Bijlage 6. 1222456 - BIJLAGE 5 archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Dit proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd voorafgaande aan de sloop van de bestaande bebouwing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen. Dit omdat de huidige bebouwing mogelijk gefundeerd is tot in het archeologische niveau/buffer. Afhankelijk van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kunnen de volgende verplichtingen worden opgelegd: De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of de verplichting tot het doen van vervolgonderzoek doormiddel van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; en de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan en het archeologisch aangetroffen vondstmateriaal te deponeren bij het desbetreffende depot .
Dit advies is overgenomen door de gemeente Zevenaar, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer S. Diependaal Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.
36
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - karterende fase Dorpsplein 1 te Pannerden, gemeente Zevenaar, Gelderland
literatuur
Afdeling Erfgoed en Archeologie, gemeente Arnhem, 2023: Handboek archeologisch onderzoek Regio Arnhem. Kaders voor onderzoek en beoordeling van rapporten. Berendsen, H.J.A., 2005 (1997). Landschappelijk Nederland. De fysisch geografische regio’s. Assen. Berendsen, H.J.A., 2008. De vorming van het land. Assen. Borsboom, A.J. en J.W.H.P. Verhagen, 2012. KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Gouda. Bosch, J.H.A.,2008. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Op basis van de Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 5.2. Deltares-rapport 2008-U-R0881/A. Giesen, J.Th.M., 1988: Inventaris van het Archief van de parochie van de H. Martinus te Pannerden Kerk: 1797 – CA. 1965. Armen 1855 – 1967. Hoven, E., C. Helmich & W.S. van de Graaf, 2007. Inventariserend Veldonderzoek, waarderende fase, De Pannerd in Pannerden. Becker en Van de Graaf Rapport 20573. Kuijl, E.E.A. van der, 2016. Bureauonderzoek en Karterend Booronderzoek Archeologie Plangebied Rijnstraat 3 te Pannerden, Gemeente Rijnwaarden. Hamaland Rapport 151046. Mulder, E.F.J. de., 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Nederlands Normalisatie-instituut Delft. Roller, G.J. de, 2013.
Archeologisch booronderzoek Schoolstraat 2 te Pannerden, gemeente Rijnwaarden (GE). MUG-Rapport 2012-24. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen en M. Verbruggen, 2012. Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek v2. SIKB. Wijnen, J.J.A., 2023: Laagland Archeologie. Plan van Aanpak IVO-karterende fase Plangebied: Dorpsplein 1, Pannerden, Zevenaar. Willemse, N.W., & J.G.M. Verhagen, 2006. Gemeente Zevenaar een archeologische waarden- en verwachtingskaart met AMZ-adviezen, Brummen.
37
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - karterende fase Dorpsplein 1 te Pannerden, gemeente Zevenaar, Gelderland
Woolschot, D., E.F.A. Anker en E.E.A. van der Kuijl, 2018. Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Plangebied Kerkstraat 7 te Pannerden, Gemeente Zevenaar. Hamaland Rapport 181849.
Archeologische databases/internetbronnen ArchisIII www.boorstaten.nl www.topotijdreis.nl www.hisgis.nl www.grondwatertools.nl www.kadastralekaart.com
Gebruikte kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2), nauwkeurigheid Z-waarde <= 5 cm. Bron: www.ahn.nl. Geraadpleegd op 28-9-2023 Archeologische beleidskaart. Bron: gemeente Zevenaar. Geraadpleegd op 28-9-2023 Archeologische verwachtingskaart. Bron: gemeente Zevenaar. Geraadpleegd op 28-92023 Kaart waarnemingen, AMK-terreinen en onderzoeksmeldingen. Bron: www.zoeken.cultureelerfgoed.nl. Geraadpleegd op 26-9-2023 Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. Bron: www.pdok.nl. Geraadpleegd op 26-92023 Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Bron: www.pdok.nl. Geraadpleegd op 26-9-2023 Topografische kaart, schaal 1:10.000. Bron: www.pdok.nl. Geraadpleegd op 26-9-2023
38
BIJLAGE 1AMZ-CYCLUS
39
BIJLAGE 2 ARCHEOLOGISCHE PERIODEN
40
BIJLAGE 3 BOUWTEKENINGEN
41
Huidige bebouwing
Kelder
42
43
44
BIJLAGE 4 NIET-TOEGANKELIJKE DELEN VOOR VELDONDERZOEK
45
BIJLAGE 5 BODEMKUNDIGE LANDSCHAPPENKAART
46
47
BIJLAGE 6 GEOMORFOLOGISCHE KAART
48
BIJLAGE 7 BOORSTATEN DINO-LOKET
49
BIJLAGE 8 ACTUEEL HOOGTEBESTAND NEDERLAND
50
BIJLAGE 9 GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSKAART
51
BIJLAGE 10 BODEMKAART
52
BIJLAGE 11 WAARNEMINGEN, AMKTERREINEN EN ONDERZOEKSMELDINGEN
53
BIJLAGE 12 BOORPUNTENKAART VELDONDERZOEK
54
BIJLAGE 13 BOORSTATEN VELDONDERZOEK Boring 1
RD-coördinaten: 199758/433668
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 13,21 0
0,5
12,71
50 60
1
12,21
klei, zwak zandig, zwak humeus, donkerbruin/ grijs, matig baksteenhoudend, A-horizont veel houtskool klei, zwak zandig, zwak humeus, geel/ bruin, opgebracht matig houtskool klei, zwak zandig, zwak humeus, donkerbruin/ grijs, matig baksteenhoudend, A-horizont veel houtskool, matig aardewerk klei, sterk zandig, zwak humeus, lichtbruin/ grijs, zwak baksteenhoudend matig houtskool
130
1,5
Boring 2
RD-coördinaten: 199748/433693
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 13,3 0
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, matig baksteenhoudend, A-horizont matig houtskool
0,25
13,05
0,5
12,8
0,75
12,55
klei, zwak zandig, zwak humeus, geel/ bruin, zwak baksteenhoudend, oeverafzettingen matig houtskool
1
12,3
klei, zwak zandig, geel/ bruin, C-horizont, oeverafzettingen
1,25
12,05
1,5
11,8
1,75
11,55
2
11,3
70
130
11,71
170
2
11,21
220
230
2,5
10,71
3
10,21
klei, zwak zandig, zwak humeus, grijs, verbrande leem, mogelijke minibrokjes aardewerk matig houtskool, 200 weinig aardewerk klei, zwak zandig, lichtbruin, C-horizont, oeverafzettingen
klei, zwak zandig, zwak humeus, lichtbruin, zwak baksteenhoudend weinig houtskool
300
55
Boring 3
RD-coördinaten: 199768/433693
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 13,22 0
0,5
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, zwak koolgruishoudend, matig baksteenhoudend, A-horizont matig houtskool klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, matig baksteenhoudend, A-horizont matig houtskool
12,72
Boring 4
RD-coördinaten: 199778/433718
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 12,85 0
0,25
12,6 40
0,5
12,35
0,75
12,1
1
11,85
70
1
12,22
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, zwak koolgruishoudend, matig baksteenhoudend, A-horizont matig houtskool klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, A-horizont, verbrande leem, gestuit op boomwortels matig houtskool, matig aardewerk
100
130
1,5
2
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, A-horizont, wat verbrande leem, fosfaatvlekken matig houtskool, matig aardewerk
11,72
11,22
klei, zwak zandig, zwak humeus, grijs, A-horizont, botstukjes, 190 wat verbrande leem, fosfaatvlekken matig houtskool, matig aardewerk
220
2,5
10,72
klei, sterk zandig, zwak humeus, grijs, C-horizont, oeverafzettingen, bovenin gelaagd, wat verbrande leem matig houtskool, matig aardewerk
klei, sterk zandig, lichtgrijs, C-horizont, oeverafzettingen, verbrande leem 280 matig houtskool, matig aardewerk
3
10,22
300
56
Boring 5
RD-coördinaten: 199758/433718
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 13,07 0
0,25
12,82
0,5
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, matig baksteenhoudend, A-horizont matig houtskool, matig aardewerk
Boring 6
RD-coördinaten: 199734/433711
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 12,75 0
0,25
12,5
12,57
0,5
12,25
0,75
12,32
0,75
12
1
12,07
1
11,75
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, matig puinhoudend, matig baksteenhoudend, gestuit matig houtskool
110
1,25
11,82
1,5
11,57
1,75
11,32
2
11,07
2,25
10,82
130
klei, zwak zandig, zwak humeus, bruin/ grijs, A-horizont, enkele verbrande leemspikkel matig houtskool, matig aardewerk klei, zwak zandig, zwak humeus, grijs, A-horizont, botstukjes, enkele verbrande 190 leemspikkel, enkele fosfaatvlekken matig houtskool, matig aardewerk
240
2,5
klei, sterk zandig, lichtgrijs, C-horizont, oeverafzettingen matig houtskool, matig aardewerk
10,57
270
57
58
BIJLAGE 14 VERKLARENDE WOORDENLIJST AMK-terreinen - De AMK (Archeologische Monumentenkaart) is een bestand van alle bekende, behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland. Op de kaart staan terreinen van archeologische, hoge archeologische en zeer hoge archeologische waarde (al dan niet wettelijk beschermd) aangegeven. De AMK wordt niet meer geactualiseerd. Bronstijd - In de Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) werden voor het eerst voorwerpen van brons – een legering van koper en tin – gemaakt, hoewel vuursteen nog steeds breed toegepast werd. Aardewerk uit deze periode is meestal zeldzaam en van slechte kwaliteit (‘hondebrokaardewerk’). Waarschijnlijk werden veel tradities en gebruiken uit het Neolithicum in deze periode voortgezet, waaronder aanvankelijk het gebruik overledenen in grafheuvels bij te zetten. Later, rond 1.200 voor Chr. werd begraving vervangen door crematies, die in urnenvelden en soms ook in oudere grafheuvels werden bijgezet. Crevasse – Een crevasse ontstaat wanneer een rivier bij hoog water een oeverwal doorbreekt. Daarbij stroomt water en sediment in het achterliggende gebied. Het sediment bezinkt vervolgens als een lobvormige afzetting. Indien een oeverwal meerdere keren doorbroken wordt, zal de crevasse steeds hoger worden. De sedimenten waaruit een crevasse is opgebouwd bestaan grotendeels uit sediment afkomstig van de oeverwal.
Es – een es (enk, eng) is een areaal bouwland dat door meerdere grondgebruikers wordt gebruikt. Een es is ruimtelijk begrensd en als zodanig herkenbaar, maar de individuele percelen zijn niet gescheiden door duidelijk herkenbare grenzen. Bodemhorizont – een bodemhorizont is een laag of zone die wordt gevormd door bodemvorming. Een bodemhorizont onderscheidt zich van andere lagen door kleur, textuur, structuur en abiotische factoren. De aan- of afwezigheid van bodemhorizonten in podzolgronden geeft belangrijke informatie in hoeverre het vroegere loop-/woonniveau nog intact is en in welke mate daarmee archeologische resten zijn te verwachten. De A-horizont ligt meestal aan of vlak onder het maaiveld en is vaak humeus. Vaak vormt de bouwvoor de A-horizont. De E-horizont ligt meestal onder de A-horizont. De E-horizont is ontstaan onder invloed van (regen)water, waardoor klei, humus en/of aluminium omlaag zijn getransporteerd. De E-horizont is vaak lichtgrijs van kleur (‘loodzand’). De B-horizont ligt onder de E-horizont. Dit is een inspoelingslaag. De B-horizont is meestal bruin of donkerbruin gekleurd. De BC-horizont kan onder de B-horizont voorkomen. Dit is een overgangslaag van B- naar C-horizont. De kleur is meestal donkergeel, bruingeel of geelbruin De C-horizont is de minerale horizont van ongeconsolideerd materiaal.
Het is het moedermateriaal waarin de bovenliggende horizonten zijn gevormd. Horst - een door breuken begrensd opgeheven gebied. Het oorspronkelijke gebruik is als een (historische) benaming (toponiem) voor een met kreupelhout of hakhout begroeid, hoger gelegen stuk grond. IJzertijd - In de IJzertijd (800 – 12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. IJzer was harder dan brons en ijzererts was veel breder beschikbaar dan de grondstoffen voor brons (koper en tin). Het winnen en smeden van ijzer vereiste echter veel kunde en kennis. Naast aardewerk worden vanaf deze periode soms resten van 59
ijzeroventjes gevonden of afval dat is ontstaan bij ijzerwinning. Op de hogere zandgronden kwamen celtic fields (raatakkers) tot ontwikkeling. Dit waren akkercomplexen die zich soms tot over een groot gebied konden uitstrekken en gekenmerkt werden door relatief kleine akkertjes die omgeven werden door raatvormige wallen. Men woonde temidden van de akkers. Ten opzichte van de voorgaande en latere perioden werden vaak nattere gronden opgezocht. Vanaf de IJzertijd ook werden de zeekleigebieden in gebruik genomen. Loodzand - In een plaggendek wordt regelmatig loodzand aangetroffen: bij het winnen van plaggen werd eerst de natuurlijke toplaag afgestoken. In deze toplaag was een Ehorizont (uitspoelingslaag) aanwezig met een kenmerkende grijze kleur. Loodzand wordt meestal aangetroffen in de onderzijde van het plaggendek. Mesolithicum - Het Mesolithicum (8.800 – 4.900 voor Chr.) begon tijdens het begin van het Holoceen. De gemiddelde temperatuur steeg. Vegetatie ontwikkelde zich sterk en de variatie in flora en fauna nam toe. De mens trok als jager/verzamelaar door het land. Materiële resten uit deze periode worden gekenmerkt door kleine vuursteenvoorwerpen (microlithen). Middeleeuwen - De Middeleeuwen duurden van 450 – 1500 na Chr. Over de periode vlak na het definitieve vertrek van de Romeinen uit Nederland is weinig bekend.
Tot op heden zijn relatief weinig vindplaatsen uit deze periode aangetroffen. Er zijn sterke vermoedens dat resten uit deze periode voor een belangrijk deel onder de huidige oude stads- en dorpskernen en oude akkercomplexen liggen. Vanaf ongeveer de 10e eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is sprake van een min of meer centraal gezag. De maatschappij raakt gefeodaliseerd. In deze periode werd een begin gemaakt met de ontginning van veen, heide en bos. Moedermateriaal – ook wel het uitgangsmateriaal genoemd, is het materiaal waaruit de bodem is gevormd, het verse sediment vóór de verandering door de bodem vorming. Neolithicum - Het Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) wordt gekenmerkt door een overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw en veeteelt. De mens ging zich op een min of meer vaste locatie vestigen. Aanvankelijk werd daarnaast nog gejaagd en verzameld, maar meer en meer werd de mens agrariër. Doordat men zich op een locatie kon vestigen, namen de materiële bezittingen sterk toe. Men bouwde boerderijen en andere constructies en creëerde voorwerpen van aardewerk en geslepen steen. De bevolking kon groeien en de samenlevingen werden complexer. Uit deze periode zijn hunebedden en grafvelden/-heuvels bekend. Oude woongrond – oude woongronden (rivierengebied) zijn gronden met een langdurige bewoningscontinuïteit (Late IJzertijd-Romeinse Tijd-Middeleeuwen).
Deze bevinden zich vaak op de hoogste delen van de stroomruggen. Deze terreinen worden vaak gekenmerkt door een zwarte humusrijke bodem met veelal een dikke A-horizont met daarin veel archeologische vondsten (nederzettingsafval). In een of meerdere subhorizonten van de Ahorizont en bovenin de ondergrond bevinden zich meestal fosfaatvlekken. Oude woongronden zijn zo gekenschetst bij de bodemkartering door de Stichting voor Bodemkartering in de jaren ’40-’75. In het zandgebied zijn de oude woongronden die gebieden die rond de 13 e eeuw als woonplek verlaten werden. Deze waren voornamelijk gelegen bovenop de dekzandruggen. Boeren verlieten het hoge zandeiland en bouwden nieuwe boerderijen aan de rand ervan. Veelal werd gekozen voor de overgang van het droge en het natte gebied. Vanuit de nieuwe vestigingsplaats waren zowel de droge akkers als de natte graslanden of heidevelden gemakkelijk toegankelijk en bereikbaar. Overslaggrond – grond die bij een dijkdoorbraak uit een wiel is gekolkt en over het aangrenzende land is uitgewaaierd. Paleolithicum - Gedurende het Paleolithicum (300.000 – 8.800 voor Chr.) is Nederland wel bezocht door de mens (Homo Sapiens Sapiens en Homo Sapiens Neanderthalensis) gedurende de warmere perioden. Sporen zijn echter schaars en vaak verstoord. De mens 60
trok destijds als jager/verzamelaar rond in kleine groepen. Afhankelijk van het seizoen en aanwezige voedselbronnen werden steeds wisselende, tijdelijke kampementen bewoond. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) – De RCE is een onderdeel van het ministerie van OCW. Het voert wet- en regelgeving uit, ontwikkelt kennis en geeft advies over rijksmonumenten, landschap & omgeving, archeologie en roerend erfgoed. Romeinse tijd - Met de komst van de Romeinen (van 12 voor Chr. tot 450 na Chr. ) eindigde de IJzertijd. In 47 na Chr. werd de Rijn als rijkgrens vastgesteld. Langs deze grens (de limes) werden castella en wachttorens gebouwd. In het door Romeinen bezette gebied verbeterde de infrastructuur en ontstonden steden als Nijmegen. Noordelijk van de limes kon de inheemse levenswijze zich grotendeels handhaven, maar wel zijn veel Romeinse invloeden te zien. Weichselien – een geologische periode in het Pleistoceen die duurde van 116 – 11,7 duizend jaar geleden. Het Weichselien is de laatste ijstijd (glaciaal) die we in Nederland gehad hebben. Het landijs bereikte de Nederlandse grenzen niet, maar wel was de bodem van grote delen permanent bevroren (permafrost). Wetering – Gegraven water, groter dan een sloot. Wiel - Kolkgat dat tijdens een dijkdoorbraak door het zich naar binnen stortende water wordt uitgeschuurd in het land achter de dijk.
61