: door het opnemen van de voorbeelden 3.1.5a tot en met 3.1.5c is artikel 3.1.4 niet overbodig geworden. 3.1.5a (Geluid)hinder door dieren (was artikel 4:6a APV) Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. 3.1.5b (Geluid)hinder door motorvoertuigen, bromfietsen e.d.

(was artikel 4:6b APV) Dit artikel verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden. 3.1.5c Verbod oplaten sfeerballonnen (was artikel 4:6c APV) Ballonen zijn schadelijk omdat ze in het milieu neerdalen en dan door dieren opgegeten kunnen worden of bijdrage aan de vorming van plastic soep in de oceanen. Deze eigenschappen gelden ook voor de materialen die vaak aan ballonnen bevestigd zijn zoals linten, ventielen en sluitingen. Wensballonen gevuld met hete lucht afkomstig van vuur kunnen brand veroorzaken. Alternatieven voor ballonnen vindt u op website www.dieballongaatnietop.nl

Hoofdstuk 4. Economie Binnen dit hoofdstuk worden de bepalingen die betrekking hebben op economische aspecten in relatie tot de fysieke leefomgeving weergegeven. 4.1 Standplaatsen en Markt 4.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (was artikel 5:18 APV) Algemeen Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden. Schaarse vergunning Volgens Europese en landelijke juridische uitspraken dient de gemeente transparante regels te hebben waaraan de gemeente bij de verdeling van schaarse vergunningen voldoet. Het gaat vooral om transparantieverplichtingen bij de verdeling en verlening van schaarse vergunningen, die waarborgen dat de aanvragers gelijke kansen hebben om mee te dingen naar schaarse vergunningen. Omdat er een maximumstelsel geldt, dient de gemeente iedere ondernemer in beginsel een gelijke kans te bieden om een standplaatsvergunning te bemachtigen. Dit betekent dat vergunningen niet automatisch kunnen worden verlengd. Is de vergunningsduur verlopen dient iedere belangstellende ondernemer de kans te krijgen om de vrijgekomen vergunning te verkrijgen.

Een periode van 5 jaar achten wij naar de vergunninghouder toe een redelijke periode. Vrijheid van meningsuiting In eerdere versies van de APV werd een uitzondering gemaakt op het verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning. Tweede lid De bepalingen in de VFL met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Omgevingswet een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien.

Als het (tijdelijke) omgevingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, kan de aanvraag voor het hebben van een standplaats worden geweigerd. Derde lid De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 2.1.7. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel. Meer weigeringsgronden staan in de hiervoor genoemde beleidsregels voor het al dan niet verlenen van standplaatsvergunningen. 4.1.1 derde lid onder b In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat

gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing. Maximumstelsel De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden.

Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden ingenomen moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen standplaatsen tezamen levert het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een politierapport met betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats op de verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het vastgestelde maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden aangegeven welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde.

Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen van de week en eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het maximum aantal standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de gehele gemeente als voor nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht zijn. Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen. Per branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald. Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal vergunningen slechts door de rechter wordt toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft. Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit stelsel aanwezig. Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen.

Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst. Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer in te zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst toegekend worden. Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de in VFL vastgestelde weigeringsgronden en het aan de hand hiervan geformuleerde beleid en beleidsregels moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. Beleidsregels Het vaststellen van beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet kan worden herleid op één van de in artikel 2.1.7 genoemde weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.

Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan. Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst zijn. Inhoud standplaatsenbeleid De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de VFL-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze VFL-bepalingen overschrijden. Het college heeft specifieke beleidsregels vastgesteld ten aanzien van het al dan niet verlenen van aanvragen voor standplaatsvergunningen. Deze beleidsregels wordt aangehaald als ‘Beleidsregels Standplaatsen gemeente Zevenaar 2019’.

De zaken die het college in het standplaatsenbeleid heeft vastgelegd betreffen: - de vaststelling van het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen; - de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per branche. - de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen; - de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen. De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 2.1.7 genoemde weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen kan worden. Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid vaststellen ten aanzien van de

handhaving en het toezicht en de wijze waarop gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Vergunningsvoorschriften Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen: - het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen; - de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn; - de grootte van de standplaats; - de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; - het uiterlijk aanzien van de standplaats; - tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; - eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; - opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.

Overige regelgeving Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel. Omgevingswet Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend omgevingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals vereist krachtens de VFL wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het geldende (tijdelijk) omgevingsplan worden gesteld, van kracht. Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen. 4.1.2 Toestemming rechthebbende (was 5:19 APV) Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.

4.1.3 Afbakeningsbepalingen (was 5:20 APV) Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de VFL of de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Weekmarkt De Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019 is geheel opgenomen in deze Verordening Fysieke Leefomgeving. De bijbehorende toelichting is hieronder overgenomen.

Grondslag en belang verordening In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht. Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeente wettelijke bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). Naast de bovengenoemde nieuwe modellen voor de marktverordeningen zijn analoog aan de bevoegdheden van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ten behoeve van het college drie modelbesluiten beschikbaar, te weten: Modelbesluit tot het instellen van een warenmarkt, Modelbesluit tot het afschaffen van een warenmarkt en Modelbesluit tot het veranderen van een warenmarkt. Deze artikelen beogen de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid binnen de gemeente.

Daarnaast wil de gemeente de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de markt voor de Zevenaarse inwoners en bezoekers waarborgen en waar mogelijk versterken. Overige regelgeving ambulante handel De regulering van andere ambulante handel is te vinden in onze Algemene plaatselijke verordening Zevenaar 2018 (APV). Artikel 2:25 van de APV bevat een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen bijvoorbeeld braderieën. Verder bevat de VFL bepalingen over collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten. Vrijhouden van het marktterrein Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept, dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept. Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in deze verordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van 'normale' bestuursdwang worden verwijderd. Dienstenrichtlijn Voor de Modelmarktverordening waar deze VFL op is gebaseerd, heeft de VNG de screening gedaan. Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt.

Het begrip ‘dienst’ moet worden uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van Justitie. De modelmarktverordening 2008 regelt de warenmarkt; het gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model geen bepalingen omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee valt dit model buiten de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet verder te worden gescreend. Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor

een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de markt dient een gemeente hier rekening mee te houden. 4.1.4 Indeling van de markt; branche-indeling (gebaseerd op artikel 2 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als aandachtspunten opgenomen, zodat iedere gemeente de gewenste uitwerking kan geven aan de bepalingen. Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt voor de consumenten. Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging voor de ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam en de verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen. Het tweede lid is facultatief bedoeld.

Het schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker voor de consument. Voor jurisprudentie bij dit artikel zie de lijst met jurisprudentie bij artikelen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving. 4.1.5 Nadere regels (gebaseerd op artikel 2 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Met de herziening van het model in 2008 is er voor gekozen om de modelverordening in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te hevelen naar een marktreglement. Op grond van dit artikel is het college bevoegd deze nadere regels te stellen. Het college heeft de nadere regels vastgesteld in - het Marktreglement Zevenaar 2019 Er zijn naast deze nadere regels en uitvoeringsbesluiten ook beleidsregels door het college vastgesteld die betrekking hebben op verkregen bevoegdheden van het college op basis van deze verordening. Deze beleidsregels hebben betrekking op: - Sanctiebeleid markt gemeente Zevenaar 2019; - Handleiding toewijzing standplaatsen weekmarkt Zevenaar 2019.

4.1.6 Voorschriften en beperkingen (was artikel 4 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting onder Grondslag en belang verordening. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling is eveneens van toepassing.

4.1.7 Standplaatsvergunning voor de weekmarkt (was artikel 5 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel 4.1.6). De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien. Gelijkheidsbeginsel Vaste-standplaatsvergunningen gelden in beginsel voor 10 jaar. Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, Speelautomatenhal Vlaardingen) blijkt dat verleende vergunningen voor onbepaalde tijd zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen of een beperkte beschikbare ruimte) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Vaste-standplaatsvergunningen op grond van de marktverordening zijn schaars gelet op de beschikbare ruimte en de brancheverdeling.

Dit betekent dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd meer mogen worden verleend op grond van deze uitspraak. 4.1.8 Waarnemen (was artikel 6 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het komt soms voor dat een vergunninghouder vanwege andere verplichtingen (bijvoorbeeld inkoop van waren) niet of beperkt aanwezig kan zijn. Om te voorkomen dat daardoor een voor de markt in Zevenaar kwalitatieve koopman moet vertrekken, wordt de mogelijkheid geboden zich te laten waarnemen. Het college is bevoegd (zie artikel 4.1.6 van de verordening) voorwaarden aan de vergunning te stellen. 4.1.9 Overschrijving vaste standplaatsvergunning (was artikel 7 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Komt een vergunninghouder te overlijden, wordt hij blijvend arbeidsongeschikt, of is er sprake van bedrijfsbeëindiging, dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht, dat zijn vergunning voor een vaste standplaats op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner (als bedoeld in artikel 1:80a van het Burgerlijk Wetboek) of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde kan worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste standplaats van de vergunninghouder.

Een kind van de vergunninghouder, dat voldoet aan de in het tweede lid gestelde eisen, heeft recht op een vaste standplaats op de markt. Bij de herziening van de verordening en het opstellen van het reglement in 2008 is hier de mogelijkheid aan toegevoegd, dat de vergunning ook op een medewerk(st)er kan worden overgeschreven. Dit omdat het tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend is dat een kind het bedrijf van zijn ouders voort wil zetten en het in de praktijk wenselijk bleek dat deze mogelijkheid ook voor medewerkers werd geboden. Vierde lid Lid 4 is toegevoegd om de mogelijkheid te hebben om ook in andere gevallen de vergunning te kunnen overschrijven indien dit het functioneren van de markt ten goede komt en de belangen van de vaste standplaatshouders en de belangen van potentiële gegadigden niet worden geschaad.

4.1.10 Vereisten (was artikel 8 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) In de verordening is het vereiste van een handelingsbekwaam natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen. Het vereiste ‘gerechtigd in Nederland arbeid te verrichten’ ziet met name op vreemdelingen die een vergunning ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen nodig hebben. Voor jurisprudentie bij dit artikel zie de lijst met jurisprudentie bij artikelen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving.

4.1.11 Intrekking vaste standplaatsvergunning (was artikel 8 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Eerste lid Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning. Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel 4.1.12. Voor jurisprudentie bij dit artikel zie de lijst met jurisprudentie bij artikelen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving. 4.1.12 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning (was artikel 10 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) In artikel 4.1.11 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd het bepaalde in artikel 4.1.9’ geeft aan dat ook de intrekking op grond van artikel 4.1.9 een punitieve sanctie is.

Het college heeft een sanctiebeleid vastgesteld waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst dan wel ingetrokken. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor de markt. Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor (notoire) ‘wanbetalers’. Voor jurisprudentie bij dit artikel zie de lijst met jurisprudentie bij artikelen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving.

4.1.13 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker (was artikel 11 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) In artikel 4.1.12 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 4.1.12) ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder of standwerker. In dit artikel is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. In de beschikking tot uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en om welke concrete dagen. Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers.

4.1.14 Onmiddellijke verwijdering (was artikel 12 Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom) gegeven. De in artikel 4.1.14 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt. Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde.

Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van artikel 4.1.14 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties. Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen pakken.

5

Bodem, milieu en natuur

De samenvoeging van de onderdelen bodem, milieu en natuur komt voort uit de samenhang tussen de onderwerpen. Het in de verordening opnemen van aparte hoofdstukken hiervoor, zou kunnen leiden tot verwarring. 5.1 Overlast dieren 5.1.1 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (was 2:60 APV) Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting” op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.

Er zijn gemeenten die deze bepaling niet opnemen in de VFL (voorheen APV), waarbij doorgaans als reden wordt gegeven dat er zelden sprake is van werkelijk omvangrijke overlast of dreigende schade voor de volksgezondheid, maar dat het meestal gaat om geschillen tussen buren. Facultatief is genoemd als toevoeging: het voeren van bepaalde dieren. Sommige gemeenten hebben er behoefte aan het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op bepaalde plaatsen te verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen optreden. Derde lid Het is niet eenvoudig aan te geven wanneer en waarom, als er eenmaal eisen en beperkingen zijn gesteld, daar met een ontheffing weer van zou worden afgeweken. Doorgaans zal vrij snel (en dan naar alle waarschijnlijkheid negatief) op een aanvraag om deze ontheffing kunnen worden beschikt. Toch is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen. Voor jurisprudentie bij dit artikel zie de lijst met jurisprudentie bij artikelen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving. 5.1.2 Verontreiniging door honden (was 2:58 APV) Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid.

Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen. Deze bepaling beoogt verontreiniging door hondenpoep tegen te gaan op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom, op een voor publiek toegankelijke en zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbank en speelveld en door een aangewezen plaats door het college. Het eerste lid legt een verplichting op aan de eigenaar of de houder van een hond (waaronder ook hij die de hond uitlaat wordt begrepen) om ervoor te zorgen dat de hond zich niet van uitwerpselen ontdoet.

Tweede lid Het college kan middels een aanwijsbesluit plaatsen aanwijzen waar het verbod uit de eerste lid, onder a niet geldt. Derde lid Indien een hond toch zich van uitwerpselen ontdoet op een plek waar dat verboden is, kan de eigenaar of houder van de hond de strafbaarheid opheven door de uitwerpselen te verwijderen. Vaak heeft men ‘opruimmiddelen’ bij zich (bijvoorbeeld een hondenpoepzakje). Vierde lid In het vierde lid staat dat de plicht uit het eerste lid niet geldt als de eigenaar of houder van de hond vanwege een handicap niet in staat is om de uitwerpselen van zijn geleidehond of sociale hulphond te ruimen. Ook geldt de plicht uit de eerste lid niet voor mensen die honden aantoonbaar gekwalificeerd opleiden tot geleidehond of sociale hulphond. 5.2 Afvalstoffen Dit deel van de verordening dient het belang van de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig afvalstoffenbeheer. Het belang daarvan neemt toe omdat tegenwoordig anders naar afval wordt gekeken dan in het verleden. Afval wordt steeds meer benaderd als grondstof. In een meer circulaire economie is afval van waarde. Dat betekent duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zuiniger zijn op grondstoffen, voorwerpen langer en opnieuw gebruiken en optimalere reststromen. Afvalscheiding en inzameling is daarbij van wezenlijk belang.

Welke bestanddelen van het afval gescheiden dienen te worden veranderd. Nieuwe technieken maken bijvoorbeeld de scheiding van kunststof mogelijk. Gemeenten werken mee in het Programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) om te komen tot een vermindering van het restafval per persoon per jaar en om een verbetering te bereiken van de kwaliteit van afvalscheiding en inzameling. Deze verordening moderniseert de regels van de gemeente op dit terrein. Scheiden van afvalstromen begint bij huishoudens (huishoudelijke afvalstoffen) en bedrijven (kantoren, winkels, dienstverleners) waar die afvalstoffen ontstaan – of waar die in de openbare ruimte terechtkomen. De verordening bevat regels over huishoudelijk afval, bedrijfsafval en afval in de openbare ruimte. Afval in de openbare ruimte Wat betreft het afval in de openbare ruimte is het belang van het voorkomen van zwerfafval van belang. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. De verordening bevat regels voor het bestrijden van zwerfafval.

Wettelijke begrippen In het belang van de eenvoud maakt deze verordening slechts in beperkte mate gebruik van begripsbepalingen. Ten eerste zijn geen definities van begrippen gegeven als deze begrippen al op grond van artikel 1.1 van de Wm zijn gedefinieerd. Deze begrippen gelden al onverkort voor de toepassing van deze verordening. Er zijn daarom niet opnieuw definities voor in de verordening opgenomen. Voorbeelden van in de wet gedefinieerde begrippen die ook in deze verordening worden gebruikt zijn afvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen. Ten tweede is door de tekst van de verordening consistent in overeenstemming met deze begrippen te formuleren, de behoefte aan bepaalde definities die in het uit 2009 daterende VNG-model voor de Afvalstoffenverordening zijn opgenomen komen te vervallen.

Toepassingsbereik en melding autodemontage en tweewielerdemontage Voor de milieubelastende activiteit Autodemontage en tweewielerdemontage gelden inhoudelijke regels uit hoofdstuk 4 (paragraaf 4.47 Bal) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Op deze pagina leest u meer over het toepassingsbereik (wat eronder valt) en de gegevens die bij een melding aangeleverd moeten worden. Let op: deze regels gelden alleen als het gaat om een activiteit die valt onder paragraaf 5.5.1 Autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf. Toepassingsbereik: dit valt eronder De regels in paragraaf 4.47 gelden voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Het gaat om wrakken van: • Bedrijfsauto’s met een maximum gewicht van 3.500 kg • Personenauto’s • Bromfietsen op twee, drie of vier wielen • Motorfietsen op twee wielen, met en zonder zijspanwagen De definities van deze voertuigen staan in de Regeling voertuigen. Wrakken van 'gewone' bromfietsen op twee wielen vallen dus niet onder deze paragraaf. Deze paragraaf geldt bij demontage ook voor het opslaan van de wrakken en gedemonteerde onderdelen. Wat is een wrak: Er is pas sprake van een wrak als het voertuig een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Een auto of een tweewielig motorvoertuig wordt een afvalstof als het voertuig rijtechnisch in onvoldoende staat is en het niet meer mogelijk is om op rendabele wijze het voertuig in voldoende staat te brengen. Meer informatie over het begrip 'autowrak' staat op de pagina van 'Afval Circulair'. 5.2.1 Doelstelling (was artikel 2 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) In dit artikel is het met de verordening te dienen doel vermeld. Deze volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van deze verordening zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als volgt: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars. 5.2.2 Dumpingsverbod (was artikel 14 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover er geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan.

Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. In artikel 10.25 onder a van de Wm is de mogelijkheid voor het opnemen van een dergelijk artikel in een verordening.

5.2.3 Zwerfafval in de openbare ruimte (was artikel 15 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) Op grond van artikel 10.25 onder a en b van de Wm kunnen gemeenten in een verordening of strake het omgevingsplan de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Straatafval betreft afval dat: onderweg ontstaat , buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Het begrip zwerfafval zelf behoeft geen verdere definitie nu de redactie blijkt dat van zwerfafval sprake is wanneer ter inzameling gereedstaand afval wordt verspreid, omgestoten of omgeschopt, etc. De redactie brengt ook mee dat doorzoeken op een manier die geen zwerfafval veroorzaakt, bijvoorbeeld door morgensterren, niet onder het verbod valt.

5.2.4 Zwerfafval rondom inrichtingen (was artikel 16 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) Dit sluit aan bij artikel 22.53 van de bruidsschat omgevingsplan maar heeft het meer toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten van dat artikel af. Het dient ter aanvulling van de bruidsschatregel. 5.2.5 Afval en verontreiniging op de weg (was artikel 17 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) Het gaat in dit artikel over laden en lossen en het biedt de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen. 5.2.6 Geen opslag van afval in de open lucht (was artikel 18 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, het gaat niet op het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Opslag is niet het bewaren voor de eerstvolgende aanbieding ter inzameling. Er is geen behoefte aan een mogelijkheid van ontheffing, nu in artikel voor gebieden waar vanwege de bouw uit de jaren 1970 geen ruimte heeft voor het houden van minicontainers bijvoorbeeld, een vrijstelling kan worden verleend. Waarneembaar gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van reukoverlast.

5.2.7 Ontdoen van autowrakken (was artikel 19 van de Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019) Hierin is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Gemeenten moeten in hun verordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Autowrakken, afkomstig van huishoudens zijn uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. 5.3 Bomen 5.3.1 Waardevolle houtopstanden (was artikel 2 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) De lijst met waardevolle (beeldbepalende) bomen bestond ook al op grond van de Bomenverordening gemeente Rijnwaarden en de Bomenverordening Zevenaar 2010. Aangegeven wordt welke aspecten een rol kunnen spelen bij het wel of niet plaatsen van een bepaalde

houtopstand op de lijst met waardevolle houtopstanden. Op de lijst kunnen geen houtopstanden voorkomen waarover de gemeente geen regels mag stellen. Onder de Wet natuurbescherming golden de rijksregels over houtopstanden niet voor houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom (artikel 4.1, Wet natuurbescherming). Het was aan de gemeenteraad om die grenzen vast te stellen. De Omgevingswet spreekt van 'bebouwingscontour houtkap' in plaats van 'grenzen van de bebouwde kom' zoals dat in de Wet natuurbescherming staat. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feite wanneer de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. Die gelden namelijk alleen buiten de bebouwingscontour houtkap. Om onder de definitie van houtopstand van de Wet natuurbescherming te vallen, moest die een bepaalde omvang hebben. De oppervlakte moest namelijk minstens 10 are zijn of rijbeplanting moest uit meer dan 20 bomen bestaan (gerekend over het totaal aantal rijen). In de definitie van houtopstand in de Omgevingswet staat deze minimale omvang niet. Dus ook onder de 10 are of maximaal 20 bomen in rijbeplanting is sprake van houtopstand onder de Omgevingswet.

Wel blijft het onder de Omgevingswet zo dat voor zo’n kleine omvang de rijksregels over het vellen en herbeplanten niet gelden. De lijst met waardevolle houtopstanden wordt vastgesteld door het college en is te zien op (https://www.zevenaar.nl/waardevolle-en-monumentale-bomen). 5.3.2 Verbod tot vellen (was artikel 3 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) In het eerste lid van dit artikel komt tot uitdrukking dat voor het vellen van houtopstanden die op de lijst met waardevolle houtopstanden staan altijd een vergunning nodig is. Het tweede lid noemt de uitzondering op dit uitgangspunt. 5.3.3 Aanvraag vergunning (was artikel 4 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) In dit artikel wordt bepaald dat een aanvraag alleen kan worden ingediend door een zakelijk gerechtigde. Een huurder of pachter kan een aanvraag indienen, indien hij daartoe gemachtigd is door de eigenaar. 5.3.4 Criteria (was artikel 5 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) In deze bepaling zijn de weigeringsgronden opgenomen voor een vergunning. In dit artikel komt tot uitdrukking dat bewaring van de als waardevol aangemerkte houtopstanden voorop staat en dat slechts vanwege een gevaarlijke situatie (door bijvoorbeeld een storm, ziekte of ouderdom van de houtopstand) of vanwege andere zwaarwegende belangen besloten kan worden tot het verlenen van een vergunning voor het vellen van de betreffende houtopstand.

Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de noodzaak tot bodemsanering. 5.3.5 Beslistermijn (was artikel 6 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. 5.3.6 Vergunningsvoorschriften (was artikel 7 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) Gezien het feit dat een voorschrift tot herplanting ingrijpende consequenties heeft, is het wenselijk daarvoor een uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Een eventuele herbeplanting vindt plaats om redenen van behoud van natuur- of landschapswaarden, dorpsschoon of leefbaarheid. De herplantvoorschriften moeten concreet en precies worden uitgewerkt. Bijvoorbeeld: naar locatie, boomsoort en grote. Uit de rechtspraak blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de herplantplicht noodzakelijk is. Dit artikel maakt het ook mogelijk om op grond van de geldende natuurbeschermingsregels, waaronder: de wet Natuurbescherming, Europese Vogel- en Habitatrichtlijn nadere concrete voorschriften op te leggen. Een voorbeeld is het niet vellen zolang

er vogels broeden in de bomen of het niet op zodanige wijze vellen dat nabij aanwezige beschermde plantensoorten of paddestoelen vernield worden. Het niet mogen vellen in het broedseizoen indien een broedende vogel in de boom verblijft (van 15 maart tot 15 juli) dient in een vergunningsvoorschrift uitgewerkt te zijn. De bescherming van broedende vogels geldt reeds op grond van de wet. 5.3.7 Herplant-/instandhoudingsplicht (was artikel 8 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) Wanneer een herplantplicht alleen als vergunningsvoorschrift kan worden opgesteld, betekent dit dat iemand aan de oplegging van een herplantplicht kan ontkomen door zonder vergunning te vellen. Deze bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen een zelfstandige herplantplicht te scheppen. Het college kan een herplantplicht opleggen indien houtopstand teniet is gegaan door bijvoorbeeld verwaarlozing of een calamiteit. Niet alleen het actief handelen (vellen) maar ook het passief nalaten (bijvoorbeeld door verwaarlozing) kan reden zijn een herplantplicht op te leggen. In beginsel doet niet ter zake of het teniet gaan van de houtopstand de rechthebbende te verwijten valt. Indien de houtopstand is teniet gegaan door toedoen van een huurder of pachter, dan kan alleen aan de zakelijk gerechtigde (meestal eigenaar) een herplantplicht worden opgelegd.

5.3.8 Schorsende werking van bezwaar (was artikel 9 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat een boom feitelijk al geveld is voordat (derden) belanghebbenden kennis hebben kunnen nemen van de vergunning of gebruik hebben kunnen maken van de rechtsmiddelen (bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening). Het eerste lid is juridisch noodzakelijk voor de bevoegdheid om schorsende werking aan een bezwaar te verlenen. De rechtspraak heeft de bruikbaarheid van dit artikel reeds bevestigd. 5.3.9 Vervaltermijn vergunning (was artikel 10 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) De in dit artikel genoemde vervaltermijn is opgenomen om misbruik van oude vergunningen tegen te gaan. Omstandigheden kunnen immers veranderen en bomen groeien verder. De vervaltermijn geldt voor de volledige vergunning. 5.3.10 Bestrijding iepziekte (was artikel 11 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) De iepziekte is de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi Nannf. Ceratosystis ulmi (Buism.) Moreau). De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de houtvaten, de stam en de takken verstopt. Hierdoor wordt de sapstroom tussen de wortels en de bomen verstoord en krijgen de bladeren geen voedingsstoffen en water meer.

lepensprintkever is een insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus dat de iepziekte overbrengt. Het insect legt haar eitjes onder de schors van zieke of dode iepen. De jonge insecten vliegen naar gezonde bomen in de buurt die zodoende worden aangetast. De verantwoordelijkheid voor de bestrijding van de iepziekte ligt momenteel voornamelijk bij de gemeenten. 5.3.11 Schadevergoeding (was artikel 12 van de Bomenverordening Zevenaar 2019) Nadeelcompensatie is geregeld in hoofdstuk 15 van de Omgevingswet, voorheen in de Wet natuurbescherming. Uit de (gepubliceerde) rechtspraak is geen enkel geval van een schade-uitkering op grond van voormalig artikel 6:3 van de Wet natuurbescherming bekend. Rechters lijken niet snel (onredelijk) nadeel aanwezig te achten indien een vergunning om te vellen geweigerd wordt. Deze bepaling blijft tamelijk abstract. Van geval tot geval moet worden nagegaan of, en zo ja, in hoeverre er sprake is van schade. Tevens moet worden ingegaan op de vraag of, en zo ja, in hoeverre deze schade al dan niet ten laste van de betrokkene moet blijven. Een concrete, gedetailleerde regeling die alle gevallen dekt, is niet mogelijk.

5.4 Bodem 5.4.1 Bodemonderzoek (was artikel 2.1.5 van de Bouwverordening Zevenaar 2019) De artikelen over het bodemonderzoek hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 5.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 5.4.2. Beide toelichtingen moeten in combinatie met elkaar worden gelezen. Eerste lid Uit de systematiek van NEN 5740:2009+A1:2016nl volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.

Het bodemonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016nl is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707:2015nl ontwikkeld. Derde lid De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door de Algemene wet bestuursrecht (Awb, art. 4:2) en in de Omgevingsregeling (Or art. 7.3 en 7.4). Vierde lid Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Vijfde lid De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.

5.4.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond (was artikel 2.4.1 van de Bouwverordening Zevenaar 2019) Bodemvoorschriften saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal) Voor de milieubelastende activiteit ‘Saneren van de bodem’ gelden bodemvoorschriften uit paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat om voorschriften over voorafgaand bodemonderzoek, standaard saneringsaanpakken, maatwerk bij saneren van de bodem, kwaliteitsborging, aanvullende maatregelen uitdampen en gegevens en bescheiden bij het beëindigen van de activiteit. Wanneer de regels van toepassing zijn In de hoofdstukken 3 en 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat of de regels van toepassing zijn. Deze regels gelden als:

• •

uw activiteit onder het toepassingsbereik van paragraaf 4.121 valt en uw activiteit onder paragraaf 3.2.23 Saneren van de bodem valt

Voorafgaand bodemonderzoek Voorafgaand aan de bodemsanering is een bodemonderzoek gedaan dat voldoet aan de regels voor voorafgaand bodemonderzoek. Die verplichting staat in artikel 4.1239. De regels staan in paragraaf 5.2.2 van het Bal. Kennis van de bodemkwaliteit is belangrijk om te bepalen of het nodig is om te saneren. Bij de saneringsaanpak verwijderen van de verontreiniging is de omvang van de verontreiniging belangrijk om de ontgravingsgrenzen op de locatie te bepalen. Omvang wil zeggen: afbakening in horizontale en verticale richting. Standaard saneringsaanpakken Er zijn volgens artikel 4.1240 2 standaard saneringsaanpakken mogelijk: • afdekken • verwijderen Ook is het mogelijk om beide aanpakken te combineren: een deel van de verontreiniging verwijderen en een deel afdekken. De initiatiefnemer maakt zelf een keuze. Maar hij moet zich realiseren dat bij de saneringsaanpak afdekken een restverontreiniging achterblijft. Daardoor blijft er na de sanering nazorg nodig: het in stand houden van een afdeklaag. En zijn er gebruiksbeperkingen: niet dieper graven dan de onderzijde van de afdeklaag. Als saneren met een andere techniek dan de standaard saneringsaanpakken de voorkeur heeft (een in-situ sanering), dan is maatwerk voor het saneren van de bodem mogelijk. Algemeen De bouwverordening had artikel 8 van de Woningwet als basis. Maar de Invoeringswet schrapt dit artikel.

Dit wordt op de volgende manier opgelost: Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem gaan via de bruidsschat naar het omgevingsplan. Het Aanvullingsbesluit bodem regelt dit. Het Aanvullingsbesluit voegt beoordelingsregels en vergunningvoorschriften toe voor een omgevingsplanactiviteit over bouwen. Het gaat specifiek om artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de bruidsschat. Daarnaast komen er via het Aanvullingsbesluit bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. De gemeente moet bij een wijziging van het omgevingsplan die instructieregels toepassen. Gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, behoeven niet opnieuw te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Omgevingswet nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=e38ca7cc-3d0c-4b24-aa68-ff88e8f02e79