CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. 1222451 - Ruimtelijke onderbouwing Dorpsplein 1 Pannerden

Raadsvergaderingen 2022-2026 24 september 2025, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/24/477506 Verklaring van geen bedenkingen Dorpsplein 1 in Pannerden16.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Situatie projectgebied

Voorliggend project gaat uit van de realisatie van een woongebouw. De te realiseren woningen (appartementen) worden in het kader van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten en dienen hierdoor getoetst te worden aan de mogelijke gevolgen van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Industrielawaai Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van en ligt niet in de directe nabijheid van een (gezoneerd) industrieterrein. Aan industrielawaai hoeft niet nader te worden getoetst. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op de appartementen wordt verwezen naar paragraaf 4.5 ‘milieuzonering’. Railverkeerslawaai Binnen de directe omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoorweg. Het projectgebied ligt hiermee ook niet binnen de wettelijke geluidszone van een spoorweg. Aan railverkeerslawaai hoeft niet nader te worden getoetst. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing Het projectgebied bevindt zich in een gebied waar 30 km/u mag worden gereden. De wegen rondom het projectgebied zijn daarmee niet voorzien van een wettelijke geluidszone. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij deze wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Tegenover het projectgebied is een supermarkt, slagerij en een drogisterij gevestigd. Voertuigen die over de aangrenzende wegen rondom het projectgebied rijden, zullen, vanwege deze supermarkt (waardoor er relatief veel voetgangers lopen) en de aanwezigheid van drempels, op lagere snelheid rijden. De direct omliggende wegen betreffen smalle en relatief rustige wegen primair bedoeld voor bestemmingsverkeer. Gelet op het vorenstaande kan redelijkerwijs aangenomen worden dat de geluidsbelasting op de gevels ter plaatse van de beoogde appartementen niet meer zal bedragen dan 48 dBA. Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai wordt dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht ter plaatse van het projectgebied. 4.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2

Situatie projectgebied

In dit geval is door DUMEA Milieu een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 1 van deze toelichting. Onderzoeksresultaten Grond In de bovengrondmengmonsters BM1 En BM2 zijn lichte verhogingen zware metalen en PAK aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn lichte verhogingen zware metalen aangetroffen. Verder zijn in de ondergrondmengmonsters OM2 en OM3 geen verhogingen aangetroffen. De tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat uit milieuhygiënische overweging er geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Grondwater In de grondwatermonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. De tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen dan ook niet overschreden zodat uit milieuhygiënische overweging geen aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Toetsing hypothese Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch verdacht aangemerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging.

De grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevatten enkele stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde respectievelijk de streefwaarde. De plaatselijk verhoogd gemeten chemische verontreinigingen overschrijden de tussenwaarde en de bodemindex waarde (>0,5) niet en geven daardoor geen directe aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling (16 woningen) in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels de rode ster de locatie van het projectgebied weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 4.4

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

In afbeelding 4.4 is de risicokaart van het projectgebied te zien. Hierop is te zien dat op circa 780 meter een gasleiding is gelegen. Deze gasleiding ligt op dermate grote afstand dat deze voor de voorgenomen ontwikkeling niet relevant is. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • • 4.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied ligt in de kern Pannerden. Tegenover het projectgebied zijn een supermarkt, een slagerij en een drogisterij gelegen waardoor sprake is van een zekere menging van functies. Daarom wordt in voorliggend geval uitgegaan van een ligging in een ‘gemengd gebied’. In de onderstaande tabel is te zien welke richtafstanden per milieucategorie gelden tot onder andere het omgevingstype ‘gemengd gebied’.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden als gevolg van deze functie is dan ook geenszins sprake. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In het projectgebied worden milieugevoelige functies gerealiseerd, namelijk de appartementen. Opgemerkt wordt dat het in het projectgebied reeds is toegestaan om te wonen. Met de transformatie van de locatie verandert het beschermingsniveau dan ook niet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna wel ingegaan op milieubelastende functies in de omgeving.

Rondom het projectgebied vindt men de volgende bedrijfstypen: ‘Supermarkten, warenhuizen’, ‘Apotheken en drogisterijen’, ‘Detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken’. Deze bedrijfstypen vallen allen onder milieucategorie 1. De richtafstand voor deze milieucategorie in het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is dan ook 0 meter. De richtafstand voor het aspect gevaar wordt echter niet verlaagd en bedraagt voor een aantal van de omliggende bedrijven 10 meter.

Functie

Milieucategorie Richtafstand

Werkelijke afstand

Dorpsplein 2 (Supermarkten, warenhuizen) Dorpsplein 3 (Detailhandel voor zover n.e.g.) Dorpsplein 4 (Apotheken en drogisterijen) Dorpsplein 6 (Detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken)

1

10 m

Circa 28 m

1

0m

Circa 16 m

1

10 m

Circa 27 m

1

10 m

Circa 37 m

4.5.4

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de appartementen in het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omliggende milieubelastende functies vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Omgekeerd worden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

4.6

Geur

4.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 4.6.2

Situatie projectgebied

De appartementen worden aangemerkt als zijnde geurgevoelige objecten, als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Ten zuidwesten van het projectgebied is een agrarisch bedrijf gevestigd. Dit agrarisch bedrijf is op circa 140 meter gelegen van het projectgebied. Daarmee wordt voldaan aan de vereiste 100 meter afstand. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de nieuwe appartementen in het kader van geur een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt verwacht. Andersom worden bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Een geuronderzoek wordt op basis van vorenstaande niet noodzakelijk geacht. 4.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de wet geurhinder en veehouderij geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing Het projectgebied bevindt zich op circa 243 meter afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is door onderzoeksbureau Witjes Milieuadvies BV een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het rapport behorende bij dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit de berekening is naar voren gekomen dat er in de bouw- en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het NNN.

Het dichtstbijzijnde onderdeel van natuur dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op circa 243 meter afstand. Het onderzoeksgebied behoort niet tot het NNN en het grenst niet aan gronden die tot het NNN behoren. Gelet op de lokale invloedsfeer en de ligging van het onderzoeksgebied op enige afstand van het NNN, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 4.7.3

Soortenbescherming

4.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.7.3.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval wordt de bebouwing op een perceel gesloopt en wordt daarvoor in de plaats een appartementengebouw gerealiseerd. Op het perceel staan diverse bomen en planten. Gelet op voorgaande is een QuickScan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door Natuurbank Overijssel omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden. In de QuickScan is als volgt over de aanwezigheid van beschermde soorten geconcludeerd. De QuickScan is toegevoegd als Bijlage 3. Vogels Vogels benutten het projectgebied uitsluitend als foerageergebied. Er zijn rondom het gebouw geen bomen die een geschikte nestplaats vormen. De beplanting rondom het gebouw is te dicht en hierdoor niet geschikt als nestelplaats.

De bebouwing is niet toegankelijk voor vogels, de betimmering van het dakoverstek van de woning en de schuur sluit overal nauw aan en vormt daarom geen geschikte nestplaats voor gierzwaluwen en huismussen. Als gevolg van de voorgenomen handelingen wordt er geen vogel gedood of nestplaats negatief beïnvloed ook neemt de functie van het projectgebied als foerageergebied niet af. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Grondgebonden zoogdieren Het projectgebied vormt een functioneel leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren als de egel en steenmarter. Het projectgebied is onderzocht op potentiële verblijfplaatsen van een egel en steenmarter maar deze zijn niet gevonden. Tevens zijn er in het projectgebied geen aanwijzingen, zoals prooiresten en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing uitwerpselen gevonden die duiden op de aanwezigheid van steenmarter en egel. De bebouwing is niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren en in de buitenruimte ontbreken geschikte heesters met een strooisellaag waar egels of steenmarters een rust- en voortplantingsplaats in kunnen bezetten. Wél zijn er rondom het woonhuis potentiële verblijfplaatsen aanwezig van de bosmuis en huisspitsmuis in holen en gaten in de grond. Door het bouwrijp maken van het terrein wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De betekenis van het projectgebied als foerageergebied neemt door de voorgenomen activiteiten af, de functie van foerageergebied is niet beschermd. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust-of voortplantingsplaats in het projectgebied bezetten, maar de bebouwing wordt wel als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd.

In de buitengevels van de bebouwing zijn openstootvoegen vastgesteld. Deze openstootvoegen zijn niet gevuld met spinrag en bieden een doorgang naar de spouwmuur. Vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis kunnen in de spouwmuur verblijfplaatsen bezetten. Deze vleermuissoorten kunnen dergelijke verblijfplaatsen benutten als zomer-, winter-, kraam en/of paarverblijfplaats. Vleermuizen bezetten een dergelijke verblijfplaats maanden of slechts weken en doorgaans hebben de bewoners daar totaal geen weet van. Tevens zijn er onder de daklijsten kieren vastgesteld waar mogelijk vleermuizen een verblijfplaats kunnen bezetten. Verder zijn in het projectgebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik of zonnewering aangetroffen. In het projectgebied zijn geen holenbomen of bomen met loshangend schors aanwezig. Door het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het projectgebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het projectgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten beïnvloedt het foerageergebied niet. Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het projectgebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten beïnvloedt de vliegroute niet. Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Door het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en voortplantingsplaats van vleermuizen niet uitgesloten kan worden op basis van het uitgevoerde onderzoek, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol, in dit geval het vleermuisprotocol 2021. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het projectgebied, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Om alle functies van de bebouwing te onderzoeken, dient het onderzoek uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september. Op basis van het vervolgonderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het projectgebied, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Voorgenoemd lopend aanvullend onderzoek op aanwezigheid van vleermuizen zal na gereedkomen toe worden gevoegd aan de aanvraag omgevingsvergunning of als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning. 4.7.4

Bomeneffectanalyse

4.7.4.1 Algemeen Voor de ontwikkeling aan het Dorpsplein 1 te Pannerden is door Expedio Arbori een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Op de locatie staan diverse bomen waaronder 2 monumentale beuken en 1 monumentale plataan. Omdat deze bomen van waarde zijn is deze beoordeling uitgevoerd. De BEA zet de bovengrondse kwaliteit van de bomen weer. Daarbij is beoordeeld of de plannen passen bij het duurzaam behoud van de bomen. De BEA is toegevoegd als Bijlage 4. 4.7.4.2 Situatie projectgebied Een aantal bomen die in de inspectielijst zijn opgenomen kunnen met het voornemen niet gehandhaafd worden en waren ook niet van die waarde om ze wel te behouden. Deze bomen worden gecompenseerd door nieuwe aanplant. Het voornemen ziet op de aanleg van een parkeerplaats en een pad. Het is mogelijk dit pad aan te leggen, zolang voor het cunet zo min mogelijk (diepte) ontgraven wordt. Verder is het voor duurzaam behoud van de bomen wenselijk dat er geen veranderingen aan de groeiplaats gedaan worden. In de beuken is zwaar dood hout aanwezig. Dit is ecologisch van grote waarde. Takken die op het nieuwe pad kunnen vallen dienen in het kader van de omgevingsveiligheid wel verwijderd te worden, bij voorkeur voor aanvang van de werkzaamheden. Ook hebben de beuken een vrij laag kroonbeeld. Om hier een doorgang te verkrijgen welke vereist is voor een voetpad, zal hiertoe gesnoeid moeten worden.

De oprit naar de parkeerplaats is niet te realiseren zonder ondergronds en bovengronds grote schade aan de bomen (6 & 7) toe te brengen. De huidige kroonopbouw van de iep is niet toereikend om op te kronen ten einde voldoende doorrijhoogte te creëren en het is niet mogelijk om buiten de stabiliteitszone van de bomen te blijven bij het graven van een cunet. De onderlinge afstand tussen de bomen bedraagt namelijk 8 meter. Rekening houdend met een minimaal benodigde graafafstand van drie meter (in verband met de stabiliteitskluit), verdient het de aanbeveling om de iep te kappen en om de linde op te kronen. Bij het veranderen van het ontwerp voor de inrit (dit vernieuwde ontwerp is opgenomen in deze onderbouwing als afbeelding 2.3), is gekeken naar het mogelijk behoud van de linde (9) achter de iep. Ook hier geldt een minimaal benodigde graafafstand van 3 meter. Aangezien het maaiveld echter met circa 20-30 cm verhoogd zal gaan worden om aan te sluiten bij het naaste perceel, zal ook deze boom niet duurzaam behouden kunnen blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing Voor een duurzaam behoud tijdens de werkzaamheden moet er aan de volgende voorwaarden worden gedaan: • • •

Werk aan bomen door een boomverzorger met het certificaat ‘European Treeworker’ (ETW) Werken onder bomen onder toezicht van een ‘European Treetechnician’ (ETT) o te denken aan eventueel noodzakelijke wortelsnoei Geen verkeersbewegingen of opslag binnen de kroonprojectie van bomen. De kwetsbare zone van de bomen dient bij voorkeur middels onlosmakelijk aan elkaar gekoppelde (bouw-) hekken omsloten te worden om de groeiplaats te beschermen.

Aansluitend verdient het de aanbeveling om de randvoorwaarden voor het zorgvuldig werken nabij bomen van toepassing te verklaren op het project, zoals deze als ‘Poster werken nabij bomen’ in bijlage 3 van de BEA is toegevoegd. 4.7.5

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling. In het voorgenomen plan is een grote mate van aandacht voor behoud, uitbreiden en versterken van groene leefomgeving.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie projectgebied Er is voornamelijk een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen. Door grote verschillen in dikte van de humeuze bovenlaag, variërend van 70 tot 240 cm dikte, zijn er grote verschillen in diepte waarop de natuurlijke afzettingen in de vorm van oeverafzettingen of een spoorvulling (waterput in boring 1) zijn aangetroffen. De boringen 4 en 6 zijn respectievelijk gestuit op boomwortels en puin of een oude fundering. Ter hoogte van boring 6 lag begin vorige eeuw een woning. De top van het archeologisch niveau (oeverafzettingen of archeologisch spoor bevindt zich op 70 à 240 cm -mv (10,67 à 12,60 m +NAP). Er zijn binnen het plangebied veel archeologische indicatoren aangetroffen (baksteen, houtskool, bot, aardewerkfragmentjes, verbrande leem en fosfaatvlekken).

De aardewerkfragmenten dateren waarschijnlijk voornamelijk uit de IJzertijd en in mindere mate uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. De meeste archeologische indicatoren zijn in de A-horizont aangetroffen, met name in de boringen 3 en 5 waar een extreem dikke A-horizont is aangetroffen met meerdere subhorizonten (oude woongronden). In de oeverafzettingen van de boringen 2, 3 en 5 zijn verschillende archeologische indicatoren op verschillende niveaus aangetroffen. In de boringen 1, 3 en 5 zijn archeologische indicatoren aangetroffen tot ongeveer de maximaal verkende diepte van 3,0 m -mv. De hoge archeologische verwachting voor de Bronstijd tot Nieuwe tijd moet worden gehandhaafd. De diepte van de bodemingrepen blijft beperkt en/of blijft beperkt tot in ophogingen uit de Nieuwe Tijd en subrecente periode waarbij de informatiewaarde waarschijnlijk heel gering zal zijn. Het mogelijk aanwezige sporenniveau is onder de dikke A-horizont te verwachten. Om deze reden is geadviseerd dat een vervolgonderzoek niet noodzakelijk is om uit te voeren en het plangebied vrij kan worden gegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die negatieve effecten zouden kunnen ondervinden in verband met voorliggende ontwikkeling. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.9

Besluit milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing 4.9.2

Situatie projectgebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op een afstand van circa 243 meter. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is door onderzoeksbureau Witjes Milieuadvies BV een stikstofonderzoek uitgevoerd. Uit de berekening is naar voren gekomen dat er in de bouw- en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.9.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden gehanteerd. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk zouden maken. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.9.3

Conclusie

Dit project is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van dit project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 5.1.3

Provinciaal beleid

Het regionaal waterprogramma 2021-2027 bevat het waterbeleid van de provincie. De provincie Gelderland hanteert voor het waterbeleid drie uitgangspunten, namelijk: 1. 2. 3.

5.1.4

Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- en watersysteem is een belangrijke basis voor de fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid. De provincie werkt aan herstel en zorgt dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwacht de provincie van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of compenseren. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan de provincie met haar partners werken, vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Denk aan het verminderen van stikstof en uitstoot van CO2, de aanpak van PFAS, medicijnresten en nieuwe stoffen, aanpassing aan het veranderende klimaat, vergroten van de biodiversiteit, de stijgende vraag naar grond- en drinkwater, en ruimte voor nieuwe woningen of natuur. Deze opgaven komen samen in gebieden. Daarom is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk probeert de provincie hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Gemeentelijk beleid

De wens van de gemeente Zevenaar is om toe te werken naar een klimaatadaptieve inrichting, waarbij extreme weersomstandigheden geen overlast veroorzaken. Daarbij wil de gemeente absoluut voorkomen dat BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing er overlast optreedt bij de berekende wateroverlast. Behalve wateroverlast, is droogte een belangrijk thema. Droogte heeft onder andere effect op de natuur en het risico op verzakkingen. Daarnaast is het thema hitte belangrijk voor de gezondheid en het leefcomfort van inwoners. Om klimaatadaptief te worden moet elk perceel bijdragen aan het verminderen van klimaateffecten. Daarom zijn minimale eisen opgesteld voor de klimaatthema’s wateroverlast, droogte en hitte. De eisen zijn gelijk voor alle kavels binnen de gemeente Zevenaar. De eisen zijn opgedeeld in twee categorieën: •

Eis gericht op maatregelen: een eis op maatregelen is gericht op maatregelen die bijdragen om een goed functionerend (water)systeem te krijgen.

•

Eis gericht op gewenst effect: een eis op gewenst effect is gericht op een goed functionerend (water)systeem waar geen wateroverlast, extreme droogte of hitte voorkomt.

Nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de gestelde eisen. 5.1.5

Waterschap Rijn en IJssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Het waterschap Rijn en IJssel heeft de doelen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de lange termijn doelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld; het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft aan hoe het waterschap in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar het waterschap in 2027 denkt te staan.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Algemeen

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico’s op wateroverlast of watertekorten. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de onderbouwing dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2

Watertoets

Waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleidt dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het waterschap geeft aan dat in dit geval de normale procedure van toepassing is, waarbij het waterschap een aantal adviezen aan heeft gedragen voor de invulling van de waterparagraaf. Het advies aangaande de toename van verharding luidt dat er gecompenseerd moet worden door een waterbergende voorziening aan te leggen. Hierin wordt het hemelwater verzameld en geïnfiltreerd in de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing ondergrond of vertraagd afgevoerd naar het oppervlakte. Daarbij zijn ook eisen opgenomen voor het benodigd bergingsvolume. Met het voornemen worden dergelijke maatregelen getroffen. De afvoer van hemel en afvalwater zal via een gescheiden stelsel gaan. Daarbij wordt het afvalwater aangesloten op de bestaande uitlegger van het gemeentelijk rioolstelsel, Het hemelwater zal, met in achtneming van het advies van Waterschap Rijn en IJssel, door de aanleg van een zogenaamd Wavin Infiltratie Systeem onder de parkeerplaats worden opgevangen. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar Bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing. 5.2.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling, ten aanzien van water, uitvoerbaar is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzondering. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval is op 21 augustus 2023 een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Ruimtelijke Onderbouwing Pannerden, Dorpsplein 1 Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 7 7.1

VOOROVERLEG

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.2

Provincie Gelderland

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt in het kader van vooroverleg toegezonden aan Provincie Gelderland.

7.3

Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De watertoets heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Dit houdt in dat het waterschap voor nader advies dient te worden geraadpleegd. Aan de hieruit voortgekomen adviezen is voldaan. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 5 bij de ruimtelijke onderbouwing.

7.4

Inspraak

Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning worden de wettelijk vastgestelde procedures gevolgd. Het ontwerpbesluit en latere definitieve besluit op de aangevraagde omgevingsvergunning zullen gedurende de wettelijk vastgestelde termijnen ter inzage worden gelegd. Hierbij kan eenieder zijn of haar zienswijze kenbaar maken. Tot op heden zijn er verschillende momenten geweest met het oog op overleg met belanghebbenden en inwoners van het dorp Pannerden. Daarbij gaat het om de volgende bijeenkomsten: - presentatie plan en overleg dorpsraad Pannerden d.d. 15-05-2023 - presentatie plan en overleg directe aanwonenden/buren d.d. 19-06-2023 - planpresentatie aan het dorp via het informatieve blad “de Brug” d.d. 28-06-2023 - planpresentatie aan het dorp via de website www.martinuspannerden.nl met projectpagina https://leefbaar.martinuspannerden.nl/martinushuis vanaf 28-06-2023. Note: Directe omwonenden/ondernemers zijn middels een persoonlijke brief uitgenodigd. Totaal 12 woon/bedrijfsadressen waarvan in totaal 12 personen tijdens de presentatieavond aanwezig waren. - Contact G/V Uuleveld BV (ontwikkelaar nieuwbouwplan Uuleveld) in verband met verscheidenheid woningaanbod dorp Pannerden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=c8e367a8-aa12-4684-9999-9a6e7493f777