Bijlage 1. 1247291 - Onderzoek TNO over emissies brommers
Tekst van het document
Het aandeel tweetakt- en viertaktbrommers kan ook over de diverse bouwjaren weergegeven worden. Duidelijk herkenbaar is dat in de laatste jaren nagenoeg alleen viertaktbrommers op de markt verschenen zijn. Dit is een gevolg van de steeds strengere Europese emissie eisen aan brommers.
Figuur 18: De verhouding van tweetakt- en viertaktbrommers in Utrecht, uitgesplitst naar datum eerste toelating
De verdeling van tweetakt- en viertaktbrommers, waargenomen tijdens de scan, over de diverse jaren van eerste toelating laat een heel duidelijke afname van het aandeel tweetaktbrommers zien.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 8/16
Uit de brommerscan data zijn blijkt dat er nagenoeg geen tweetaktbrommers met datum eerste toelating 2014 in Utrecht rijden. De tweetaktbrommers lijken langzaam maar zeker uit het straatbeeld te gaan verdwijnen. Verdeling naar Euroklasse Brommers moeten in Europa een typekeuring ondergaan voordat ze op de weg toegelaten worden. Een onderdeel van deze typekeuring zijn eisen aan de brommer emissies (ook wel Euronormen genoemd). In de RDW database is niet vastgelegd tot welke Euroklasse een bepaalde brommer behoort. Wel zijn typekeur codes en datum van eerste toelating bekend. Op basis van deze gegevens kan voor brommers afgeleid worden tot welke Euroklasse de brommers behoren. De verdeling van de aantallen per bouwjaar van 2005 en ouder moet dus ingeschat worden. Dit is gedaan door de brommers uit het bouwjaar 2005 te verdelen over de 2005 voorgaande bouwjaren. Deze verdeling (aantallen per jaar van 2005 en ouder) is gemaakt op basis van de een trend van de totale aantallen brommers per bouwjaar van 2006 en nieuwer. Zodoende is een inschatting verkregen van de aantallen Euro 1 en Euro 0 brommers. De emissie wetgeving is door de jaren heen herhaaldelijk aangescherpt (zie Bijlage E). In de verdeling van de aantallen toegelaten brommers per registratie jaar is te zien dat alle brommers van 2005 en ouder door de RDW in het jaar 2005 geregistreerd zijn.
Zoals hiervoor genoemd is dit niet het daadwerkelijke jaar van eerste toelating geweest, daarom zijn de brommers met datum eerste toelating 2005 verdeeld over 2005 en voorgaande jaren. Dit is weergegeven in onderstaande Figuur.
Registratie 2005 verdeeld over 2005 en ouder
Figuur 19: Verdeling van de aantallen brommers per datum eerste toelating voor alle locaties samen. De brommers geregistreerd in 2005 zijn verdeeld over 2005 en voorgaande jaren.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 9/16
Vervolgens is de verdeling van de (snor)brommers over de diverse Euroklassen bepaald.
Figuur 20: Brommers verdeeld naar Euroklassen, de brommers in het jaar 2005 zijn verdeeld over 2005 en ouder en daarmee over de Euroklasse Euro 2, Euro 1 en een klein deel Euro 0
Snelheden van brom- en snorfietsen De camera’s die tijdens het onderzoek ingezet zijn registeren naast de kentekens ook de snelheden van de passerende brommers. De snelheden zijn gemeten om een beeld te vormen van de snelheden waarmee de brommervloot langs de scan locaties rijdt. Er is veel zorg is besteed aan de kalibratie van de camera’s, de nauwkeurigheid is ongeveer plus of min 10%. De snelheidsmetingen in dit onderzoek zijn alleen uitgevoerd om een indruk te krijgen van de gemiddelde rijsnelheden van het brommerpark.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 10/16
Figuur 21: Snelheidsverdeling van de brom- en snorfietsen.
Bovenstaande figuur geeft de snelheidsverdeling van de brommers weer. In totaal zijn ca. 24.000 passages van brommers gedetecteerd. Van ongeveer 16.000 passages zijn de snelheidsmetingen gelukt, ongeveer 8.000 metingen zijn niet betrouwbaar of niet uitgevoerd en daarom als “nul” geregistreerd. De gemiddelde snelheid van de ca. 16.000 metingen bedraagt 34 km/h. Figuur 21 geeft een overzicht van alle snor en bromfietsen samen. De snelheidsmetingen zijn vervolgens gesplitst in snorfietsen en bromfietsen en weergegeven in Figuur 22.
Figuur 22: Snelheidsverdeling van snor- en bromfietsen
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 11/16
De gemiddelde snelheid van de snorfietsen (33 km/h) ligt maar iets lager de gemiddelde snelheid van de bromfietsen (36 km/h). Ook is duidelijk herkenbaar dat een groot deel van de snorfietsen aanzienlijk harder rijdt dan de maximale constructie snelheid van 25 km/h. De snelheidsverdeling van snorfietsen wijkt in feite maar weinig af van de snelheidsverdeling van de bromfietsen. Relatieve bijdrage brommers aan de lokale verkeersemissies Om inzicht te krijgen in de bijdrage van de brommers aan de lokale luchtverontreiniging is het brommerpark allereerst ingedeeld volgens onderstaande tabel. Tabel 11:
Verdeling van brommers in de diverse categorieën
Snorfietsen Tweetakt
Euro 0 0,57%
Euro 1 0,72%
Euro 2 12,36%
Viertakt
1,16%
1,84%
46,81%
Bromfietsen Euro 3
Euro 0 0,34%
Euro 1 0,53%
Euro 2 7,62%
0,78%
1,07%
26,20%
Euro 3
Noot: vanaf 2014 moeten nieuwe brommers voldoen aan Euro 3 maar mogen Euro 2 brommers nog verkocht worden.
Nieuwe type brommers moeten vanaf 2014 voldoen aan Euro 3 eisen. Bestaande type brommers die aan Euro 2 voldoen mogen echter nog in 2014 verkocht worden. De emissie eisen voor Euro 3 brommers zijn gelijk aan die van Euro 2, alleen wordt bij Euro 3 een koude start meegenomen in de test. Tot dusver zijn emissiemetingen aan Euro 0 t/m Euro 2 brommers uitgevoerd, maar zijn nog geen praktijkmetingen van Euro 3 brommers beschikbaar. De emissies van Euro 3 brommers worden vooralsnog gelijk aan Euro 2 brommers verondersteld. Vervolgens is op een aantal drukke locaties het aandeel van het brommerverkeer in de totale verkeersstroom bepaald. Samen met de aandelen per Euroklasse, tweetakt en viertakt, en snorfiets of bromfiets, kan de relatieve bijdrage van het brommerverkeer aan de totale verkeersemissies en de relatieve bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit bepaald worden. Bijdrage brommerpark aan de NO2 en PM10 concentratie De bijdrage van het brommerverkeer aan de lokale luchtkwaliteit is berekend door gebruik te maken van de samenstelling van het brommerpark zoals gemeten met de brommerscan, het relatieve aandeel van brommers in het totale verkeer en inzicht in het overige wegverkeer. Voor de gegevens van het overige wegverkeer is gebruik gemaakt van de wagenparkscan in Utrecht uit 2012.
Deze wagenparkscan geeft samen met de brommerpark scan een gedetailleerd inzicht in de samenstelling van het totale wagenpark in Utrecht. Het aandeel brommers in de totale verkeersintensiteit varieert tussen de 3% en 5% Uitgaande van de gemiddelde samenstelling van de brommervloot is voor drie locaties berekend wat de bijdrage van het brommerverkeer aan de lokale luchtkwaliteit is.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Tabel 12:
Bijlage F | 12/16
Euronormen en bijbehorende emissie limieten.
Locatie
Brommers per etmaal
Aandeel brommers in verkeersbijdrage PM10 concentratie
Aandeel brommers in verkeersbijdrage NO2 concentratie
Bijdrage PM10 in ug/m3
Bijdrage NO2 ug/m3
Amsterdamse straatweg Catharijnesingel
880
± 4%
± 0,26%
± 0,10
± 0,035
440
± 3%
± 0,23%
± 0,06
± 0,025
Vleutenseweg
880
± 3%
± 0,22%
± 0,04
± 0,017
De bijdrage van de brommers aan de lokale PM10 (fijnstof) concentratie varieert 3 ongeveer tussen de 0,05 en 0,1 ug/m . De bijdrage aan de lokale NO2 concentratie 3 varieert tussen de 0,02 en 0,04 ug/m . De bijdrage van brommers aan de lokale NO2 concentratie is beperkt, de uitstoot 3 van alle verkeer samen draagt namelijk in de orde grootte van 10 ug/m bij aan de lokale luchtkwaliteit. De bijdrage van brommers aan de lokale PM10 (fijnstof) concentratie is iets groter, 3 de uitstoot van alle verkeer samen draagt namelijk in de orde grootte van 2 ug/m bij aan de lokale luchtkwaliteit. Bij het berekenen van de brommeremissies en dus de bijdrage van brommers aan de lokale luchtverontreiniging is geen rekening gehouden met het feit dat sommige brommers opgevoerd worden. Het probleem is namelijk dat nauwelijks betrouwbare cijfers bekend zijn van het aandeel opgevoerde brommers. Bovendien zijn zeer veel varianten van opvoeren mogelijk die allemaal verschillende effecten op de emissies hebben. Ook kan het verwijderen van de restricties van snorfietsen een positief effect op de emissies hebben. 14
Meerdere onderzoeken wijzen echter uit dat brommers, naast NO2 en PM10, ook significante hoeveelheden van het meer schadelijke ultrafijnstof uitstoten. Omdat brommers bovendien dicht langs fietsers en voetgangers rijden, is de uitstoot van ultrafijnstof door brommers mogelijk schadelijk voor de gezondheid van fietsers en voetgangers . Het ligt daarom voor de hand dat het belangrijkste argument voor het terugdringen van de emissies van het brommerverkeer wordt gevormd door de uitstoot van ultrafijnstof in combinatie met de nabijheid van deze emissies bij verkeersdeelnemers (fietsers/voetgangers).
14
C. Favre et al, AECC, 2011, “Regulated and Non-regulated Emissions of selected State of the Art European mopeds”
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 13/16
Deeltjes aantallen Het is bekend dat brommers hoge aantallen deeltjes uitstoten, de meeste deeltjesmetingen worden echter in het laboratorium uitgevoerd. Om een beeld te vormen of deeltjesmetingen in de praktijk op de weg uitvoerbaar zijn, zijn eerste indicatieve deeltjesmetingen uitgevoerd. Indicatieve meting van individuele passerende brommers in de buitenlucht Op 17 september 2014 is bij het meetpunt van de brommerscan op de Vleutense brug een oriënterende meting uitgevoerd naar de mogelijkheid om individuele brommers te kunnen meten. Aanpak Met behulp van twee condensation Particle counters (TSI CPC 3007) is ter hoogte van de camera positie van de brommerscan boven- en benedenwinds van het fietspad de concentratie van deeltjes in de lucht bepaald. Het verschil tussen de beneden- en bovenwindse concentratie (of: belaste en onbelaste concentratie) is een indicatie voor de bijdrage van de passerende brommers.
Figuur 23: Opstelling van de twee CPC 3007 apparaten. Op de voorgrond de benedenwindse meetpositie. De andere CPC staat op de computerkast van de brommerscan apparatuur. De foto is genomen in de richting van waar de wind vandaan kwam.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 14/16
Op de meetdag was de windrichting zuidoost. Het bovenwindse punt was daardoor nauwelijks belast. In het bovenwindse meetpunt werden alleen pieken waargenomen bij het passeren van binnenvaartschepen op het AmsterdamRijnkanaal en bij het passeren van vrachtwagens op de Elektronweg/Oude Vleutenseweg (onder de Vleutensebrug). Verwerking De data van de twee afzonderlijke CPC’s zijn onderling en met de gegevens van de brommerscan gesynchroniseerd.
Figuur 24: Trend van de deeltjes aantallen boven en benedenwinds van het fietspad op de Vleutenseweg Onbelast is bovenwinds.
In Figuur 24 is het signaal van de twee deeltjestellers in de tijd weergegeven. De volgende zaken vallen op: 3 De heersende achtergrondconcentratie is rond 10.000 #/cm . De passage van een tweetal binnenvaartschepen rond 15:10 en 15:28 is duidelijk te zien aan de tijdelijke verhoging van de achtergrondconcentratie. In de belaste tijdserie duiden de kortdurende hoge pieken op de passage van brommers. Het signaal van de bovenwindse CPC wordt gebruikt als achtergrond. Na het aftrekken van het signaal van de bovenwindse CPC van het signaal van de benedenwindse CPC blijft de bijdrage van de brommers op de deeltjes aantallen over.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 15/16
Figuur 25: Bijdrage van brommers aan de deeltjesaantallen benedenwinds van het fietspad. De groene driehoekjes zijn geregistreerde brommers die rijden in de westelijke richting. De paarse rondjes zijn brommers in de oostelijke richting. Bij de brommers is op de rechter-as onderscheid gemaakt tussen twee- en viertakt.
In Figuur 25 is de bijdrage van de brommers op het benedenwindse punt weergegeven. Ook zijn met driehoekjes en cirkeltjes de brommers aangegeven die in de oostelijke of in de westelijke richting rijden. In het figuur is duidelijk te zien dat het overgrote deel van de brommers viertakt motoren heeft. Bij het aanduiden van de passage van de individuele brommers is rekening gehouden met de vertraging waarmee de pluim uit de brommer bij het meetapparaat aankomt. En er is een schatting gemaakt van de vertraging die optreedt tussen het moment van scannen en het moment van detecteren op de deeltjesteller. Discussie Snelle veranderingen in de aantallen deeltjes kunnen goed worden waargenomen. Er worden duidelijk kortdurende hoge bijdragen van passerende brommers waargenomen. De pieken zijn niet altijd even hoog. Dat duidt erop dat er tussen brommers verschillen optreden in de mate van emissie van ultrafijne deeltjes. Echter, een relatie tussen de waargenomen pieken en de passerende brommers (bijvoorbeeld twee- of viertakt) is lastig te bepalen. Dit heeft meerdere oorzaken. De belangrijkste oorzaak is dat er in twee richtingen wordt gereden. Hierdoor zijn er veel momenten waarop er meerdere brommers mogelijk in één piek zitten. Ook komen brommers in clusters langs, mede door het stoplicht op enkele tientallen meters van de meetlokatie waar de brommers de Vleutenseweg oversteken.
TNO-rapport | TNO 2016 R10093 | 11 maart 2016
Bijlage F | 16/16
Tenslotte bleek achteraf de tijdsynchronisatie tussen de meetcomputer en de brommerscan computer en de inschatting van de tijdsvertraging die in het passeren van de brommer en het waarnemen van de piek lastig. Aanbeveling Een beter resultaat voor metingen aan passerende brommers zou worden verkregen wanneer er wordt gemeten op een fietspad met een enkele rijrichting en uit de buurt van een kruising met verkeerslicht. De synchronisatie tussen de brommerscan computer en de meetcomputer kan worden verbeterd door enkel manuele opnamen te doen van passerende brommers. Bij deze synchronisatie zal dan ook een inschatting worden gemaakt van de vertraging die optreedt als gevolg van de luchtverplaatsing. Deze onzekerheid is ook kleiner bij een enkele rijrichting. De benedenwindse concentratie kan dan worden gemeten ter hoogte van de opname plek van de brommerscan.