CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergaderingen 2022-2026 1 november 2023, gemeente Zevenaar32.359 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Met een passende stimulering van een meer natuurinclusieve landbouw kan ook de verdere uitspoeling van nutriënten en de uitstoot van schadelijke stoffen worden tegengegaan.

22

9. Uitbreiden van het stedelijk uitloopgebied In de Verstedelijkingsstrategie staat dat verstedelijking samen moet gaan met een ontwikkeling van het omliggende landschap om zo een gezonde leefomgeving voor de inwoners te creëren. Het doel is 5.000 hectare aan recreatieve uitloopgebieden te realiseren in de Groene Metropoolregio en de Regio Foodvalley. Dit kan gekoppeld worden aan doelen voor klimaatadaptatie, natuurinclusieve (stads)landbouw, de bossenstrategie en 10% groen-blauwe dooradering. Voorbeelden van kansrijke gebieden hiervoor zijn de mantels rondom Nijmegen en Arnhem, maar ook de gebieden rondom de snelgroeiende kernen zoals Duiven, Westervoort en Zevenaar. Via bijvoorbeeld snelfietspaden en toeristische overstappunten kan het stedelijk uitloopgebied verder worden uitgestrekt, voorbij de direct aangrenzende omgeving.

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

In de Veluwezoom speelt het Gelders Arcadië een belangrijke rol. De landgoederen zijn in dit gebied de primaire locaties voor recreatie en de verschillende VLGGdoelen, zoals waterberging en duurzame landbouw. Lettend op de gevolgen van recreatie op natuurwaarden, moet het creëren van uitloopgebieden via een genuanceerde aanpak verlopen. We moeten vragen stellen als: waar stellen we het landschap open voor onze inwoners? Waar geven we juist dieren de ruimte? Zo kunnen we echt groeien in balans. Het doel voor de uitbreiding van uitloopgebieden sluit aan bij de ambities uit de Verstedelijkings-strategie. De vervlechting van steden en het omliggende landschap moet hierbij realiteit worden. De stad wordt als ecosysteem gezien, dat in verbinding moet staan met de omgeving voor een robuust natuursysteem. De ontwikkeling van het stedelijk uitloopgebied draagt bij aan verschillende natuurdoelen, CO2-opslag, groen-blauwe dooradering (ook een maatregel) en klimaatadaptatie (bijvoorbeeld voor waterberging en tegen hittestress en natuurbrandrisico’s).

23

10. Impuls geven aan lopende projecten In de regio zijn er meerdere projecten, waarvan de planvorming al is uitgewerkt en die richting uitvoering gaan, maar daarbij nog (financiële) hobbels kennen. Enkele voorbeelden zijn: • Park Lingezegen, een icoonproject en een belangrijke regionale NoordZuidverbinding met een functie voor VHR-doelsoorten (Rijntakken Natura 2000). De basisuitrusting hiervan is gereed. Maar er is een kans dit verder te ontwikkelen langs de Bovenlinge en via de EVZ richting de Drielse Rijndijk en de uiterwaarden van de Nederrijn. • Renkums en Heelsums Beekdal, waar - in een gebiedsproces met verschillende grondeigenaren, inwoners en overheden - ontwikkelingen met elkaar worden verbonden. Daardoor kunnen natuur, landschap, water, recreatie en lokale economie versterkt worden. Er zijn kansen voor natuurontwikkeling, verbetering van het watersysteem, transities in de landbouw en klimaatmitigatie. • Daarnaast ligt er een MIRT-onderzoek voor de IJsseluiterwaarden Havikerwaard, Bemmelerwaard, Fraterwaard en Olburgerwaard. Waarbij natuur, landbouwtransitie en duurzame delfstoffenwinning samen kunnen worden opgepakt mits er financiële ondersteuning wordt geleverd. Ook het rivierklimaatpark IJssel is hier een voorbeeld van. • De stuwwal van Berg en Dal, waar een kans ligt voor de Blauwe Motor.

Hier ligt een wens om de verdroging van de stuwwal tegen te gaan en de kwelstromen richting de Ooijpolder en Millingerwaard te herstellen. Het project vindt grotendeels plaats in het GO en het GNN. En het draagt daarnaast bij aan de ecologische verbinding tussen de stuwwal en de uiterwaarden van de Waal (zie ook denklijn 2).

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Gezien de uiteenlopende thema’s binnen deze projecten, draagt hun ondersteuning bij aan een reeks verschillende VLGG-doelen voor onder andere groen-blauwe dooradering, natuurherstel, duurzame landbouw, en hydrologische doelen.

11. Areaaluitbreiding Natuur in de Gelderse Poort In het kader van de PAGW ligt er een ambitie voor natuurherstel, -versterking en -uitbreiding in de Gelderse Poort, waardoor ook de waterkwaliteit wordt verbeterd. Hierbij wordt uitgegaan van een zgn. systeembenadering, waardoor natuurlijke processen weer op gang komen. Op de lange termijn (2050) gaat het om een areaal van ca. 7.500 hectare, voornamelijk buitendijks maar deels ook binnendijks te realiseren. Het Rijnstrangengebied is hier onderdeel van. In de PAGW wordt ingezet op een optimaal samengaan van doelen voor natuur, in samenhang met een krachtige economie. Aspecten van waterveiligheid (hoogen laagwater), natuurinclusieve landbouw, natuur en duurzame delfstofwinning met maatschappelijke meerwaarde komen hier samen. Via de 3e tranche PAGW zijn recent Rijksmiddelen voor de Gelderse Poort gereserveerd ter waarde van €20 miljoen. De middelen gaan over de uitvoeringsperiode 2030-2033. Het doel is om een vliegwiel op gang te brengen voor de grote systeemingrepen die nodig zijn voor de uiteindelijke PAGW-ambitie. Deze geplande uitvoering loopt gelijk met de lopende projecten in de Groene Metropoolregio. De bedoeling is dat deze uitvoering de projecten versterkt, waarmee de korte termijn (Natura 2000, GNN) als groeikristal dient voor de lange termijn (PAGW).

De financiën vanuit PAGW kunnen we dan koppelen aan middelen uit de andere kaders. In de Groene Metropoolregio kan de areaaluitbreiding in samenhang met Natura 2000, het GNN, het PAGW en het IRM bijdragen aan de VLGG-doelen van areaaluitbreiding van: natuur, landbouw passend bij het water- en bodemsysteem, de realisatie van de bossenstrategie en doelen voor hydrologie. Een koppeling met landbouw en de scheepvaart is daarbij ook van belang.

Vier mogelijke koplopers Vanuit de elf denklijnen, de criteria vanuit het VLGG en de gebiedsprocessen die lopen in de regio bij de provincie, gemeenten en waterschappen, zien wij een aantal gebieden als kansrijk voor programmering in het VLGG. Deze gebieden of delen daarvan, zijn in een dermate fase van ontwikkeling dat ze mogelijk als eerste koplopers kunnen fungeren binnen het VLGG. Het gaat om de volgende gebieden of gebiedsontwikkelingen: • Projecten in de Gelderse Poort (waaraan de zgn. derde tranche middelen vanuit PAGW kunnen worden gekoppeld); • Beekherstel en de omliggende beekdalen in de Veluwezoom; • Landschap Berg en Dal/Heumen – Ooijpolder-stuwwal-Heumen; • Versterking landschap Overbetuwe en Lingewaard - doorontwikkeling Lingezegen. Met elkaar bekijken we de komende maanden of dit inderdaad de koploper– gebieden zijn en of deze ook daadwerkelijk in het VLGG kunnen worden geprogrammeerd. Dit betekent niet dat de andere denklijnen en de andere kansen en ontwikkelingen die we in het groen-blauw raamwerk zien, niet of minder belangrijk zijn. Het betekent ook niet dat deze koplopergebieden in beton gegoten zijn; er kunnen gebieden afgaan en erbij komen. Het betekent alleen dat we ons de komende maanden focussen op deze gebieden, omdat deze het verst ontwikkeld lijken te zijn en daarmee meest kansrijk om op korte termijn te realiseren.

24

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.1.2

Klimaatadaptatie Door klimaatverandering valt er in de winter steeds meer regen en zijn er vaker en langere periodes van droogte. Het drainerende effect van de uitgesleten rivierbeddingen telt daar nog bij op. De opgaven zijn gericht op: water beter vasthouden, grondwaterstanden verhogen, verbeteren van de waterkwaliteit, beekherstel en waterberging. Verdergaande klimaatverandering vraagt de komende decennia om meer ruimte voor waterberging en meer sponswerking van het bodem- en watersysteem. In lijn met de nationale aanpak richten we ons op de vier belangrijke gevolgen van klimaat-verandering: • Waterveiligheid, zeespiegelstijging en hoog water • Droogte, inclusief laag water in de rivieren en de gevolgen voor de waterkwaliteit • Wateroverlast door extreme of langdurige regenval • Hitte door langdurige hittegolven

Waterveiligheid Het water- en bodemsysteem van de grote rivieren bevat opgaven voor hoogwaterveiligheid, waterkwaliteit en een duurzame rivierbodemligging. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma heeft een grote opgave voor dijkversterkingen in deze regio. De versterking van de noordelijke Waaldijk is in uitvoering en zal komende periode worden doorgezet van Nijmegen tot aan het Pannerdensch Kanaal. Ook de dijken op de zuidoever van de Waal, de noordoever van de Maas, langs het Pannerdensch Kanaal, de Bovenrijn en de Nederrijn moeten voor 2050 worden versterkt. Droogte Op veel plekken ondervinden we de consequenties van droogte, de risico’s van extreme buien en extremere waterstanden in de grote rivieren. Voor de Achterhoek en de Liemers is een analyse gemaakt van het probleem, de opgave en de handelingsperspectieven. Daaruit blijkt dat ongeveer 100 mm extra watervoorraad nodig is om 10% van de droogste jaren te overbruggen en voorbereid te zijn op de gemiddelde zomers in 2050. Met deze verdiepende analyses hebben we zicht op een mogelijk handelingsperspectief en inzicht in de mogelijke kosten van deze opgave en eventueel de transitieopgave. In gebiedsprocessen zullen we dit in verkenningen en planuitwerkingen in samenhang met andere opgaven en mede gebaseerd op de Regionale Adaptatie Strategieën (RAS) verder uit moeten werken tot concrete uitvoeringsplannen.

25

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Vergroening: wateroverlast en hitte tegengaan Vanuit de Verstedelijkingsstrategie werken we bovendien aan een catalogus op het gebied van klimaatadaptatie met maatregelen voor gezonde, circulaire, biodiverse en klimaatadaptieve verstedelijking, inclusief normen. Uitgangspunt is de nationale Maatlat Klimaatadaptief Bouwen. De kernopgave bestaat uit het uitbreiden van groen in de bebouwde omgeving. Met deze opgave worden, naast het uitbreiden van het groen, ook de ingrepen voor klimaatadaptatie in de bestaande steden en dorpskernen bedoeld. Het gaat om ingrepen voor het toevoegen en verbeteren van groen in de openbare ruimte, het tegengaan van hittestress, het realiseren van waterberging en het realiseren van groene daken. Denk bijvoorbeeld aan de Arnhemse aanpak klimaat en vergroenen met programma Radicaal Vergroenen en de Nijmeegse aanpak klimaatadaptatie en biodiversteitsplan. Wat kosten voor het vergroenen van bestaande steden en dorpen betreft, gaan we uit van €40 per m² bebouwde omgeving. Deze kostprijs is een gemiddelde tussen kosten voor het aanleggen en verbeteren van groen in de openbare ruimte, ingrepen om hittestress tegen te gaan, ingrepen voor waterberging en het realiseren van groene daken. Voor de Groene Metropoolregio en Regio Foodvalley komt dit uit op een totaal bedrag van €250 miljoen euro.

Op basis van een 60/40verdeling zal het grofweg om een bedrag van €150 miljoen gaan voor de Groene Metropoolregio. Daarnaast staan gemeenten gesteld voor hogere onderhouds– kosten de komende jaren voor de groene en klimaatadaptieve leefomgeving. Tot slot benoemen we in dit kader de drinkwatervoorziening. Niet alleen verandert het klimaat en gebruiken we de bodem steeds intensiever; door bevolkingsgroei en economische groei stijgt de komende jaren de vraag naar drinkwater. Het veiligstellen van de drinkwatervoorziening is een provinciale taak. Door (inter)nationale afspraken met betrekking tot water en natuurherstel zijn de uitbreidingsmogelijkheden van grondwateronttrekkingen beperkt. Met het aanwijzen van Aanvullende Strategische Voorraden voor drinkwater, probeert de provincie de grondwatervoorraden, die in de toekomst mogelijk nodig zijn voor drinkwaterwinning, te beschermen. Daarnaast is het ook nodig om in te zetten op het beperken van het (grond)water¬verbruik en de inzet van alternatieve bronnen voor drinkwater.

Afbeelding 4: Verhaallijn 1; perspectief landelijk gebied

26

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Samenvatting Meer landschap, meer stad. Tegelijkertijd met de ontwikkeling van nieuwe woningen, bereikbaarheid en economie, zorgen we ervoor dat we onze waardevolle natuur, landschap en cultuurhistorie behouden en versterken. Op hetzelfde moment zien we dat er een opgave ligt om landbouw te verduurzamen en te zoeken naar aanvullende verdienmodellen. We gaan voor aantrekkelijke landschappen die bewoners een aantrekkelijk uitloopgebied bieden, waarin ruimte is voor agrariërs, biodiversiteit en waterberging en waarbij we kwetsbare natuurgebieden ontzien. Ook gaan we voor een toekomstbestendig rivierengebied dat als systeem goed functioneert en meervoudig bruikbaar is. We zoeken hierbij naar een optimale balans tussen de verschillende functies van het rivierengebied en streven naar een aantrekkelijk riviersysteem dat duurzaam te beheren is. Door het natuurlijk systeem robuuster te maken, kunnen we de negatieve effecten van klimaatverandering minimaliseren. In het groen-blauw raamwerk staan de kansen en de dilemma’s voor versterking van groen en blauw beschreven en verrijkt met de uitgangspunten en doelstellingen van het programma Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG). Dit heeft elf denklijnen opgeleverd, voor verdere ontwikkeling van natuur en landschap in de Groene Metropoolregio.

De denklijnen vormen samen een opmaat voor onder andere een maatregelpakket waarmee via het VLGG en het regioarrangement het landelijke gebied in de Groene Metropoolregio verder verbonden en versterkt kan worden. Maar hiervoor kijken we ook naar andere (financiële) mogelijkheden om onze doelen te realiseren. Wat is hiervoor nodig? • We brengen de effecten van de realisatie van de doelstellingen van het VLGG, waaronder die om te komen tot een reductie in stikstofdepositie, (ruimtelijk) in beeld (provincie, regio, waterschap en sector). • Aan de hand van de elf denklijnen werken we toe naar gebiedsprojecten met aandacht voor ruimtelijke effecten, draagvlak en (financiële) mogelijkheden en financiële bekostiging voor realisatie (voor 2024 en verder). Dit wordt nader berekend. We kijken hierbij ook naar de binnenstedelijke groene opgave in samenhang met de Klimaatopgave. • Gezien de integraliteit van de opgave kijken we voor de financiering uitdrukkelijk naar het combineren van andere Rijks- en provinciale programma’s. Programma’s hebben verschillende tijdshorizons. Integrale gebiedsfinanciering is zeer wenselijk. • Afspraken over regionale ruimtelijke doorwerking van maatregelen voor natuur inclusief stikstof, water, klimaat en landbouw maken we via gebiedsprocessen.

Dit doen we samen met de partners, waaronder vertegenwoordigers van de landbouw en de natuur en in samenhang met het ruimtelijk voorstel. Alle opgaven vragen ruimte en niet alles kan overal. We gaan op zoek naar wat wel kan, we zoeken slimme combinaties en we maken keuzes. • We starten gebiedsprocessen op of versterken deze voor de initiatieven van de vier mogelijke koplopersgebieden: PAGW en Gelderse Poort, beekherstel en de omliggende beekdalen in de Veluwezoom, landschap Berg en Dal/Heumen - Ooijpolder-stuwwal-Heumen, landschap Overbetuwe en Lingewaard - doorontwikkeling Lingezegen. In een volgende fase komen daar andere gebiedsprocessen bij. • We stellen een catalogus over klimaatadaptatie op met maatregelen voor gezonde, circulaire, biodiverse en klimaatadaptieve verstedelijking. Kosten voor uitvoering worden geschat op €150 miljoen. • De inzichten uit het feitenonderzoek en de gemaakte analyses van het handelingsperspectief in het programma Aanpak droogte Achterhoek & Liemers gebruiken we in gebiedsprocessen om te komen tot uitvoeringsplannen. • In het proces om te komen tot een verkleining en/of verdere invulling van de drinkwater¬reserverings-gebieden (locatiekeuze, ontwerp en inpassing van de drinkwaterwinning) maken we een integrale afweging met andere gebruiksfuncties. • We doen een check op alle potentiële keuzes uit de drie verhaallijnen.

We willen weten of deze schuren met ruimtevraag voor dijkversterking en waterberging, en of we ze in de toekomst zelf wel veilig en droog kunnen houden, gezien het structurerende principe van water en bodem sturend. We realiseren ons dat we met name voor de zachte plancapaciteit (en waar de exacte locatie nog niet bepaald is) ruimte hebben om op basis van dit inzicht keuzes te maken.

27

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.2

Tweede verhaallijn: Ordenende netwerken voor klimaat, energie en (circulaire) economie We werken samen om de energietransitie in de regio vorm te geven. We doen dit door • Zonne- en windenergieprojecten te realiseren. • Het versnellen van de warmtetransitie in de regio. Hiermee dragen we bij aan het verminderen van de CO2 uitstoot en (inter-) nationale klimaatafspraken. • Uitbreidingen van het elektriciteitsnet in beeld brengen en deze ‘programmeren’ met andere ontwikkelingen. Daarmee dragen we bij aan het verkleinen van de netcongestie-problematiek en het versterken van het energienetwerk.

4.2.1

Klimaat Het nationale Klimaatakkoord is een belangrijk pakket van maatregelen om de stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius. Hiermee geeft een groot aantal partijen invulling aan het Klimaatverdrag van Parijs. De Groene Metropoolregio levert op diverse manieren een bijdrage aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Vaak hebben deze maatregelen een stevige impact op ons ruimtegebruik. Hieronder beschrijven we hoe we binnen de regio werken aan de RES, warmte en waterstof.

Regionale Energie Strategie In de Groene Metropoolregio werken 16 gemeenten, provincie Gelderland, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan de RES. In de RES werken we toe naar de volgende doelen: • We realiseren de RES 1.0-afspraak van 1,62 TWh in 2030 en streven naar een betere verdeling tussen zon en wind. • We verankeren de RES in omgevingsbeleid. Daarbij streven we naar minimaal 50% lokaal eigendom. • We stellen een voorstel op voor het prioriteren en faseren van opwek- en warmteprojecten en -ontwikkelingen in de regio, in samenhang met de beschikbare en geplande netcapaciteit. • We geven inzicht in de voortgang en bereikte resultaten via monitoring en verantwoording. In de RES 1.0 is nog sprake van een flinke onbalans tussen de opwek van zonneen windenergie: 89% zon en 11% wind. Gezien de beperkte capaciteit op het elektriciteitsnet, streven we in een herijking van de RES-afspraken naar een 50%-50% verhouding tussen zonne- en windenergie. Afspraken voor de toekomst uit de RES 1.0 In de RES zijn 6 richtinggevende ruimtelijke afspraken gemaakt over de ruimtelijke kwaliteit. Hiervan worden er 3 uitgelicht: • Ruimtelijke kwaliteit: we combineren de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden altijd met de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totale gebied. We houden daarbij rekening met het gebruik van de ruimte door lokale partijen, stakeholders en inwoners.

• Voorkeursvolgorde zon: grootschalige zonnevelden worden mede beoordeeld op: (1) De mate van aantasting van karakteristieke kenmerken van het landschap; (2) De samenhang met andere functies in het gebied, (zoals landbouw, biodiversiteit, cultuurhistorie); (3) De landschappelijke samenhang en (4) Dubbel ruimtegebruik. Er wordt daarbij zoveel mogelijk ingezet op de plaatsing van zonnepanelen op daken van gebouwen. • Combineer zon/wind: we combineren windturbines zoveel mogelijk met zonnevelden en vice versa. Dit zorgt voor een betere inpassing in de elektriciteitsinfrastructuur. We streven naar een 50%-50% verhouding tussen zon en wind. Zowel regiobreed, als per elektriciteitsstation.

28

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

In de RES zijn ook afspraken gemaakt over het doorwerken van het omgevings– instrumentarium en de MER: • In het afgelopen jaar is een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd naar de geschikte en geschikt te maken gebieden voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh duurzame elektriciteit. Deze planMER is belangrijke input voor het herijken van de RES 1.0 naar een RES 2.0. We gaan in gesprek met de gemeenten over mogelijkheden voor windenergie en over het vervolgproces. • In december 2022 hebben Gedeputeerde Staten besloten windturbines op de Veluwe +1 km daaromheen uit te sluiten om de wespendief te beschermen. In de zone van 1-8 km is er beperkt ruimte voor nieuwe windparken onder voorwaarden. De provincie legt dit besluit vast in haar beleidslijn windenergie en de omgevingsverordening. Daarvoor stelt de provincie een planMER windenergie Veluwe-wespendief op. In de RES zijn ook afspraken gemaakt voor een optimaal warmtesysteem: • Vanuit regionaal perspectief maakt het verschil welke bron wordt gebruikt op welke plek; we willen voorkomen dat een bron al door de ene gemeente is ingezet, terwijl hij voor een andere gemeente van vitaal belang zou zijn geweest. In de RES is beschreven hoe we gezamenlijk kijken waar welke bovenlokale bron wordt ingezet.

• Binnen de relevante warmteclusters waar dit verdelingsvraagstuk aan de orde is, is een structureel overleg ingericht om daarover in gesprek te zijn en te blijven. • Gemeenten zetten daarbij verschillende instrumenten in, die binnen de kaders van de Warmtewet, de Omgevingswet en andere beleidsruimten passen om de bovenlokale warmte afspraken te borgen. • Als regio doen we een gezamenlijke oproep aan het Rijk om de benodigde regie te voeren op de warmtetransitie. Dat kan door te zorgen voor beter aansluitende wet- en regelgeving voor het uitrollen van warmtenetten, hogere en structurele financiële ondersteuning voor alternatieve warmtevarianten (waaronder warmtenetten) via subsidies of Rijksbijdragen en een structurele Rijksbijdrage voor het ambtenarenapparaat om de warmtetransitie ook daadwerkelijk in goede banen te leiden.

29

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Programma Opwek Energie op Rijksgronden (OER) Om de energietransitie te versnellen en de RES-ambities van regio’s te ondersteunen, stelt het Rijk een deel van haar gronden en kunstwerken beschikbaar voor de opwek van duurzame elektriciteit met wind-, water- en zonne-energie. Via het programma Opwek van Energie op Rijksgronden (OER) geeft het Ministerie van Economische Zaken (EZK) hier uitvoering aan. De ontwikkeling van zonne-energie langs de A15/Betuwelijn is een OER-project binnen onze regio. De betrokken gemeenten hebben de provincie verzocht een inpassingsplan te maken voor de inpassing van duurzame energie langs de A15. De provincie is daartoe bereid en heeft de intentie uitgesproken dit op te pakken als het zover is. Er loopt binnen de regio een uitvraag aan de gemeenten voor nieuwe projecten binnen het OER-programma. Regionaal Expertiseteam Energie (REE) In 2023 is het REE van start gegaan. Het expertiseteam ondersteunt bedrijven bij het verlagen van hun CO2-footprint en kan bijdragen aan de RES-doelstelling om zon op dak te realiseren. Vanuit de regio monitoren we op welke locaties er veel potentieel is voor zon op dak en ruimte op het net, zodat het REE gericht bedrijven kan benaderen. Daarnaast delen we informatie en kennis over onder andere wet- en regelgeving en nationale subsidies. Waterstof De toekomstige waterstof backbone van Gasunie loopt door de regio heen.

Onder andere de keramische industrie in de regio (Brick Valley) kan met een aftakking van de waterstof backbone van het aardgas af komen. Een regionale aftakking is mogelijk ook kansrijk voor woonkernen en andere functies in de nabijheid van een aftakking. Hoewel er nog weinig informatie beschikbaar is, kan worden aangenomen dat ook de aanleg van waterstof-infrastructuur een onrendabele top zal hebben. Dat betreft zowel de waterstofbelevering van bedrijven op industrieterreinen als het gebruik van waterstof voor verwarming van woningen. Dat laatste kan incidenteel wenselijk zijn. Ook hier zal een verkenning nodig zijn, die dezelfde stappen volgt als die bij warmtenetten. In de loop van 2023 wordt ook van de waterstofinfra een globale verkenning gemaakt van de onrendabele top en voor welke specifieke situaties waterstof¬infrastructuur een optie is.

30

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.2.2

Energienetwerk Netwerkcongestie is inmiddels een beperkende factor geworden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Aansluiting op de bestaande energie-infrastructuur is niet meer vanzelfsprekend bij de ontwikkeling van projecten en moet vroegtijdig meegenomen worden als randvoorwaarde in ruimtelijke ontwikkeling. Wij moeten verder vooruitkijken naar de energievraag en het energieaanbod na 2030 en de benodigde energie-infrastructuur. Hiermee worden knelpunten voorkomen en kunnen we slimme keuzes maken om woningbouw, werklocaties en mobiliteit slim te combineren in het energiesysteem van de toekomst. Voorlopig houden we rekening met het ‘first come, first serve’-principe. Met de aankomende aanpassing van de ACM-regulering, verwachten we dat er afgeweken kan en gaat worden van dit principe. Maatschappelijke afwegingen gaan bepalender worden in de volgorde van aansluiten. De netbeheerder verwacht daarbij een sturende rol en een helder afwegingskader van overheden. Op kortere termijn, tot 2030, zijn de meeste uitbreidingen in het elektriciteits– netwerk al gepland.

Voor alle grote verstedelijkingslocaties (wonen, werken en mobiliteit) maken wij daarom een risicoanalyse: • of die woningbouw- of werklocatie op het gewenste moment aangesloten kan worden op het netwerk onder twee verschillende scenario’s: ‘all electric’ en ‘warmtenet’; • hoe groot risico’s zijn van mogelijke andere ontwikkelingen die de aansluiting alsnog in gevaar zouden kunnen brengen; en • hoe de mobiliteitstransitie past in deze verstedelijkingslocaties. Daarna volgt een verkenning van mogelijke oplossingsrichtingen. Voor werklocaties kunnen tot 2030 aansluitingen op het elektriciteitsnet alleen gerealiseerd worden als er lokale oplossingen met een 0-netcapaciteit gerealiseerd worden (energievragers en aanbieders bij elkaar te clusteren) of door een lokale energieopslag te realiseren. GEIS-samenwerking in de provincie. Binnen de samenwerking GEIS biedt de provincie een platform om de opgaven rondom het energiesysteem te bespreken (zie beleidskader provincie voor een onderbouwing van GEIS). Binnen GEIS zijn drie sporen te onderscheiden die parallel lopen aan de gezamenlijke ambitie “Een toekomstbestendig energiesysteem in 2050”: 1 Versnellen van realisatie 2 Prioriteren & programmeren 3 Beter benutten & slimme oplossingen In de periode tot 2030 is er veel schaarste in het energiesysteem en is er weinig ruimte voor nieuwe initiatieven.

De infrastructuuruitbreidingen zijn al concreet gepland en opgenomen in het investeringsplan van de netbeheerders en worden zo snel mogelijk uitgevoerd. In spoor 1 worden deze projecten gemonitord en worden acties ondernomen om zo nodig ruimtelijke procedures te versnellen (vertraging voorkomen) of barrières weg te nemen. Daarnaast worden in spoor 3 alle mogelijke slimme oplossingen geïnventariseerd voor het beter benutten van de huidige capaciteit. In de periode na 2030 is er meer ruimte om vooruit te plannen en projecten in de tijd te programmeren (faseren). En ook de ruimtelijke puzzel te leggen voor de benodigde energie-infrastructuur. We moeten nu al keuzes maken over deze toekomstige periode, zodat er op tijd voldoende capaciteit gerealiseerd kan worden om alle ontwikkelingen mogelijk te maken. In spoor 2 wordt gewerkt aan het proces Integraal Programmeren, met onder andere de volgende vragen: • Hoe zien de wijken van de toekomst eruit? • Waar willen we inzetten op warmtenetten, geothermie, hydrothermie en waterstof ? • Waar moeten de nieuwe onderstations komen?

31

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

• Waar komen de mobiliteitsknooppunten en hoe combineren we deze met werklocaties, duurzame opwek en laadvoorzieningen (ook voor industrieel verkeer)? • Hoe ziet de typologie van onze bedrijven eruit; hoeveel energie vragen en leveren zij en hoe kunnen we dit in kaart brengen? • Waar en hoe kunnen we ruimte reserveren op (indien mogelijk) bestaande en nieuwe werklocaties voor collectieve laadvoorzieningen? • Welke rol kunnen Smart Energy Hubs (SEH’s) vervullen bij deze ontwikkelingen? Dit proces levert een energievisie op het energiesysteem 2040-2050, inzicht in de energievraag en het energieaanbod van alle sectoren en opgaven gecombineerd met de benodigde energie-infrastructuur (capaciteit en ruimteclaim). En een prioriteitenlijst met belangrijke energie-infrastructuurprojecten (provinciaal MIEK). Het provinciaal MIEK komt tot stand door een brede maatschappelijke afweging en wordt door de netbeheerders opgenomen in hun investeringsplannen. 4.2.3

(Circulaire) economie De Groene Metropoolregio is een stedelijk knooppunt met een ondernemend en innovatief ecosysteem voor het mkb. De ambitie van de regio is zich nog verder te ontwikkelen als Groene Metropoolregio van nationale én internationale betekenis, als circulaire topregio van ons land en Europa. Alleen is er momenteel in de regio sprake van een enorme krapte op de arbeidsmarkt, met name in onze innovatieve topsectoren energy, health en hightech. Hiervoor hebben we een breed gedragen Human Capital Akkoord opgesteld en werken we nu aan de lange termijn borging en de uitvoering hiervan. De topsectoren zijn momenteel, samen met logistiek, goed voor ongeveer 30% van de bedrijven en 50% van de banen. Onze regio kent ook een meer dan gemiddelde werkgelegenheid in de zorg en overheidssector. Met name in de zorg is de arbeidsmarkt krap; innovaties binnen deze sector moeten helpen om op termijn de krapte op te lossen. Deze sectoren zijn belangrijk en leggen niet altijd een ruimtelijke claim op werklocaties. De Groene Metropoolregio heeft een groeiende bevolking. We zetten in op het meer in balans brengen van wonen en werken (wat op een positieve manier ook bijdraagt aan onze mobiliteits¬opgave) en meer ruimte voor economische activiteiten en arbeidsplaatsen. Concreet: de ruimtevraag van werken moeten we ook meenemen bij de ruimtevraag van onze groeiende bevolking.

Dit zorgt voor een betere balans tussen wonen en werken en hierdoor kunnen de huidige en toekomstige bewoners ook werken binnen de eigen regio. Om zo ook de pendel naar andere regio’s te verminderen. Goede, toekomstbestendige werklocaties zijn belangrijk voor de economie in de Groene Metropoolregio. Het is daarom belangrijk dat werklocaties zo zijn ingericht dat bedrijven er goed kunnen ondernemen, nu en in de toekomst. Daarnaast zien we dat werklocaties een belangrijke rol spelen in het behalen van onze doelstellingen ten aanzien van de energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. De Groene Metropoolregio heeft onlangs – op basis van onderzoek - bouwstenen verzameld voor een nieuwe economische koers, die moeten leiden tot een toekomstbestendige economie in 2040 (Economie van de Toekomst). We doen daarin een voorstel voor 5 à 6 thema’s, die samen invulling geven aan de gewenste ontwikkelingsrichting van de economie, binnen de ambities en contouren van de huidige Regionale Agenda. Zie daarvoor onderstaand figuur. Aanvullend op het thema Netcongestie (zie paragraaf 4.3.2) lichten we de 6 thema’s in deze paragraaf toe.

32

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Afbeelding 5: Zes thema’s binnen Economie van de Toekomst

Algemene uitgangspunten Economie van de Toekomst In onze economische koers is een aantal uitgangspunten van belang: 1 Economische ontwikkeling concentreert zich met name op onze topsectoren health (zorg), hightech, energy en het brede mkb. Logistiek is randvoorwaardelijk voor alle sectoren en we blijven daarop inzetten. 2 Economische ontwikkeling is zoveel mogelijk circulair. 3 De ontwikkeling van de regionale economie is gebaseerd op de principes van ‘brede welvaart’. 4 De Groene Metropoolregio gaat voor gebalanceerde economische groei. Regionaal inkomen (materiële welvaart) is hierbij niet meer dominant, maar onderdeel van een breder geheel. Ook de impact op mens (welzijn van inwoners) en omgeving (milieu) worden meegewogen en afgewogen in de ontwikkeling van de economie. 5 Economische ontwikkeling vraagt om ruimte. Het gebruik hiervan is slim en duurzaam. Dat betekent: eerst kijken naar bestaande ruimte; en dan pas naar nieuwe ruimte. Waar mogelijk is het ruimtegebruik zoveel mogelijk meervoudig. 6 Ruimtelijke kwaliteit staat voorop in de (door- of her)ontwikkeling van werklocaties.

Op basis van deze uitgangspunten hebben wij de economische koers uitgewerkt in onderstaande thema’s. Herstructurering en verdichting Zorgvuldig ruimtegebruik ligt aan de basis van de groene groei-ambities van de Groene Metropoolregio. Behoud van de werklocatiefunctie en optimalisatie van het ruimtegebruik van onze bestaande werklocaties is hierbij belangrijk. Zo zorgen we ervoor dat het juiste bedrijf zich op de juiste plek kan vestigen en ontwikkelen we nieuwe locaties alleen als dat echt nodig is. Het heeft de voorkeur dat toekomstige ruimtevraag eerst op bestaande terreinen wordt gefaciliteerd en pas als dat niet mogelijk is, er nieuwe (uitleg)locaties in beeld komen. Voor herstructurering is schuifruimte nodig om bestaande bedrijven naar andere terreinen te verplaatsen om de achtergebleven locaties te kunnen herstructureren en intensiveren. Herstructurering en intensivering moeten daarom gelijktijdig worden opgepakt. Integraal onderdeel van deze opgave is een kwaliteitsverbetering van de werklocaties. Samengevat willen we inzetten op: • Behoud en groei van het aantal banen passend bij de bevolking in de regio. Dit vraagt niet per direct om compensatie van meters op werklocaties, omdat de doelstelling is bestaande terreinen te intensiveren. • Regionale afspraken over herstructurering van bestaande voorraad, zodat niet alle ruimtevraag bij nieuwbouw terechtkomt.

• Ruimtewinst behalen op nieuw aan te leggen terreinen en herstructurering van werklocaties door gezamenlijke faciliteiten en planologische sturing.

33

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=4a8d3ee7-64f0-470d-b97b-9a8b1fe18bb6