CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12. 1128579 Bijlage 6 bij toelichting, natuuronderzoek

Commissie Ruimte 7 december 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/415723 ‎Bestemmingsplan Rhederlaag8.670 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapport Projectnummer: 374458 Referentienummer: SWNL0272323 Datum: 05-02-2021

Actualisatie natuuronderzoek ontgrondingsactiviteiten Rhederlaag Actualisatie verkennend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Definitief

Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Hannah Löwenhardt

M +31 6 51 24 74 66 hannah.lowenhardt@sweco.nl

Verantwoording Titel

Actualisatie natuuronderzoek ontgrondingsactiviteiten Rhederlaag

Subtitel

Actualisatie verkennend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Projectnummer

374458

Referentienummer

SWNL0272323

Revisie

D01

Datum

05-02-2021

Auteur

Hannah Löwenhardt

E-mailadres

hannah.lowenhardt@sweco.nl

Gecontroleerd door

Maarten Mouissie

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

Paraaf goedgekeurd

2 (23)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.1

Kader van het onderzoek ........................................................................................ 4

1.2

Doel van het onderzoek ........................................................................................... 4

1.3

Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten .................................................... 4

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 6

2.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 6

2.2

Inventarisatie ........................................................................................................... 7

2.3

Analyse van de mogelijke effecten .......................................................................... 7

2.3.1

Beschrijving...........................................................................................................................7

2.3.2

Begrenzing ............................................................................................................................8

2.3.3

Instandhoudingsdoelstellingen ..............................................................................................8

2.4

Effecten en toetsing ............................................................................................... 12

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 14

3.1

Toetsingkader ........................................................................................................ 14

3.2

Methode ................................................................................................................. 15

3.3

Resultaten .............................................................................................................. 16

3.3.1

Planten ................................................................................................................................ 16

3.3.2

Vleermuizen ........................................................................................................................ 16

3.3.3

Overige zoogdieren .............................................................................................................17

3.3.4

Vogels .................................................................................................................................18

3.3.5

Amfibieën ............................................................................................................................20

3.3.6

Reptielen .............................................................................................................................20

3.3.7

Vissen .................................................................................................................................21

3.3.8

Ongewervelden ...................................................................................................................21

4

Conclusies............................................................................................................ 22

4.1

Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................. 22

4.2

Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................... 22

Bijlage 1

Notitie ‘Berekening AERIUS Calculator – Camping De Veerstal Rhederlaag’

3 (23)

1

Inleiding

1.1 Kader van het onderzoek K3Delta en Leisurelands zijn voornemens om in het recreatiegebied Rhederlaag projecten uit de gebiedsvisie (2011) en de ontgrondingsvergunning en Nbwet-vergunning (2013 en 2014) in gewijzigde vorm uit te gaan voeren. Reden hiervoor is een intensief maatschappelijk overleg met de betrokken overheden en omgevingspartijen. Twee geplande locaties voor ontzanding nabij het Riverparc (eiland van Lubach en midden op de bestaande Giese plas) zullen niet uitgevoerd worden, en de ontzanding nabij de Kop van Wenting en de Landtong Noordoever worden in gewijzigde vorm uitgevoerd. Daarnaast wordt gelijktijdig een uitbreiding van Camping De Veerstal gerealiseerd met circa 100 extra kampeerplaatsen in het zomerseizoen. Voor deze ontwikkelingen heeft eerder een natuurtoets plaatsgevonden door Tauw in 2012. In 2017 heeft Sweco een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van deze resultaten is in 2018 een veldonderzoek naar vleermuizen en roofvogels uitgevoerd. K3Delta heeft Sweco gevraagd het natuuronderzoek te actualiseren en de voorgenomen activiteiten te toetsen aan de Wet natuurbescherming. Het aspect Gelders Natuurnetwerk is nader uitgewerkt in een separate notitie en maakt geen onderdeel uit van deze actualisatie. Voorliggende rapportage bevat de uitkomsten van deze actualisatie van het natuuronderzoek.

In bijlage 1 zijn resultaten opgenomen van de uitgevoerde stikstofdepositieberekening met het rekenprogramma AERIUS. 1.2 Doel van het onderzoek Het natuuronderzoek is er op gericht om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied, en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend onderzoeken/ of vergunningprocedures. 1.3 Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten De voorgenomen activiteiten bestaan uit ontgrondingswerkzaamheden op de deellocaties Landtong Noordoever en Wenting en uitbreiding van Camping de Veerstal in zuidelijke richting. In figuur 1 is weergegeven waar de ontgrondingswerkzaamheden plaatsvinden en waar recreatieve invulling is voorzien.

4 (23)

Figuur 1

Locaties voorgenomen activiteiten. In rood zijn de locaties vanuit het oude ontgrondingsplan weergegeven. In groen de locaties vanuit het nieuwe (en nu ter toetsing voorliggende) ontgrondingsplan.

5 (23)

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden, of respectievelijk uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. De provinciale beleidsregels stikstof geven hier een nadere inhoudelijke invulling aan. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden op basis van de ligging van het plangebied en de reikwijdte van de effecten.

Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: · Voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijk uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningsplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn, volgt een passende beoordeling.

6 (23)

·

·

Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, volgt een ADC-toets. ADC-toets: Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is Dwingende redenen van groot openbaar belang en in Compensatie is voorzien.

2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden IJssel).

Figuur 2

2.3

Begrenzing Natura 2000-gebied Rijntakken ten opzichte van het plangebied (rood omcirkeld). Blauw gearceerd de delen van het Natura 2000-gebied die uitsluitend zijn aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, groen gearceerd de delen van het Natura 2000-gebied die zowel zijn aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.

Analyse van de mogelijke effecten

2.3.1 Beschrijving Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder-Rijn.

7 (23)

Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hooggelegen uiterwaarden. Bij Zalk in het benedendeel krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden, zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden.

In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor. 2.3.2 Begrenzing In figuur 2 is de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden IJssel) weergegeven ter plaatse van het plangebied. Het deel van het Natura 2000-gebied ter plaatse van het plangebied is alleen aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VRL). Ter hoogte van de Havikerwaard ten oosten van het plangebied zijn ook enkele bosjes aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn (HRL). 2.3.3 Instandhoudingsdoelstellingen In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken weergegeven. Habitattypen Habitattype

Status doel

Oppervlakte

Kwaliteit

H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

definitief

>

>

H3260B - Beken en rivieren met waterplanten

definitief

>

=

H3270 - Slikkige rivieroevers

definitief

>

>

H6120 - Stroomdalgraslanden

definitief

>

>

H6430A - Ruigten en zomen

definitief

=

=

H6430B - Ruigten en zomen

ontwerp

=

=

H6430C - Ruigten en zomen

definitief

>

>

H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden

definitief

>

>

8 (23)

Habitattype

Status doel

Oppervlakte

Kwaliteit

H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden

definitief

>

>

H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst

ontwerp

>

>

H91E0A - Vochtige alluviale bossen

definitief

=

>

H91E0B - Vochtige alluviale bossen

definitief

>

>

H91E0C - Vochtige alluviale bossen

ontwerp

=

=

H91F0 - Droge hardhoutooibossen

definitief

>

>

Habitatrichtlijnsoorten Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

H1095 - Zeeprik

definitief

>

>

>

H1099 - Rivierprik

definitief

>

>

>

H1102 - Elft

definitief

>

=

=

H1106 - Zalm

definitief

>

=

=

H1134 - Bittervoorn

definitief

=

=

=

H1145 - Grote modderkruiper

definitief

>

>

>

H1149 - Kleine modderkruiper

definitief

=

=

=

H1163 - Rivierdonderpad

definitief

=

=

=

H1166 - Kamsalamander

definitief

>

>

>

H1318 - Meervleermuis

definitief

=

=

=

H1337 - Bever

definitief

>

=

>

9 (23)

Broedvogels Soort?

Status doel

Aantal broedparen

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

A004 - Dodaars

definitief

45

=

=

A017 - Aalscholver

definitief

660

=

=

A021 - Roerdomp

definitief

20

>

>

A022 - Woudaap

definitief

20

>

>

A119 - Porseleinhoen

definitief

40

>

>

A122 - Kwartelkoning

definitief

160

>

>

A153 - Watersnip

definitief

17

=

=

A197 - Zwarte stern

definitief

240

=

=

A229 - IJsvogel

definitief

25

=

=

A249 - Oeverzwaluw

definitief

680

=

=

A272 - Blauwborst

definitief

95

=

=

A298 - Grote karekiet

definitief

70

>

>

Niet-broedvogels Soort

Status doel

Populatie

Instandhoudingsdoelstelling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied?

A005 - Fuut

definitief

570

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A017 - Aalscholver

definitief

1300

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A037 - Kleine zwaan

definitief

100

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A038 - Wilde zwaan

definitief

30

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

10 (23)

Soort

Status doel

Populatie

Instandhoudingsdoelstelling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied?

A041 - Kolgans

definitief

35400

Foerageergebied

=

=

A041 - Kolgans

definitief

180100

Slaap- en rustplaats

=

=

A043 - Grauwe gans

definitief

8300

Foerageergebied

=

=

A043 - Grauwe gans

definitief

21500

Slaap- en rustplaats

=

=

A045 - Brandgans

definitief

920

Foerageergebied

=

=

A045 - Brandgans

definitief

5200

Slaap- en rustplaats

=

=

A048 - Bergeend

definitief

120

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A050 - Smient

definitief

17900

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A051 - Krakeend

definitief

340

Foerageergebied

=

=

A052 - Wintertaling

definitief

1100

Foerageergebied

=

=

A053 - Wilde eend

definitief

6100

Foerageergebied

=

=

A054 - Pijlstaart

definitief

130

Foerageergebied

=

=

A056 - Slobeend

definitief

400

Foerageergebied

=

=

A059 - Tafeleend

definitief

990

Foerageergebied

=

=

A061 - Kuifeend

definitief

2300

Foerageergebied

=

=

A068 - Nonnetje

definitief

40

Foerageergebied

=

=

A125 - Meerkoet

definitief

8100

Foerageergebied

=

=

A130 - Scholekster

definitief

340

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A140 - Goudplevier

definitief

140

Foerageergebied

=

=

A142 - Kievit

definitief

8100

Foerageergebied

=

=

11 (23)

Soort

Status doel

Populatie

Instandhoudingsdoelstelling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied?

A151 - Kemphaan

definitief

1000

Foerageergebied

=

=

A156 - Grutto

definitief

690

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A160 - Wulp

definitief

850

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A162 - Tureluur

definitief

65

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A702 - Toendrarietgans

definitief

125

Foerageergebied

=

=

A702 - Toendrarietgans

definitief

2800

Slaap- en rustplaats

=

=

2.4 Effecten en toetsing Op 20 januari 2014 is door provincie Gelderland een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor onbepaalde tijd voor ontgrondingswerkzaamheden in het recreatiegebied Rhederlaag (kenmerk 2013-010234). Het ontgrondingsgebied waarvoor in 2014 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend voor de ontgrondingsactiviteit bij de deellocaties Landtong Noordoever, ’t Eiland, Giesekop en Wenting. De gewijzigde ontgrondingsplannen houden per saldo een inperking in van de ontgrondingsactiviteit, zoals in 2014 is vergund. Op de deellocaties ’t Eiland en Giesekop vinden geen ontgrondingsactiviteiten meer plaats. Op de deellocaties Landtong Noordoever en Wenting wordt de ontgrondingsactiviteit gewijzigd ten opzichte van de vergunde situatie. Bij deellocatie Wenting betreft het een inperking van de eerder voorziene ontgrondingsactiviteit. Bij deellocatie Landtong Noordoever betreft het een wijziging van de eerder voorziene ontgrondingsactiviteit, waarbij er op sommige plekken binnen dit deelgebied minder ontgronding plaatsvindt en op andere plekken meer. Per saldo is echter sprake van een inperking van de ontgrondingsactiviteiten ten opzichte van hetgeen in 2014 vergund is.

Dat betekent dat geen sprake is van in het kader van de Wet natuurbescherming nog extra te toetsen ontgrondingsactiviteiten, aangezien de reeds op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunde ontgrondingsactiviteiten de referentiesituatie vormen. In de eindsituatie voorziet het plan in een uitbreiding van de reeds bestaande Camping De Veerstal langs de Rhedense Veerweg. Een toename van het aantal kampeerplaatsen in het Natura 2000-gebied kan leiden tot extra verstoring op daarvoor gevoelige kwalificerende vogelsoorten. Dit betreft met name kwalificerende niet-broedvogelsoorten die ongeveer van oktober tot en met maart in het gebied aanwezig zijn. De Rhederlaag wordt onregelmatig als slaapplaats gebruikt door diverse soorten kwalificerende niet-broedvogels. Met name kolgans, stormmeeuw en kokmeeuw komen in grote(re) aantallen voor. Ook de steltlopers grutto en scholekster gebruiken het gebied als slaapplaats.

12 (23)

De uitbreiding van het kampeerterrein vindt plaats in een reeds druk bezocht recreatiegebied. De stranden in dit gebied worden door campinggasten en andere recreanten gebruikt om te recreëren. Overal in de aanwezige zachthoutooibossen binnen de planlocatie Landtong Noordoever zijn struinpaden aanwezig van campinggasten en recreanten. Een toename van het aantal kampeerplaatsen leidt niet tot extra verstoring op momenteel onverstoorde gebieden die door kwalificerende niet-broedvogelsoorten als slaapplaats worden gebruikt. Slaapplaatsen van ganzen, eenden en zwanen worden niet verstoord, aangezien deze zich bevinden buiten de verstoringsafstand van de planlocatie Landtong Noordoever. Dit geldt ook voor de slaapplaatsen van meeuwen en steltlopers langs de oevers van de Rhederlaag. Deze slaapplaatsen bevinden zich in de momenteel onverstoorde oeverdelen van de Rhederlaag buiten de planlocatie Landtong Noordoever. Recreatieve activiteiten vinden ook met name plaats in de periode dat kwalificerende nietbroedvogels niet in het gebied aanwezig zijn (april tot en met oktober). Geconcludeerd wordt dat een significante verstoring, in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor kwalificerende niet-broedvogels, op voorhand uitgesloten kan worden. Van de planlocaties zijn – behalve van ijsvogel – geen waarnemingen bekend van kwalificerende broedvogelsoorten.

Kwartelkoning broedt in de Vaalwaard op meer dan 600 m afstand van de planlocaties. Verstoring van de kwartelkoning in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase kan, gelet op de grote afstand tot de broedlocaties, op voorhand worden uitgesloten. Van blauwborst zijn waarnemingen bekend uit de Vaalwaard en van de zuidoever van de Valeplas op meer dan 600 meter afstand van de planlocaties. Verstoring van de blauwborst in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase kan, gelet op de grote afstand tot de broedlocaties, op voorhand worden uitgesloten. IJsvogel is foeragerend waargenomen in verschillende delen van de Rhederlaag. Waar de soort broedt, is onbekend maar in de planlocaties is geen geschikt broedbiotoop voor de ijsvogel aanwezig. Er zijn geen steilwandjes langs de oeverzones aanwezig en geen omgewaaide bomen met kluit waarin ijsvogel zou kunnen broeden. Als gevolg van de voorgenomen ontgrondingsactiviteiten worden delen van de huidige oeverzones als onderdeel van het foerageergebied van de ijsvogel tijdelijk aangetast. Gedurende de aanlegfase is er echter voldoende geschikt foerageergebied voor de ijsvogel aanwezig in het recreatiegebied Rhederlaag. In de eindsituatie ontstaan weer nieuwe oeverzones als onderdeel van het foerageergebied van de ijsvogel.

Bovendien wordt een oeverzwaluwwand gerealiseerd bij de Kop van Wenting die ook door de ijsvogel kan worden gebruikt als nestplaats. Significante effecten, in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor de ijsvogel, kunnen op voorhand worden uitgesloten. Als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van het campingterrein kan het aantal verkeersbewegingen van en naar het campingterrein toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Aangezien het plangebied binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt, kan een toename aan stikstofdepositie niet op voorhand worden uitgesloten. Aan de hand van een AERIUS berekening is vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op de daarvoor gevoelige habitattypen en/of leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden. Een notitie en de berekening zijn als bijlage toegevoegd.

13 (23)

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1 Toetsingkader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.): · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.): · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.

14 (23)

Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing nodig. 3.2

Methode

Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · data NDFF 2007-2020; · eerder uitgevoerd natuuronderzoek (Tauw 2012); · verkennend natuuronderzoek (Sweco 2017); · aanvullend natuuronderzoek naar roofvogels en vleermuizen (Sweco 2018). Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 5 september 2017 door een ecoloog van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit.

Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming.

15 (23)

3.3

Resultaten

3.3.1

Planten

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn in de NDFF geen waarnemingen van beschermde plantensoorten uit het plangebied aanwezig. Ook het voorgaande natuuronderzoek van Tauw uit 2012 gaf aan dat geen beschermde soorten in het plangebied zijn aangetroffen. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het plangebied wordt op basis van afwezigheid van specifiek geschikt biotoop en het voedselrijke karakter van het plangebied uitgesloten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen en deze worden ook niet verwacht aanwezig te zijn in het plangebied vanwege het ontbreken van geschikt biotoop. Effecten op beschermde planten worden derhalve uitgesloten. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.3.2

Vleermuizen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF zijn de afgelopen 10 jaar maar twee waarnemingen van vleermuizen in het recreatiegebied Rhederlaag ingevoerd. Het betreft losse waarnemingen van een exemplaar van de gewone dwergvleermuis en van een overvliegende rosse vleermuis. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet bekend in de planlocaties. In het natuuronderzoek van Tauw (2012) is geconstateerd dat bebouwing in het recreatiegebied potentieel geschikt is als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten en grote (solitaire) exemplaren van onder andere populier, linde, es en wilg als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De planlocaties zijn tevens geschikt als foerageergebied en/of vliegroute voor de in het gebied voorkomende vleermuissoorten. In het natuuronderzoek van Tauw (2012) worden specifiek baardvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger genoemd. Met name de begroeiing in de planlocaties vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De oeverzones binnen de planlocaties kunnen onderdeel uitmaken van het foerageergebied van boven water foeragerende soorten, zoals watervleermuis en meervleermuis. Tijdens het veldonderzoek in 2018 zijn geen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aangetroffen.

De bomen in het plangebied hebben dus geen functie als zomer-, kraam-, paar-, of winterverblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn wel enkele foeragerende vleermuizen aangetroffen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis). De meeste dieren vlogen vrij hoog over en hebben geen binding met het plangebied. Eenmaal is er een foeragerende watervleermuis gehoord boven het wateroppervlak van de Rhederlaag aangrenzend aan het plangebied. Dit was de enige waarnemening van een foeragerende watervleermuis. Ruige dwergvleermuizen zijn alleen tijdens de najaarsrondes aangetroffen. Tijdens beide bezoeken waren maximaal 3 exemplaren foeragerend in het plangebied aan-wezig, met name langs de oevers van de Rhederlaag. Van essentieel foerageergebied is geen sprake. In de omgeving is voldoende geschikt foerageergebied voor de soort aanwe-zig. De meest voorkomende soort in het plangebied betreft de gewone dwergvleermuis. Deze soort is gedurende alle veldbezoeken foeragerend in het plangebied waargenomen. De aantallen zijn met maximaal 3-4 exemplaren echter beperkt. De dieren arriveren ook pas relatief laat

16 (23)

(ruim na zonsondergang) in het plangebied. Van essentieel foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soort in de omgeving van het plangebied is geen sprake. De gehele oeverzone van de Rhederlaag is geschikt als foerageergebied voor de soort. Het aandeel aan oeverzones neemt als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling ook niet af. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Uit het aanvullend natuuronderzoek is gebleken dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn en van essentieel foerageergebied is evenmin sprake. Voor de vleermuizen die foeragerend in het plangebied zijn aangetroffen blijft er ook na de inrichtingswerkzaamheden geschikt foerageergebied in het plangebied beschikbaar en daar omheen blijft bovendien voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Bovendien is voorzien in compensatie van het verlies aan zachthoutooibos en ontstaan na de ontgrondingsactiviteit weer nieuwe oeverzones waar vleermuizen kunnen foerageren. Van een overtreding van de verbods-bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van foerageergebieden van vleermuizen is geen sprake. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is geen sprake. 3.3.3

Overige zoogdieren

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF zijn de afgelopen 10 jaar waarnemingen van verschillende overige zoogdiersoorten uit het recreatiegebied Rhederlaag ingevoerd. Het betreft waarnemingen van bever, bosmuis, bruine rat, egel, haas, konijn, mol, steenmarter en vos. Behalve bever en steenmarter betreft het niet-beschermde soorten (bruine rat, mol) of vrijgestelde beschermde soorten. Van de bever zijn enkele waarnemingen van vraatsporen bekend uit de planlocaties. Tijdens de eerste veldbezoeken in 2018 naar roofvogels werd tevens een vrij groot oeverhol ontdekt in de oever van een plasje in het plangebied. Aangezien bever in de nabijheid van het plangebied (Vaalwaard) voorkomt en het plangebied potentieel leefgebied voor de otter betreft, is met behulp van een cameraval onderzocht welke diersoort van dit oeverhol gebruik maakt. Gedurende 4 weken in mei 2018 heeft een cameraval bij het oeverhol en langs de oever daar dichtbij gestaan. Daarbij zijn geen exemplaren van bever en otter op de cameraval vastgelegd. Het oeverhol is in gebruik door bruine ratten die dagelijks tientallen keren op de camera zijn vastgelegd. Er zijn tijdens de veldbezoeken verder ook geen sporen van bever (knaagsporen) of otter (spraints) langs de oevers van het plasje waargenomen.

Een beverburcht die wel in gebruik is, bevindt zich in het zuidelijk deel van de Valeplas op ruime afstand van de planlocaties. Begroeiing in het plangebied fungeert mogelijk wel als voedselbron voor de bever. Van de steenmarter is één waarneming uit 2012 van een foeragerend exemplaar bekend uit het recreatiegebied Rhederlaag. Van de planlocaties zijn geen waarnemingen van steenmarters bekend. Tijdens het verkennend veldbezoek zijn ook geen potentiele verblijfplaatsen (bebouwing bomen met grote holtes) voor steenmater aangetroffen. De planlocaties kunnen wel onderdeel uitmaken van een groter geheel aan foerageergebied van de steenmarter. Voor andere niet-vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren geldt dat ze niet aanwezig zijn binnen de planlocaties. Evenals voor steenmarter geldt dat geen potentiele voortplantingsplaatsen voor boommarter en eekhoorn aanwezig zijn door het ontbreken van

17 (23)

bomen met grote holtes. Voor beide soorten biedt het zachthoutooibos ook geen optimaal foerageergebied. Tijdens het aanvullend veldonderzoek is in het plangebied een vossenburcht aangetroffen. Er zijn tijdens een ochtendbezoek naar vleermuizen ook jongen rondom de burcht gezien, wat betekent dat het hoogstwaarschijnlijk een voortplantingslocatie betreft. Een vossenburcht is overigens geen jaarrond beschermde voortplantingsplaats. Voor de vos geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn ten zuiden van de IJssel ter plaatse van het recreatiegebied Rhederlaag geen waarnemingen van de das bekend. De planlocaties vormen ook geen optimaal leefgebied voor de das. Voor de waterspitsmuis geldt dat de planlocaties geen geschikt biotoop vormen. Er zijn geen uitgestrekte rietvelden of kwelrijke watergangen met een weelderige onderwater- en oeverbegroeiing in de planlocaties aanwezig. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde beschermde soorten aangetroffen in de planlocaties. Van vernietiging van verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten overige zoogdieren is derhalve geen sprake. De in het zuidelijk deel van de Valeplas aanwezige beverburcht ligt op circa 600 meter afstand van de planlocatie Wenting.

Deze afstand is groot genoeg om verstoring van de beverburcht tijdens de uitvoeringsfase te voorkomen. Het plangebied kan door steenmarter, boommarter en diverse algemeen voorkomende vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren worden gebruikt als foerageergebied. Van essentieel foerageergebied voor deze soorten is geen sprake. De voorgenomen activiteit leidt niet tot een aantasting van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.3.4

Vogels

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF zijn de afgelopen 10 jaar waarnemingen van verschillende (roof)vogelsoorten, waarvan het nest jaarrond is beschermd uit het recreatiegebied Rhederlaag, ingevoerd. In 2013, 2014 en 2016 is een territorium van de buizerd vastgesteld in het zachthoutooibos binnen de planlocatie Landtong Noordoever. Verder zijn foeragerende exemplaren van havik, sperwer en ijsvogel aangetroffen in het recreatiegebied Rhederlaag. In 2016 is een territorium van de ransuil vastgesteld aan zuidwestzijde van het recreatiegebied op relatief grote afstand van de planlocaties. In het recreatiegebied zijn diverse territoria aanwezig van steenuil en kerkuil, met name langs de zuidwestzijde van het recreatiegebied, op relatief grote afstand van de planlocaties. In 2018 is door middel van drie aanvullende veldonderzoeken (op 26 maart, 13 april en 27 april), onderzocht of er grote nesten aanwezig waren in het plangebied en of deze nesten eventueel in gebruik waren door (roof)vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Er is gekeken naar bewoningssporen (verse takken, prooiresten, poepsporen) op en rond het nest en naar nestindicerend gedrag. Tijdens deze veldonderzoeken zijn een paar grote vogelnesten aangetroffen. Één daarvan was gedurende de onderzoeken in gebruik door een paartje buizerds.

Er was duidelijk zichtbaar sprake van nestindicerend gedrag op en rond het nest.

18 (23)

Behalve buizerd zijn er tijdens het aanvullend veldonderzoek gedurende het broedseizoen geen aanwijzingen voor andere broedende roofvogels zoals havik en sperwer in het plangebied gevonden. Wel zijn enkele broedende zwarte kraaien in het onderzoeksgebied aangetroffen. Voorafgaand aan de vleermuisbezoeken in het voorjaar zijn deze nesten opnieuw bekeken nadat de zwarte kraaien waren uitgebroed. Ook toen zijn er geen aanwijzingen voor andere broedende roofvogels zoals havik, sperwer en boomvalk of uilen zoals ransuil gevonden. Er zijn geen roepende ransuilen in het plangebied gehoord. Tijdens de vleermuisbezoeken van 2018 in het voorjaar is hier specifiek op gelet. Aanwezigheid van broedende ransuilen verraadt zich veelal door roepende ouderdieren en/of bedelende jongen. Dergelijk territorium- of nestindicerend gedrag is niet waargenomen. Tijdens de laatste najaarsronde van het vleermuisonderzoek werd in de avondschemering een roepende boomvalk in het plangebied gehoord. Er zijn tijdens het aanvullend veldonderzoek gedurende het broedseizoen echter geen aanwijzingen voor broedende boomvalken in het plangebied gevonden. Het plangebied wordt in het najaar wel (incidenteel) gebruikt als rust- en foerageergebied door een boomvalk. Van essentieel foerageergebied is geen sprake, aangezien er voldoende geschikt foerageergebied voor de boomvalk aanwezig is rondom de Rhederlaag.

Verder kunnen er diverse (zang)vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd op de planlocaties broeden. Met name in de zachthoutooibossen, (riet)ruigtes, rietzones langs de oevers en op rustige delen van zandstrandjes kunnen vogels broeden gedurende het broedseizoen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten In het plangebied is een nestplaats van een paartje buizerds aanwezig. De nestboom blijft inclusief meerdere omliggende bomen behouden op een eiland. Van het vernielen of beschadigen van het nest van de buizerd is daarom geen sprake. Het buizerdnest kan als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wel (tijdelijk) verstoord worden. Voor het verstoren van een buizerdnest is op grond van artikel 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming alleen een ontheffing noodzakelijke wanneer sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de soort. Hiervan is in casu geen sprake. De buizerd is een algemeen voorkomende roofvogelsoort rond de Rhederlaag. In het gebied zelf zijn nog twee buizerd-nesten aanwezig in een bosje op de Kop van Wenting ter hoogte van de Veldweg en langs de Lathumse Plas. Beide locaties worden als gevolg van de voorgenomen activiteit niet aangetast. In de wijdere omgeving zijn nog zeker 10 buizerdnesten (NDFF, laatste 5 jaar) aanwezig o.a.

in de Vaalwaard, in de Havikerwaard, in de Koppenwaard, Op landgoed Bingerden, op het terrein van Huis te Lathum en in diverse bosjes en op boerenerven binnen een straal van ca. 5 km van het plangebied. Van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de buizerd is derhalve is geen sprake. De voorgenomen herontwikkeling leidt derhalve niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de buizerd. Aanwijzingen voor andere broedende roofvogels en uilen met een jaarrond beschermde nestplaats, zoals sperwer, havik en ransuil, zijn niet gevonden in het plangebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot aantasting van jaarrond beschermde nestplaatsen van genoemde soorten in de planlocatie Landtong Noordoever. Er is dus ook geen ontheffing op grond van de wet natuurbescherming nodig. Er blijven in het recreatiegebied Rhederlaag veel bosschages behouden die geschikt zijn als broedplaats voor vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest. Verstoring van broedende

19 (23)

vogels dient hier voorkomen te worden. Dit kan door te werken buiten het broedseizoen van vogels dat globaal loopt van half maart tot begin augustus. 3.3.5

Amfibieën

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF zijn diverse waarnemingen van de rugstreeppad aanwezig rond de plassen van het recreatiegebied Rhederlaag. De afgelopen 10 jaar zijn er in het plangebied zelf geen waarnemingen van de soort gedaan, maar wel op korte afstand van het plangebied, bijvoorbeeld op het zandstrand aan de westzijde van de Landtong. De Valeplas en de Gieseplas, waar het plangebied ligt, vormen zelf geen geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad vanwege de aanwezigheid van vis in de plassen. In de planlocaties zijn geen geïsoleerde ondiepe poelen, plassen of watergangen aanwezig waarin de rugstreeppad zich zou kunnen voortplanten. Bekende voortplantingslocaties van de soort liggen in de Vaalwaard. In dit gebied zijn ook de meeste waarnemingen van rugstreeppadden gedaan (bron NDFF). De planlocaties bevatten wel delen met zandige oevers waarin rugstreeppadden zouden kunnen overwinteren. De Valeplas – en daarmee alle plassen van de Rhederlaag – staat in directe verbinding met de IJssel. Dat betekent dat de laaggelegen zandstrandjes ’s winters bij hogere peilen regelmatig (kunnen) overstromen. Hier zullen daarom geen rugstreeppadden overwinteren. Op de planlocaties kunnen wel algemeen voorkomende vrijgestelde beschermde amfibiesoorten voorkomen, zoals bruine kikker en gewone pad.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen beschermde niet-vrijgestelde soorten amfibieën aangetroffen en deze worden ook niet verwacht aanwezig te zijn in de planlocaties. Hoewel de zandstrandjes in met name planlocatie Landtong Noordoever wel potentieel geschikt zijn als overwinteringslocatie voor de in de omgeving aanwezige rugstreeppad, wordt niet verwacht dat rugstreeppadden hier overwinteren aangezien deze zandstrandjes bij hoogwater ’s winters onder water (kunnen) komen te staan. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het is – gelet op de aanwezigheid van de rugstreeppad in de omgeving – niet uitgesloten dat rugstreeppadden het werkterrein gedurende de aanlegfase gaan bezetten. Het verdient derhalve aanbeveling om het werkterrein zodanig in te richten dat geen geschikte voortplantingswateren voor de rugstreeppad ontstaan of om het werkterrein met paddenscherm af te zetten, waardoor rugstreeppadden uit de omgeving zich er niet kunnen vestigen. Voor algemeen voorkomende amfibieën, zoals bruine kikker en gewone pad, die mogelijk in het plangebied voorkomen, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. 3.3.6

Reptielen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn in de NDFF geen waarnemingen van beschermde soorten reptielen bekend uit het recreatiegebied Rhederlaag. Ten noorden van de IJssel op de randzone van de Veluwezoom komen wel diverse soorten reptielen voor, maar deze zijn niet ten zuiden van de IJssel in en rond de planlocaties aanwezig. Het zachthoutooibos dat in de planlocaties aanwezig is, is wel potentieel geschikt als leefgebied voor de ringslang. De dichtstbijzijnde

20 (23)

waarnemingslocatie van de ringslang is in de Havikerwaard ten noordoosten van de IJssel. De planlocaties liggen buiten het verspreidingsgebied van de ringslang. Aanwezigheid van de soort in het plangebied wordt daarom niet verwacht. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen beschermde soorten reptielen aangetroffen en deze worden ook niet verwacht aanwezig te zijn in het plangebied. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.3.7

Vissen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In het recreatiegebied Rhederlaag zijn volgens de NDFF verschillende vissoorten aangetroffen, te weten alver, baars, barbeel, bittervoorn, blankvoorn, blauwband, bot, brasem, driedoornige stekelbaars, graskarper, karper, kesslers grondel, kleine modderkruiper, kolblei, kroeskarper, marmergrondel, paling, pontische stroomgrondel, pos, rivierdonderpad, roofblei, ruisvoorn, snoek, snoekbaars, spiering, tiendoornige stekelbaars, vetje, winde zeelt, zilverkarper en zwartbekgrondel. Geen van deze soorten is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. Op grond van de Wet natuurbescherming beschermde vissoorten, zoals grote modderkruiper, beekprik en kwabaa,l komen niet in de planlocaties voor vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor de betreffende soorten. Kwabaal zou wel incidenteel in de plassen van de Rhederlaag voor kunnen komen, maar de oeverzones van de planlocaties vormen geen geschikte voortplantingslocaties voor de kwabaal. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen beschermde niet-vrijgestelde soorten vissen aangetroffen en deze worden ook niet verwacht aanwezig te zijn in het plangebied. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.3.8

Ongewervelden

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Tijdens het verkennend veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden in het plangebied aangetroffen. Het plangebied bevat ook geen geschikte biotoop voor beschermde soorten libellen, dagvlinders of andere soorten ongewervelden. In 2017 is in Rheden wel een exemplaar van de sleedoornpage aangetroffen, maar de planlocaties bevatten geen goed ontwikkeld sleedoornstruweel dat als voortplantingslocatie voor de soort kan dienen. De zandstranden in de planlocaties zijn in potentie geschikt als voortplantingslocatie voor de rivierrombout. De soort is in 2012 zo’n 5 km ten westen van de Rhederlaag aangetroffen langs de IJssel. Vanwege het ontbreken van stroming in de plassen van de Rhederlaag wordt de rivierrombout hier niet verwacht. De soort is hier ook nog nooit aangetroffen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen beschermde soorten ongewervelden aangetroffen en deze worden ook niet verwacht aanwezig te zijn in het plangebied. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

21 (23)

4

Conclusies

4.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De voorgenomen ontgrondingsactiviteit is een aanpassing van een reeds eerder op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunde ontgrondingswerkzaamheden. De gewijzigde ontgrondingsplannen houden (per saldo) een inperking in van de ontgrondingsactiviteit, zoals in 2014 is vergund. Dat betekent dat geen sprake is van, in het kader van de Wet natuurbescherming, nog extra te toetsen ontgrondingsactiviteiten, aangezien de reeds op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunde ontgrondingsactiviteiten de referentiesituatie vormen. De voorgenomen uitbreiding van Camping De Veerstal is nog niet vergund op grond van de Nbwet-vergunning uit 2014. Deze activiteit leidt niet tot een aantasting van (potentieel) broedgebied van kwalificerende broedvogelsoorten van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Ook verstoring van kwalificerende broedvogelsoorten is op voorhand uitgesloten, aangezien (potentiele) broedgebieden van kwalificerende broedvogelsoorten buiten de verstoringsafstand van de voorgenomen activiteiten liggen.

Significante verstoring van kwalificerende niet-broedvogelsoorten is eveneens op voorhand uitgesloten, omdat kwalificerende nietbroedvogels zich momenteel reeds buiten de door campinggasten en andere recreanten verstoorde Landtong Noordoever ophouden, verstoring overwegend plaatsvindt in de periode dat niet-broedvogels niet in het gebied aanwezig zijn en er in het recreatiegebied Rhederlaag voldoende leefgebied voor kwalificerende niet-broedvogels aanwezig blijft. Uit de uitgevoerde AERIUS berekening (bijlage 1) blijkt dat er geen sprake is van toename aan stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/jr) op Natura 2000. De uitbreiding van camping de Veerstal kan daarom geen signficant negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000. Er is dan ook geen vergunning op grond van artikel 2.7 tweede lid Wnb nodig. 4.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming Het plangebied vormt beperkt geschikt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën. Het betreft andere beschermde soorten (art. 3.10 Wn) waarvoor een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming geldt. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Voor de meeste niet-vrijgestelde soorten planten of dieren geldt dat ze tijdens het verkennend veldbezoek niet zijn aangetroffen en ook niet in het plangebied worden verwacht vanwege het ontbreken van geschikte biotoop voor deze soorten. Van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen of essentieel foerageergebied van vleermuizen is evenmin sprake. Bovendien blijft er genoeg foerageergebied in het plangebied beschikbaar. Ook blijven in het recreatiegebied Rhederlaag veel bosschages behouden waar door middel van vleermuiskasten het eventuele verlies aan verblijfplaatsen gecompenseerd kan worden. Van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de betreffende vleermuissoort(en) is geen sprake. De voorgenomen herontwikkeling leidt derhalve niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. In het te kappen deel van het zachthoutooibos in de planlocatie Landtong Noordoever bevindt zich een nestplaats van de buizerd. Ook andere roofvogels en uilen met een jaarrond beschermde nestplaats, zoals sperwer, havik en ransuil, zouden hier kunnen broeden, maar zijn in de veldonderzoeken in 2018 niet waargenomen. De voorgenomen

22 (23)

activiteit leidt niet tot aantasting van jaarrond beschermde nestplaatsen van genoemde soorten in de planlocatie Landtong Noordoever. Er is dus ook geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Verder kunnen diverse soorten (zang)vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is, in de planlocaties broeden. Verstoring van broedende vogels dient voorkomen te worden, bijvoorbeeld door te werken buiten het broedseizoen van vogels dat globaal loopt van half maart tot begin augustus.

23 (23)

Bijlage 1

Notitie ‘Berekening AERIUS Calculator – Camping De Veerstal Rhederlaag’

Notitie Onderwerp: Berekening AERIUS Calculator – Camping De Veerstal Rhederlaag Projectnummer: 374458 Referentienummer: SWNL0272325 Datum: 05-02-2021

1

Inleiding

Bij Rhederlaag wordt een camping gerealiseerd. Met betrekking tot de geplande ingreep is een onderzoek uitgevoerd in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur. Het doel is om te bepalen of er mogelijke belemmeringen vanuit deze wet- en regelgeving zijn voor de geplande werkzaamheden. Als onderdeel hiervan dienen de effecten van het project op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient te worden nagegaan of ten gevolge van het project negatieve effecten optreden in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden. In deze notitie zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Op basis van de resultaten wordt duidelijk of er negatieve effecten optreden en of vergunningsverlening in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is.

2

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatiefase en/of gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

2.1 Beoordeling stikstofdepositie projecten Indien uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar), dan is er voor het onderdeel stikstofdepositie geen vergunningsplicht Wet natuurbescherming. Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) is er meestal wel een vergunningplicht Wet natuurbescherming. Alleen indien verslechtering van habitattypen of habitats van stikstofgevoelige soorten volledig uitgesloten kan worden in een ecologische beoordeling ondanks een toename van de depositie, is er geen vergunningsplicht.

Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Arnhem Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Sergej Jansen Adviseur M +31 6 51 54 60 72 1 (4)

Een Wnb-vergunning kan in de volgende situatie verleend worden: · uit een ecologische beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten op de betreffende Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten; · in het stikstofregistratiesysteem is voldoende depositieruimte om de effecten van het project te compenseren1; · uit een passende beoordeling, eventueel inclusief extern salderen, blijkt dat er geen risico’s zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden; · na het succesvol doorlopen van de ADC-toets2. Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan één van bovenstaande beschreven situaties is voldaan, kan geen vergunning Wet natuurbescherming worden verleend.

3

Effecten planontwikkeling

Voor de berekening van de effecten van het plan op de stikstofdepositie is gekeken naar de verwachte toename in emissies in de gebruiksfase. De werkzaamheden voor de aanleg vallen onder de huidige vergunning voor de Rhederlaag. De aanlegfase is daarom hier niet beschouwd. 3.1

Gebruiksfase

3.1.1 Emissies In de gebruiksfase zijn er emissies van stikstof ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de camping. De uitgangspunten met betrekking tot de verkeersgeneratie en route van het wegverkeer zijn aangeleverd door de opdrachtgever. Wegverkeer De verkeersgeneratie van de camping is bepaald aan de hand van een publicatie van het CROW3. De verkeersgeneratie voor een camping wordt hierin bepaald aan de hand van het aantal standplaatsen. De verkeersgeneratie voor een camping bedraagt 0,4 motorvoertuigen per etmaal per standplaats. In totaal worden 100 standplaatsen gerealiseerd, waarbij een bezettingspercentage van 35% wordt gehanteerd. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 14 mvt/etm (100 standplaatsen * 35% bezetting * 0,4 mvt/etm/ standplaats). De camping is maximaal 5 maanden per jaar geopend. Hiermee is de jaargemiddelde verkeersgeneratie 6 mvt/etm. Bezoekers parkeren bij Camping De Veerstal en wandelen naar de camping/standplaatsen. De verkeersaantrekkende werking is in het rekenmodel gemodelleerd vanaf de parkeerplaats tot 100 meter op Marsdijk waarna het opgaat in het heersende verkeersbeeld.

1

Met het stikstofregistratiesysteem is depositieruimte gecreëerd door maatregelen die de stikstofdepositie verminderen. Een deel van deze depositieruimte kan worden ingezet voor het verlenen van een natuurvergunning. Voorlopig is het stikstofregistratiesysteem alleen beschikbaar voor woningbouwprojecten en een beperkt aantal infrastructurele projecten. 2 Dit is een onderzoek waaruit naar voren komt dat er geen Alternatieven zijn voor het project, er Dwingende reden van groot openbaar belang zijn en waarbij Compensatie voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt. 3 (CROW). http://kennisbank.crow.nl. Kencijfers wonen, werken en voorzieningen/ Hoofdgroep horeca en verblijfsrecreatie

2 (4)

3.1.2 Stikstofdepositie Op basis van bovenstaande emissiebronnen is de stikstofdepositie in de gebruiksfase berekend. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator 2020. Voor de berekeningen is het rekenjaar 2020 gehanteerd. Het pdfresultaatbestand van AERIUS Calculator is los meegeleverd met deze notitie en is opgenomen in bijlage 1. Het maximale projecteffect in de gebruiksfase is 0,00 mol N/ha/jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=11243c2e-7004-4882-bc6d-78beaf181b38