Bijlage 17. 1128584 m.e.r. beoordingsbesluit
Tekst van het document
Datum
Besluit
13 april 2021 Zaaknummer
m.e.r.-beoordelingsnotitie
2019-008135 Onderwerp
m.e.r. beoordelingsnotitie Ontgrondingenwet Rhederlaag te Zevenaar
K3 T.a.v. de heer M. Smits Wanraaij 2 6673 DN ANDELST
Inlichtingen bij
Provincieloket 026 359 99 99 post@gelderland.nl Blad
1 van 11
Aanvrager
Kenmerk
K3 Wanraaij 2 6673 DN ANDELST
E-mail d.d. 9 februari 2021
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Bahr en Lathum, sectie A, perceelnummers 1259, 1262, 1305, 1317, 1318, 1326, 1353 en sectie F, nummers 13, 18 t/m 21, 23, 25, 392, 461 en 991 t/m 993.
Geachte heer Smits, Op 9 februari 2021 hebben wij uw verzoek om een besluit op de separaat meegezonden aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Rhederlaag, gemeente Zevenaar, met bijlagen ontvangen. Het verzoek heeft betrekking op zand- en kleiwinning in combinatie met natuur- en recreatieve ontwikkelingen in een beperkt aantal deellocaties binnen het watersportgebied Rhederlaag, gelegen zuidoostelijk van Rheden, grenzend aan de IJssel, ten noorden van de provinciale weg N338. De ontgrondingsactiviteit strekt zich uit over een gebied van ca. 9 hectare (ha) van waaruit ca. 1,1 miljoen m³ zand wordt gewonnen. Hiervoor is een vergunning vereist als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Daarnaast omvat het project, als compenserende maatregel, de aanleg van nieuw zachthoutooibos op de kop van Wentink en van nieuwe natuur op het vogeleiland Valeplas. U vraagt ons op basis van voornoemde notitie een m.e.r.-beoordelingsbesluit, als bedoeld in artikel 7.16 Wet milieubeheer, te nemen.
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
2 van 11
Beoordeling en besluit
De aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Rhederlaag, gemeente Zevenaar d.d. 8 februari 2021, en de bijbehorende bijlagen/onderzoeken geven een goed beeld in de mogelijk te verwachten milieueffecten. Gedeputeerde Staten van Gelderland
-
Gezien het verzoek van K3 te Andelst, d.d. 9 februari 2021; Gelet op de bepalingen in de Wet milieubeheer; Gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit; Gelet op het Besluit m.e.r.; En gelet op de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
Besluiten
dat bij de voorbereiding van het besluit als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet, op grond van de overwegingen in dit besluit en op basis van het gestelde in artikel 7.2, lid 4 en paragraaf 7.6 Wet milieubeheer, met name artikel 7.17, derde lid, géén milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld voor de voorgenomen activiteit omdat: de ontgrondingsactiviteiten van het project naar verwachting geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben en; aan de natuurbelangen in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen door middel van het verbinden van voorschriften aan de ontgrondingsvergunning op grond waarvan inrichtingsmaatregelen worden gerealiseerd die aanleg van zachthoutooibos en nieuwe natuurwaarden garanderen, wat zorgdraagt voor een hogere biodiversiteit. Ter toelichting op dit besluit tekenen wij hierbij nog het volgende aan. Op 3 juni 2013 hebben wij vergunning verleend voor het ontgronden van bijna 29 ha in een aantal deellocaties in het onderhavige gebied Rhederlaag. Deze ontgronding behelsde een verdieping van een waterbodem van de plas over een omvang van ca. 18 ha en een ontgronding van een landbodem met ca. 10,95 ha. Wij waren toen reeds van oordeel dat er geen sprake was van omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de richtlijn en het opstellen van een MER dus niet noodzakelijk is.
Een identiek oordeel werd uitgesproken in een op 24 juli 2014 verleende wijziging van deze ontgrondingsvergunning, die een relatief geringe extra zandopbrengst impliceerde. Na de start van de uitvoering van deze zandwinning in 2014 is in overleg met de gemeente Zevenaar, betrokken bewoners en maatschappelijke organisaties besloten om de zandwinning tijdelijk te staken en een alternatief inrichtingsplan op te stellen. Dit plan ligt nu voor. De nu aan de orde zijnde beoogde ontgrondingsactiviteiten worden, in vergelijking met de eerder verleende (wijzigings)vergunning, zowel in oppervlak als in zandopbrengst, beperkt, terwijl de maatregelen ten behoeve van de versterking van de natuurwaarden worden verruimd.
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
3 van 11
De bijlage(n) zijn onderdeel van dit besluit
De bijlage bevat een toelichting op ons besluit. Neem de bijlage(n) goed door. Meer informatie
Heeft u nog vragen? Kijk daarvoor op gelderland.nl. U kunt ook contact opnemen met het Provincieloket via telefoonnummer 026 359 99 99. Houdt u het zaaknummer van deze brief bij de hand. We kunnen u dan sneller helpen. Met vriendelijke groet, namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,
Martin Kaal Teammanager Vergunningverlening
Deze beslissing is een voorbereidingsbeslissing ten behoeve van de aanvraag om een vergunning. Tegen deze voorbereidingsbeslissing kan gezien artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht alleen bezwaar worden gemaakt door belanghebbenden die los van het voor te bereiden besluit (de vergunning) rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Anderen kunnen in een later stadium zienswijzen indienen tegen de ontwerpbeschikking die wordt vastgesteld naar aanleiding van een aanvraag. Zij kunnen dan hun eventuele bezwaren tegen deze voorbereidingsbeslissing kenbaar maken. Deze zullen bij de beoordeling van de zienswijzen worden betrokken. Belanghebbenden, die los van de voorbereide besluiten rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, kunnen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum van de bekendmaking van deze beslissing hiertegen bij ons bezwaar maken door het indienen van een bezwaarschrift. Het bezwaarschrift dient te worden gezonden aan Gedeputeerde Staten, secretariaat commissie rechtsbescherming, Postbus 9090, 6800 GX Arnhem. Op envelop en brief duidelijk "bezwaarschrift" vermelden.
Bijlage(n): 1
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
4 van 11
Bijlage 1
1
Beoordelingsplicht milieueffectrapportage
Ingevolge de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage moet voor bepaalde activiteiten een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld. Hiermee wordt bereikt dat er voldoende milieu informatie beschikbaar is voordat milieurelevante besluiten worden genomen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Zo kan schade aan het milieu zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven voor welke activiteiten het opstellen van een MER verplicht is en voor welke activiteiten eerst beoordeeld moet worden of het opstellen van een MER noodzakelijk is (m.e.r.beoordeling plichtige activiteiten).
2
Voorgenomen activiteit/Ontgrondingenwet
De voorgenomen activiteit heeft betrekking op de winning van zand en klei. Hiervoor is een vergunning vereist op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet. De terreinoppervlakte bedraagt ca. 9 ha. Gelet op het Besluit milieueffectrapportage (bijlage onderdeel C, categorie 16.1) geldt er voor de voorgenomen activiteit géén rechtstreekse MER-plicht. De ontgrondingsactiviteit heeft namelijk betrekking op een terreinoppervlakte van minder dan de voorgeschreven drempelwaarde van 25 ha. Op grond van onderdeel D, categorie 16.1 van dit Besluit is er sprake van een m.e.rbeoordelingsplicht in gevallen waarin de voorgenomen activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlak van meer dan 12,5 ha. Ook hiervan is geen sprake. Echter, artikel 2, lid 5, onder b van het Besluit m.e.r. schrijft de verplichting tot een m.e.r.beoordeling óók voor in gevallen, waarin op grond van de in bijlage III bij de EEG-richtlijn 85/337/EEG (gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG en bij richtlijn 2003/35/EG; hierna EU-richtlijn milieubeoordeling projecten) genoemde selectiecriteria, niet kan worden uitgesloten dat de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Ons college dient derhalve aan de hand van deze selectiecriteria te beoordelen of voor de onderhavige activiteit een MER moet worden opgesteld.
3
Toetsingskader
Voor de m.e.r.-beoordeling is het uitgangspunt dat het maken van een MER niet nodig is, tenzij de voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
5 van 11
Bij de beoordeling van deze mogelijke gevolgen zijn artikel 7.17, lid 3 van de Wet milieubeheer en de criteria uit bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling betrokken: De kenmerken van de activiteit. De plaats waar de activiteit plaatsvindt. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.
4
Beoordeling
4.1. De kenmerken van de activiteit Bij de kenmerken van de activiteit zijn in het bijzonder in overweging genomen: Omvang van het project De m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit (zandwinning) strekt zich uit over circa 9 hectare, binnen een eveneens door zandwinning gerealiseerd watersportgebied van enkele honderden ha groot. Het project spitst zich toe op ontgronding, natuurontwikkeling en het realiseren van recreatieve meerwaarde (wandelen, fietsen, varen, camping). De werkzaamheden om tot het eindbeeld te komen bestaan uit: Het afgraven en verwerken binnen het plangebied van bovengrond en kleiig materiaal (ongeveer de bovenste 1 tot 5 meter), alvorens met de zandwinning wordt begonnen; Het winnen van zand met een drijvende zandzuiger; Het zand wordt middels een drijvende leiding naar een drijvende verladingsinstallatie gepompt, alwaar het gescheiden wordt en van waaruit direct schepen worden beladen; Er worden een aantal recreatieve voorzieningen aangelegd (grondwerk voor uitbreiding camping De Veerstal, wandel- en fietspaden); Er wordt ecologische meerwaarde gecreëerd door het graven van oeverzones met variërende taludhellingen en de aanleg van een natuureilandje. Het project wordt in maximaal 5 jaar uitgevoerd. Conform de CUR113 is voorafgaand aan de werkzaamheden de oever/taludstabiliteit beoordeeld.
Dit onderzoek beschrijft welke veilig zijn en welke het risico op eventuele oeverinscharing minimaliseren. In het ontgrondingsplan is een flauw talud gehanteerd ten behoeve van de recreatie en natuurontwikkeling op de oevers. Er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. De zandwinning betreft een uitbreiding van een bestaande plas; 2. De winning wordt op dezelfde manier uitgevoerd: dezelfde plasdiepte, dezelfde taludvorm, dezelfde winmethode en dezelfde producties; 3. Er is goede reden om aan te nemen dat de grondslag en de geohydrologische situatie niet significant verschillen; 4. De gevolgschade van een eventueel toch optredende oeverinscharing is aanvaardbaar klein.
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
6 van 11
Met inachtneming van de onderzoeksresultaten uit het stabiliteitsonderzoek concluderen wij dat het aspect geo-stabiliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project. De cumulatie met andere projecten Een dergelijke cumulatie doet zich niet voor. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Er wordt (ophoog)zand gewonnen ten behoeve van de Nederlandse bouwsector. Met deze werkzaamheden wordt een verbeterde uitgangssituatie voor recreatie en natuurontwikkeling gerealiseerd. De productie van afvalstoffen. Er worden geen afvalstoffen geproduceerd. Verontreiniging, milieu-hygiënische kwaliteit en hinder. Er worden geen andere productiemiddelen ingezet dan in de huidige vergunde situatie (Wabo) reeds vergund zijn. Het risico van ongevallen, met name gelet op gebruikte stoffen en technologieën Er zijn geen noemenswaardige risico’s voor ongevallen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten. Conclusie De kenmerken van de activiteit zijn voldoende onderzocht. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 4.2. De plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waar het project van invloed kan zijn, is in het bijzonder in overweging genomen: het bestaande grondgebruik: Het plangebied heeft de bestemming ‘dagrecreatie en ‘water’. Het gebied heeft hoofdzakelijk een recreatieve functie.
Om de ontgronding en ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het vigerende bestemmingsplan in voorbereiding. Het geldende bestemmingsplan dateert uit 2005, waarna in december 2016 een beheersverordening is vastgesteld. Deze wordt herzien. Voor de zandwinning wordt een tijdelijke ontgronding opgenomen met een af te voeren volume zand van maximaal 1.100.000 m³. Voor de herziening van het bestemmingsplan en de aanvraag van de benodigde vergunningen wordt een gecoördineerde procedure toegepast.
de aanwezigheid van- en de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied: Niet vernieuwbare hulpbron: - Zand wordt afgegraven en afgevoerd uit het gebied. De hoeveelheid is minder dan de vergunde situatie (1,1 mln. m³ vs. 2,2 mln. m³).
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
7 van 11
Hernieuwbare hulpbron: - Houtopstanden worden deels verwijderd, maar binnen het plangebied herplant op locaties die nu bestaan uit grasland. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu: De mogelijk relevante milieuaspecten voor het project zijn landschap en cultuurhistorie, archeologie, bodemkwaliteit, water, geluid en luchtkwaliteit, waarop hierna wordt ingegaan. Landschap en cultuurhistorie: Als maatregel van de Rijnkanalisatie is een deel van de IJssel verlegd. Deze maatregel is eind jaren ’60 afgerond om de bevaarbaarheid te verbeteren en om de afvoerverdeling van water uit de Rijn positief te beïnvloeden. Het landschap waarin het projectgebied zich bevindt is voor een belangrijk deel gevormd door deze rivierverlegging (bochtafsnijdingen) en door ontgrondingen. In de loop der tijd zijn plassen gegraven en met elkaar verbonden. De rivierverlegging en ontgrondingen maakten een geheel nieuwe bestemming mogelijk; watersportrecreatie. Op basis van het Recreatieplan Rhederlaag (KNHM i.o.v. gemeente Rheden, 1969/1970) werd gewerkt aan de creatie van een grootschalig dagrecreatiegebied, met als doel de vermindering van de druk op het centrale natuurgebied Veluwe en de opvang van bevolking van het stedelijk gebied Arnhem.
In dit kader is een agrarisch gebied/landschap omgevormd tot een groot aaneengesloten water met recreatieve voorzieningen dat fungeert als het grootste watersportgebied in Oost-Nederland. Het uitzicht vanaf het Rhederlaag, met de oude rivierlopen herkenbaar in het landschap en de Veluwe op de achtergrond maakt het Rhederlaag een uniek waterrijk gebied. De ontgrondingsmeren die nu zo typerend zijn voor het landschap waren voor de tweede helft van de jaren ‘60 van de vorige eeuw nog niet aanwezig en zijn sindsdien in fasen ontwikkeld en uitgebreid. Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Omdat de locaties in het verleden reeds zijn ontgraven zijn er geen archeologische waarden te verwachten.
Bodem(kwaliteit) Voordat met de zandwinning en de herontwikkeling van het gebied kan worden gestart, dient er inzicht te zijn in de bodemkwaliteit binnen het plangebied. In het plangebied kunnen lokale verontreinigingen voorkomen (voormalige stortplaatsen, gedempte sloten, voormalige bebouwing, e.d.).
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
8 van 11
Voor het thema bodem hebben PJ Milieu en SWECO indicatief onderzoeken gedaan naar de (water)bodemkwaliteit. Hierbij is met het zetten van boringen en het graven van proefsleuven de bovengrond en de kwaliteit hiervan in beeld gebracht. Oriënterend en nader bodemonderzoek op de noordoever concludeert dat de bovengrond op de noordoever overwegend ingedeeld is in klasse Wonen. Op één locatie is verontreiniging aangetroffen, waarna is overgegaan tot sanering van de verontreiniging tot gehalten onder de Achtergrondwaarden (45 m2). Voor wat betreft het terrein Wentink (SWECO): Indicatief waterbodemonderzoek concludeert dat de bovengrond overwegend ingedeeld is in klasse AW, met enkele uitzonderingen waar klasse B aangetroffen is. Met de resultaten uit het indicatieve onderzoek is de bovengrond binnen de inrichting toepasbaar. Voorafgaand aan de definitieve vergunningsaanvraag moet het indicatieve waterbodemonderzoek aangevuld worden tot de volledige onderzoeksinspanning volgens de gestelde normen. Water Door de uitvoering van het inrichtingsplan ontstaat een iets groter oppervlak aan water (uitbreiding van circa 9 hectare). Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding gezien de vergroting van de waterbergende capaciteit van het gebied.
Tevens maakt de beperkte uitbreiding van de plas de ontwikkeling van ooibos op diverse locaties binnen het plangebied in rivierkundig opzicht mogelijk. Voor het bepalen van de hydraulische effecten zijn de Baseline- en WAQUA-modellen gebruikt die door Rijkswaterstaat Oost-Nederland beschikbaar zijn gesteld. Witteveen+Bos heeft op basis van deze modellen de effecten voor de nieuwe inrichting in beeld gebracht en getoetst aan het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) 4.0 op de volgende onderdelen: • Maatgevende Hoogwaterstand op de rivier-as; • Maatgevende Hoogwaterstand buiten de rivier-as; • Afvoerverdeling; • Inundatiefrequentie; • Stroombeeld uiterwaard; • Stroombeeld in vaarweg; • Morfologische effecten. De toetsing aan het RBK 4.0 voldoet. Het project staat de waterbelangen niet in de weg. De ruimte voor extra waterberging door de ontgronding maakt natuurontwikkeling op diverse locaties binnen het plangebied mogelijk. Geluid In het geluidsonderzoek is gekozen om de geluidsimmissie te berekenen op basis van een overdrachtsmodel gebaseerd op geluidsbronvermogens. De redenen hiervoor zijn dat: • Het een prognose-onderzoek betreft en de inrichting nog niet in bedrijf is; • De representatieve bedrijfssituatie wisselend is; • Stoorlawaai van andere bedrijven/verkeerswegen aanwezig is; • De nauwkeurigheid van het onderzoek dit vereist.
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
9 van 11
De activiteiten in het gebied Rhederlaag vinden verspreid plaats over een groot gebied en zijn onder te verdelen in diverse bedrijfssituaties. De beoordelingspunten zijn gekozen bij woningen rondom het water en bij camping ‘De Veerstal’ en camping De Mars. De maatgevende geluidimmissie bij de beoordelingspunten is afhankelijk van de locatie van de werkzaamheden. De verschillende bedrijfssituaties zijn daarom gemodelleerd op enkele maatgevende locaties in het werk gebied. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering voor voorliggend plan. Luchtkwaliteit Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan aan de concentraties luchtvervuilende stoffen die zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. De initiatiefnemer beschikt reeds over een vigerende milieuvergunning.. Deze vergunning staat onder meer de winning van twee miljoen ton zand en grind per jaar toe. De bedrijfsactiviteiten zijn daarmee kleiner dan thans vergund. Dit betreft de vergunning met kenmerk 2009018783/MPM18654, d.d. 14 maart 2011. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project. Conclusie De plaats waar de activiteit zal plaatsvinden is voldoende onderzocht. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 4.3 Kenmerken van potentiële effecten Bij de potentiële effecten van het project is in samenhang met de criteria van de punten onder 4.1 en 4.2 in het bijzonder in overweging genomen: Beschermde natuurgebieden De locatie ligt omsloten door het GNN (Gelders Natuur Netwerk) (Vaalwaard) en vormt daardoor een prima locatie voor uitbreiding van het GNN.
De locatie geeft, naast 0,6 ha zachthoutooibos, invulling aan de volgende ontwikkelingsdoelen voor het GNN voor het betreffende deelgebied 175 ‘IJsseluiterwaarden IJsselkop - Giesbeek’: ontwikkeling van gemeenschappen van slikkige oevers; ontwikkeling van populaties van water- en moerasvogels; ontwikkeling van waterplanten-gemeenschappen;
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
10 van 11
-
ontwikkeling van populaties van vissen van traagstromende en stilstaande wateren, waar onder de bittervoorn, kleine en grote modderkruiper en rivierdonderpad.
Per saldo is sprake van een toename aan natuurwaarden binnen het GNN door: 1. Aanplant ca. 1,7 ha zachthoutooibos op de Kop van Wenting; 2. Creëren vogeleiland van ca. 1,2 ha en ca. 3 ha aan ondiepe zones en ondiep water daar omheen. Op het vogeleiland kan ca. 0,6 ha aan zachthoutooibos ontwikkelen. In totaal zal hierdoor ca. 5,9 ha aan nieuw GNN worden gecreëerd met zowel nieuw zachthoutooibos (ca. 2,3 ha) als leefgebied voor water- en moerasvogels (ca. 4,2 ha). Soortenbescherming Het plangebied vormt beperkt geschikt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën. Het betreft andere beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) waarvoor een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming geldt. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Voor de meeste niet-vrijgestelde soorten planten of dieren geldt dat ze tijdens het verkennend veldbezoek niet zijn aangetroffen en ook niet in het plangebied worden verwacht vanwege het ontbreken van geschikte biotoop voor deze soorten. Van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen of essentieel foerageergebied van vleermuizen is evenmin sprake. Bovendien blijft er genoeg foerageergebied in het plangebied beschikbaar.
Ook blijven in het recreatiegebied Rhederlaag veel bosschages behouden waar door middel van vleermuiskasten het eventuele verlies aan verblijfplaatsen gecompenseerd kan worden. Van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de betreffende vleermuissoort(en) is geen sprake. De voorgenomen herontwikkeling leidt derhalve niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. In het te kappen deel van het zachthoutooibos in de planlocatie Landtong Noordoever bevindt zich een nestplaats van de buizerd. Ook andere roofvogels en uilen met een jaarrond beschermde nestplaats, zoals sperwer, havik en ransuil, zouden hier kunnen broeden, maar zijn in de veldonderzoeken niet waargenomen. De voorgenomen activiteit leidt niet tot aantasting van jaarrond beschermde nestplaatsen van genoemde soorten in de planlocatie Landtong Noordoever. Er is dus ook geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Verder kunnen diverse soorten (zang)vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is, in de planlocaties broeden. Verstoring van broedende vogels dient voorkomen te worden, bijvoorbeeld door te werken buiten het broedseizoen van vogels dat globaal loopt van half maart tot begin augustus.
Datum
13 maart 2021 Zaaknummer
2019-008135 Blad
11 van 11
Stikstof De bescherming van belangrijke natuurgebieden is verankerd in de Wet natuurbescherming. De volgende gebieden vallen onder de werking van de Wet Natuurbescherming: o Natura-2000 gebieden. o Beschermde natuurmonumenten. o Gebieden die de minister aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere verplichtingen. Voor projecten en andere handelingen’(binnen en buiten Natura-2000 gebieden) waarvan niet op voorhand zeker is dat ze geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen vormen, geldt een vergunningplicht. Eén van de belangrijkste knelpunten voor vergunningverlening van de Wet Natuurbescherming vormt het aspect stikstofdepositie (NOX EN NH3). De depositie van stikstof vormt voor Nederland één van de belangrijkste belemmeringen op de Europese doelstelling te halen. Het onderzoek concludeert dat de depositie van stikstof op natuurgebieden ten opzichte van de huidige vergunde situatie afneemt. Stikstofdepositie is geen belemmering voor voorliggend plan. Conclusie De potentiële effecten van de activiteit zijn voldoende onderzocht. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.