Bijlage 11. 1288562 - Bijlage 6 bij Omgevingsplan: Verkennend natuuronderzoek locatie Vestersbos 2
Tekst van het document
Verkennend natuuronderzoek locatie Vestersbos 2 te Zevenaar Onderzoek naar de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna en beschermde natuurgebieden
Datum: 09-10-2024 Auteur: D. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Rapportnummer: VKNO/2024/09.10 Versie: D1
Inhoud Inhoud ................................................................................................................................. 2 1 Inleiding ........................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................. 3 1.2 Doelstelling ............................................................................................................. 3 1.3 Onderzoeksgebied ................................................................................................. 3 2 Wettelijk kader ............................................................................................................. 6 2.1 Omgevingswet; Natura 2000-activiteit ................................................................... 6 2.2 Omgevingswet; Flora en fauna-activiteit ................................................................ 6 2.3 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland .......................................... 7 3 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 9 3.1 Natura 2000-gebieden ...........................................................................................
9 3.2 Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 9 4 Soortenbescherming .................................................................................................. 11 4.1 Verkennend veldbezoek....................................................................................... 11 4.2 Flora ..................................................................................................................... 11 4.3 Vogels .................................................................................................................. 11 4.4 Zoogdieren ........................................................................................................... 12 4.4.1 Vleermuizen................................................................................................. 12 4.4.2 Overige zoogdiersoorten ............................................................................. 12 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen ............................................................................. 13 4.6 Ongewervelden .................................................................................................... 13 4.7 Zorgplicht .............................................................................................................
13 5 Conclusie ................................................................................................................... 14 5.1 Omgevingswet; Natura 2000-activiteit ................................................................. 14 5.2 Omgevingswet; Flora- en fauna-activiteit............................................................. 14 5.3 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 14
2
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Er zijn concrete plannen voor de herontwikkeling van het terrein van het voormalige Natuur en Milieu Educatiecentrum aan de Vestersbos 2 in Zevenaar. De aanwezige bebouwing wordt gesloopt en op het terrein is voorzien in de realisatie van parkeerplaatsen en groen. In dat kader is gevraagd om een verkennend natuuronderzoek uit te voeren naar de mogelijke gevolgen van het voorgenomen plan voor beschermde soorten en natuurgebieden. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van het verkennend natuuronderzoek.
Figuur 1.1: Locatie onderzoeksgebied (rood omlijnd).
1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna of Natura 2000gebieden of uit de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten flora en fauna, dan is voor de ingreep mogelijk een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit vereist op grond van de Omgevingswet. Indien sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, dan is voor de ingreep mogelijk een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit vereist op grond van de Omgevingswet. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone is alleen onder voorwaarden toegestaan binnen de ruimtelijke procedures. 1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft het terrein van een voormalige Natuur en Milieu Educatiecentrum aan de Vestersbos 2 in Zevenaar. Op het terrein is een enkellaags gebouw aanwezig en staan verschillende bijgebouwtjes (carport, schuurtjes). De bebouwing heeft geen spouwmuren en een plat dak. Verder bestaat het onderzoeksgebied deels uit erf-
3
verharding en deels uit onverharde terreindelen met (moes)tuinen en een grasveldje met enkele fruitbomen (voormalige dierenweide). Rondom het terrein is een dichte heg aanwezig. Het onderzoeksgebied ligt in het stedelijk gebied van Zevenaar. Onderstaande foto’s geven een indruk van het onderzoeksgebied.
4
Foto 1 t/m 12: Indruk onderzoeksgebied.
5
2
Wettelijk kader
2.1 Omgevingswet; Natura 2000-activiteit De bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland is geregeld in de Omgevingswet. Projecten of plannen die significante gevolgen kunnen voor deze beschermde gebieden, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. De verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000gebieden staan in artikel 5.1, eerste lid, sub e, van de Omgevingswet. Daarin is aangegeven dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000 activiteit te verrichten. Een Natura 2000-activiteit is een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Kern van de Natura 2000 toetsing zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000-gebied zijn geformuleerd. Een project of plan mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie).
De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000-gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. 2.2 Omgevingswet; Flora en fauna-activiteit In de Omgevingswet is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet en onderliggende besluiten en regelingen zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. Er zijn drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m 11.40 Bal): Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels. Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd.
Onder schadelijke handelingen bij vogels vallen: • het opzettelijk doden of vangen ervan; • het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren; • het opzettelijk wegnemen van hun nesten; • het rapen en onder zich hebben van hun eieren; • het opzettelijk storen ervan. Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m 11.48 Bal); De bedoelde diersoorten zijn in het wilde levende soorten (geen vogels) van: • bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn • bijlage II bij het Verdrag van Bern • bijlage I bij het Verdrag van Bonn Schadelijke handelingen bij die dieren zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied: • opzettelijk doden of opzettelijk vangen; • opzettelijk hun eieren vernielen of rapen in de natuur; • opzettelijk verstoren; • hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen.
6
Andere Soorten (artikel 11.54 Bal) Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen bij die dieren vallen: • opzettelijk doden of vangen; • opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen beschadigen of vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet en onderliggende besluiten en regelingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen omgevingsvergunning nodig is, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort(en). Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen omgevingsvergunning nodig. Zorgplicht In de Omgevingswet is in artikel 11.27 van het Bal een specifieke zorgplicht opgenomen voor flora en fauna.
De specifieke zorgplicht schrijft voor dat bij flora- en fauna-activiteiten extra maatregelen dienen te worden genomen indien er aanwijzingen zijn voor het voorkomen van bepaalde plant- en diersoorten. Dit geldt voor zowel beschermde soorten (Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten, nationaal beschermde soorten), maar ook voor trekvogelsoorten (art. 4.2 van de Vogelrichtlijn) en Rode Lijst-soorten, ongeacht vrijstellingen, gedragscode of ontheffing/vergunning. De specifieke zorgplicht is ook van kracht voor de leefgebieden of natuurlijke habitats van bovengenoemde soorten. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (in deze volgorde). Inmiddels heeft de rechter in een uitspraak enige invulling gegeven aan de manier waarop de specifieke zorgplicht uit de Omgevingswet dient te worden geïnterpreteerd. Volgens de voorzieningenrechter is pas sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht bij ernstige nadelige gevolgen voor de soort (ECLI:NL:RBMNE:2024:4910). Daarbij ligt het in de rede om te toetsen aan de staat van instandhouding van de betreffende soort(en) op lokaal niveau. 2.3 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland De omgevingsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de provincie stelt binnen haar grondgebied.
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn er instructieregels opgenomen in afdeling 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), die verplichten de provincie tot: • het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden; artikel 7.6 Bkl); • het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN- gebieden (artikel 7.7 Bkl); • het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid). De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid):
7
• • •
de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan; de samenhang tussen de gebieden van het NNN; tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft
De inhoud van de regels uit de omgevingsverordening moeten worden opgenomen in de omgevingsplannen, projectbesluiten (artikel 7.8, eerste lid) en omgevingsplanactiviteiten. Dit laatste wordt via het Invoeringsbesluit paragraaf 8.1.1.1 geregeld. De regels in de omgevingsverordening kunnen ook gaan over herstel, verbetering en de uitbreiding van de NNN-gebieden. Ook gaat het over de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Provincies kunnen dus verdergaande regels opstellen dan opgenomen in afdeling 7.3 van het Bkl.
8
3
Gebiedsbescherming
3.1 Natura 2000-gebieden Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ca. 1,4 km afstand van het onderzoeksgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied.
Figuur 3.1: Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het onderzoeksgebied (zwarte stip). Bron: Atlas Groen Gelderland.
Omdat het onderzoeksgebied niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied ligt, is geen sprake van oppervlakteverlies van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Het onderzoeksgebied bevat ook geen geschikt leefgebied voor vogelsoorten die in omliggende Natura 2000-gebieden slapen/rusten en daarbuiten foerageren, zoals ganzen en smient. Gelet op de grote afstand van omliggende Natura 2000-gebieden en de ligging in het stedelijk gebied van Zevenaar (waardoor het onderzoeksgebied niet direct zichtbaar is vanuit omliggende Natura 2000-gebieden), kan verstoring door licht, geluid of optische verstoring in Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige gebieden. Als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling komen mogelijk extra stikstofemissies vrij die zouden kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit kan aan de hand van een separate stikstofberekening worden geverifieerd. 3.2 Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene ontwikkelingszone (GO).
Aangezien de Omgevingsverordening van Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van GNN/GO niet aan de orde. Gelet op de aard van de werkzaamheden (reguliere sloop-/bouwwerkzaamheden in stedelijk gebied), en de relatief grote afstand tot omliggende GNN/GO-gebieden, wordt een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van GNN/GO overigens ook niet verwacht.
9
Figuur 3.2: Ligging GNN/GO ten opzichte van het onderzoeksgebied (zwarte stip). Bron: Kaartviewer provincie Gelderland.
10
4
Soortenbescherming
4.1 Verkennend veldbezoek Op 30 augustus 2024 heeft een verkennend veldbezoek in het onderzoeksgebied plaatsgevonden tijdens de daglichtperiode (ochtend). Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker en een zaklamp en met een camera zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Het onderzoeksgebied is bekeken op aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten en potentie voor aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren. Er is gekeken naar potentieel geschikte verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van beschermde soorten kunnen duiden, zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Voorafgaand aan het veldbezoek is de NDFF geraadpleegd. Er zijn in de NDFF geen waarnemingen van beschermde soorten aanwezig uit het onderzoeksgebied. Wel is de plantensoort aardakker in de NDFF gemeld in het onderzoeksgebied. Deze plantensoort was onder de Flora- en faunawet een licht beschermde soort (tabel 1-soort), maar is sinds 2017 onder de invoering van de Wet natuurbescherming en onder de Omgevingswet niet meer wettelijk beschermd. Het betreft ook geen Rode lijstsoort.
In de directe omgeving zijn diverse soorten van stedelijk gebied gemeld zoals huismus, gierzwaluw, kauw en verschillende soorten vleermuizen. 4.2 Flora Er zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten bekend uit het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten. Het terrein is grotendeels bebouwd en verhard en onverharde terreindelen bestaan uit intensief beheerd gras (voormalige dierenweide) en/of gecultiveerde tuin. Hier ontbreken geschikte standplaatseisen voor beschermde plantensoorten, die veelal voorkomen in veen, heide, natte of droge storings-/ pioniermilieu’s of langs oppervlaktewater. Aan de gevels van de bebouwing zijn geen beschermde soorten muurplanten aangetroffen tijdens het veldbezoek. Het zijn met cementspecie gemetselde gevels met overwegend gave voegen die ook geen geschikte groeiplaats vormen voor beschermde soorten muurplanten. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het onderzoeksgebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek of het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet voor deze soortgroep is niet aan de orde. 4.3 Vogels Er zijn geen territorium-indicerende waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats bekend uit het onderzoeksgebied.
De bebouwing in het onderzoeksgebied bestaat uit laagbouw (één verdieping) met een plat dak en bevatten geen voor gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (zoals huismus of gierzwaluw) geschikte nestplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen (resten van) nesten van huiszwaluw aangetroffen aan de gevels. Deze worden ook niet verwacht omdat er geen overstekken zijn die beschutting kunnen geven aan nesten van huiszwaluw. Voor andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats zoals kerkuil en steenuil is de bebouwing niet toegankelijk. In het onderzoeksgebied staan enkele grotere bomen en wat oudere fruitbomen. In deze bomen zijn tijdens het veldbezoek geen grotere vogelnesten aangetroffen van boomberbownende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals roofvogels, roek en ooievaar. Ook zijn geen holtes in de bomen aanwezig waarin een soort als steenuil zou
11
kunnen broeden. Aanwezigheid van nesten van boombewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals kan daarom worden uitgesloten. In en op daken van bebouwing kunnen gebouwbewonende vogels zoals zwarte roodstaart, witte kwikstaart en scholekster broeden. In begroeiing op en rondom het terrein kunnen algemeen voorkomende zangvogels broeden. Nesten van deze vogelsoorten zijn niet jaarrond beschermd. Er dient wel rekening te worden gehouden met deze vogelnesten, gedurende het broedseizoen mogen nestelende/broedende vogels niet worden verstoord. 4.4
Zoogdieren
4.4.1 Vleermuizen Er zijn in de NDFF geen waarnemingen van beschermde soorten vleermuizen bekend uit het onderzoeksgebied. In de omgeving (bebouwing Zevenaar) komen volgens de NDFF verschillende soorten vleermuizen voor, waaronder de gebouwbewonende gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De bebouwing in het onderzoeksgebied is tijdens het veldbezoek bekeken op geschiktheid als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De bebouwing bevat geen spouwmuren waarin vleermuizen zouden kunnen verblijven. Rondom het hoofdgebouw is een houten gevelbetimmering aanwezig, maar deze is overal strak tegen de gevels bevestigd zonder ruimtes waarachter vleermuizen kunnen verblijven. De stenen carport bevat geen spouwmuren of gevelbetimmering en heeft nergens openingen voor vleermuizen. Ook de houten schuurtjes bevatten geen voor vleermuizen toegankelijke holle ruimtes of ruimtes achter gevelbetimmering o.i.d. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing in het onderzoeksgebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het onderzoeksgebied zijn enkele oudere (fruit)bomen aanwezig waarin boombewonende vleermuizen zouden kunnen verblijven. Tijdens het veldbezoek zijn deze bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van holtes, scheuren of andere gaten of loshangend schors waarachter vleermuizen kunnen verblijven. Deze zijn niet aangetroffen.
Van een eventuele aantasting van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is geen sprake. Het onderzoeksgebied bevat geen doorgaande groene of waterrijke structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Er is enige begroeiing aanwezig op en langs de randen van het terrein. Hier zouden vleermuizen kunnen foerageren, maar de omvang van het potentiële foerageergebied is beperkt ten opzichte van het groen dat in de omgeving aanwezig is. Van essentieel foerageergebied voor vleermuizen in het onderzoeksgebied is geen sprake. 4.4.2 Overige zoogdiersoorten In de NDFF zijn geen waarnemingen van de niet-vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren aanwezig van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor beschermde niet-vrijgestelde aan water gebonden soorten zoals otter, bever en waterspitsmuis vanwege het ontbreken van oppervlaktewater in het onderzoeksgebied. Ook voor aan bos gebonden soorten zoals eekhoorn en boommarter is geen geschikt leefgebied aanwezig vanwege het ontbreken van aaneengesloten bos of geschikte (nest)bomen. Het onderzoeksgebied is door de geïsoleerde ligging in het stedelijk gebied van Zevenaar en de beperkte omvang aan grasvegetaties niet geschikt als leefgebied voor das.
In het onderzoeksgebied zijn wel enkele ruigtes aanwezig die zouden kunnen dienen als schuilplaats voor kleine marterachtigen, maar de geïsoleerde ligging in het stedelijk gebied van Zevenaar en de beperkte omvang aan groen en daarmee beperkte voedselbeschikbaarheid voor kleine marterachtigen maakt dat geen sprake is van essentieel leefgebied voor soorten als wezel, hermelijn en bunzing. Er zijn in de NDFF ook geen waarnemingen van kleine marterachtigen in de directe of wijdere omge-
12
ving van het onderzoeksgebied. De bebouwing in het onderzoeksgebied is niet geschikt als verblijfplaats voor de gebouwbewonende steenmarter. Er zijn geen openingen in de gevels en de bebouwing heeft geen hellend pannendak waardoor de bebouwing ontoegankelijk is voor de steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen sporen (keutels, prooiresten) van steenmarter aangetroffen. Aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van steenmarter in de bebouwing in het onderzoeksgebied kan worden uitgesloten. Nader onderzoek of het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet voor overige zoogdieren is niet aan de orde. 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen Er zijn geen waarnemingen van niet-vrijgestelde beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen bekend uit het onderzoeksgebied. Wel is een kleine watersalamander gemeld in de NDFF. Voor deze algemeen voortkomende amfibiesoort geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet. Tijdens het veldbezoek is geen geschikt biotoop voor niet-vrijgestelde beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen aangetroffen in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied is geen oppervlaktewater aanwezig wat kan dienen als leefgebied voor beschermde vissen of als voortplantingsplaats voor niet-vrijgestelde beschermde amfibieën zoals kamsalamander of rugstreeppad.
In het onderzoeksgebied ontbreekt heide of andere schrale ruderale vegetaties als potentieel leefgebied voor hagedissen of slangen. Er zijn geen zandige terreindelen aanwezig die in potentie geschikt zijn als landhabitat voor de rugstreeppad. Aanwezigheid van nietvrijgestelde beschermde soorten amfibieën, reptielen en vissen kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet voor deze soortgroepen is niet aan de orde. 4.6 Ongewervelden Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten ongewervelden bekend uit het onderzoeksgebied. Tijdens het verkennend veldbezoek is geconstateerd dat het onderzoeksgebied ongeschikt is als leefgebied voor beschermde soorten ongewervelden. Er zijn geen voor beschermde vlindersoorten geschikte waardplanten aanwezig en oppervlaktewater, moeras- en schrale vegetaties die geschikt leefgebied vormen voor beschermde soorten libellen en vlinders ontbreken. In het onderzoeksgebied staat ook geen sleedoornstruweel dat geschikt is als leefgebied voor de sleedoornpage of andere specifieke waardplanten voor beschermde soorten ongewervelden. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het onderzoeksgebied kan derhalve worden uitgesloten.
Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet voor deze soortgroep is niet aan de orde. 4.7 Zorgplicht In de voorgaande paragrafen is ingegaan op beschermde soorten flora en fauna in relatie tot de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van deze beschermde soorten. Aanvullend daarop is in het kader van de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 van het Bal gekeken naar de mogelijke gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op nietbeschermde Rode lijst-soorten. Uit de NDFF blijkt dat er geen Rode lijstsoort in het onderzoeksgebied zijn waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen soorten van de Rode lijsten waargenomen en is geconstateerd dat in het onderzoeksgebied geen sprake is van bijzondere leefgebieden van kwetsbare (Rode lijst) soorten. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen herontwikkeling geen ernstige nadelige gevolgen heeft voor de lokale staat van instandhouding van Rode lijssoorten.
13
5
Conclusie
5.1 Omgevingswet; Natura 2000-activiteit De voorgenomen ontwikkeling leidt, afgezien van het aspect stikstofdepositie, niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet is niet aan de orde. Voor stikstofdepositie geldt dat een separate stikstofberekening moet worden gemaakt. Als een toename aan stikstofdepositie wordt berekend kan een Omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig zijn voor het aspect stikstofdepositie. 5.2 Omgevingswet; Flora- en fauna-activiteit Het onderzoeksgebied bevat verder geen groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen of jaarrond beschermde vogelnesten van niet-vrijgestelde beschermde soorten fauna. Er is geen sprake van essentieel leef/foerageergebied van niet-vrijgestelde soorten fauna of van essentiële vliegroutes van vleermuizen in het onderzoeksgebied. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd op platte daken van bebouwing en in begroeiing in en rondom het onderzoeksgebied.
Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden als dat kan leiden tot een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Van een aantasting van de specifieke zorgplicht uit de Omgevingswet ten aanzien van bijzondere (Rode lijst) soorten is geen sprake. 5.3 Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” en het opstellen van een compensatieplan is niet aan de orde.
14