CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 16. 1173297 - TOE Bijlage 10 Aanmeldingsnotitie m.e.r

Raadsvergaderingen 2022-2026 25 september 2024, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/415723 2e wijzigingsbesluit bestemmingsplan Rhederlaag5.670 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rhederlaag, gemeente Zevenaar Aanmeldingsnotitie m.e.r.‐beoordeling 24 juni 2019 / projectnummer: G32

K3Delta BV Postbus 200 6660 AE ELST (Gld) T 024 – 348 88 00 Wanraaij 2 6673 DN ANDELST Opgesteld door: Dhr. M. Smits Gecontroleerd door: Dhr. H. Hooijer Datum: 24 juni 2019

Inhoud 1.

2.

Inleiding .......................................................................................................................................... 2 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 2

1.2

Waarom een m.e.r.-beoordeling? ......................................................................................... 3

1.3

Doel van deze aanmeldingsnotitie ....................................................................................... 4

1.4

Procedure m.e.r.-beoordeling ............................................................................................... 4

Kenmerken van het project ........................................................................................................... 5 2.1

3.

4.

Wat houdt het project in? ...................................................................................................... 6

Plaats van het project .................................................................................................................... 7 3.1

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden .............................................................. 7

3.2

Planologische basis: de structuurvisie en het bestemmingsplan .................................... 10

Kenmerken van de potentiële effecten ...................................................................................... 11 4.1

Archeologische waarden ..................................................................................................... 12

4.2

Bodemopbouw..................................................................................................................... 12

4.3

Water..................................................................................................................................... 13

4.4

Geostabiliteit ........................................................................................................................ 13

4.5

Natuur en beschermde natuurgebieden ........................................................................... 15

4.6

Geluid .................................................................................................................................... 18

4.7

Trillingen ............................................................................................................................... 19

4.8

Stikstof .................................................................................................................................. 20

4.9

Luchtkwaliteit ....................................................................................................................... 21

5

Conclusie m.e.r.-beoordeling ...................................................................................................... 22

6

Bronnen ........................................................................................................................................ 23

1

1.

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de aanleiding van het project beschreven (§1.1) en waarom een m.e.r.beoordeling nodig is voor dit project (§1.2). Vervolgens wordt ingegaan op het doel van de m.e.r.beoordeling, de procedure van de m.e.r.-beoordeling en betrokken partijen (§1.3, 1.4).

1.1

Aanleiding K3Delta en Leisurelands zijn initiatiefnemers van het gewijzigd inrichtingsplan Rhederlaag. Na een lang proces van maatschappelijk overleg zijn partijen gekomen tot een breed gedragen inrichtingsplan voor het Rhederlaag. In het gebied het Rhederlaag wordt al sinds de jaren ’60 zand gewonnen. Het gebied is daardoor omgetoverd tot het grootste watersportgebied van Oost-Nederland. Sinds 2013 is K3Delta door een bedrijfsovername betrokken geraakt bij het Rhederlaag en heeft een samenwerking met Leisurelands voor het winnen van zand op vijf locaties in het gebied. Na de start van de uitvoering van deze zandwinning in 2014 werd snel duidelijk dat er in de omgeving veel onrust en verzet tegen deze zandwinning was. Daarom is in overleg met de provincie Gelderland, de gemeente Zevenaar, betrokken bewoners en maatschappelijke organisaties besloten om de zandwinning stop te zetten en een zoektocht te starten naar een alternatief inrichtingsplan. De afgelopen jaren heeft er een intensief overlegtraject plaatsgevonden en zijn partijen gekomen tot een breed gedragen inrichtingsplan voor het Rhederlaag. Dit inrichtingsplan draagt bij aan recreatieve versterking van het gebied en tevens aan de ontwikkeling van een hogere biodiversiteit door de aanleg van flauw aflopende oevers, natuureilandjes en nieuw ooibos.

Voor de realisatie van het inrichtingsplan zijn een ontgrondingsvergunning, een natuurvergunning, watervergunning en een omgevingsvergunning nodig.

2

1.2

Waarom een m.e.r.-beoordeling? Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.1) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Voor een aantal activiteiten geldt daarom een zogeheten m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Voor andere activiteiten geldt dat zij afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen zouden kunnen hebben. Voor de laatste activiteiten geldt een zogenaamde m.e.r.-beoordelingsplicht. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-(beoordelings)plicht van toepassing is. Een deel van de beoogde activiteiten heeft betrekking op een activiteit die in de activiteitenlijst staat van het Besluit m.e.r.:

16.1

De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld in categorie 16.2 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage.

Afbeelding 1. Plangebied Rhederlaag binnen de drie contouren.

1 In het algemeen wordt met ‘MER’ (hoofdletters) het milieueffectrapport zelf aangeduid en verwijst ‘m.e.r.’ (kleine letters) naar de procedure die doorlopen wordt om tot een milieueffectrapport te komen.

3

1.3

Doel van deze aanmeldingsnotitie De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (Gemeente Zevenaar en Provincie Gelderland) om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een m.e.r.-beoordeling is deze aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r.-procedure nodig is. Indien er sprake is van een dergelijke beoordelingsplicht dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: ‘Nee, tenzij …’ Dit uitgangspunt betekent dat er geen milieueffectrapport (MER) dient te worden opgesteld, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een MER wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Bijlage III noemt drie hoofdthema’s:   

Kenmerken van de activiteit (hoofdstuk 2 van deze notitie); Plaats van de activiteit (hoofdstuk 3 van deze notitie); Kenmerken van het potentiële effect (hoofdstuk 4 van deze notitie).

Deze aanmeldingsnotitie wordt opgesteld in verband met gebiedsontwikkeling in het Rhederlaag. Met het project wordt ingezet op natuurontwikkeling en het realiseren van recreatieve meerwaarde door middel van zandwinning.

1.4

Procedure m.e.r.-beoordeling Met deze aanmeldingsnotitie verzoeken de initiatiefnemers (K3Delta BV en Leisurelands) de provincie Gelderland (bevoegd gezag) te beoordelen of deze m.e.r.-beoordelingsnotitie afdoende is. In onderhavige aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is. Voorafgaand aan de terinzagelegging van de ontwerp ontgrondingsvergunning moet het bevoegd gezag een beslissing nemen of voor de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, vanwege belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu zou kunnen hebben, toch nog een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt in een zo vroeg mogelijk stadium een m.e.r.-beoordelingsbeslissing. Dit gebeurt in ieder geval vóór de terinzagelegging van de ontwerp ontgrondingsvergunning. Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn m.e.r.-beoordelingsbeslissing door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen en terinzagelegging. Indien beslist wordt dat geen MER gemaakt hoeft te worden, moet een kennisgeving hiervan in de Staatscourant worden geplaatst. Publicatie van het besluit is nodig bij projecten van > 12,5 hectare. Het project heeft betrekking op minder dan 12,5 hectare en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit (de ontgronding) ook. Deze bedraagt in dit geval circa 11,5 hectare.

De procedure is wettelijk vastgelegd in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm).

4

2.

Kenmerken van het project In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kenmerken van het project. In tabel 2.1 zijn de aspecten die hierbij van belang zijn samengevat. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de daaropvolgende paragrafen wordt het project nader toegelicht.

Tabel 2.1 Samenvatting met kenmerken van het project. Criteria Omvang van het project

Beschrijving De m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit (zandwinning) strekt zich uit over circa 11,5 hectare, deels al bestaande uit water en deels uit droge oeverzones.

Cumulatie met andere projecten

NVT

Gebruik natuurlijke hulpbronnen

Er wordt (ophoog)zand gewonnen ten behoeve van de Nederlandse bouwsector. Met deze werkzaamheden wordt een verbeterde uitgangssituatie voor recreatie en natuurontwikkeling gerealiseerd.

Productie afvalstoffen Verontreiniging en hinder

Er worden geen afvalstoffen geproduceerd. Er worden geen andere productiemiddelen ingezet dan in de huidige vergunde situatie (Wabo) reeds vergund zijn.

Risico van ongevallen

Er zijn geen noemenswaardige risico’s voor ongevallen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten.

5

2.1

Wat houdt het project in? Het project spitst zich toe op ontgronding, natuurontwikkeling en het realiseren van recreatieve meerwaarde (wandelen, fietsen, varen, camping). De werkzaamheden om tot het eindbeeld te komen bestaan uit:     

Het afgraven en verwerken binnen het plangebied van bovengrond en kleiig materiaal (ongeveer de bovenste 1 tot 5 meter), alvorens met de zandwinning wordt begonnen; Het winnen van zand met een drijvende zandzuiger; Het zand wordt middels een drijvende leiding naar een drijvende verladingsinstallatie gepompt, alwaar het gescheiden wordt en van waaruit direct schepen worden beladen; Er worden een aantal recreatieve voorzieningen aangelegd (grondwerk voor uitbreiding camping De Veerstal, wandel- en fietspaden). Er wordt ecologische meerwaarde gecreëerd door het graven van oeverzones met varierende taludhellingen en de aanleg van natuureilandjes

Het project wordt in maximaal 4 jaar uitgevoerd.

Afbeelding 2. Inrichtingsschets Rhederlaag.

6

3.

Plaats van het project In dit hoofdstuk wordt de plaats van het project beschreven. In tabel 3.1 worden de aspecten die hierbij van belang zijn samengevat. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In onderstaande paragrafen worden de relevante aspecten voor het gebied en de aanwezige waarden nader toegelicht.

Tabel 3.1 Samenvatting plaats van het project. Criteria Bestaande grondgebruik.

Beschrijving Het plangebied heeft de bestemming ‘dagrecreatie en ‘water’. Het gebied heeft hoofdzakelijk een recreatieve functie.

Rijkdom aan, en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied.

Niet vernieuwbare hulpbron: - Zand wordt afgegraven en afgevoerd uit het gebied. De hoeveelheid is minder dan de vergunde situatie (1,1 vs. 2,2 mln. m3);

Hernieuwbare hulpbronnen: - Houtopstanden worden deels verwijderd, maar binnen het plangebied herplant op locaties die nu bestaan uit grasland. Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Vogelen Habitatrichtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.

3.1

Het plangebied maakt gedeeltelijk deel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In de planlocaties zijn momenteel vrijwel geen natuur- en landschapswaarden aanwezig die onderdeel uitmaken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN deelgebied 175 IJsseluiterwaarden IJsselkop – Giesbeek. Relevante milieuaspecten voor de activiteiten zijn landschap, archeologie, bodem, water, natuur, woon- en leefmilieu (geluid en luchtkwaliteit).

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Landschap Als maatregel van de Rijnkanalisatie is een deel van de IJssel verlegd. Deze maatregel is eind jaren ’60 afgerond om de bevaarbaarheid te verbeteren en om de afvoerverdeling van water uit de Rijn positief te beïnvloeden. Het landschap waarin het projectgebied zich bevindt is voor een belangrijk deel gevormd door deze rivierverlegging (bochtafsnijdingen) en door ontgrondingen. In de loop der tijd zijn plassen gegraven en met elkaar verbonden. De rivierverlegging en ontgrondingen maakten een geheel nieuwe bestemming mogelijk; watersportrecreatie. Op basis van het Recreatieplan Rhederlaag (KNHM i.o.v. gemeente Rheden, 1969/1970) werd gewerkt aan de creatie van een grootschalig dagrecreatiegebied, met als doel de vermindering van de druk op het centrale natuurgebied Veluwe en de opvang van bevolking van het stedelijk gebied Arnhem. In dit kader is een agrarisch gebied/landschap omgevormd tot een groot aaneengesloten water met recreatieve voorzieningen dat fungeert als het grootste watersportgebied in Oost- Nederland. 7

Het uitzicht vanaf het Rhederlaag, met de oude rivierlopen herkenbaar in het landschap en de Veluwe op de achtergrond maakt het Rhederlaag een uniek waterrijk gebied.

Wateren De ontgrondingsmeren die nu zo typerend zijn voor het landschap waren voor de tweede helft van de jaren ‘60 van de vorige eeuw nog niet aanwezig en zijn sindsdien in fasen ontwikkeld en uitgebreid. De volgende afbeeldingen geven de ontwikkeling van het Rhederlaag in sprongen door de tijd weer.

Afbeelding 4.: Historische kaart 1966 (bron: Topotijdreis.nl)

8

Afbeelding 5.: Historische kaart 1977 (bron: Topotijdreis.nl)

Afbeelding 6.: Historische kaart 1998 (bron: Topotijdreis.nl)

9

3.2

Planologische basis: de structuurvisie en het bestemmingsplan

Om de ontgronding en ontwikkeling mogelijk te maken is de wijziging van het vigerende bestemmingsplan in voorbereiding. Het geldende bestemmingsplan dateert uit 2005, waarna in december 2016 een beheersverordening is vastgesteld. Deze wordt herzien. Voor de zandwinning wordt een tijdelijke ontgronding opgenomen met een af te voeren volume zand van maximaal 1.100.000 m³. Voor de herziening van het bestemmingsplan en de aanvraag van de benodigde vergunningen wordt een gecoördineerde procedure toegepast.

Afbeelding 7: Uitsnede structuurkaart Zevenaar 2030 (bron: Ruimtelijkeplannen.nl

10

4.

Kenmerken van de potentiële effecten

In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de potentiële effecten beschreven. In tabel 4 worden de aspecten die hierbij van belang zijn samengevat. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de daaropvolgende paragrafen worden verschillende (milieu)thema’s nader toegelicht. Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven zal voor het project een ontgrondingsvergunning worden aangevraagd. Om die vergunning te kunnen verkrijgen zijn ook een aantal milieuonderzoeken uitgevoerd.

Tabel 1 Samenvatting kenmerken van het project. Criteria Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

Beschrijving De effecten van de activiteit zijn alleen aanwezig in het plangebied zelf.

Grensoverschrijdend karakter

Er zijn geen grensoverschrijdende effecten.

Orde van grootte en complexiteit effect

De omvang van de effecten is beperkt en zijn gelijk of gereduceerd in vergelijking met de huidig vergunde situatie.

Waarschijnlijkheid effect

De mogelijke effecten die kunnen optreden komen overeen of zijn gelijk of gereduceerd in vergelijking met de huidig vergunde situatie.

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

De effecten beperken zich tot de uitvoeringsduur van het project. De uitvoeringsduur heeft weliswaar betrekking op een langere periode, maar hierbij moet opgemerkt worden dat delen van het gebied gefaseerd in bewerking zijn (buiten het recreatie seizoen) en ook fasegewijs worden opgeleverd. De effecten zijn tijdelijk en zijn na afloop van de activiteiten niet meer aanwezig. De herinrichting zorgt voor een hogere biodiversiteit en recreatieve waarden in het gebied.

11

4.1

Archeologische waarden

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Toetsing Omdat de locaties in het verleden reeds zijn ontgraven (winning van klei) zijn er geen archeologische waarden te verwachten.

Conclusie Ter plaatse van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht.

4.2

Bodemopbouw

Algemeen Voordat met de zandwinning en de herontwikkeling van het gebied kan worden gestart, dient er inzicht te zijn in de bodemkwaliteit binnen het plangebied. In het plangebied kunnen lokale verontreinigingen voorkomen (voormalige stortplaatsen, gedempte sloten, voormalige bebouwing, e.d.).

Toetsing Voor het thema bodem hebben PJ Milieu en SWECO indicatief onderzoeken gedaan naar de (water)bodemkwaliteit. Hierbij is met het zetten van boringen en het graven van proefsleuven de bovengrond en de kwaliteit hiervan in beeld gebracht.

Conclusie Noordoever (PJ Milieu) Oriënterend en nader bodemonderzoek op de noordoever2 concludeert dat de bovengrond op de noordoever overwegend ingedeeld is in klasse Wonen. Op één locatie is verontreiniging aangetroffen, waarna is overgegaan tot sanering3 van de verontreiniging tot gehalten onder de Achtergrondwaarden (45 m2).

Terrein Wentink (SWECO) Indicatief waterbodemonderzoek concludeert dat de bovengrond overwegend ingedeeld is in klasse AW, met enkele uitzonderingen waar klasse B aangetroffen is. Met de resultaten uit het indicatieve onderzoek is de bovengrond binnen de inrichting toepasbaar. Voorafgaand aan definitieve vergunningsaanvraag moet het indicatieve waterbodemonderzoek aangevuld worden tot de volledige onderzoeksinspanning volgends de gestelde normen4.

2

Oriënterend en nader bodemonderzoek en asbest in grondonderzoek Rhederlaag te Giesbeek, PJ Milieu, d.d. 22-12-2017 BUS sanering: identificatienummer melding 2018-007906, afronding gemeld op 20-09-2018 4 Indicatief waterbodem en asbestonderzoek, Kop van Wentink Rhederlaag, SWNLXX, d.d. 11-03-2019 3

12

4.3

Water

Algemeen Door de uitvoering van het inrichtingsplan ontstaat een iets groter oppervlak aan water (uitbreiding van circa 7 hectare). Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding gezien de vergroting van de waterbergende capaciteit van het gebied. Tevens maakt de beperkte uitbreiding van de plas de ontwikkeling van ooibos op diverse locaties binnen het plangebied in rivierkundig opzicht mogelijk.

Toetsing Voor het bepalen van de hydraulische effecten zijn de Baseline- en WAQUA-modellen gebruikt die door Rijkswaterstaat Oost-Nederland beschikbaar zijn gesteld. Witteveen+Bos heeft op basis van deze modellen de effecten voor de nieuwe inrichting in beeld gebracht en getoetst aan het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) 4.0 op de volgende onderdelen:       

Maatgevende Hoogwaterstand op de rivier-as; Maatgevende Hoogwaterstand buiten de rivier-as; Afvoerverdeling; Inundatiefrequentie; Stroombeeld uiterwaard; Stroombeeld in vaarweg; Morfologische effecten.

Conclusie De toetsing aan het RBK 4.0 voldoet. Het project staat de waterbelangen niet in de weg. De ruimte voor extra waterberging door de ontgronding maakt natuurontwikkeling op diverse locaties binnen het plangebied mogelijk.5

Afbeelding 8: Rivierkundig hoogtemodel van de eindinrichting.

5

Rivierkundige rapportage, Witteveen+Bos, 104453/19-007.432 d.d. 2-5-2019.

13

4.4

Geostabiliteit Conform de CUR113 wordt voorafgaand aan de werkzaamheden de oeverstabiliteit beoordeeld. Dit onderzoek beschrijft welke veilig zijn en het risico op eventuele oeverinscharing minimaliseren. In de ontgrondingsplannen is een flauw talud gehanteerd ten behoeve van de recreatie en natuurontwikkeling op de oevers.

Toetsing Conform paragraaf 4.2.1. uit de CUR113 is beoordeling van de taludstabiliteit uitgevoerd. Het ontwerp is op basis van ervaring mogelijk als er wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4.

De zandwinning betreft een uitbreiding van een bestaande plas; De winning wordt op dezelfde manier uitgevoerd: dezelfde plasdiepte, dezelfde taludvorm, dezelfde winmethode en dezelfde producties; Er is goede reden om aan te nemen dat de grondslag en de geohydrologische situatie niet significant verschillen De gevolgschade van een eventueel toch optredende oeverinscharing is aanvaardbaar klein.

Conclusie Voor deze winning is een stabiliteitsonderzoek uitgevoerd. Voor de uitvoering van de ontgronding wordt aan dezelfde eisen en voorwaarden voldaan. Met inachtneming van de onderzoeksresultaten uit het stabiliteitsonderzoek vormt het aspect geostabiliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.6

6

Stabiliteitsanalyse zandwinning Rhederlaag, Fugro, d.d. 27 juli 2018.

14

4.5

Natuur en beschermde natuurgebieden

Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en rond het besluitgebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via de provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.

Afbeelding 9: Uitsnede van het Natuurbeheerplan 2020 van de provincie Gelderland. Het plangebied maakt deels deel uit van het Gelders Natuurnetwerk.

Toetsing Op grond van artikel 2.7.1.1 van de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland mogen in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) in beginsel geen nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, tenzij:    

er geen reële alternatieven aanwezig zijn; er sprake is van redenen van groot openbaar belang; de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.

15

De voorgenomen uitbreiding van camping de Veerstal betreft echter een wijziging (uitbreiding) van een reeds vergunde en planologisch vastgelegde activiteit. Voor een dergelijke wijziging / uitbreiding van een bestaande functie gelden de regels van artikel 2.7.1.2 van de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Daarin is aangegeven dat in een bestemmingsplan, dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het GNN, uitbreiding van bestaande functies mogelijk kan worden gemaakt indien in de toelichting bij het plan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Uit paragraaf 4 blijkt dat als gevolg van de bestemmingswijziging voor de uitbreiding van camping de Veerstal sprake is van een functiewijziging binnen ca. 1,8 ha aan begrensde GNN op de landtong noordoever. Inclusief de kwaliteitstoeslag van +1/3 zal minimaal 2,4 ha aan nieuwe GNN moeten worden gecreëerd zodat er per saldo sprake is van een verbetering van de kwaliteit van het GNN. Een deel van het verlies aan wilgenbos wordt op de landtong noordoever teruggebracht door middel van aanplant van nieuw wilgenbos.

Het betreft een oppervlakte van bijna 4 ha waar wilgenbos wordt aangeplant aangrenzend aan bestaand (en resterend) wilgenbos. Gelet op de ligging hiervan in een recreatief druk bezocht gebied en aangrenzend aan een campingterrein zal deze locatie echter niet binnen de begrenzing van GNN worden gebracht. Deze oppervlakte aan nieuw wilgenbos wordt dan ook niet betrokken bij de per saldo beoordeling ten aanzien van GNN. Het verlies aan 1,8 ha aan wilgenbos binnen GNN als gevolg van de functiewijziging die noodzakelijk is voor de uitbreiding van camping de Veerstal wordt op de volgende wijze gecompenseerd waardoor er per saldo sprake is van een toename aan natuurwaarden binnen GNN: 1. Aanbrengen nieuw zachthoutooibos op de Kop van Wentink; 2. Creëren nieuwe natuur vogeleilanden Valeplas.

Afbeelding 10: Uitsnede inrichtingsplan met vogeleiland en Kop van Wentink. 16

Ad 1. Aanbrengen nieuw zachthoutooibos op de Kop van Wenting Als gevolg van de herontwikkeling van de deellocatie Kop van Wenting wordt hier in totaal ca. 1,7 ha nieuw wilgenbos aangeplant waardoor hier op termijn een zachthoutooibos ontstaat. Deze locatie maakt momenteel onderdeel uit van de Groene Ontwikkelingszone, maar zal een natuurbestemming en - door herbegrenzing - de status GNN krijgen.

Ad 2. Creëren nieuwe natuur vogeleilanden Valeplas Naast aanplant van nieuw zachthoutooibos op de Kop van Wenting, is voorzien in de uitbreiding van het GNN met een locatie in de Valeplas die in eigendom is van initiatiefnemer Leisurelands. Het betreft een locatie aan de oostzijde van de Valeplas waar momenteel twee dammen aanwezig zijn. Hier wordt door het aanbrengen van ca. 100.000 m3 grond een groter vogeleiland gecreeerd van ca. 1,2 ha. Daar omheen zal ca. 3 ha aan ondiepe zones en ondiep water worden gecreeerd door het verder verondiepen van het omliggende water. Rondom het vogeleiland zal de waterdiepte dan variëren van 0-1,5 meter. De taluds van het eiland worden zeer flauw (variërend van 1:7 aan de westzijde tot 1:10 - 1:20 aan de oostzijde) waardoor hier een groot aandeel aan slikkige oevers en ondiepe zones ontstaat. De ruimte tussen de huidige dam en het eilandje zal deels opgevuld worden, waardoor hier bij lagere waterstanden een geïsoleerde poel ontstaat met slikkige oeverzones.

Conclusie De locatie ligt omsloten door GNN (Vaalwaard) en vormt daardoor een prima locatie voor uitbreiding van de begrenzing van het GNN. De locatie geeft, naast 0,6 ha zachthoutooibos, invulling aan de volgende ontwikkelingsdoelen voor GNN voor het betreffende deelgebied 175 IJsseluiterwaarden IJsselkop – Giesbeek:    

ontwikkeling gemeenschappen van slikkige oevers. ontwikkeling populaties van water- en moerasvogels. ontwikkeling waterplanten-gemeenschappen. ontwikkeling populaties van vissen van traagstromende en stilstaande wateren, waar onder: bittervoorn, kleine en grote modderkruiper, rivierdonderpad

Per saldo is hierdoor sprake van een toename aan natuurwaarden binnen GNN door: 1. 2.

Aanplant ca. 1,7 ha zachthoutooibos op de Kop van Wenting; Creëren vogeleiland van ca. 1,2 ha en ca. 3 ha aan ondiepe zones en ondiep water daar omheen. Op het vogeleiland kan ca. 0,6 ha aan zachthoutooibos ontwikkelen.

In totaal zal hierdoor ca. 5,9 ha aan nieuwe GNN worden gecreëerd met zowel nieuw zachthoutooibos (ca. 2,3 ha) als leefgebied voor water- en moerasvogels (ca. 4,2 ha).7

7

Beschouwing GNN wijziging ontgronding Rhederlaag, versie D4, d.d. 8-06-2019.

17

4.6

Geluid

Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is een geluidgevoelige functie.

Industrielawaai Als sprake is van de realisatie van een functie die geluidoverlast produceert in de nabijheid van woningen moet worden onderzocht of de geluidhinder op deze hindergevoelige functies aanvaardbaar is. Daarbij dient zowel de directe hinder (geluidshinder afkomstig vanaf de locatie van de functie) als indirecte hinder (geluidshinder van verkeer buiten de locatie van en naar de inrichting) te worden beschouwd.

Toetsing In het geluidsonderzoek is gekozen om de geluidsimmissie te berekenen op basis van een overdrachtsmodel gebaseerd op geluidsbronvermogens. De redenen hiervoor zijn dat:    

Het een prognose onderzoek betreft en de inrichting nog niet in bedrijf is; De representatieve bedrijfssituatie wisselend is; Stoorlawaai van andere bedrijven/verkeerswegen aanwezig is; De nauwkeurigheid van het onderzoek dit vereist.

De activiteiten in het gebied Rhederlaag vinden verspreidt plaats over een groot gebied en zijn onder te verdelen in diverse bedrijfssituaties. De beoordelingspunten zijn gekozen bij woningen rondom het water en bij camping ‘De Veerstal’ en camping De Mars. De maatgevende geluidimmissie bij de beoordelingspunten is afhankelijk van de locatie van de werkzaamheden. De verschillende bedrijfssituaties zijn daarom gemodelleerd op enkele maatgevende locaties in het werk gebied.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.8

8

Akoestisch onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R004, d.d. 4 oktober 2018.

18

4.7

Trillingen

Toetsing Voor het beoordelen van trillingen op het risico van gebouwschade, hinder voor personen in gebouwen of verstoring aan apparatuur, heeft de Stichting Bouwresearch in augustus 2002 een meet- en beoordelingsrichtlijn ‘Trillingen’ uitgegeven. Deze richtlijn bestaat uit drie delen met de volgende aandachtgebieden:   

Schade aan gebouwen (deel A) versie 2017 Hinder voor personen in gebouwen (deel B) versie 2002 Storing aan apparatuur (deel C) versie 2002.

De richtlijn heeft geen wettelijke status maar heeft mede door jurisprudentie een ruim draagvlak opgebouwd en wordt geïnterpreteerd als de meest recente stand der inzichten. Als aanvulling hierop wordt opgemerkt dat in de Rechtbank door de eisers ook aan deze documenten gerefereerd is. In het onderhavige geval zijn alleen de delen A en B aan de orde.

Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.9

9

Trillingen onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R003, d.d. 4 oktober 2018

19

4.8

Stikstof

Algemeen Voor het aspect stikstofdepositie is reeds een vigerende milieuvergunning. Deze vergunning staat onder meer de afvoer van twee miljoen kuub zand en grind toe. In samenspraak met bevoegd gezag en de betrokken omgeving is gezocht naar een breed gedragen plan voor de zandwinning. Na intensief overleg is een afspraak gemaakt over de uitbreiding van de zandwingronden in gebied Rhederlaag. Het betreft twee locaties, de Kop van Wenting en een deel van de noordoever ten zuiden van camping De Veerstal. Hierbij is sprake van de winning en afvoer van maximaal 1.100.000 m3 zand. De bedrijfsactiviteiten zijn daarmee kleiner dan thans vergund. De aanvraag heeft betrekking op de zandwinning in het gebied Rhederlaag en daarnaast op de loskade aan de Rivierweg 2 te Lathum. Het doel van het onderzoek is het berekenen en toetsen van de stikstofdepositie op de omliggende natuurgebieden de berekenden waarden worden getoetst aan de regels uit de Regeling Programmatische Aanpak Stikstoof(PAS).

Toetsing De bescherming van belangrijke natuurgebieden is verankerd in de Wet natuurbescherming. De volgende gebieden vallen onder de werking van de Wet Natuurbescherming:   

Natura-2000 gebieden. Beschermde natuurmonumenten. Gebieden die de minister aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere verplichtingen.

Voor projecten en andere handelingen’(binnen en buiten Natura-2000 gebieden) waarvan niet op voorhand zeker is dat ze geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen vormen, geldt een vergunningplicht. Eén van de belangrijkste knelpunten voor vergunningverlening van de Wet Natuurbescherming vormt het aspect stikstofdepositie (NOX EN NH3). De depositie van stikstof vormt voor Nederland één van de belangrijkste belemmeringen op de Europese doelstelling te halen.

Conclusie Het onderzoek concludeert dat de depositie van stikstof op natuurgebieden ten opzichten van de huidige vergunde situatie gelijk blijft. 10 De recente uitspraak door de Raad van State d.d. 29 mei 2019 betreft de PAS is geen belemmering van voorliggend plan.

10

Stikstofdepositie onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R002, d.d. 4 oktober 2018

20

4.9

Luchtkwaliteit

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtstbij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan aan de concentraties luchtvervuilende stoffen die zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

21

Toetsing De initiatiefnemer beschikt reeds over een vigerende milieuvergunning.. Deze vergunning staat onder meer de winning van twee miljoen ton zand en grind per jaar toe. In samenspraak met bevoegd gezag en de betrokken omgeving is gezocht naar een breed gedragen plan voor de zandwinning. Na intensief overleg is de afspraak gemaakt voor de uitbreiding van de zandwingronden in gebied Rhederlaag. Het betreft twee locaties, de Kop van Wentink en een deel van de noordoever ten zuiden van camping De Veerstal. Hierbij is sprake van de afvoer van maximaal 1.100.000 m3 zand, de bedrijfsactiviteiten zijn daarmee kleiner dan thans vergund. Dit betreft de vergunning met kenmerk 2009-018783/MPM18654 d.d. 14 maart 2011.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.11 5

Conclusie m.e.r.-beoordeling

Uit de behandeling van de criteria en de beschrijving van de potentiële effecten blijkt dat deze beoordeeld en getoetst zijn ten behoeve van de uitbreiding van de (ontgrondings-)werkzaamheden het Rhederlaag. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu (op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage). De effecten zijn in relatie tot de ontgrondingswerkzaamheden Rhederlaag in kaart gebracht waardoor geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld.

In deze aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn, op basis van de beschikbare informatie en onderzoeken, de potentiële effecten beschreven van de voorgenomen activiteiten ter plaatse van het Rhederlaag. Deze activiteiten kenmerken zich door een uitbreiding van het bestaande wateroppervlak, ontwikkeling van meer biodiversiteit door de aanleg van flauw aflopende oevers, natuureilandjes en nieuw ooibos. Dit inrichtingsplan draagt bij aan recreatieve versterking van het gebeid. De aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling is opgesteld voor het bevoegd gezag, te weten de provincie Gelderland (ontgrondingsvergunning). Het bevoegd gezag beslist op basis van deze aanmeldingsnotitie of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. De m.e.r.beoordeling kent een ‘nee, tenzij principe’. Dit betekent dat er geen MER opgesteld hoeft te worden tenzij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het project. In de tabellen 2.1, 3.1 en 4 zijn alle criteria behandeld zoals benoemd in Bijlage III van de Europese Richtlijn. Dit is de basis van de m.e.r.-beoordeling. In hoofdstuk 4 is een beschrijving gegeven van de potentiële effecten van de activiteiten.

11

Luchtkwaliteit onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R001, d.d. 4 oktober 2018.

22

6

Bronnen en bijlagen 

Rivierkundige rapportage, 104453/19-007.432 d.d. 2-5-2019.

Oriënterend en nader bodemonderzoek en asbest in grondonderzoek Rhederlaag te Giesbeek, PJ Milieu, d.d. 22-12-2017

BUS sanering: identificatienummer melding 2018-007906, afronding gemeld op 20-09-2018

Indicatief waterbodem en asbestonderzoek, Kop van Wentink Rhederlaag, SWNLXX, d.d. 11-032019

Beschouwing GNN wijziging ontgronding Rhederlaag, versie D4, d.d. 08-06-2019.

Stabiliteitsanalyse zandwinning Rhederlaag,, versie 2.0, Fugro, d.d. 27 juli 2018.

Akoestisch onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R004, d.d. 4 oktober 2018.

Stikstofdepositie onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R002, d.d. 4 oktober 2018

Luchtkwaliteit onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R001, d.d. 4 oktober 2018.

Trillingen onderzoek Rhederlaag DGMR, versie 003, M.2017.0357.02.R003, d.d. 4 oktober 2018

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=4c3c5c2a-16aa-4c47-b1fc-40d842e521d5