Bijlage 14. 1184494 TOE Bijlage 8 Nader onderzoek vleermuizen
Tekst van het document
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier
September 2023 rapportnummer: 221657-Da Costastraat
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
Colofon Titel: Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar In opdracht van: Gemeente Zevenaar Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen: Onderzoeksmethodiek:
Nader onderzoek naar vleermuizen Auditieve (batdetector Pettersson D240x, D500x, batlogger M en Anabat Walkabout), visuele inspectie en territoriumkartering
Auteur: Collegiale toetsing:
Jasper Gelderblom Bas Voerman
Datum: Status: Foto voorzijde:
september 2023 definitief huismus, gewone dwergvleermuis gierzwaluw en het projectgebouw
Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie: www.ecochore.nl
INHOUD 1. AANLEIDING EN DOEL
1
2. INVENTARISATIEOPZET
2
2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK 2.1.1 AANVULLENDE ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN 2.2 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE 2.3 GEBIEDSBESCHRIJVING 2.4 GEPLANDE RENOVATIEWERKZAAMHEDEN
2 2 3 3 4
3. ONDERZOEKSRESULTATEN
5
3.1 VLEERMUIZEN 3.1.1 VOORZOMERONDERZOEK - KRAAMPERIODE 3.1.2. NAZOMERONDERZOEK – BALTS-/PAARPERIODE
5 5 5
4. TOETSING SOORTENBESCHERMING–WET NATUURBESCHERMING
6
4.1 ALGEMEEN 4.2 EFFECTEN 4.2.1 VLEERMUIZEN 4.2.2 LEEFGEBIED VLEERMUIZEN
6 6 6 6
5. CONCLUSIE
8
GERAADPLEEGDE BRONNEN
9
BIJLAGEN
10
BIJLAGE 1 – GEBIEDSIMPRESSIE BIJLAGE 2 – VERSPREIDINGSKAARTEN AANGETROFFEN SOORTEN BIJLAGE 3 - TOELICHTING WET NATUURBESCHERMING – SOORTENBESCHERMING
11 12 13
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
1. AANLEIDING EN DOEL Aan de Da Costastraat 2 in Zevenaar is Gemeente Zevenaar voornemens het bestaande schoolgebouw te slopen om ruimte te maken voor woningbouw. Het slopen van een gebouw kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is aan Ecochore Natuurtechniek opdracht gegeven voor de uitvoering van een ecologisch onderzoek om zo de mogelijk negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen.
Op voorhand is ingeschat dat van vleermuizen te weinig gedetailleerde en recente verspreidingsgegevens voorhanden waren waardoor nader onderzoek naar deze soorten noodzakelijk werd geacht. Om deze reden is naar deze soortgroep nader onderzoek uitgevoerd. Om de functie van het gebied voor vleermuizen in kaart te kunnen brengen, is het ecologisch onderzoek uitgevoerd in de periode september 2022 en mei-juli 2023. Hierbij zijn verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van vleermuizen. Tijdens dit ecologische onderzoek in 2022 en 2023, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Welke (beschermde) vleermuizen maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij uitvoer van de ingreep de Wet Natuurbescherming overtreden. Dit rapport beschrijft de bevindingen en consequenties van dit aanvullende onderzoek.
Ecochore Natuurtechniek
1
2. INVENTARISATIEOPZET In 2022 en 2023 is er een aanvullend, gericht ecologisch onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in onderstaande paragraaf nader toegelicht. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van deze soorten (zie Tabel 1). Gezien de geringe grootte van het onderzoeksgebied, wordt verwacht dat er geen essentiële functies zijn gemist. Bezoekdata
Starttijd
Weergesteldheid
Hoofdonderzoek
08-09-2022
22:00
14°C, droog, bewolking 5/8, wind 1 ZO
29-09-2022
21:30
8°C, droog, bewolking 5/8, wind 2 WZW
17-05-2023
21:15
12°C, droog, bewolking 3/8, wind 3 NW
22-06-2023
21:45
21°C, droog, bewolking 8/8, wind 2 OZO
24-07-2023
03:30
11°C, droog, bewolking 6/8, wind 2 NW
vleermuizen – balts vleermuizen – balts vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer
Tabel 1: Bezoekdata en weersgesteldheid. Het veldwerk is uitgevoerd door: R. Papendorp, W. ter Beek, K. Weiland en B. Voerman.
2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK 2.1.1 AANVULLENDE ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN Vleermuizen Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x, Anabat Walkabout, Batlogger M en luisterkist D500x) is de echolocatie, die vleermuizen uitzenden, voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt op een extern opname apparatuur. Met behulp van de computerprogramma’s Batsound en Kaleidoscoop zijn de geluiden nader geanalyseerd. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. De voorzomerbezoeken zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van kraam- en zomerverblijven. Tijdens de nazomerronden lag de nadruk op het in kaart brengen van balts- en paarlocaties en indicaties voor winterverblijven. Het ochtendbezoek is uitgevoerd vanaf enkele uren voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De avondbezoeken in het voorjaar zijn gestart ruim voor zonsondergang tot enkele uren hierna.
Doordat binnen het plangebied ruige dwergvleermuizen en laatvliegers te verwachten waren, is tijdens de avondbezoeken langer gepost tot circa 2,5 uur na zonsondergang. De bezoeken in september 2022 zijn in de nachtelijke uren uitgevoerd. Het onderzoek is minimaal 1 uur na zonsondergang gestart. De gebruikte methoden zijn gebaseerd op het vleermuisprotocol 2021 zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Ecochore Natuurtechniek
2
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
2.2 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE Aanvullend onderzoek De aanvullende onderzoeken zijn volgens de genoemde protocollen uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet Natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht, zie kader bijlage 3) van de Wet Natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode zijn gebonden. Voor Europees beschermde soorten als vleermuizen, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch verandert waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.
Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in september 2022 en mei-juli 2023. Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd. Door het uitvoeren van verschillende avond-, nacht- en ochtendbezoeken en gebruik van nachtcamera Pulsar om zo een maximale trefkans te verkrijgen, kan, gezien de onderzoeksinspanning en de verkregen verspreidingsgegevens, worden gesteld dat er een volledig beeld is gekregen van de functies van het gebied voor alle soorten vleermuizen.
2.3 GEBIEDSBESCHRIJVING Het onderzoeksgebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Zevenaar. Het schoolgebouw is gesitueerd aan de Da Costastraat 2. Het gebouw is opgetrokken uit gespouwde bakstenen muren, is enkel-laags gebouwd en heeft een plat dak. Het is deels voorzien van gevelbekleding en heeft open stootvoegen. De ruimte rondom het gebouw is ingericht als schoolplein, met veel verharding en speelgras. Er is sprake van achterstallig groenonderhoud. De directe omgeving bestaat uit diverse typen woningen met openbaar groen en een bomenrijen. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 1.
Ecochore Natuurtechniek
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied: links de ligging binnen de regio en rechts de ligging in de directe omgeving (binnen groene lijnen ligt de ligging van de omgeving van het plangebied en binnen de rode lijnen het globale plangebied). Bron luchtfoto’s: Google Earth
2.4 GEPLANDE RENOVATIEWERKZAAMHEDEN Aan de Da Costastraat 2 in Zevenaar, is Gemeente Zevenaar voornemens het bestaande schoolgebouw te slopen om plaats te maken voor woningbouw. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ingrepen. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd.
Ecochore Natuurtechniek
4
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd voor de kilometerhokken waarbinnen het plangebied ligt: 202-438. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. In bijlage 2 zijn de verspreidingskaarten opgenomen met enkele aangetroffen, beschermde soorten. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 3.
3.1 VLEERMUIZEN Gezien de ecochore1 van het plangebied en de ecologie van verschillende soorten vleermuizen, kan worden aangenomen dat het plangebied een onderdeel vormt in het leefgebied van verschillende soorten. Met name door de ligging binnen de bebouwde kom met veel groen, kan de planlocatie voor vleermuizen geschikt leefgebied vormen. In het schoolgebouw waren verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten op voorhand niet uit te sluiten. Voor geschikte verblijfplaatsen moet met name gedacht worden aan ruimten achter betimmering, spouwmuren, loodflappen en dergelijke. Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te kunnen stellen, is aanvullend vleermuis-onderzoek uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is 1 vleermuissoort aangetroffen: Gewone dwergvleermuis
(Pipistrellus pipistrellus)
In bijlage 2 is de verspreidingskaart van het onderzoeksgebied met de aangetroffen soort opgenomen. Hieronder worden de resultaten per onderzoeksperiode behandeld.
3.1.1 VOORZOMERONDERZOEK - KRAAMPERIODE Tijdens het voorzomeronderzoek is een enkele gewone dwergvleermuizen in het gebied aanwezig. Het aantal individuen is tijdens alle bezoeken vrij laag. In en rondom het plangebied wordt door maximaal 4 gewone dwergvleermuizen intensief gefoerageerd. Tijdens de ochtendronde van 24-07 werd 1 baltsend exemplaar in het plangebied aangetroffen. Dit gedrag is te linken aan het in het nazomeronderzoek gevonden paarverblijf buiten het plangebied. In het schoolgebouw zijn geen zomer- of kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Overige vleermuissoorten zijn tijdens het voorzomeronderzoek binnen het onderzoeksgebied niet aangetroffen.
3.1.2. NAZOMERONDERZOEK – BALTS-/PAARPERIODE Er is grenzend aan het plangebied 1 paarverblijf vastgesteld in de kopgevel van een naastgelegen woning. Het verblijf bevond zich vermoedelijk onder een gevelpan. Hier werd een baltsend mannetje met grote regelmaat baltsend dicht langs de gevel vastgesteld. De baltsvlucht van het mannetje doorsneed eveneens enkele malen het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen aanwijzingen van een vermoedelijke paarlocatie vastgesteld. Van overige soorten is geen baltsgedrag binnen het onderzoeksgebied geconstateerd. 1
Een ecochore is een ruimtelijk begrensde ecologische eenheid, gekenmerkt door een inwendige heterogeniteit in een halfnatuurlijk of cultuurlandschap. Een ecochore bestaat uit een verzameling ecotopen; bijvoorbeeld de verschillende aan elkaar grenzende ecotopen op en rond een erf of binnen een specifiek landschaptype. Samen vormen deze ecotopen een gevarieerd landschap.
Ecochore Natuurtechniek
5
4. TOETSING SOORTENBESCHERMING–WET NATUURBESCHERMING 4.1 ALGEMEEN Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.5 Artikel 3.10 Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn. De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime.
Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 3.
4.2 EFFECTEN In deze paragraaf worden de effecten van de werkzaamheden, zoals beschreven in paragraaf 2.4, op beschermde soorten getoetst aan de Wet Natuurbescherming.
4.2.1 VLEERMUIZEN Het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied voor in andere gebouwen gevestigde vleermuizen. In het te slopen gebouw zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Doordat door de sloop van de school geen verblijfplaatsen verdwijnen, zijn geen gerichte maatregelen of ontheffing noodzakelijk.
4.2.2 LEEFGEBIED VLEERMUIZEN De geplande werkzaamheden hebben betrekking op maatregelen in relatie tot de bestaande bebouwing. Groenstructuren in de directe omgeving blijven behouden waardoor foerageermogelijkheden en mogelijke vliegroutes behouden blijven. Hierdoor is er geen sprake van een significant negatief effect op het leefgebied van vleermuizen waardoor geen nadere afweging voor deze gebiedsfuncties noodzakelijk is. Een eventuele toename van verlichting op de omgeving, zowel in de sloop-, bouw- als in de gebruiksfase, kan echter wel een negatief effect hebben. Hierbij moet met name gedacht worden aan een toename van (strooi)licht in de boomkronen. Door eventuele lichtbronnen zo te plaatsen Ecochore Natuurtechniek
6
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
dat de stralenbundels zo min mogelijk in de boomkronen schijnen, wordt een vermindering door strooilicht in foerageerkwaliteit en vlieggeleiding voorkomen. Indien verlichting in de bouwfase noodzakelijk is, bijvoorbeeld door het plaatsen van een bouwwatch, wordt aangeraden om te kiezen voor amberkleurige verlichting. Licht in dit kleurenspectrum heeft nauwelijks tot geen negatief effect op vleermuizen. Indien in de sloop-, bouw- en/of gebruiksfase een duidelijke toename van verlichting niet kan worden voorkomen, is vooraf afstemming met een ecoloog noodzakelijk. Voor het slopen van de school is geen ontheffing en zijn geen gerichte maatregelen voor vleermuizen noodzakelijk. Indien een duidelijke toename van verlichting in de sloop-, bouw- en/of gebruikfase niet kan worden voorkomen, is een nadere afstemming met een ecoloog noodzakelijk.
Ecochore Natuurtechniek
7
5. CONCLUSIE Gemeente Zevenaar is voornemens om een bestaand schoolgebouw te slopen om zo ruimte te maken voor nieuwbouw. Op de planlocatie is een gericht onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor vleermuizen. Vleermuizen Er zijn in het schoolgebouw geen verblijven van vleermuizen vastgesteld. Het projectgebied wordt wel gebruikt als foerageergebied. De directe omgeving biedt echter voldoende geschikte mogelijkheden voor vleermuizen om te foerageren en als vlieggeleiding. Hierdoor is geen ontheffing en zijn nadere maatregelen noodzakelijk. Voor het slopen van de school is geen ontheffing en zijn geen gerichte maatregelen voor vleermuizen noodzakelijk. Indien een duidelijke toename van verlichting in de sloop-, bouw- en/of gebruikfase niet kan worden voorkomen, is een nadere afstemming met een ecoloog noodzakelijk. Volledigheid onderzoek Binnen het plangebied, is onderzoek naar vleermuizen conform het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd. Dit onderzoek geeft een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van vleermuizen.
Aan de hand van de bevindingen van het onderzoek, de samenstelling van de aangetroffen vleermuissoorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen vleermuizen met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist. Hierdoor kan het natuuronderzoek als volledig worden beschouwd.
Ecochore Natuurtechniek
8
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur Bekker J.P, P. Twisk & A. Diepenbeek (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV uitgeverij. H. Limpens et al. (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Ministerie van EZ (2014). Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus Pipistrellus. Geraadpleegd van Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis (rvo.nl) Ministerie EZ - Regeling - Wet natuurbescherming - BWBR0037552. (2021, 1 juli). Geraadpleegd van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01#Hoofdstuk1
Internetbronnen NDFF, nationale databank flora en fauna (www.ndff.nl) Ministerie van EZ (http://mineleni.nederlandsesoorten.nl) Waarneming.nl, website met soortenwaarnemingen in Nederland (www.waarneming.nl)
Ecochore Natuurtechniek
9
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3:
Gebiedsimpressie Verspreidingskaarten aangetroffen soorten; Verspreidingskaart vleermuizen Toelichting Wet Natuurbescherming – soortenbescherming
Ecochore Natuurtechniek
10
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
BIJLAGE 1 – GEBIEDSIMPRESSIE
1
2
Bijschriften foto’s 1. Voorgevel van het projectgebouw, met gevelbeplating. 2. Detail van zijgevel met enkele open stootvoegen en daktim als mogelijke invliegopeningen.
Ecochore Natuurtechniek
11
BIJLAGE 2 – VERSPREIDINGSKAARTEN AANGETROFFEN SOORTEN
Verspreidingskaart vleermuizen
Verspreidingskaart waargenomen vleermuizen. Het rode kader betreft het onderzochte plangebied.
Legenda: - gewone dwergvleermuis Stippellijn Bliksemschicht Stip
- baltsvlucht - paarverblijf - losse waarneming (indicatief, geen exacte weergave van de aantallen)
Ecochore Natuurtechniek
12
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
BIJLAGE 3 - TOELICHTING WET NATUURBESCHERMING – SOORTENBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming: Artikel 1.11 1. 2.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10 § 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
Ecochore Natuurtechniek
13
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 – lid 5 Lid 5: Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2.
Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: i. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ii. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; Ecochore Natuurtechniek
14
Ecologisch onderzoek Da Costastraat 2 Zevenaar
iii.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; iv. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; v. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; vi. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; vii. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, viii. in het algemeen belang, of ix. bestendig gebruik 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen.
Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen. Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.
Ecochore Natuurtechniek
15
Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden. Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” – 3 december 2016.
Ecochore Natuurtechniek
16