CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7. 1200262 Bijlage 4 bij toelichting: Quickscan Flora & Fauna

Commissie Ruimte 15 mei 2024, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/437411 Vaststelling bestemmingsplan Bingerdenseweg 10 te Angerlo11.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo Projectnummer: 2022-0477

Datum: 10-11-2023 Versie 2

Opdrachtgever: Van der Wielen Ruimtelijk Advies

Boet Engbersen

Rob Fieten

Adviseur Ecologie

Senior Projectleider Bodem

M 06 820 982 67

M 06 160 074 99

b.engbersen@lycens.nl

Gecontroleerd door: ecoloog B. ten Oever

r.fieten@lycens.nl

Inhoudsopgave

Samenvatting .................................................................................................................. 5 1. Inleiding ..................................................................................................................... 7 2. De ontwikkeling .......................................................................................................... 8 2.1. Projectlocatie ........................................................................................................................................................ 8

2.2. Voorgenomen activiteiten .................................................................................................................................. 9 2.3. Onderzoeksgebied ............................................................................................................................................... 9

3. Natuurwetgeving en -beleid ..................................................................................... 11

3.1. Inleiding ................................................................................................................................................................ 11 3.2. Gebiedsbescherming ......................................................................................................................................... 11

3.3. Soortenbescherming ......................................................................................................................................... 11 3.4. Houtopstanden ................................................................................................................................................... 13

4. Gebiedsbescherming ................................................................................................ 14

4.1. GNN, Groene Ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied ................. 14 4.2. Natura 2000.......................................................................................................................................................... 16

4.3. Slotconclusie ....................................................................................................................................................... 21

5. Soortenbescherming ................................................................................................ 22

5.1. Hypothese en bureauonderzoek ..................................................................................................................... 22

5.2. Methode ................................................................................................................................................................ 23 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties ....................................................................................................... 24 5.4. Slotconclusie ....................................................................................................................................................... 30

6. Houtopstanden ........................................................................................................ 32

7. Conclusie .................................................................................................................. 33 8. Advies en vervolgstappen ......................................................................................... 35

9. Bronnen .................................................................................................................... 36 Bijlagen .......................................................................................................................... 37

3

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Bijlage 1: Foto’s ............................................................................................................................................................. 38

Bijlage 2: Toelichting Wet natuurbescherming ...................................................................................................... 41 Bijlage 3: Berekening versterking Groene ontwikkelingszone ............................................................................ 46

4

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Samenvatting

Er zijn concrete plannen voor de renovatie een monumentale woning en twee schuren aan de Bingerdenseweg

10 te Angerlo (Gelderland). Twee schuren worden gesloopt en één blijft behouden. Als gevolg van deze

voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden.

Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.

Het onderzoeksgebied is op 11 augustus 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde

planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde

functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Natte landnatuur. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming

Het onderzoeksgebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk, Natte landnatuur en Weidevogelgebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Daarnaast is de invloedsfeer van de

voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natte landnatuur en Weidevogelgebied hebben. Het onderzoeksgebied ligt wel binnen de gronden die tot de Groene

ontwikkelingszone en het Ganzenrustgebied behoren. De voorgenomen activiteiten hebben echter een lokale

invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Ganzenrustgebied. Met

de voorgenomen activiteiten worden de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone niet aantoonbaar versterkt. Er dient een plan te worden opgesteld om de ontwikkeling te toetsen aan het provinciaal beleid ten

aanzien van de Groene Ontwikkelingszone waarbij de kernkwaliteiten aantoonbaar versterkt worden. Dit kan door op het erf een heggenlandschap te creëren. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie en de gemaakt stikstofberekening uitgesloten worden.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van

gebiedsbescherming. Voor meer informatie wordt verwezen naar de stikstofdepositieberekening die apart wordt gepubliceerd.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.

Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd

grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een vaste rust- of voortplantingsplaats.

Amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.

Wanneer de gevel of dak van de woning of een van de grote schuren wordt aangetast (blauwe en zwarte stip in figuur 2.2), wordt mogelijk een nest of nestplaats van een huismus beschadigd en vernield met als gevolg dat

5

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Om nesten van huismussen in de

bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform Kennisdocument Huismus, bestaat uit twee ochtendbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 1 april tot en met 15 mei.

Van de overige in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte

periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield

worden.

Indien

de

voorgenomen

activiteiten

uitgevoerd

worden

tijdens

de

voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een

ontheffing is verkregen. Wanneer de gevel of dak van de woning of grote schuren (blauwe en zwarte stip in figuur 2.2) worden aangetast dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen inzichtelijk gemaakt te worden. Om

dit vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei - 30 september.

Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het

onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan

ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten

en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied niet aangetast. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden

In het onderzoeksgebied wordt geen beplanting gerooid en worden geen bomen gekapt. Derhalve is het aspect houtopstanden niet aan de orde. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van houtopstanden.

6

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

1. Inleiding

Er zijn concrete plannen voor de renovatie een monumentale woning en twee schuren aan de Bingerdenseweg

10 te Angerlo (Gelderland). Twee schuren worden gesloopt en één blijft behouden. Als gevolg van deze

voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden.

Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.

In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is

onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en

houtopstanden.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland. Doel van deze rapportage

De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende

(milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het

wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is

uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat

opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke

zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te

kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van de

projectlocatie, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat

uitleg van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6

komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komt de conclusie aan de orde. In hoofdstuk

8 wordt het advies en de vervolgstappen beschreven. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar

hoofdstuk 9. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.

7

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

2. De ontwikkeling 2.1.

Projectlocatie

Situering

De projectlocatie is gesitueerd aan Bingerdenseweg 10 te Angerlo. De locatie ligt in het buitengebied van

Bingerden, wordt omgeven door landelijk gebied en ligt ten zuiden van de Rijn. In figuur 2.1 wordt de globale

ligging van de projectlocatie (rode marker) weergegeven op een topografische kaart.

Figuur 2.1: Globale ligging van de projectlocatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Beschrijving

De projectlocatie bestaat uit bebouwing, verharding en beplanting en wordt omgeven door landelijk gebied. Binnen de projectlocatie is een monumentale woning, een kapschuur en drie schuren aanwezig. Twee schuren (blauwe stip) beschikken over bakstenen buitengevels zonder luchtspouw en zijn voorzien van een rieten kap

waarvan de onderste laag bestaat uit dakpannen. Deze schuren beschikken niet over dakbeschot. De houten

kapschuur (gele stip) en de houten schuur ernaast (rode stip) zijn gedekt met golfplaten daken zonder dakbeschot. De laatste schuur (groene stip) beschikt over enkelsteens buitengevels, is gedekt met een pannendak

en beschikt wel over dakbeschot. De monumentale woning beschikt over bakstenen buitengevels en is gedekt

met een dakpannen. Verder is beplanting, zoals bomen en struiken, verharding op het erf aanwezig, er staan

spullen opgeslagen en er ligt rommel. Voor een verbeelding van de projectlocatie wordt verwezen naar bijlage 1.

In figuur 2.2 wordt de begrenzing (rode kader) van de projectlocatie weergegeven.

8

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Figuur 2.2: Begrenzing (rode lijnen) van de projectlocatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.2.

Voorgenomen activiteiten

Initiatiefnemer is voornemens de monumentale woning (zwarte stip) te renoveren en te splitsen in twee

woningen. De schuren in het noorden en zuiden van de projectlocatie (blauwe stip) worden eveneens renoveert

en krijgen de bestemming ‘Bed-and-Breakfast’. De houten kapschuur (gele stip) blijft behouden en de overige

schuren (rood en groen) worden gesloopt. Ten behoeve van de geplande activiteiten worden opgeslagen spullen

en rommel op het erf weggehaald.

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: slopen schuren;

verwijderen opgeslagen spullen en rommel; renoveren woning;

verbouwen schuren.

2.3.

Onderzoeksgebied

Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden

De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden:

9

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden.

Mogelijke permanente invloeden:

mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten;

vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;

aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten. Vaststellen van de invloedsfeer

Naast een tijdelijk effect op de projectlocatie, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief

effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten de projectlocatie. Dit wordt invloedsfeer genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of

permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.

In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en renovatiewerkzaamheden.

Vaststellen van het onderzoeksgebied

Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten

de projectlocatie te kijken. In voorliggend geval grenst de projectlocatie aan agrarische percelen, openbare ruimte

en de Rijn. Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan de projectlocatie. Er is

geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het onderzoeksgebied op een dusdanige wijze aangetast worden dat dit leidt tot wettelijke consequenties.

10

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

3. Natuurwetgeving en -beleid 3.1.

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld,

namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag.

Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.

3.2.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen

voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan

significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook

gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en

stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets

niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau

vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte

(SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels

ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de

natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen

dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van het NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale

ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland. In Gelderland wordt gesproken van het Gelders

Natuurnetwerk (GNN), de Groene ontwikkelingszone (GO), natte landnatuur (NL), Weidevogelgebied (WV) en

Ganzenrustgebied (GR).

3.3.

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen

met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

11

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Artikel 3.1: Soorten Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in

2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te

3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;

5.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is

4.

artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen;

vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen;

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Artikel 3.5: Soorten Habitatrichtlijn 1.

2.

3.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de

Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen;

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren;

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;

4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te

5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I

beschadigen of te vernielen;

bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10: Andere Soorten 1.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers

b.

onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a

c.

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun

van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of;

natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht

Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de

zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of

12

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: a.

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

b.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of

c.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit

ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld

dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding

niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categoriesoorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

3.4.

Houtopstanden

Om het bosareaal in stand te blijven houden zijn regels opgenomen in de Wet Natuurbescherming ten aanzien

van houtopstanden (hoofdstuk 4). Meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod vormen

hierbij de kern. Deze regels zijn in het belang van zowel nationale als internationale natuur-, landschaps- en milieudoelstellingen. In de Wet wordt een houtopstand gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die: a.

een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of

b.

bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk gerooid wordt, dient de rechthebbende binnen drie jaar dezelfde

grond her te beplanten. Herbeplanting die niet is aangeslagen dient binnen drie jaar vervangen te worden.

Wanneer natuurlijke verjonging geen optie is, moeten boomsoorten die bij de groeiplaats aansluiten worden geplant.

Zoals beschreven in Artikel 4.1 heeft de Wet natuurbescherming geen betrekking op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, houtopstanden op erven en tuinen,

fruitbomen en windschermen om boomgaarden, naaldbomen die bedoelt zijn als kerstbomen (niet ouder dan

twintig jaar), kweekgoed, éénrijige beplanting van populier of wilg langs landbouwgronden, wegbeplanting en

langs waterwegen, dunnen van een houtopstand en populieren, wilgen, essen of elzen die bedoelt zijn voor de

productie van houtige biomassa.

Wanneer bomen binnen de bebouwde kom gekapt zullen worden is de bomenverordening van de desbetreffende

gemeente van kracht. Er zal nagegaan moeten worden wat de gevolgen zijn en of er een gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig is voor het rooien van de houtopstanden.

13

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

4. Gebiedsbescherming 4.1.

GNN, Groene Ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. GNN, GO, NL, WG & GR

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk, Natte landnatuur en Weidevogelgebied behoren. Wel ligt het onderzoeksgebied binnen de begrenzing van de Groene ontwikkelingszone en het Ganzenrustgebied. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren liggen op 85

meter afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.1 wordt de ligging van de Groene ontwikkelingszone

(lichtgroene kleur) en het Gelders Natuurnetwerk (donkergroene kleur) en Ganzenrustgebied (donkerbruine

arcering) in de omgeving van het onderzoeksgebied (rode marker) weergegeven. Gronden die tot de Natte

landnatuur en Weidevogelgebied behoren liggen op minimaal 1,5 kilometer afstand van het onderzoeksgebied.

Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied (rode marker) t.o.v. GNN (donkergroene kleur) GO (lichtgroene kleur) en GR

(donkerbuirne arcering) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Effectbeoordeling

De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Daarnaast is de invloedsfeer van de

voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natte landnatuur en

14

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Weidevogelgebied hebben. Het onderzoeksgebied ligt wel binnen de gronden die tot de Groene

ontwikkelingszone en het Ganzenrustgebied behoren. De voorgenomen activiteiten hebben echter een lokale invloedsfeer (enkel aanpassingen aan bestaande bebouwing), ligt aan de Bingerdenseweg welke een hoge mate

van verstoring oplevert waardoor gewenning optreedt en is er opgaande beplanting aanwezig rond het

plangebied. Hierdoor kan een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Ganzenrustgebied uitgesloten worden.

De kernkwaliteiten (wezenlijke kernmerken en waarden) van de Groene ontwikkelingszone zijn: Ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden

Ontwikkeling waterplanten-gemeenschappen in kwelsloten en oude rivierlopen Ontwikkeling gemeenschappen van slikkige oevers Ontwikkeling hardhoutooibossen

Ontwikkeling zachthoutooibossen

Ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden Ontwikkeling heggenlandschap

Ontwikkeling populaties van water- en moerasvogels, waaronder porseleinhoen, kwartelkoning, zwarte

stern en ijsvogel

Ontwikkelen populatie knoflookpad en kamsalamander

Ontwikkeling populaties van vissen van traagstromende en stilstaande wateren, waar onder: bittervoorn, kleine en grote modderkruiper, rivierdonderpad Ontwikkeling populatie bevers en otters

Ontwikkeling coulissenlandschap met lokaal doorzichten op stuwwallen en stadsgezichten Behoud reliëf kronkelwaarden

Ontwikkeling van de zichtas van kasteel Middachten richting IJssel en Doesburg

De ontwikkeling van cultuurhistorische patronen en de relatie tussen uiterwaardgebied en buitenplaatsenzone

Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in de bijlage kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone van de provinciale verordening Gelderland. Ontwikkelingen binnen de Groene

ontwikkelingszone dienen te allen tijde aantoonbaar de kernkwaliteiten te versterken en de samenhang mag niet verloren gaan. Daarnaast stellen Gedeputeerde Staten regels vast om de versterking uit te werken.

Toetsing aan beleidsregels

Er treedt geen verlies van kernkwaliteiten op aangezien er geen kenmerkende elementen worden aangetast. Door middel van het formulier ‘Berekening versterking Groene ontwikkelingszone’ van de provincie Gelderland is een

impactfactor berekend van 840 punten. Om deze negatiefe impact te compenseren worden er versterkende maatregelen getroffen. Deze maatregelen kunnen in dit geval enkel buiten het plangebied gerealiseerd worden.

Het waterschap staat de aanleg van beplanting niet toe aangezien dit de doorstroming bij overstromingen binnen

het gebied vermindert. Daarom wordt er op 800 meter 0,75 ha aan hoogstamboomgaarden en op 1000 meter 0,85

ha aan hoogstamboomgaarden aangelegd. Dit levert 4000 versterkingspunten op. Met deze ruime overschot aan versterkingspunten wordt de afstand tussen het plangebied en de versterkende maatregelen gecompenseerd. Zie bijlage 3 voor het ingevulde rekenformulier.

15

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Consequenties t.a.v. provinciaal beleid

Het onderzoeksgebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk, Natte landnatuur en Weidevogelgebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Daarnaast is de invloedsfeer van de

voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen

activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natte landnatuur en Weidevogelgebied hebben. Het onderzoeksgebied ligt wel binnen de gronden die tot de Groene

ontwikkelingszone en het Ganzenrustgebied behoren. De voorgenomen activiteiten hebben echter een lokale

invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Ganzenrustgebied. Met

de voorgenomen activiteiten worden de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone aantoonbaar

versterkt.

4.2.

Natura 2000

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000

Het onderzoeksgebied grenst aan het Natura 2000-gebied de Rijntakken. In figuur 4.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied (lichtblauwe kleur) in de omgeving van het onderzoeksgebied (rood kader) weergegeven.

Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied (rode marker) t.o.v. Natura 2000-gebied (lichtblauwe kleur) (bron: pdok.nl)

16

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Doelstellingen Natura 2000-gebied Rijntakken

Het onderzoeksgebied grenst aan Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit gebied is aangewezen voor verschillende kwalificerende Habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten 1 en vogelrichtlijnsoorten. Effectbeoordeling

Om de effecten van de fysieke activiteiten inzichtelijk te krijgen, is gebruik gemaakt van de effectenindicator voor Natura 2000-gebieden (figuur 4.3). De selectie is uitgevoerd op het gebied ‘Rijntakken’ en activiteit ‘Woningbouw’.

1

Zeeprik, rivierprik, elft, zalm, bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, kamsalamander, meervleermuis, bever

en otter.

17

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

18

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Figuur 4.3: Effectenindicator Natura 2000-gebied Rijntakken, activiteit woningbouw

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal geen van de type verstoringen negatieve effecten hebben op

habitattypen van Natura 2000-gebied Rijntakken, omdat Natura 2000-gebied Rijntakken op enkele meters afstand

ligt van het onderzoeksgebied. Er zijn dus geen beschermde habitattypen aanwezig in het onderzoeksgebied. Verstoring op habitattypen kan worden uitgesloten.

Het naastgelegen Natura 2000-gebied bestaat uit agrarisch grasland en vormt geen functioneel leefgebied voor kwalificerende Habitatrichtlijnsoorten (NDFF, 2023). Kwalificerende Habitatrichtlijnsoorten Zeeprik, rivierprik, elft,

zalm,

bittervoorn,

grote

modderkruiper,

kleine

modderkruiper,

rivierdonderpad,

kamsalamander,

meervleermuis, bever en otter komen niet voor nabij het onderzoeksgebied en zijn er niet waargenomen, waardoor negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten (verstoring door licht, geluid, trillingen, optische

verstoring en verstoring door mechanische effecten) uitgesloten kunnen worden. Vanwege de hoeveelheid aanwezige lichtvervuiling, afkomstig van het verkeer langs de weg, is het niet aannemelijk dat meervleermuis

nabij het onderzoeksgebied foerageert of verblijft. Er zijn ook geen waarnemingen in of nabij het

onderzoeksgebied bekend van meervleermuis. In de toekomstige situatie neemt het aantal lichtvervuiling op Natura 2000-gebied niet toe ten opzichte van de huidige situatie vanwege het bouwplan. Tevens is er geen

19

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

potentiële verblijfplaats van vleermuizen aangetroffen en leiden voorgenomen activiteiten ook niet tot wettelijke

consequenties voor de meervleermuis. Voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de soorten en de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied.

Er is één waarneming bekend van een vogelrichtlijnsoort, namelijk de ijsvogel. Deze waarneming is gedaan langs een sloot ten zuiden van de Bingerdenseweg (N338). Gezien er geen open water aanwezig is voor de ijsvogel

binnen het plangebied en de Bingerdenseweg tussen het plangebied en geschikt habitat gelegen ligt kunnen negatiefe effecten uitgesloten worden. Er zijn geen waarnemingen bekend van vogelrichtlijnsoorten binnen het

onderzoeksgebied of de omliggende weilanden (NDFF, 2023). Hierdoor kan een negatief effect op vogelrichtlijnsoorten door de geplande werkzaamheden worden uitgesloten. Stikstofgevoelige habitattypen

Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstof: Realisatie- en gebruiksfase

Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en personeel.

Daarnaast zal als gevolg van het realiseren van een extra woning en twee B&B’s een toename van verkeersbewegingen plaatsvinden in de gebruiksfase.

Aan de hand van de uitgevoerde stikstofberekening blijkt dat als gevolg van onderhavig project gedurende de realisatie- en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger

dan 0,00 mol/ha/j. Daarom vormt het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000-gebied geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening.

Consequenties t.a.v. WNB

Voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebied en leiden daarom niet tot wettelijke consequenties.

20

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

4.3.

Slotconclusie

Het onderzoeksgebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk, Natte landnatuur en Weidevogelgebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Daarnaast is de invloedsfeer van de

voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natte landnatuur en Weidevogelgebied hebben. Het onderzoeksgebied ligt wel binnen de gronden die tot de Groene

ontwikkelingszone en het Ganzenrustgebied behoren. De voorgenomen activiteiten hebben echter een lokale

invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Ganzenrustgebied. Met

de voorgenomen activiteiten worden de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone niet aantoonbaar versterkt. Er dient een plan te worden opgesteld om de ontwikkeling te toetsen aan het provinciaal beleid ten

aanzien van de Groene Ontwikkelingszone waarbij de kernkwaliteiten aantoonbaar versterkt worden. Dit kan door op het erf een heggenlandschap te creëren. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie en de gemaakt stikstofberekening uitgesloten worden.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Voor meer informatie wordt verwezen naar de berekening die apart wordt gepubliceerd.

21

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

5. Soortenbescherming 5.1.

Hypothese en bureauonderzoek

Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke

aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk

tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen:

amfibieën;

grondgebonden zoogdieren; vleermuizen; vogels. Reptielen

Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor reptielen door het ontbreken van heide, broeihopen, een goede ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Tevens geven de

NDFF-verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen. Vissen en kreeftachtigen

Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief

worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden

Er zijn in het onderzoeksgebied geen geschikte waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële

waardplanten aanwezig of deze aspecten blijven behouden waardoor geen effect van de ruimtelijke ontwikkeling te verwachten is. De aanwezigheid beschermde libellen, dagvlinders of overige ongewervelden in het

onderzoeksgebied wordt uitgesloten. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van libellen, dagvlinders en overige ongewervelden (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde

soorten voorkomen. Flora

Beschermde sporenplanten en bladmossen komen hoofdzakelijk voor in de volgende biotopen: zomen en ruigte,

natte of droge storingsmilieus, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige

22

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

standplaatsen. In het onderzoeksgebied zijn dergelijke landschappelijke kenmerken niet aanwezig. Tevens geven

de NDFF-verspreidingsgegevens van sporenplanten en bladmossen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

5.2.

Methode

Veldbezoek

In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 11 augustus 2022 tijdens de daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën

De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de

winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van

de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Grondgebonden zoogdieren

Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De

onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden

diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.

Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de

aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, kraben bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.

Vleermuizen

De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het

onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. De gebouwen en bomen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen en bomen.

23

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als

foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Vogels

Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is

geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territorium-

indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit zijn

vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats.

In het onderzoeksgebied is gekeken naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in

het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting

gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

5.3.

Resultaten en wettelijke consequenties

Amfibieën

Verspreiding en functie

Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 2022).

Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk

bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het onderzoeksgebied.

Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen spullen en

rommel. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen vennen, poelen of

kleine plasjes aanwezig.

Wettelijke consequenties

Door het verwijderen van opgeslagen spullen en rommel wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet

gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van

de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie figuur 5.1 voor toepasbare vangmiddelen).

Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de

verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien 24

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en

voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied niet af.

Figuur 5.1: Overzicht van toepasbare vangmiddelen per diersoort

Conclusie

Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient gewerkt worden volgens Gedragscode of dient ontheffing aangevraagd te worden.

Grondgebonden zoogdieren

Verspreiding en functie

Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor

verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde grondgebonden zoogdieren (NDFF, 2022). Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, steenmarter, wezel, bunzing en egel.

De voorgenoemde muizensoorten en egel bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen spullen. De steenmarter bezet geen vaste rust- en/of

voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied. Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en latrines. Mogelijk bezetten kleine marterachtigen een verblijfplaats in de beplanting.

Wettelijke consequenties Kleine marterachtigen

25

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de vaste rust- en voorplantingsplaats van de kleine

marterachtigen zijn beschermd. Kleine marterachtigen mogen niet gedood worden en de vaste rust- en/of voorplantingsplaats mogen niet zonder ontheffing beschadigd of vernield worden. Vaste rust- en

voorplantingsplaatsen mogen echter wel verstoord worden. Voor het verwijderen van de beplanting binnen het onderzoeksgebied, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wnb verkregen te zijn. Om een

ontheffing te verkrijgen dient eerst nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de functie van het onderzoeksgebied voor kleine marterachtigen. Een volledig onderzoek, conform handreiking kleine

marterachtigen, bestaat uit minimaal zes weken aaneengesloten onderzoek met wildcamera’s in de actieve periode (maart-augustus) of 12 weken aaneengesloten in de minder actieve periode (september-februari).

Overige grondgebonden zoogdieren

Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied

voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om

te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt niet af.

Conclusie

Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten.

Indien de beplanting wordt verwijderd zal er een nader onderzoek naar kleine marterachten plaats moeten vinden om de functie van de beplanting voor kleine marterachtigen vast te kunnen stellen.

Vleermuizen

Verspreiding en functie: verblijfplaats

Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd en er zijn waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis (NDFF, 2019).

Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat

vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezetten. De schuren en woning

beschikken niet over buitengevels met een luchtspouw Ook sluiten de kozijnen, boeiboorden en windveren nauw

aan op de buitengevels. Echter, gezien de leeftijd van de bebouwing kunnen kleine schuren en kieren niet

uitgesloten worden. De opgaande beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen, deze bomen

beschikken niet over holen in de stam of losse schors. De kapschuur is toegankelijk voor vleermuizen, maar wordt niet benut als rustplaats door vleermuizen. Rustplaatsen in gebouwen zijn doorgaans goed vast te stellen aan de

hand van uitwerpselen en prooiresten op de grond onder de hangplek. Gezien de grote hoeveelheden openingen

26

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

in de schuur (missende ramen) in de kleine schuur (groene stip in figuur 2.2) en het kapotte dakbeschot ontstaat er veel tocht onder het dak, hierdoor kunnen vleermuizen in deze schuur uitgesloten worden.

Figuur 5.1 Kapot dakbeschot in de kleine schuur (groene stip in figuur 2.2) waardoor verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten kunnen worden.

Verspreiding en functie: foerageergebied

Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt

foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de

bebouwing en beplanting en vliegen ze over het onderzoeksgebied terwijl ze foerageren rond bomen die net

buiten het onderzoeksgebied staan. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt

het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Verspreiding en functie: vliegroute

Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen

die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantaarnpalen en gevels van woningen. Het onderzoeksgebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.

27

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

Wettelijke consequenties

Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een

ontheffing is verkregen. Wanneer de gevel of dak van de woning of grote schuren (blauwe en zwarte stip in figuur 2.2) worden aangetast dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen inzichtelijk gemaakt te worden. Om

dit vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei - 30 september.

Om een ontheffing voor het beschadigen/vernielen van een verblijfplaats van vleermuizen of het verstoren van een vleermuis, te kunnen verkrijgen, moet er sprake zijn van een wettelijk belang, zoals opgenomen in de Habitatrichtlijn.

Conclusie

Wanneer de gevel of dak van de woning of schuur worden aangetast dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden om de functie van de bebwouing voor vleermuizen vast te kunnen stellen.

Vogels

Verspreiding en functie

Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied wordt als functioneel leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd en zijn er waarnemingen bekend van huismus, groene specht, koolmees, boomvalk en ooievaar (NDFF, 2022). Vogelsoorten gebruiken het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk nestelen verschillende vogelsoorten aan de bebouwing en in de beplanting. Vogelsoorten die mogelijk in het onderzoeksgebied nestelen zijn roodborst, vink, houtduif en merel en boerenzwaluw.

Tijdens het veldbezoek zijn overvliegende boerenzwaluwen op het erf waargenomen, maar er zijn geen nesten

aangetroffen in de toegankelijke schuren. Op het terrein zijn geen huismussen waargenomen en er zijn geen

nesten van huismussen aangetroffen in de schuren en woning. Wel zouden deze mogelijk kunnen nestelen onder

de dakpannen van de woning of de grote schuren (met blauwe stip in figuur 2.2). De overige schuren zijn niet voor de huismus geschikt. De kapschuur bestaat enkel uit houten betimmering en is gedekt met golfplaten zonder

dakbeschot (met rode en gele stip in figuur 2.2). De overige schuur is wel gedekt met dakpannen(groene stip in

figuur 2.2), hier is het dakbeschot zo beschadigd dat hier onder het dak gekeken kan worden. Hier zijn geen nesten waargenomen. Verder zijn er in het onderzoeksgebied geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels en/of uilen er

een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van roofvogels en uilen zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van schijtsporen, braakballen en ruiveren op de grond onder de zitplaats.

Wettelijke consequenties Huismus

Wanneer de gevel of dak van de woning of een van de grote schuren wordt aangetast (blauwe en zwarte stip in figuur 2.2), wordt mogelijk een nest of nestplaats van een huismus beschadigd en vernield met als gevolg dat

28

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Om nesten van huismussen in de

bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform Kennisdocument Huismus, bestaat uit twee ochtendbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 1 april tot en met 15 mei.

Overige soorten

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd, vernield en/of verstoord. Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd,

niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het

verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van

vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Om dit te voorkomen dient dan een broedvogelscan te worden uitgevoerd. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt niet af.

Conclusie

Wanneer de gevel of dak van de woning of grote schuren worden aangetast dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de functie van de bebouwing voor de huismus inzichtlijk te maken;

Uitvoeren voorgenomen activiteiten buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren). Overige soorten

Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten.

Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

29

Quickscan Flora & Fauna Bingerdenseweg 10 te Angerlo

10-11-2023

5.4.

Slotconclusie

In tabel 5.1 en tabel 5.2 worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Tabel 5.1: Samenvatting van de wettelijke consequenties Soortgroep

Functie

Beschermde

Verbodsbepalingen

Aandachtspunt

Amfibieën

Foerageergebied

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie wordt

Geen

Amfibieën

(Winter)rustplaats

Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling

Geen

Amfibieën

Voortplantingsplaats

Niet aanwezig

Amfibieën

Doden van dieren

soorten planlocatie

Diverse soorten

(Wet natuurbescherming) niet aangetast.

i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a

Geen

Geen dieren doden:

wegvangen of werken

volgens Gedragscode of ontheffing aanvragen

Grondgebonden

Foerageergebied

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie wordt

Grondgebonden

Vaste rust- en

Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling

Geen

Grondgebonden

Vaste rust- en

Kleine

Art. 3.10 lid 1b

Geen beplanting aantasten

Doden van dieren

Diverse soorten

Art. 3.10 lid 1a

zoogdieren zoogdieren zoogdieren

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen

voortplantingsplaats voortplantingsplaats

marterachtigen

niet aangetast

i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Rust- of

voortplantingsplaats

Diverse soorten

Art. 3.5 lid 4

Essentieel

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vleermuizen

Vliegroute

Niet aanwezig

Niet van toepassing

foerageergebied Doden van dieren

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=6978f38b-fb07-49d8-b18e-f8bf64f8c16c