Bijlage 3. 1287381 - TAM-omgevingsplan Pieriksestraat 2 Angerlo - Motivering
Tekst van het document
6.8.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
6.9 Nutsvoorzieningen, kabels en leidingen Bij een ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de ligging en aansluiting op de nutsvoorzieningen, kabels en leidingen. Het plaatsen van antennes en de effecten van windmolens op of in de omgeving. Hiertoe heeft de gemeente specifiek beleid opgesteld en gelden er (verordende) regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Daarnaast gelden de eisen ten aanzien van het gasloos bouwen van nieuwe woningbouw.
6.9.1 Beoordeling Gelet op de aard van de ontwikkeling is er geen sprake van toe- of afname van nutsvoorzieningen, kabels en leidingen.
6.9.2 Conclusie Het aspect nuts-voorzieningen, kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
27
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving 7.1 Water Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet voegt wetten die betrekking hebben op waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid samen. Met deze waterbelangen moet rekening gehouden worden bij de besluitvorming over een omgevingsplanactiviteit. Voor meer informatie over de diverse wateraspecten zie https://iplo.nl/thema/water/.
7.1.1
Beoordeling
De afwaardering van de toegestane activiteiten op het perceel, heeft geen gevolg voor het watersysteem. De ontwikkeling is daarmee waterneutraal. Ten behoeve van de planvorming is via de website www.hetwateradvies.nl een scan gedaan. Daaruit blijkt dat er geen waterschapsbelang is, gelet op het feit dat er uitsluitend sprake is van een wijziging van de gebruiksmogelijkheden op het perceel.
7.1.2
Conclusie
Het aspect waterkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.2 Bodem Bij ontwikkelingen is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Meer informatie over het aspect bodem is te vinden op https://iplo.nl/thema/bodem/.
7.2.1
Beoordeling
Het gebruik van het perceel wijzigt niet en blijft agrarisch. Enkel de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van vee komt te vervallen. Dat brengt met zich mee dat ten behoeve van de ontwikkeling geen verkennend of nader bodemonderzoek nodig is.
7.2.2
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
28
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7.3 Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: Het voorkomen van een onbeheerste groei van geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; Het reduceren van geluidsbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; Het bevorderen van bronmaatregelen; Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Het thema geluid kent in Zevenaar meerdere invalshoeken. Ontwikkelingen kunnen te maken hebben met geluid afkomstig van wegverkeer, industrieterreinen, overige bedrijven, spoorwegen en scheepvaart. Daarbij dient ook te worden ingegaan op de cumulatie van deze geluidsbronnen. Geluid door luchtvaart is voor de gemeente Zevenaar niet relevant, daarom wordt hier niet nader op ingegaan. Daarnaast zijn in de provinciale omgevingsverordening stiltegebieden aangewezen. De navolgende alinea’s gaan kort in op al deze geluidsaspecten.
De omgevingswet kent een stelsel van normen om geluidhinder te voorkomen door wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen met een GPP (geluidproductieplafond). De waarde van het geluid mag bij nieuwe ontwikkelingen op geluidgevoelige gebouwen in principe niet meer bedragen dan de standaardwaarde. Voldoen aan de standaardwaarde leidt tot een voldoende kwaliteit voor de leefomgeving. Indien de waarde van het geluid niet voldoet aan de standaardwaarde dan kan onder voorwaarden een hogere waarde van het geluid toch worden toegelaten. Ontwikkelingen die getoetst worden zijn: Toelaten geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied Aanleg of reconstructie van een weg Wijzingen aan een industrieterrein met GPP. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een bronsoort op een geluidgevoelig gebouw.
Voor meer informatie over geluid zie https://iplo.nl/thema/geluid/.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
29
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
Bij de uitwerken van de verschillende geluidsbronnen rekening houden met het gemeentelijk geluidbeleid. De gemeente heeft nog geen nieuwe geluidregels vastgesteld voor het beoordelen van geluid onder de Omgevingswet.
7.3.1
Wegverkeer
De normen die gelden voor de geluidbelasting van wegen zijn vervat in paragraaf 5.1.4.2.a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In beginsel moeten nieuwe activiteiten voldoen aan een standaardwaarde. Voor rijksen provinciale wegen geldt een standaardwaarde van 50 dB, voor gemeente- en waterschapswegen geldt een standaardwaarde van 53 dB. 7.3.1.1 Beoordeling Het plan kent geen nieuwe bouwmogelijkheden of toegestane activiteiten toe aan de locatie. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het aspect wegverkeerslawaai is daarmee niet relevant.
7.3.2
Spoorwegen
De normen die gelden voor de geluidbelasting van het gebruik van lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen zijn vervat in paragraaf 5.1.4.2.a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In beginsel moeten nieuwe activiteiten voldoen aan een standaardwaarde. Voor hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen is deze standaardwaarde 55 dB. De standaardwaarden zijn opgenomen in de artikelen 3.32 en 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 7.3.2.1 Beoordeling Het plan kent geen nieuwe bouwmogelijkheden of toegestane activiteiten toe aan de locatie. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het aspect spoorweglawaai is daarmee niet relevant. Overigens ligt er geen spoorweg in de directe omgeving van het plangebied.
7.3.3
Industrieterreinen met een geluidproductieplafond (GPP)
De regels voor geluid als gevolg van activiteiten op gezoneerde industrieterreinen (onder de Omgevingswet: industrieterreinen met geluidproductieplanfonds) zijn opgenomen in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voorziet het initiatief in een ontwikkeling nabij een industrieterrein met een geluidproductieplafond, dan moet aangetoond worden dat de ontwikkeling zodanig plaatsvindt dat het geluidproductieplafond van het industrieterrein niet beperkt wordt en dat er in de nieuwe geluidgevoelige functie (als die gerealiseerd wordt) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 7.3.3.1 Beoordeling Het plan kent geen nieuwe bouwmogelijkheden of toegestane activiteiten toe aan de locatie. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De eventuele aanwezigheid van een industrieterrein met geluidproductieplafond in de omgeving van het plangebied is daarmee niet relevant. Overigens bevindt zich een dergelijk industrieterrein niet in de buurt van het plangebied.
7.3.4
Overige bedrijven
Overig geluid van bedrijven is de geluidbelasting door activiteiten anders dan het geluid afkomstig van industrieterreinen met een geluidproductieplafond. De regels over de geluidbelasting door andere activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten. Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
30
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
geluidsgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierover moet het omgevingsplan of de BOPA in beginsel regels bevatten. Het gaat om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat. Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: -
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;
-
geluid door windturbines en windparken;
-
geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.
7.3.4.1 Beoordeling Het plan kent geen nieuwe bouwmogelijkheden of toegestane activiteiten toe aan de locatie. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, noch worden nieuwe geluidsproducerende activiteiten toegestaan. Een beoordeling van dit geluidsaspect is daarmee niet aan de orde.
7.3.5
Stiltegebieden
In de provinciale omgevingsverordening zijn stiltegebieden aangewezen waar instructieregels voor gelden. Houd bij ontwikkelingen in/nabij deze stiltegebieden rekening hiermee en de bijbehorende geluidnormen. 7.3.5.1 Beoordeling Het plan is niet gelegen in of nabij stiltegebied. Dit aspect is niet relevant voor de ontwikkeling.
7.3.6
Geluidscumulatie
Cumulatie is de gezamenlijke geluidbelasting door meerdere geluidbronnen of activiteiten. Op grond van artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in rekening worden gehouden worden met de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) die door alle geluidbronnen of activiteiten kan ontstaan. Het effect van deze cumulatieve geluidbelasting moet beoordeeld worden op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. Voorziet een ontwikkeling in de realisatie van één of meerdere geluidgevoelige gebouwen, dan moet de cumulatieve geluidbelasting van bijvoorbeeld weg- en spoorweglawaai getoetst worden aan het gemeentelijk geluidbeleid. 7.3.6.1 Beoordeling Er is geen sprake van de toevoeging van één of meer geluidgevoelige gebouwen. Een cumulatieve berekening van de geluidsbelasting is daarmee op voorhand niet nodig.
7.3.7
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.4 Luchtkwaliteit Ons gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen. Bijvoorbeeld luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en de natuur. De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht bewaken en beschermen. Voor meer informatie over dit onderwerp zie https://iplo.nl/thema/lucht/.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
31
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7.4.1
Lucht
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Niet voor elk project hoeft een specifieke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 7.4.1.1 Beoordeling Gelet op de aard van het plan, valt het onder categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is immers geen sprake van een uitbreiding van toegestane activiteiten of nieuwe bouwmogelijkheden. De gemeente Zevenaar ligt daarnaast niet in aandachtsgebieden voor NO2 en/of PM10.
7.4.2
Stof (grof en fijnstof)
Blootstelling aan te hoge concentraties stof (fijnstof en grofstof) wordt in verband gebracht met negatieve effecten op de gezondheid. Om die reden stelt het Rijk al langere tijd normen aan de hoeveelheid fijnstof in de buitenlucht (dit is onderdeel van het aspect luchtkwaliteit). Deze paragraaf heeft betrekking op hinder door fijnen grofstof als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten. De functiemening die kenmerkend is voor de fysieke leefomgeving van Zevenaar maakt dat rekening gehouden moet worden met deze vorm van hinder. Bedrijfsmatige activiteiten kunnen tot milieubelasting in de vorm van stofhinder leiden. Om die reden zijn in hoofdstuk 4 van het Bal regels gesteld aan de emissie van stof bij diverse bedrijfsmatige activiteiten (bijvoorbeeld de productie van voedingsmiddelen, bewerking van steen en de op- en overslag van stuifgevoelige goederen). Als een initiatief voorziet in een activiteit die tot stofemissie zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van het Bal kan leiden, moet gemotiveerd worden dat voldaan wordt aan de emissiegrenswaarden uit het Bal. Bij ontwikkelingen nabij stofemitterende activiteiten moet gemotiveerd worden dat er in het plangebied geen sprake is van stofhinder die hoger is dan de grenswaarden uit het Bal en dat de stofemitterende activiteit door de ontwikkeling niet beperkt wordt in zijn gebruiksruimte.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
32
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7.4.2.1 Beoordeling De bedrijfsmatige activiteiten die voorliggende plan toestaat, zijn in het voorgaande bestemmingsplan ook reeds toegestaan. Het aspect Stof is dan ook niet relevant, nu de toegestane activiteiten niet uitbreiden of veranderen.
7.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.5 Geur Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies (paragraaf 5.1.4.6). Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: -
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf;
-
geur door het houden van fokteven van nertsen;
-
geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
-
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken;
Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld.
7.5.1
Beoordeling
Het bedrijfsmatig houden van vee wordt met het voorliggende omgevingsplan uitgesloten. Daarmee worden de activiteiten die zorgen voor geurbelasting ingeperkt ten opzichte van het voorgaande planologisch regime. Daarmee kan op voorhand worden geconcludeerd dat de potentiële geurbelasting op de omgeving naar alle waarschijnlijkheid zal afnemen, en in ieder geval niet zal toenemen.
7.5.2
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.6 Omgevingsveiligheid Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Omgevingsveiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats bij de beoordeling van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.
7.6.1
Externe veiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). Deze paragraaf gaat in op het toelaten van beperkt kwetsbare,
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
33
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties benoemd. Plaatsgebonden risico Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Daarnaast zijn er specifieke regels over: -
beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen;
-
veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
-
veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten;
-
veiligheid rond luchthavens.
In Zevenaar is sprake van een grote mate van bedrijvigheid en is veel boven- en ondergrondse infrastructuur aanwezig. Deze bedrijfsactiviteiten en het gebruik van de infrastructuur kunnen leiden tot risico’s. Het is daarom van belang om bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig te kijken naar externe veiligheid. 7.6.1.1 Beoordeling Op zo’n 200 meter van het plangebied is een hoofdgasleiding aanwezig. Het belemmeringengebied vanwege deze leiding reikt niet tot het plangebied. Voor het overige is er in de nabijheid van het plangebied geen sprake van activiteiten die de omgevingsveiligheid beïnvloeden. Dat geldt – andersom geredeneerd – ook niet voor de agrarische activiteiten die zijn toegestaan binnen de inrichting. Er wordt daarmee voldaan aan de instructieregels voor omgevingsveiligheid.
7.6.2
Niet gesprongen explosieven
Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. 7.6.2.1 Beoordeling In het plangebied zijn geen onderzoeken gedaan naar ontplofbare oorlogsresten. Gelet op de aard van de voorliggende ontwikkeling is dat ook niet nodig.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
34
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7.6.3
Veiligheidsdiensten
Een adequate bluswatervoorziening en een goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen als de incidentlocatie, zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de veiligheidsdiensten. In de Bruidschat (onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan) zijn daarom regels opgenomen over bluswatervoorzieningen (artikel 22.13), bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten (artikel 22.14) en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen (artikel 22.15). 7.6.3.1 Beoordeling De ontwikkeling brengt geen verandering ten aanzien van de bereikbaarheid voor veiligheidsdiensten van het plangebied. In dat kader hoeven dan ook geen (extra) voorzieningen te worden getroffen.
7.6.4
Overstromingsgevaar
Omdat in Nederland de bescherming tegen overstromingen zo belangrijk is, zijn veel zaken bij wet geregeld. In de wet is bijvoorbeeld vastgelegd aan welke veiligheidsnormen de primaire waterkeringen moeten voldoen en hoe de sterkte van de keringen wordt bewaakt. Het actuele beleid is erop gericht dat elke Nederlander die door een primaire waterkering wordt beschermd tenminste een ‘basisveiligheid’ krijgt. Om de basisveiligheid te waarborgen worden maatregelen genomen die overstromingen door de grote wateren moeten voorkomen (preventie). Aanvullend daarop kunnen de gevolgen van een eventuele overstroming worden beperkt door de inrichting van Nederland bestand te maken tegen water (waterrobuust). 7.6.4.1 Beoordeling De ontwikkeling beperkt enkel de agrarische mogelijkheden van het perceel. Er worden geen nieuwe gevoelige functies toegevoegd. De situatie verandert dan ook niet in het licht van overstromingsgevaar. Overigens ligt de locatie niet in een gebied waar overstromingsgevaar een voornaam risico vormt.
7.6.5
Sociale veiligheid
De sociale veiligheid en te verwachten overlast zijn aspecten die bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, betrokken moeten worden. 7.6.5.1 Beoordeling De sociale veiligheid is niet in het geding bij voorliggende omgevingsplanwijziging.
7.6.6 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.7 Licht Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Dit is het onderwerp bezonning. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder. Meer informatie is te vinden op https://iplo.nl/thema/licht/. Er dient bij ontwikkelingen rekening gehouden te worden met slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
35
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7.7.1
Beoordeling
De beperking van toegestane functies op het perceel, brengt geen verandering met zich mee in het kader van licht(hinder).
7.7.2
Conclusie
Het aspect licht vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.8 Windhinder Windhinder treedt op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Daarbij is dan sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Meer informatie is te vinden op https://iplo.nl/thema/windhinder/.
7.8.1
Beoordeling
De beperking van toegestane functies op het perceel, brengt geen verandering met zich mee in het kader van wind(hinder).
7.8.2
Conclusie
Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.9 Trillingen Er dient bij ontwikkelingen rekening gehouden te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een ruimtelijk besluit voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Om te kijken of onderzoek naar trillingshinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrilling. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden op https://iplo.nl/thema/trillingen/.
7.9.1
Beoordeling
De locatie ligt niet in de omgeving van het spoor of een andere functie die trillingshinder kan veroorzaken. Daarnaast leidt de voorliggende wijziging van het omgevingsplan niet tot de toevoeging van (trillings)gevoelige functies.
7.9.2
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.10 Beschermen van de gezondheid In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Meer informatie over dit onderwerp is te vinden op https://iplo.nl/thema/gezonde-fysieke/.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
36
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
7.10.1 Beoordeling Bij voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het aspect gezondheid in principe niet aan de orde. Er kan gesteld worden dat de afwaardering van het toegestane agrarische gebruik (te weten het houden van vee) op zichzelf geen negatieve gezondheidseffecten met zich meebrengt.
7.10.2 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Om inzicht te krijgen in mogelijke klimaateffecten heeft de gemeente Zevenaar een Klimaatatlas gemaakt. De getoonde effecten zijn gebaseerd op de klimaatscenario’s voor 2050 van het KNMI. De gemeente en het waterschap stellen met deze atlas een klimaatagenda op, in overleg met vertegenwoordigers uit de omgeving. Daarnaast biedt de atlas inzicht in mogelijke effecten zodat maatschappelijke organisaties, inwoners en bedrijven hun leefomgeving hierop kunnen aanpassen.
7.11.1 Beoordeling Het beperken van de toegestane agrarische activiteiten op het perceel heeft geen gevolgen voor de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie. De resterende toegestane activiteiten zijn nu immers ook al mogelijk, en nieuwe functies of bouwmogelijkheden worden niet toegevoegd.
7.11.2 Conclusie Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
7.12 M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat de overheid daar een besluit over neemt. Het doel van een m.e.r. is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Een initiatiefnemer beschrijft in het milieueffectrapport (MER) de effecten van het plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu. Voor meer informatie zie https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/introductie/. De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures: • plan-m.e.r.-beoordelingsplicht • plan-m.e.r. • project-m.e.r.-beoordelingsplicht
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
37
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
•
project-m.e.r.
Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer (kolom 1). Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee medewerking aan het initiatief wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.
7.12.1 Beoordeling Bij een plan-mer-beoordeling staan centraal de plannen en programma’s die een (beoordelings)kader kunnen vormen voor projecten (bijvoorbeeld een latere omgevingsvergunning). We spreken over 'een kader vormen' als in het plan een locatie- of tracékeuze staat. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Dit later te nemen besluit moet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. In artikel 16.34, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat onder een ‘plan of programma’ in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Als uitgangspunt worden in artikel 16.36 Omgevingswet drie situaties beschreven waarbij het opstellen van een milieueffectrapport (plan-MER) verplicht is. Daarop worden vervolgens uitzonderingen gemaakt. In het navolgende zal dit verder worden uitgelegd. De Omgevingswet verplicht in de navolgende situaties tot het opstellen van een plan-MER: 1. In artikel 16.36, lid 1 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport (MER) maakt als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor aangewezen projecten in bijlage V Omgevingsbesluit. 2.
In artikel 16.36, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport (MER) maakt indien op grond van artikel 16.53c Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt. 3. In artikel 16.36, lid 4 Omgevingswet is een ‘vangnet’ bepaling opgenomen. Daarin is bepaald dat voor een plan of programma dat het kader vormt voor andere projecten dan aangewezen in bijlage V Omgevingsbesluit het bevoegd gezag een milieueffectrapport maakt als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om tot deze conclusie te kunnen komen wordt eerst een planmer-beoordeling gemaakt. De uitzonderingen op het opstellen van een plan-MER zijn opgenomen in artikel 16.36 lid 3 en 5 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma eerst een plan-mer-beoordeling mag worden opgesteld. Op basis daarvan moet eerst beoordeeld worden of er een plan-MER moet worden gemaakt. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat wanneer een plan of een programma niet meer 1% van het grondgebied van de gemeente omvat (hierna: ‘1%-criterium’), dat plan betrekking heeft op een klein gebied. Daarmee is niet gezegd dat wanneer het plan procentueel meer grond van een gemeente omvat, er geen sprake is van een klein gebied. Dat zal nadere jurisprudentie moeten uitwijzen.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
38
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
De gemeente Zevenaar heeft een oppervlakte van ruim 10.000 hectare. Op basis van het 1%-criterium betekent dat een project van niet meer dan 100 hectare kan worden beschouwd als ‘kleine gebieden op lokaal niveau’. In de plan-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee uitkomsten mogelijk: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is afhankelijk van de vraag of de specifieke omstandigheden waaronder het project wordt uitgevoerd kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit wordt onder andere beoordeeld aan de hand van: • de fysieke kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten Uit de m.e.r.-scan op de website van het IPLO volgt dat voor voorliggende ontwikkeling geen m.e.r.beoordeling of m.e.r. nodig is.
7.12.2 Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
39
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
8 Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal De Omgevingswet biedt ruimte aan initiatiefnemers voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van deze activiteiten zal ook de gemeente vaak kosten maken. Voorbeelden zijn de aanleg van openbare voorzieningen en het doorlopen van een procedure voor de wijziging van het omgevingsplan en de verlening van een omgevingsvergunning. De Omgevingswet verplicht de gemeente de kosten die zij zelf maakt ten behoeve van een planologisch besluit voor het mogelijk maken van een kostenverhaalplichtige activiteit te verhalen op de eigenaar of eigenaren van de betreffende gronden. Het kostenverhaal betreft alleen kosten die op de kostensoortenlijst staan als genoemd in Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding van het planologisch besluit in de procedurefase, maar ook aan de kosten van aanleg van openbare voorzieningen in de uitvoeringsfase. Een kostenverhaalsplichtige activiteit mag niet worden verricht voordat de voor de activiteit verschuldigde bijdrage in het kader van het kostenverhaal is betaald. Hiervan kan worden afgeweken als een overeenkomst wordt gesloten waarin voorwaarden worden opgenomen over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling.
In dit geval mag de uitvoering van een activiteit wel starten voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Als er geen zekerheid voor betaling is overeengekomen vóór het nemen van het planologisch besluit, neemt de gemeente kostenverhaalsregels op in het omgevingsplan, danwel kostenverhaalvoorschriften op bij de omgevingsvergunning. Ook kan het zijn dat derden nadeel ondervinden van een nieuwe ontwikkeling. De Omgevingswet bevat hiervoor regels over mogelijke financiële compensatie in hoofdstuk 15.
8.1 Beoordeling De beoogde ontwikkeling is een initiatief van een private partij, waarbij de gemeente niet is betrokken. De financiële uitvoerbaarheid is voldoende verzekerd doordat het plan geheel en al voor rekening en risico van de initiatiefnemer wordt uitgevoerd en: •
er een anterieure overeenkomst is gesloten en de daarin opgenomen bijdrage in het kader van het kostenverhaal reeds is betaald, danwel is afdoende zekerheid gesteld dat deze betaald wordt;
8.2 Conclusie Het aspect financiën vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
40
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
9 Proces In dit hoofdstuk wordt de procedure rondom de totstandkoming van het omgevingsplan toegelicht. Ingegaan wordt op de wettelijke processtappen en de rol van de diverse instanties hierbij.
9.1 Wettelijke procedure 9.1.1
TAM-IMRO omgevingsplan
In de Algemene wet bestuursrecht zijn de regels opgenomen die mede van toepassing zijn op de wijziging van het omgevingsplan door de overheid (hoofdstuk 3 en 4). Na afronding van het vooroverleg met de ketenpartners en een eventueel participatieproces met omwonenden en belanghebbenden, start de formele procedure. Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerpomgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) c.q. Omgevingsloket. TAMomgevingsplannen kunnen net als de ‘oude’ bestemmingsplannen via de overbruggingsfunctie van het DSO geraadpleegd worden. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de daarbij behorende stukken zijn gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11 Awb). Binnen deze termijn had eenieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kon zowel schriftelijk als mondeling. Er zijn geen zienswijzen ingediend. De gemeenteraad besluit over de vaststelling van het TAM-omgevingsplan. De gemeente maakt het vastgestelde TAM-omgevingsplan bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via het LVBB.
Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Wanneer er zienswijzen zijn ingediend, stuurt het bevoegd gezag een exemplaar van het besluit aan degenen die zienswijzen over het ontwerpbesluit hebben ingediend. Ook doet het bevoegd gezag mededeling van het besluit aan een adviseur, als het bevoegd gezag van zijn advies afwijkt. Het bevoegd gezag vermeldt hierbij door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan, beroep mogelijk is. Een TAM-omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen (artikel 16.78, lid 1, Omgevingswet). Bekendmakingen Een (ontwerp)besluit wordt bekendgemaakt in het Gemeenteblad. Daarnaast worden (ontwerp)plannen ook zichtbaar gemaakt op het onderdeel Regels op de kaart van het landelijke omgevingsloket.
9.2 Advies en instemming vooroverlegpartners De Omgevingswet schrijft voor dat de gemeente in bepaalde gevallen advies moet vragen aan instanties (vooroverlegpartners) voordat er een besluit wordt genomen over de gevraagde wijziging van het omgevingsplan. Soms is er ook instemming van een instantie nodig voor het nemen van het besluit. 9.2.1.1 Beoordeling Gelet op de aard van de ontwikkeling, is geen advies nodig van een instantie.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
41
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
9.2.1.2 Conclusie De ontwikkeling is niet afhankelijk van advies of instemming van vooroverlegpartners.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
42
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
10 Eindconclusie Dit is het overkoepelende en samenvattende hoofdstuk waarin een integrale afweging wordt gemaakt met betrekking tot een goede en evenwichtige toedeling van de functies aan locaties.
10.1 Beoordeling Leidt de aanpassing van het omgevingsplan tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen in voorliggende onderbouwing. Daarbij zijn alle relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en beschreven en beoordeeld, ook in samenhang met elkaar. Daarnaast is er rekening gehouden met de diverse betrokken belangen (waaronder de instructieregels, projectbesluiten en voorbereidingsbesluiten van provincie en Rijk) en is het proces zorgvuldig doorlopen. Indien van toepassing, is per onderdeel benoemd onder welke voorwaarden er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
10.2 Conclusie Gelet op het vervullen van de maatschappelijke behoeften en een goede omgevingskwaliteit, het beschermen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en de daarbij betrokken belangen, is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de aangevraagde planaanpassing.
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
43
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Pieriksestraat 2 Angerlo
44