CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13. 1185049 Bijlage 8 bij toelichting nader ecologisch onderzoek vleermuizen en vogels

Raadsvergaderingen 2022-2026 24 april 2024, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/23/442270 Ongewijzigde vaststelling bestemmingsplan Steenhuizen 6 te Zevenaar6.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier

September 2023 rapportnummer: 221657 – Steenhuizen 6

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

Colofon Titel: Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar In opdracht van: Gemeente Zevenaar Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen: Onderzoeksmethodiek:

Nader onderzoek naar vleermuizen en vogels Auditieve (batdetector Pettersson D240x, D500x, batlogger M en Anabat Walkabout), visuele inspectie en territoriumkartering

Auteur: Collegiale toetsing:

Jasper Gelderblom Bas Voerman

Datum: Status: Foto voorzijde:

september 2023 definitief huismus, gewone dwergvleermuis gierzwaluw en projectgebouw

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie: www.ecochore.nl

INHOUD 1. AANLEIDING EN DOEL

1

2. INVENTARISATIEOPZET

2

2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK 2.1.1 AANVULLENDE ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN 2.2 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE 2.3 GEBIEDSBESCHRIJVING 2.4 GEPLANDE RENOVATIEWERKZAAMHEDEN

3 3 4 5 6

3. ONDERZOEKSRESULTATEN

7

3.1 (BROED)VOGELS 3.1.1 HUISMUS (PASSER DOMESTICUS) 3.2 ZOOGDIEREN 3.2.1 VLEERMUIZEN 3.2.1.1 VOORZOMERONDERZOEK - KRAAMPERIODE 3.2.1.2 NAZOMERONDERZOEK – BALTS-/PAARPERIODE

7 7 7 7 8 8

4. TOETSING SOORTENBESCHERMING–WET NATUURBESCHERMING

10

4.1 ALGEMEEN 4.2 EFFECTEN 4.2.1 (BROED)VOGELS 4.2.2 VLEERMUIZEN 4.2.3 LEEFGEBIED VLEERMUIZEN

10 10 10 12 12

5. CONCLUSIE

13

GERAADPLEEGDE BRONNEN

14

BIJLAGEN

15

BIJLAGE 1 – GEBIEDSIMPRESSIE BIJLAGE 2 – VERSPREIDINGSKAARTEN AANGETROFFEN SOORTEN BIJLAGE 3 - TOELICHTING WET NATUURBESCHERMING – SOORTENBESCHERMING

16 17 18

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

1. AANLEIDING EN DOEL Aan Steenhuizen 6 in Zevenaar is Gemeente Zevenaar voornemens het bestaande schoolgebouw te slopen om ruimte te maken voor woningbouw. Het slopen van een gebouw kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is aan Ecochore Natuurtechniek opdracht gegeven voor de uitvoering van een ecologisch onderzoek om zo de mogelijk negatieve effecten op vleermuizen en vogels in kaart te brengen.

Op voorhand is ingeschat dat van beide soortgroepen te weinig gedetailleerde en recente verspreidingsgegevens voorhanden waren waardoor nader onderzoek naar deze soorten noodzakelijk werd geacht. Om deze reden is nader onderzoek uitgevoerd. Om de functie van het gebied voor vleermuizen en vogels in kaart te kunnen brengen, is het ecologisch onderzoek uitgevoerd in de periode september 2022 en mei-juli 2023. Hierbij zijn verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van vleermuizen en vogels. Tijdens dit ecologisch onderzoek in 2022 en 2023, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Welke (beschermde) vleermuizen en vogels maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij uitvoer van de ingreep de Wet Natuurbescherming overtreden. Dit rapport beschrijft de bevindingen en consequenties van dit aanvullende onderzoek.

Ecochore Natuurtechniek

1

2. INVENTARISATIEOPZET In 2022 en 2023 is er een aanvullend, gericht ecologisch onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en vogels. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in onderstaande paragraaf nader toegelicht. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van deze soorten (zie Tabel 1). Gezien de geringe grootte van het onderzoeksgebied, wordt verwacht dat er geen essentiële functies zijn gemist. Bezoekdata

Starttijd

Weergesteldheid

Hoofdonderzoek

11-09-2022

23:30

14°C, droog, bewolking 5/8, wind 1 ZO

vleermuizen – balts

21-09-2022

23:15

8°C, droog, bewolking 5/8, wind 2 WZW

vleermuizen – balts

01-05-2023

08:30

17°C, droog, bewolking 2/8, wind 2 NW

huismus

12-05-2023

08:45

10°C, droog, bewolking 1/8, wind 3 NNO

huismus

19-05-2023

21:15

16°C, droog, bewolking 5/8, wind 3 NO

24-06-2023

21:45

23°C, droog, bewolking 1/8, wind 2 WZW

12-07-2023

03:15

16°C, droog, bewolking 6/8, wind 2 ZW

vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer

Tabel 1: Bezoekdata en weersgesteldheid. Het veldwerk is uitgevoerd door: R. Papendorp, W. ter Beek, K. Weiland, F. Kouters en B. Voerman.

Ecochore Natuurtechniek

2

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK 2.1.1 AANVULLENDE ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN Vleermuizen Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x, Anabat Walkabout, Batlogger M en luisterkist D500x) is de echolocatie, die vleermuizen uitzenden, voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt op een extern opname apparatuur. Tijdens de meeste bezoeken is, naast de standaard batdetector, de volledige tijd gebruik gemaakt van een Batlogger M waarbij alle geluiden zijn opgenomen voor nadere analyse. Met behulp van de computerprogramma’s Batsound en Kaleidoscoop zijn de geluiden nader geanalyseerd. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. De voorzomerbezoeken zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van kraam- en zomerverblijven. Tijdens de nazomerronden lag de nadruk op het in kaart brengen van balts- en paarlocaties en indicaties voor winterverblijven.

Het ochtendbezoek is uitgevoerd vanaf enkele uren voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De avondbezoeken in het voorjaar zijn gestart ruim voor zonsondergang tot enkele uren hierna. Het avondbezoek van 24 juni is met twee ecologen uitgevoerd om een extra kwaliteitslag te kunnen verkrijgen. Doordat binnen het plangebied ruige dwergvleermuizen en laatvliegers te verwachten waren, is tijdens de avondbezoeken langer gepost tot circa 2,5 uur na zonsondergang. De bezoeken in september 2022 zijn in de avond- en nachtelijke uren uitgevoerd. Het onderzoek is minimaal 1 uur na zonsondergang gestart. De gebruikte methoden zijn gebaseerd op het vleermuisprotocol 2021 zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Vogels Voor deze groep is gericht onderzoek uitgevoerd naar vaste rust- en verblijfplaatsen. Voor vogels betreft het met name soorten van categorie 1-4 (zie bijlage 3) met in het bijzonder huismussen. Voor gierzwaluwen is het gebouw niet geschikt door het ontbreken van dakpannen, geschikte invliegopeningen en doordat het een laag gebouw betreft. Hierdoor is voor deze soort geen gericht aanvullend onderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek naar vleermuizen zijn dan ook geen waarnemingen van deze soort verricht wat de afwezigheid bevestigd.

Voor huismussen is gezocht naar territoriale mannetjes of nestindicerend gedrag zoals slepen met nestmateriaal, voervluchten of jonge vogels in directe relatie tot de woningen. In het onderzoek is beoordeeld of vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn en welke consequenties de werkzaamheden hebben op de feitelijke locaties en het duurzaam voortbestaan van de lokale populatie en individuen. Voor de onderzochte vogelsoorten geldt een uitgebreide toetsing indien broedlocaties worden aangetast. Deze toetsing wordt gehanteerd bij aanvragen voor ontheffingen of omgevingsvergunningen. Door het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende vragen beantwoord worden. Ecochore Natuurtechniek

3

Beoordelingskader: In welke mate wordt de functionaliteit van de vaste voortplantingsplaats en rust- en / of verblijfplaats aangetast door de voorgenomen activiteiten? Is er een wettelijk belang? Eén van de volgende belangen moet gelden: o bescherming van flora en fauna (b) o veiligheid van het luchtverkeer (c) o volksgezondheid of openbare veiligheid (d) Is er een andere bevredigende oplossing voor de volgende zaken: o de locatie o de inrichting op de locatie o de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Komt de gunstige staat van instandhouding van de landelijke populatie niet in gevaar? Deze onderzoeksvragen zijn opgesteld door het voormalige ministerie van EL&I en beschreven in de soortenstandaards van betreffende soorten. Sinds juli 2017 zijn de soortenstandaard vervangen door kennisdocumenten per diersoort. In deze soortenstandaards/kennisdocumenten is eveneens de onderzoeksinspanning geformuleerd om gefundeerde uitspraken te kunnen doen omtrent aan- of afwezigheid en functionaliteit van het gebied voor betreffende soorten. Het uitgevoerde onderzoek is op deze soortenstandaards, in combinatie met de broedvogelmonitoringshandleiding van SOVON, gebaseerd. Deze kennisdocumenten zijn vrij via internet verkrijgbaar via https://www.bij12.nl/.

2.2 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE Aanvullend onderzoek De aanvullende onderzoeken zijn volgens de genoemde protocollen uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet Natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht, zie kader bijlage 3) van de Wet Natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode zijn gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, zoals de meeste gegevens in het quickscanrapport. Voor Europees beschermde soorten als vleermuizen en vogels, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende upto-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen.

Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld. Het onderzoek naar vogels is uitgevoerd middels diverse gerichte bezoeken, aangevuld met de onderzoeksmomenten naar vleermuizen. De bezoeken waren gericht op het in kaart brengen van aanwezige huismussen. Hierbij is voornamelijk gezocht naar territoriale dieren, nestindicerend gedrag, nesten en dergelijke. Door deze methoden, onderbouwd met de verkregen Ecochore Natuurtechniek

4

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

verspreidingsinformatie en literatuuronderzoek, kan worden gesteld dat een goed beeld van deze soort in het gebied is verkregen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in september 2022 en mei-juli 2023. Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd. Door het uitvoeren van verschillende avond-, nacht- en ochtendbezoeken aangevuld met het gebruik van nachtcamera Pulsar om zo een maximale trefkans te verkrijgen, kan, gezien de onderzoeksinspanning en de verkregen verspreidingsgegevens, worden gesteld dat er een volledig beeld is gekregen van de functies van het gebied voor alle soorten vleermuizen.

2.3 GEBIEDSBESCHRIJVING Het onderzoeksgebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Zevenaar. Het schoolgebouw is gesitueerd aan Steenhuizen 6. Het gebouw is opgetrokken uit gespouwde, bakstenen muren, is enkel-laags gebouwd en heeft een plat dak. Langs de gehele dakrand is een daktrim aanwezig. Verspreid zijn open stootvoegen aan de bovenzijde van de gemetslede muren aanwezig. Het gebouw is deels voorzien van gevelbekleding. De ruimte rondom het gebouw is ingericht als schoolplein, met veel verharding en speelgras. Hier staan eveneens enkele forse bomen. Aan de zuidwestzijde (achterzijde van het gebouw) is een dichte struweelzone aanwezig als perceelsafscheiding. Er is sprake van achterstallig groenonderhoud waardoor sprake is van enige verruiging. De directe omgeving bestaat uit diverse typen woningen met openbaar groen en een bomenrijen. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 1.

Figuur 1: Ligging van het plangebied: links de ligging binnen de regio en rechts de ligging in de directe omgeving (binnen groene lijnen ligt de ligging van de omgeving van het plangebied en binnen de rode lijnen het globale plangebied). Bron luchtfoto’s: Google Earth

Ecochore Natuurtechniek

5

2.4 GEPLANDE RENOVATIEWERKZAAMHEDEN Aan de Steenhuizen 6 in Zevenaar is Gemeente Zevenaar voornemens het bestaande schoolgebouw te slopen om ruimte te maken voor woningbouw. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ingrepen. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd.

Ecochore Natuurtechniek

6

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd voor de kilometerhokken waarbinnen het plangebied ligt: 202-438. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. In bijlage 2 zijn de verspreidingskaarten opgenomen met enkele aangetroffen, beschermde soorten. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 3.

3.1 (BROED)VOGELS Categorie 1-4 soorten zijn, op huismus na, uit te sluiten. De planlocatie is vanwege de constructie ongeschikt voor gierzwaluw en overige soorten.

3.1.1 HUISMUS (PASSER DOMESTICUS) Er is aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd, door op 01-50-2023 en 12-05-2023 een gericht ochtendbezoek te brengen aan het onderzoeksgebied. Hierbij zijn geen nest- of territorium indicerende exemplaren aangetroffen. Aan de overzijde van de Steenhuizen zijn bij de daar aanwezige woningen wel enkele huismussen territoriaal gehoord en waargenomen. Deze vogels hadden echter geen binding met het schoolgebouw. Nestlocaties van huismussen kunnen daardoor in het schoolgebouw worden uitgesloten.

3.2 ZOOGDIEREN 3.2.1 VLEERMUIZEN Gezien de ecochore1 van het plangebied en de ecologie van verschillende soorten vleermuizen, kan worden aangenomen dat het plangebied een onderdeel vormt in het leefgebied van verschillende soorten. Met name door de ligging binnen de bebouwde kom met vrij veel fors opgaand groen in de directe omgeving, kan de planlocatie voor vleermuizen geschikt leefgebied vormen. In het plangebied waren verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten op voorhand niet uit te sluiten. Voor geschikte verblijfplaatsen moet met name gedacht worden aan ruimten achter betimmering, spouwmuren, loodflappen en dergelijke. Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te kunnen stellen, is aanvullend vleermuis-onderzoek uitgevoerd. Gedurende het onderzoek zijn 4 soorten vleermuizen aangetroffen: Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis

(Pipistrellus pipistrellus) (Pipistrellus nathusii) (Eptesicus serotinus) (Plecotus auritus)

1

Een ecochore is een ruimtelijk begrensde ecologische eenheid, gekenmerkt door een inwendige heterogeniteit in een halfnatuurlijk of cultuurlandschap. Een ecochore bestaat uit een verzameling ecotopen; bijvoorbeeld de verschillende aan elkaar grenzende ecotopen op en rond een erf of binnen een specifiek landschaptype. Samen vormen deze ecotopen een gevarieerd landschap.

Ecochore Natuurtechniek

7

In bijlage 2 is de verspreidingskaart van het onderzoeksgebied met de aangetroffen soorten opgenomen. Hieronder worden de resultaten per onderzoeksperiode behandeld.

3.2.1.1 VOORZOMERONDERZOEK - KRAAMPERIODE Tijdens de voorzomeronderzoeken waren meerdere gewone dwergvleermuizen in het gebied aanwezig. In en rondom het plangebied wordt door deze dieren intensief gefoerageerd. Met name bij het opgaande groen rondom het naastgelegen bedrijfspand, wordt intensief gefoerageerd. Ook in de achterliggende wijk en in het parkje aan de overzijde van de Steenhuizen, zijn meerdere dieren gedurende alle tellingen aanwezig. Van deze soort is een zomerverblijf vastgesteld aan de zuidoostgevel van het gebouw. Hier zijn enkele open stootvoegen aanwezig, net boven het kozijn. Hier is tijdens het ochtendbezoek een zwermende en inkruipende gewone dwergvleermuis waargenomen - zie figuur 2. Deze locatie is in gebruik als zomerverblijf waarbij, gezien de ecologie van de soort, de verblijfplaats in de spouw moet worden gezocht. Tijdens de avondbezoeken zijn enkele, tot circa 3 ex, laatvliegers op route in de Steenhuizen waargenomen. De dieren hadden geen binding met het plangebied. Tijdens het ochtendbezoek is een losse waarneming van een langsvliegende gewone grootoorvleermuis vastgelegd. Het betrof slechts 1 opname van een passerend dier. Er is geen binding met het schoolgebouw vastgesteld. Overige vleermuissoorten zijn tijdens het voorzomeronderzoek binnen het onderzoeksgebied niet aangetroffen.

3.2.1.2 NAZOMERONDERZOEK – BALTS-/PAARPERIODE Tijdens het nazomeronderzoek, gehouden in september 2022, werd 1 overvliegende laatvlieger waargenomen langs de bomenrij aan de straatzijde, ten noordoosten van het gebouw. Een binding met het gebouw is niet aannemelijk. Tijdens de najaarstellingen zijn meerdere baltsende gewone dwergvleermuizen in de ruime omgeving aangetroffen. Doordat gewone dwergvleermuizen baltsvluchten uitvoeren en daardoor in een vrij ruim gebied kunnen worden aangetroffen, is het exact bepalen van de paarlocatie van gewone dwergvleermuizen in het veld in veel gevallen niet mogelijk. Hierom is met behulp van nachtcamera’s de baltsvlucht zo goed mogelijk in kaart gebracht. Hierbij is met name gelet op gedrag dat de locatie van een paarverblijf kon bevestigen zoals vluchten dicht langs geschikte gevels, aantikkende en lokkende mannetjes en inkruipende of stationaire dieren. Rondom het schoolgebouw was een mannetje intensief baltsend aanwezig. de baltsvluchten waren relatief klein en vrij duidelijk gericht op het schoolgebouw. Het is zeer aannemelijk dat het hier hetzelfde individu betreft waarvan in de oostgevel een verblijfplaats is vastgesteld. Er kan dus worden geteld dat het zomerverblijf eveneens in gebruik is as paarlocatie van gewone dwergvleermuis. Van overige soorten is geen baltsgedrag binnen het onderzoeksgebied geconstateerd.

Op 11 september is eenmaal eveneens een ruige dwergvleermuis kort foeragerend aan de achterzijde van het schoolgebouw waargenomen. Er is geen binding met het schoolgebouw vastgesteld. Van overige soorten is geen baltsgedrag binnen het onderzoeksgebied geconstateerd. Ecochore Natuurtechniek

8

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

Figuur 2: gewone dwergvleermuis inkruipend in open stootvoeg na het zwemen, gefotografeerd met een nachtcamera tijdens de ochtendronde.

Ecochore Natuurtechniek

9

4. TOETSING SOORTENBESCHERMING–WET NATUURBESCHERMING 4.1 ALGEMEEN Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn.

De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 3.

4.2 EFFECTEN In deze paragraaf worden de effecten van de werkzaamheden, zoals beschreven in paragraaf 2.4, op beschermde soorten getoetst aan de Wet Natuurbescherming.

4.2.1 (BROED)VOGELS Alle te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming en de Vogelrichtlijn. Ontheffing voor deze diergroep is in de meeste gevallen niet mogelijk. Dit betekent dat het verstoren, verontrusten, doden en anderszins van vogels en nesten niet is toegestaan. Deze overtredingen zijn mogelijk door het uitvoeren van de geplande werkzaamheden. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor Ecochore Natuurtechniek

10

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

de individuen aanzienlijk minder. Hierdoor is het sterk aan te bevelen buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor bij aanvang van het broedseizoen het verstoringeffect op vogels minimaal is. Globaal kan worden gezegd dat de broedperiode, voor de mogelijk aanwezige soorten, ligt tussen 1 maart en 15 juli. Hierbij dient wel te worden op gemerkt dat indien broedende vogels in een andere periode van het jaar worden aangetroffen, hierbij zorgvuldig dient te worden omgegaan zodat verstoring van de broedende vogels wordt voorkomen. Niet alle vogels maken jaarlijks een nieuw nest om te broeden. Een deel van de soorten gebruikt jaarlijks hetzelfde nest of dezelfde locatie om hun jongen groot te brengen. Ook zijn er soorten die jaarrond gebruik maken van vaste verblijfplaatsen. Voor deze soorten geldt dat de nest- of verblijflocaties jaarrond beschermd zijn en dat inzichtelijk gemaakt moet worden welke gevolgen de werkzaamheden voor deze soorten hebben. Door het ministerie van LNV is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: ‘Aangepaste lijst beschermde vogelnesten’ van het ministerie van LNV 2009 – zie ook bijlage 3. De nestlocaties en vaste verblijfplaatsen van de hierin beschreven soorten zijn ook in perioden beschermd als er tijdelijk geen gebruik van de nestlocatie wordt gemaakt.

De betreffende soorten zijn verdeeld in 5 categorieën, zie bijlage 3. Categorie 1-4 soorten Binnen het projectgebied zijn geen broedlocaties van huismus (en overige categorie 1-4 soorten) vastgesteld. Categorie 5 soorten Binnen het projectgebied zijn door de werkzaamheden effecten op soorten van categorie 5 niet uit te sluiten. Hoewel er geen broedlocaties voor soorten uit deze categorie zijn vastgesteld, is het niet uit te sluiten dat soorten als koolmees of pimpelmees binnen het projectgebied en de directe omgeving een territorium bezetten en kunnen de soorten nabij de school foeragerend of broedend worden aangetroffen. Voor deze soorten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, schade aan individuen, broedlocaties en het voortbestaan van lokale populaties niet te verwachten is. binnen het plangebied zijn geen nestlocaties van huismussen aanwezig. Hierdoor is geen nadere afweging of ontheffing voor deze soort noodzakelijk. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd of indien er bomen met holten of nesten worden gerooid, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld.

Ecochore Natuurtechniek

11

4.2.2 VLEERMUIZEN In het te slopen schoolgebouw is de volgende verblijfplaats aangetroffen: 1 zomer-/paarverblijf

- gewone dwergvleermuis

De verblijfplaats betreft een open stootvoeg tot in de spouwmuur. Bij het slopen van het schoolgebouw zal deze verblijfplaats logischerwijs verdwijnen. Deze sloopwerkzaamheden zijn daardoor in strijd met Artikel 3.5 lid 4 van de Wet Natuurbescherming waardoor een ontheffing met compenserende en mitigerende maatregelen noodzakelijk is. Deze maatregelen, waaronder het afstemmen van de periode van uitvoering op de ecologie van de soort, compensatiemaatregelen tijdens en na de uitvoering en dergelijke, dienen in een ecologisch protocol te worden beschreven. Een en ander is maatwerk en afhankelijk van de daadwerkelijke uitvoering en mogelijkheden in de toekomstige situatie. In beginsel is het van belang dat er geen moment sprake is van een verminderd aanbod aan vaste verblijfplaatsen. Hierdoor is het noodzakelijk dat ruim vóór de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijke (of permanente) verblijfplaatsen in de directe omgeving worden aangebracht waarbij voldoende rekening kan worden gehouden met de gewenningstijd. Bij nieuwbouw op de locatie kunnen desgewenst permanente maatregelen voor de soort worden getroffen. Een en ander dient te worden beschreven in een ecologisch werkprotocol/projectplan ter onderbouwing van de aan te vragen ontheffing.

Door de aanwezigheid van 1 vaste verblijfplaats van gewone dwergvleermuis, is een ontheffing noodzakelijk voordat de sloopwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Eveneens zullen ruim voor de uitvoering mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Deze maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol te worden uitgewerkt. Dit protocol kan als projectplan ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag worden gebruikt. Voor de overige soorten zijn geen maatregelen noodzakelijk.

4.2.3 LEEFGEBIED VLEERMUIZEN De geplande werkzaamheden hebben betrekking op maatregelen in relatie tot de bestaande bebouwing. Groenstructuren in de directe omgeving blijven behouden waardoor foerageermogelijkheden en mogelijke vliegroutes behouden blijven. Hierdoor is er geen sprake van een significant negatief effect op het leefgebied van vleermuizen waardoor geen nadere afweging voor deze gebiedsfuncties noodzakelijk is. Een eventuele toename van verlichting op de omgeving, zowel in de sloop-, bouw- als in de gebruiksfase, kan echter wel een negatief effect hebben. Hierbij moet met name gedacht worden aan een toename van (strooi)licht in de boomkronen. Door eventuele lichtbronnen zo te plaatsen dat de stralenbundels zo min mogelijk in de boomkronen schijnen, wordt een vermindering door strooilicht in foerageerkwaliteit en vlieggeleiding voorkomen. Indien verlichting in de bouwfase noodzakelijk is, bijvoorbeeld door het plaatsen van een bouwwatch, wordt aangeraden om te kiezen voor amberkleurige verlichting. Licht in dit kleurenspectrum heeft nauwelijks tot geen negatief effect op vleermuizen. Indien in de sloop-, bouw- en/of gebruiksfase een duidelijke toename van verlichting niet kan worden voorkomen, is vooraf afstemming met een ecoloog noodzakelijk.

Indien een duidelijke toename van verlichting in de sloop-, bouw- en/of gebruikfase niet kan worden voorkomen, is een nadere afstemming met een ecoloog noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

12

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

5. CONCLUSIE Gemeente Zevenaar is voornemens om een bestaand schoolgebouw te slopen om ruimte te maken voor nieuwbouw. Op de planlocatie is een gericht onderzoek naar vleermuizen en vogels (huismus) uitgevoerd. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie bovengenoemde soortgroepen.

Vogels Uit de inventarisaties is gebleken dat er zich geen nestlocaties van de huismus in het te slopen gebouw bevinden. Ook voor overige categorie 1-4 soorten zijn geen schikte broedlocaties voorhanden. Hierdoor zijn geen nadere maatregelen of ontheffing noodzakelijk. Verdere maatregelen zijn niet nodig. Vleermuizen Er is in het projectgebouw 1 vaste verblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld die in gebruik is als zomer- en paarlocatie. Voor deze soort is in het kader van de Wet Natuurbescherming een ontheffing met compenserende en mitigerende maatregelen noodzakelijk voor het verwijderen van de verblijfplaats voordat met de sloop kan worden gestart. Eveneens zullen ruim voor de uitvoering mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Deze maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol te worden uitgewerkt. Dit protocol kan als projectplan ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag worden gebruikt. Volledigheid onderzoek Binnen het plangebied, is onderzoek naar vleermuizen conform het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd. Dit onderzoek geeft een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van vleermuizen. Aan de hand van de bevindingen van het onderzoek, de samenstelling van de aangetroffen vleermuissoorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen vleermuizen met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist.

Hierdoor kan het natuuronderzoek als volledig worden beschouwd.

Gezien de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van gewone dwergvleermuis in de school is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen voor gewone dwergvleermuis noodzakelijk vóórdat met de feitelijke uitvoering kan worden gestart.

Ecochore Natuurtechniek

13

GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur Bekker J.P, P. Twisk & A. Diepenbeek (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV uitgeverij. Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. H. Limpens et al. (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Ministerie van EZ (2014). Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus Pipistrellus. Geraadpleegd van Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis (rvo.nl) Ministerie EZ - Regeling - Wet natuurbescherming - BWBR0037552. (2021, 1 juli). Geraadpleegd van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01#Hoofdstuk1

Internetbronnen NDFF, nationale databank flora en fauna (www.ndff.nl) Ministerie van EZ (http://mineleni.nederlandsesoorten.nl) Waarneming.nl, website met soortenwaarnemingen in Nederland (www.waarneming.nl)

Ecochore Natuurtechniek

14

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3:

Gebiedsimpressie Verspreidingskaarten aangetroffen soorten; Verspreidingskaart vleermuizen Toelichting Wet Natuurbescherming – soortenbescherming

Ecochore Natuurtechniek

15

BIJLAGE 1 – GEBIEDSIMPRESSIE

1

2

Bijschriften foto’s 1. Voorzijde van het schoolgebouw met gevelbetimmering en bomenrij. 2. Hoek van het gebouw waar zomer-/paarverblijf van gewone dwergvleermuis is aangetroffen in een open stootvoeg.

Ecochore Natuurtechniek

16

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

BIJLAGE 2 – VERSPREIDINGSKAARTEN AANGETROFFEN SOORTEN

Verspreidingskaart vleermuizen

Verspreidingskaart waargenomen vleermuizen. Het rode kader betreft het onderzochte plangebied.

Legenda: - gewone dwergvleermuis - ruige dwergvleermuis - laatvlieger - gewone grootoorvleermuis Stippen

- losse waarnemingen (indicatief: de stippen geven een indruk van de dichtheid en verspreiding (samenvatting van alle bezoeken)

Stippenlijn

- baltsvlucht

Ster

- zomerverblijf

Bliksemschicht

- werfroepend mannetje (balts) – paarverblijf

Lijn

- vliegroute

Ecochore Natuurtechniek

17

BIJLAGE 3 - TOELICHTING WET NATUURBESCHERMING – SOORTENBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming: Artikel 1.11 1. 2.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10 § 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ecochore Natuurtechniek

18

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

§ 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 – lid 5 Lid 5: Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

Ecochore Natuurtechniek

19

c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: i. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ii. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; iii. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; iv. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; v. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; vi.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; vii. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, viii. in het algemeen belang, of ix. bestendig gebruik 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming.

Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen. Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.

Ecochore Natuurtechniek

20

Ecologisch onderzoek Steenhuizen 6 Zevenaar

Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Het betreft de vogelsoorten: Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

(Falco subbuteo) (Buteo buteo) (Apus apus) (Motacilla cinerea) (Accipiter gentilis) (Passer domesticus) (Tyto alba) (Bubo bubo) (Ciconia ciconia) (Asio otus) (Corvus frugilegus) (Falco peregrinus) (Accipiter nisus) (Athene noctua) (Pernis apivorus) (Milvus migrans).

Er zijn ook vogelnesten die worden aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet strikt beschermd. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Ecochore Natuurtechniek

21

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen, dan dient altijd een omgevingscheck uitgevoerd te worden. Een deskundige dient te onderzoeken of er voor de soort in de omgeving voldoende plekken en materiaal aanwezig zijn om zelf een vervangende locatie te vinden en een vervangend nest te maken. Indien dit niet mogelijk is, dient een vervangende nestlocatie aangeboden te worden. Wanneer dit ook niet mogelijk blijkt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing kan alleen verkregen worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Wettelijke belangen zijn: bescherming van flora en fauna; veiligheid van het luchtverkeer; volksgezondheid of openbare veiligheid. Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden. Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” – 3 december 2016.

Ecochore Natuurtechniek

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=78b290bf-e6f0-4761-8085-ba7bfc3de96a