Bijlage 11. 1199997 Toelichting Bijlage 4 Aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling - BP Oude Steeg 3 Zevenaar
Tekst van het document
Aanmeldnotitie
MER-beoordeling Locatie: Oude Steeg 3 6903 PB Zevenaar
Opdrachtgever: W. van den Broek
Opgesteld door:
AR Bedrijfsontwikkeling BV Postbus 610, 6700 AP Wageningen T: (0317) 499 599 F: (0317) 499 570 M: E: 12 mei 2021 gew 28 augustus 2023 gew 7 november 2023 gew 26-2-2024
Initiatiefnemer Loenhorsterweg 5 6741 NB Lunteren Plaats van de activiteit Adres bedrijfslocatie: Oude Steeg 3 Zevenaar Bevoegd gezag: gemeente Zevenaar
Besluit Milieueffectrapportage 1994 Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. In onderdelen C en D van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is. Onderdeel C Diercategorie Mesthoenders Hennen Mestvarkens Zeugen
Mer-plicht 85.000 60.000 3.000 900
Onderdeel D Diercategorie Pluimvee Mestvarkens Zeugen Gespeende biggen Pelsdieren Voedsters (konijnen) Vlees- en opfokkonijnen Melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar Jongvee tot 2 jaar Melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vleesrunderen Schapen Paarden of pony’s Struisvogels
Merbeoordelingsplicht 40.000 2.000 750 3.650 5.000 1.000 6.000 200 340 340 1.200 2.000 100 1.000
De aanvraag heeft betrekking het wijzigen en uitbreiden van het bedrijf met gespeende biggen en vleesvarkens. De onderhavige aanvraag betreft een activiteit welke de
1
drempelwaarden van onderdeel C niet, en van onderdeel en D wel overschrijden. Voor de gevraagde activiteiten bestaat in zoverre een mer-(beoordelings)-plicht. De m.e.r. beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijnen in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd en is opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. Bij deze beoordeling moet worden bepaald of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Hierbij dient te worden getoetst aan de selectiecriteria zoals vastgelegd in bijlage III van Richtlijn 97/11 van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG. Deze selectiecriteria betreffen kort samengevat: • • •
kenmerken van de activiteit de plaats waar de activiteit wordt verricht de kenmerken van de gevolgen voor het milieu van de activiteit (zoals bereik van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de orde van grootte en complexiteit).
Kenmerken van de activiteit Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: • Omvang van het project • Cumulatie met andere projecten • Gebruik van natuurlijke hulpbronnen • Productie van afvalstoffen • Verontreiniging en hinder • Risico’s van ongevallen De omvang van aangevraagde activiteit bestaat uit het uitbreiden met 2815 vleesvarkens en het minder houden van 1976 gespeende biggen in de bestaande stallen. De wijziging vindt deels plaats in de bestaande stallen, tevens wordt er nieuwbouw voorzien voor 1760 vleesvarkens. De milieugevolgen bestaan in hoofdzaak uit een wijziging van de ammoniakemissie, een wijziging van de geuremissie en de fijnstofemissie. De geurbelasting van de totale inrichting wordt getoetst aan de normen zoals die zijn gesteld in de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv) en de daarbij behorende uitvoeringsregeling. De totale ammoniakuitstoot van de inrichting wordt getoetst aan het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing Ammoniak en Veehouderij. Tevens is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet noodzakelijk. Hierin wordt de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden getoetst.
De emissie van fijn stof wordt getoetst aan de normen zoals die gesteld zijn in Titel 5.2 “Luchtkwaliteiteisen” van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit. Tevens wordt beoordeeld of de inrichting voldoet aan de Best Beschikbare Technieken (BBT). Indien niet kan worden volstaan aan de hiervoor genoemde normen of de inrichting niet voldoet aan BBT moet de vergunning worden geweigerd. Het aspect geluid zal vrijwel ongewijzigd zijn ten opzichte van de vergunde situatie omdat het geluid van de ventilatoren van de nieuwe stal gedempt wordt door het plaatsen van een luchtwasser. Het gebruik van natuurlijke hulpstoffen, de productie van afvalstoffen, het risico van ongevallen en de opslag van gevaarlijke stoffen zijn onderdelen die bij de uitbreiding van de inrichting geen belangrijke rol spelen.
2
De voorgenomen activiteit De onderstaande punten worden gewijzigd t.o.v. de huidige situatie/vergunning van 2012: -
Het buiten gebruik stellen en slopen van stal 3A en 3B Stal 1 (C) in te richten voor 1000 gespeende biggen en 1200 vleesvarkens in plaats van 2976 biggen, en deze stal te voorzien van centrale afzuiging. Stal 2 (B) te wijzigen luchtwasser van chemisch naar biologisch voor 728 varkens Stal D nieuw te bouwen voor 1760 vleesvarkens, stal te voorzien van een biologische luchtwasser gebouw 4 ( E), werktuigenberging te verplaatsen naar de zuidkant van het bedrijf
Omgeving De inrichting ligt in het buitengebied van gemeente Zevenaar, ten noorden van Zevenaar. De omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk als landelijk gebied met enkele burgerwoningen en op enige afstand de vuilstort Zweekhorst. Op 150 meter van de stallen ligt een woning behorende bij een voormalige veehouderij bedrijf, op 570 meter van de stallen ligt de dichtstbijzijnde burger woning en de bebouwde kom van Zevenaar ligt op 660m afstand.
Milieu De milieueffecten zijn uitsluitend aanwezig tijdens de gebruiksfase. De duur van de gebruiksfase is onbepaald. De veehouderij zorgt voor emissie van geur, stof en ammoniak. Hierna worden de emissies weergegeven voor de vergunde, de verleende NB vergunning en de beoogde situatie.
3
VERGUND gemeente 23 sept 2015 Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Stal nr
RAV code d 1.1.11 d 3.2.14
NH3-emissie
Diercategorie
Omschrijving stalsysteem
biggenopfok (gespeende biggen)
koeldeksysteem (150% koeloppervlak)
vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot chemisch luchtwassysteem met 95% 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot emissiereductie
aantal per dier dieren 2976 0,17 873 0,15
Totaal
Geuremissie
totaal
per dier
505,9 131,0
Fijnstof
totaal
per dier
totaal
5,4 16070,4 16,1 14055,3
56 99
636,9
30125,7
253083
NH3-emissie
Geuremissie
Fijnstof
166656 86427
AANVRAAG Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Stal nr 1 1
RAV code
Diercategorie
Omschrijving stalsysteem
d 1.1.11 d 3.2.6.1.1
biggenopfok (gespeende biggen)
koeldeksysteem (150% koeloppervlak)
vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot koeldeksysteem (200% koeloppervlak) 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot
2 3
d 3.2.8 d 3.2.8
eerste dekking vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot
aantal per dier dieren 1000 0,17 1200 1,5
totaal
per dier
totaal
per dier
totaal
170,0 1800,0
5,4 5400,0 17,9 21480,0
56 153
56000 183600
met metalen roostervloer, emitterend mestoppervlak maximaal 0,8 m2 per varken biologisch luchtwassysteem met 70%
728
0,9
655,2
12,7
9245,6
38
27664
emissiereductie biologisch luchtwassysteem met 70%
1760
0,9
1584,0
12,7 22352,0
38
66880
58477,6
334144
7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking
emissiereductie
Totaal
4209,2
Ammoniak In het besluit emissiearme huisvesting (besluit huisvesting) is per diercategorie aangegeven wat de maximale emissiewaarde mag zijn. De totale ammoniakemissie op het bedrijf wordt na wijziging 4209,2 kg NH3 (zie onderstaande tabel), dit ligt ruim onder het emissieplafond volgens het Besluit Huisvesting. Er wordt voldaan aan de eisen van het Besluit Huisvesting. AANVRAAG Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Stal nr 1 1
RAV code
Diercategorie
Omschrijving stalsysteem
d 1.1.11 d 3.2.6.1.1
biggenopfok (gespeende biggen)
koeldeksysteem (150% koeloppervlak)
vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot koeldeksysteem (200% koeloppervlak) 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot
2 3
d 3.2.8 d 3.2.8
eerste dekking vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot
NH3-emissie aantal per dier dieren 1000 0,17 1200 1,5
totaal
emissieplafond NH3 per dier
totaal
170,0 1800,0
0,21 1,6
210,0 1920,0
met metalen roostervloer, emitterend mestoppervlak maximaal 0,8 m2 per varken biologisch luchtwassysteem met 70%
728
0,9
655,2
1,6
1164,8
emissiereductie biologisch luchtwassysteem met 70%
1760
0,9
1584,0
1,6
2816,0
7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking
emissiereductie
0,0 Totaal
4209,2
6110,8
Uit de beleidsregels voor IPPC bedrijven blijkt dat als bedrijven meer dan 5000 kg ammoniak emitteren, er dan verdergaande ammoniak reducerende technieken (BBT+) moeten worden toegepast. Het bedrijf zit onder de bovengenoemde grenswaarde van IPPC, doch zijn er wel ammoniak reducerende technieken toegepast en voldoet hiermee aan de maximale emissiewaarde zoals gesteld in het besluit huisvesting en aan het geldend emissieplafond voor het bedrijf. Hiermee wordt voldaan aan het toepassen van de Best Beschikbare Technieken (BBT).
4
In het kader van de Wet Ammoniak en Veehouderij is het verboden om een veehouderij uit te breiden binnen een straal van 250 meter van zeer kwetsbare natuur. Binnen deze straal zijn er geen voor verzuring gevoelige gebieden gelegen, waardoor er geen strijd is met deze wetgeving. De totale ammoniak emissie neemt t.o.v. de Natuurbeschermingswet vergunning (Verleend op 29 sept 2015) af. Over de juistheid van de emissienormen van emissie-arme stalsystemen zoals opgenomen in de RAV, bestaat de nodige discussie. Om het plan toch te kunnen toetsen aan de Natuurbeschermingswet is een ‘worst-case’ berekening opgesteld. Deze is gebaseerd op de emissienormen voor ‘overige stalsystemen’, zoals hieronder weergegeven. Uit de opgestelde AERIUS berekeningen ten behoeven van de aanvraag voor de Natuurbeschermingswet vergunning blijkt dat er geen toename van depositie plaats vindt. Gelet de uitspraak Logtsebaan, is voor de wijziging van het bedrijf geen NB vergunning nodig (intern salderen).
Toetsing natuurbeschermingswet. VERGUND NB 29 sept 2015, basis overige stalsystemen Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Stal nr
RAV code
Diercategorie
d 1.1.100 d 3.100
biggenopfok (gespeende biggen)
d 3.100
Omschrijving stalsysteem overige huisvestingssystemen
vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot overige huisvestingssystemen 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekkingopfokberen van circa 25 kg tot overige huisvestingssystemen vleesvarkens, 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot
Totaal
NH3-emissie aantal per dier dieren 2976 0,69 873 3 3024
3
totaal 2053,4 2619,0 9072,0
13744,4
AANVRAAG, basis overige stalsystemen Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Stal nr
RAV code
Diercategorie
1 1 2 3
d 1.1.100 d 3.100 d 3.100 d 3.100
biggenopfok (gespeende biggen)
Omschrijving stalsysteem overige huisvestingssystemen
vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot overige huisvestingssystemen 7 maanden, opfokzeugen vleesvarkens, opfokberenvan vancirca circa25 25kg kgtot tot overige huisvestingssystemen 7 maanden, opfokzeugen vleesvarkens, opfokberenvan vancirca circa25 25kg kgtot tot overige huisvestingssystemen 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot
Totaal
NH3-emissie aantal per dier dieren 1000 0,69 1200 3 728 3 1760 3
totaal 690,0 3600,0 2184,0 5280,0
11754,0
Geur De normen voor geur zijn afgeleid van de Regeling Geurhinder en Veehouderij. Om de geurbelasting op de omgeving te bepalen, worden geurberekeningen uitgevoerd conform het geurverspreidingsmodel ‘V-stacks vergunning’. Uit de berekeningen volgt de geurbelasting op de daarvoor gevoelige objecten, uitgedrukt in Odour Units per kubieke meter. De geurnorm voor geurgevoelige objecten varieert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom en er is onderscheid in concentratiegebied en niet-concentratiegebied. Het bedrijf bevindt zich buiten de bebouwde kom, in een concentratiegebieden, wat inhoudt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten in het buitengebied maximaal 14 odourunits per m3 mag zijn. Voor objecten in de bebouwde kom geldt een maximum van 3 Odourunits 5
per m3. Op geruime afstand van het bedrijf bevinden zich enkele burgerwoningen, welke als geurgevoelige objecten zijn aangewezen. De geurbelasting, conform de onderstaande Vstacks berekening, zit met maximaal 6,4 en 1,3 Ou ruim onder de normen van resp. 14 en 3 oudourunits per m3 voor geurgevoelige objecten. De geurbelasting voldoet aan de gestelde normen. De woningen zijn ter indicatie ook meegenomen in de geurberekeningen. Dit betreffen woningen die horen bij een (voormalige) veehouderij, welke in het kader van de Geurwet officieel niet worden aangemerkt als geurgevoelige objecten, en zijn hierin opgenomen met een fictieve geurnorm van 25 Ou.Op deze woningen is de geurbelasting resp. 9,2 en 12,4 Ou.
De geurbelasting van de aanvraag is als volgt berekend met V-stacks vergunning:
Bovenstaande berekeningen zijn gemaakt met de nieuwste versie van Vstacks (2020). De geurbelasting voor de aanvraag voldoet aan de geurwet.
Stof De emissie van fijnstof vanuit het veehouderijgedeelte neemt toe met 81061 gram per jaar naar in totaal 334144 gram per jaar. Indien een bedrijf op 100 meter afstand een toename heeft van minder dan 581.000 gram per jaar dan wordt in de handreiking fijnstof en veehouderij (Infomil, mei 2010) gesteld dat deze toename niet in betekende mate (NIBM) is. 6
In dit geval, met een woning van derden op 200 m afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt, is zowel de toename als de totale fijnstofemissie te beschouwen als NIBM. Een nadere berekening van de fijnstof-situatie kan derhalve achterwege blijven.
Energie Op het bedrijf zijn al diverse energiebesparende maatregelen toegepast, zoals energiezuinige verlichting en frequentie-gestuurde ventilatieregeling. Energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan 5 jaar worden ook in de nieuwe stal toegepast, zoals energiezuinige verlichting, en een frequentieregelaar op de ventilatoren. Ook de bestaande vleesvarkens/biggenstal wordt voorzien van een centraal afzuigkanaal, met frequentiegeregelde ventilatoren. Het energieverbruik voor de aangevraagde situatie zal vanwege de beoogde veranderingen wat hoger liggen dan het huidige verbruik. Het toekomstige energieverbruik zal naar verwachting ca 85000 Kwh en omgerekend ca 12000 m3 gas bedragen. Voor de verwarming van de stallen zal namelijk een pelletgestookte houtkachel van 80 kW geplaatst worden in plaats van de cv-ketels. De bestaande cv-ketels blijven standby voor het geval er storing is met de houtkachel.
Geluid De omgeving van het bedrijf is aan te merken als landelijk gebied. De geluidsbelasting op de omgeving komt voort uit de stalventilatie, laad- en losactiviteiten en transportbewegingen. De omgeving van het bedrijf is aan te merken als landelijk gebied. Het Activiteitenbesluit milieu geeft als grenswaarden voor geluid tijdens respectievelijk de dag, avond en nachtperiode 45, 40 en 35 dB(A) aan. De ventilatoren van stal B en D zijn voor de luchtwasser gesitueerd, hierdoor wordt het geluid gedempt richting de omgeving. Het aantal verkeersbewegingen en activiteiten wat op een dag de inrichting bezoekt is overeenkomstig de huidige situatie en gemiddeld niet meer dan 13 bezoeken per dag. Hiervan zijn gemiddeld 11 bezoeken met licht verkeer, en 2 met middelzwaar en zwaar transport. De laad- en losactiviteiten vinden normaal gesproken overdag plaats. In de huidige situatie zijn veel vrachten onderbeladen. Door het grotere aantal dieren in de nieuwe situatie zal de beladingsgraad verbeteren (biggen, varkens, voer) en worden er voor de mestafzet grotere tanks ingezet. Hierdoor zal het totale aantal transporten niet toenemen. Het betreft in hoofdzaak transport van voeders, varkens en mest. Uitgaande van het aantal en soort geluidbronnen en de ligging ten opzichte van gevoelige objecten is het aannemelijk dat aan de aan de richtwaarden wordt voldaan.
7
Voedering Op het bedrijf wordt droogvoedering toegepast bij de varkens (ongewijzigd). Mestopslag Alle drijfmest wordt onder de stallen opgeslagen. In de mestkelders kan totaal ca 3500 m3 drijfmest opgeslagen worden. Bij de spoelplaats is een opslagvoorziening voor 15 m3 vaste mest gesitueerd, met onderliggende gieropslag.
Gevaarlijke stoffen Ontsmettingsmiddelen ten behoeve van schoeiselontsmetting (50 kg) wordt in de handelsverpakking bewaard in de berging bij de hygiënesluis. Afvalstoffen Afvalstoffen van het bedrijf worden zoveel mogelijk gescheiden aangeboden aan erkende inzamelaars. Kadavers ( ca 9800 kg/jaar) worden in de ondergrondse kadaverkoeling aan de openbare weg aangeboden en op afroep opgehaald door Rendac. Papier (ca 80kg/jaar) wordt bewaard in dozen en maandelijks aangeboden aan de ophaaldienst. Het afvalwater (spuiwater) van de luchtwasser wordt in de spuiwateropslag onder de nieuwe stal opgeslagen (ca 100 m3) en frequent afgevoerd.
Bodem Uitgangspunt bij ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de beoogde functie. Gezien de wijzigingen geen veranderingen in het gebruik van de bodem met zich meebrengen, en er geen bodemingrepen worden verricht is nader onderzoek voor deze situatie niet nodig. Bovendien is de verblijfstijd van personen in de stallen dermate kort (1 – 1,5 uur per dag), dat hiervoor geen bodemonderzoek benodigd is.
Water Hemelwater van daken en erfverharding (ca 7000m2) wordt ongewijzigd afgevoerd naar omliggende sloten en bodem. Dit water komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en bevat derhalve geen vervuiling. De reiniging van de stallen blijft ongewijzigd. Afvalwater dat hierbij vrij komt wordt opgevangen in de mestkelders in de stallen en wordt samen met de mest afgevoerd. De reiniging van veewagens vindt plaats op de spoelplaats; spoelwater wordt afgevoerd naar de onderliggende opvangput. Het totale waterverbruik is ca 4500 m3 per jaar In ieder veehouderijbedrijf ontstaat condenswater. De grootste bron is de vochtproductie door de dieren via de ademhaling. Hoewel het aantal dieren toeneemt, zijn over de hoeveelheden weinig gegevens bekend. Condenswater wordt overigens niet als belangrijke emissiebron beschouwd. 8
Water veroorzaakt geen relevante milieueffecten.
Flora en fauna Omdat negatieve effecten van de voorgenomen wijzigingen op beschermde flora- en faunasoorten op voorhand uit te sluiten zijn vanwege de locatie van de stal en het huidige grondgebruik, zal initiatiefnemer geen Quickscan flora en fauna op leefomgeving van soorten uitvoeren.. Externe veiligheid Op 28 mei 2004 is in het Staatsblad nummer 250 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna te noemen Bevi) gepubliceerd. Dit besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit heeft tot doel de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor burgers in hun leefomgeving, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt. Op de locatie worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt die een gevaar opleveren voor burgers en hun leefomgeving. Op de risicokaart is te zien dat er in de directe omgeving van de planlocatie geen gevaar vormende activiteiten zijn gelegen. De dichtstbij gelegen installatie (Zweekhorst) is op ruim 600 m afstand, en zal geen gevaar opleveren voor de locatie.
Volksgezondheid De laatste jaren is er meer aandacht voor gezondheidsrisico’s. Ondanks dat er weinig bekend is over dit onderwerp en er gelukkig weinig excessen bekend zijn, achten we het belangrijk om wel iets te benoemen over risicobeheersing. Belangrijk aspect in deze is dat de relatief lage fijnstofemissie ook betekent dat de emissie van biologische agentia, verbonden aan fijnstof daarmee ook relatief laag zullen zijn. Relevante aspecten bij beoordeling gezondheid en aspecten waar het bedrijf aandacht aan schenkt in verband met risicobeheersing zijn: - Luchtwasser reduceert de emissie van geur, stof en biologische agentia. - Binnenhuisvesting van dieren en optimale aandacht voor klimaatbeheersing in de stallen. - Bij ontwerp van stallen zijn professionele adviseurs betrokken (o.a. klimaatspecialisten en veterinair deskundigen) om gezondheidsaspecten zo goed mogelijk te waarborgen - Effectieve ongediertebestrijding - Vaste relatie dierenarts en veehouder - Aan toeleveranciers worden microbiologische eisen gesteld - Laag antibioticagebruik wordt nagestreefd - Eisen aan reiniging en desinfectie Met deze aspecten wordt op dit bedrijf een goede en gezonde leefomgeving zo goed mogelijk gewaarborgd.
9
heeft het voornemen de bestaande varkenshouderij te wijzigen en uit te breiden. Het bedrijf wil een nieuwe moderne stal bouwen met een biologisch luchtwassysteem (70% ammoniakreductie) voor 1760 vleesvarkens. Verder is het voornemen om een bestaande chemische luchtwasser om te bouwen tot een biologische luchtwasser. Tevens wordt een bestaande biggenstal deels in gebruik genomen voor vleesvarkens, en wordt de ventilatie voor deze stal aangepast. Voor de realisatie van de nieuwe stal is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. Naast de uiteenzetting van risico’s in deze aanmeldnotitie kan een onafhankelijk advies van de GGD wellicht een objectieve blik op deze kwestie geven.
De belangrijkste risico's voor de gezondheid van omwonenden van varkenshouderijen zijn: Blootstelling aan fijn stof Blootstelling aan endotoxinen Blootstelling aan ziektekiemen (zoönosen) Geurhinder Geluidhinder. Voor de blootstelling aan fijn stof en voor geur- en geluidhinder zijn wettelijke normen. Dit betekent echter niet per definitie dat daarmee de volksgezondheid voldoende is beschermd. Niet voor alle risico's en blootstelling aan stoffen zijn wettelijke normen vastgesteld.Ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en hinder adviseert de GGD om geen nieuwe veehouderijen te realiseren op een afstand van minder dan 250 m. van het emissiepunt van het bedrijf. Bij de ingediende aanvraag voor het uitbreide van de varkenshouderij van ligt de dichtstbijzijnde geurgevoelige burgerwoning op 290 m. van het bedrijf. De overige geurgevoelige bestemmingen liggen verder van de varkenshouderij. Voorts liggen een aantal (voormalige) bedrijfswoningen op een afstand vanaf 160 m. van het bedrijf. Fijn stof In de ingediende aanvraag is aangegeven dat de fijn emissie ten op de dichtstbijzijnde woning ruim onder de NIBM-grenswaarde voor fijnstof ligt. Blootstelling aan fijn stof van agrarische bedrijven kan effect hebben op de gezondheid en met name op de luchtwegen. Voor de gezondheid voor omwonenden zijn lage emissies gewenst.
Endotoxinen Fijn stof bevat onder meer celresten van bacteriën, endotoxinen. In het advies van de Gezondheidsraad van 30 november 2012 doet de Raad het voorstel om voor endotoxinen een gezondheidskundige advieswaarde van 30 EU/m3 te hanteren voor de algemene bevolking. Door het toepassen van biologische luchtwassers op de bestaande en de nieuwe stal, alsmede het toepassen van een strikte hygiëne op het bedrijf wordt getracht om de emissie van endotoxinen zo laag mogelijk te houden. Risico's op Infectieziekten Het bedrijfsmanagement is erop gericht om verspreiding van infectieziekten, zowel intern als naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen door strikte hygiëne maatregelen. Geur In het kader van de vergunningaanvraag zijn geurberekeningen uitgevoerd voor het bepalen van de voorgrondbelasting. De voorgrondbelasting naar het dichtstbijzijnde geurgevoelig object (woning aan de Boleemweg) is voor de nieuwe situatie berekend op 6,4 OU/m3
10
De geurbelasting ligt ruim onder de geurnorm van 14 OU/m3, zo die geldt in een concentratiegebied. Bedrijfswoningen horende bij een veehouderij, of woningen die tot 19 maart 2000 tot een veehouderij hoorden worden niet als geurgevoelig aangemerkt (Geurwet). Voor deze woningen geldt een minimale afstand van 50 m., waaraan ruimschoots wordt voldaan.
Geluid Voor het geluid dat voortgebracht wordt door het bedrijf, inclusief de aan- en afvoerbewegingen wordt een akoestisch rapport opgesteld. Vooralsnog is de verwachting dat het bedrijf kan voldoen aan de geluidsvoorschriften van de gemeente Zevenaar. Overigens zal naar verwachting het geluid dat direct en indirect door het bedrijf voortgebracht wordt, worden overstemd door het achtergrondgeluid van de snelweg A12. Conclusie Uit het bovenstaande volgt dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten door de voorgenomen activiteiten.
Bijlage: plattegrondtekening bedrijf
11