CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

993997 Bijlage 12 Aanvullend huismusonderzoek

Raadsvergaderingen 2018-2022 27 januari 2021, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/20/368408 Bestemmingsplan Mariëndaalseweg 17 Angerlo5.373 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend huismusonderzoek Mariëndaalseweg 17 in Angerlo In opdracht van dhr. W. Riewald

Colofon Aanvullend huismusonderzoek Mariëndaalseweg 17 in Angerlo

Opdrachtgever Contactpersoon

Dhr. W. Riewald Dhr. W. Riewald

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum:

2122 Ing. R. Boerboom S.J.J. Wamelink 18 mei 2020

Foto voorblad

Huismus in het plangebied (foto: R. Boerboom)

Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 8 3.1

Onderzoeksmethode ............................................................................................ 8

3.2

Resultaten ............................................................................................................ 9

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 14 4.1

Huismus ............................................................................................................. 14

4.2

Overige broedvogels........................................................................................... 15

5

Conclusie ................................................................................................................... 17

6

Bijlagen ...................................................................................................................... 18

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek .................................................................................. 19 Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 20

Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk is voor de huismus. Er dient een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden voor deze soorten. Er dient verder bij de geplande werkzaamheden rekening gehouden te worden met overige (gebouwbewonende) broedvogelsoorten als boerenzwaluw, spreeuw, Turkse tortel en zwarte roodstaart. Deze soorten broeden in/aan de te renoveren en slopen gebouwen in het plangebied. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te voorkomen te worden dat broedvogels zich lokaal vestigen. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om enkele bestaande schuren te slopen en hiernaast een nieuwe woning te bouwen aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van dhr. W. Riewald. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Er zijn plannen om een nieuwe woning te bouwen en enkele bestaande schuren te slopen aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo. Staring Advies heeft daarom eerder een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat aanvullend onderzoek naar de huismus noodzakelijk is (SA, rapportnummer 2108). De heer Riewald is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, of zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Mariëndaalseweg 17 Angerlo Zevenaar Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Zevenaar, ten westen van de woonkern Angerlo (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Mariëndaalseweg aan de noordzijde, een onverhard deel van de Didamseweg aan de oostzijde en agrarisch grasland aan de overige zijden. Het plangebied betreft een voormalig boerenerf met een monumentale woonboerderij. Naast deze boerderij met rieten kap bevinden zich op het erf een leegstaande ligboxenstal, een schuur, een kippenhok met ren, verhard oppervlak, een grotendeels dichtgegroeide paardenbak, agrarisch grasland en enkele opgaande groenstructuren. Verspreid in het plangebied zijn onder andere een haag met laurierkers, braamstruweel, twee gewone essen en nog enkele struikvormers te vinden (zie figuur 2 en bijlage 1). De te slopen gebouwen zijn voorzien van asbest golfplaten daken zonder dakbeschot of isolatie, gedragen door houten en stalen balken. De ligboxenstal is opgebouwd uit gemetselde en betonnen wanden, de schuur bestaat uit gevels van stalen damwandplaat. De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarische percelen afgewisseld met lijnvormige groenstructuren, verspreid liggende woonerven, agrarische bedrijven en infrastructuur.

Ten westen van het plangebied ligt Landgoed Bingerden, met een afwisseling van vochtig loofbos, waterpartijen, agrarische percelen en een parkachtige tuin met landhuis (zie figuur 1).

2.3 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om op het bestaande woonerf aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo een nieuwe woning te realiseren, naast de bestaande woonboerderij. Deze monumentale boerderij blijft behouden en wordt dit moment gerenoveerd. Drie bijgebouwen worden wel gesloopt. De nieuwe woning wordt ontsloten via de Didamseweg, aan de oostzijde van het plangebied (zie figuur 3). Er worden geen bomen gekapt of andere opgaande groenstructuren verwijderd. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast, met onder andere struweel, bloemrijk grasland en een poel.

Pagina 5

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen globaal de positie van de nieuw te bouwen woning (geel) en de te slopen bijgebouwen (rood), bron: Google Earth (2020).

Pagina 6

Figuur 3. Impressie van de nieuw te bouwen woning, naast de bestaande woonboerderij, bron: Retail Bouw Nederland (2020).

Pagina 7

3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het veldonderzoek besproken.

3.1

Onderzoeksmethode

Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Voor het onderzoek naar huismus zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Huismus (versie 1.0 juli 2017 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus richtinggevend. De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er wordt geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo worden de nestlocaties vastgesteld. Volgens de Soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus dienen hiervoor minstens 2 ochtendbezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 april – 20 juni (zie tabel 1). Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen.

Onderzoeker Ronde

Datum

Begintijd

Eindtijd

Weersomstandigheden

R. Boerboom

1

21-4-2020

09.55 uur

11.25 uur

Onbewolkt, droog, 12°C, wind 3-4 Bft

R. Boerboom

2

6-5-2020

10.10 uur

11.30 uur

Onbewolkt, droog, 13°C, wind 0-1 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek huismus.

Pagina 8

3.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar de huismus besproken. Huismus De huismus broedt met maximaal 5 paren onder het dak van de ligboxenstal in het plangebied. De mussen broeden op de ruimte bovenop de betonnen kopgevels, op de balken, onder het golfplaten dak (zie foto 1). De nesten zijn deels vanaf de binnen- en buitenzijde van de ligboxenstal te zien (zie foto 2 en 3). Onder de nesten ligt nestmateriaal.

Foto 1. Nestlocaties van de huismus, onder het dak van de ligboxenstal in het plangebied (foto: R. Boerboom).

Foto 2. Eén van de huismusnesten, gefotografeerd vanaf de buitenzijde van de stal (foto: R. Boerboom).

Pagina 9

Verder zijn zingende mannetjes op het dak, nabij de nestlocaties gezien en is transport van nestmateriaal en bezoek aan nestplaatsen waargenomen (zie foto 4 en 5). Dit zijn duidelijke indicaties dat er sprake is van bezette nesten. In de overige gebouwen in het plangebied zijn geen nestlocaties van de huismus vastgesteld.

Foto 3. Transport van nestmateriaal (foto: R. Boerboom).

Foto 4. Paartje huismussen nabij één van de nesten (foto: R. Boerboom).

Pagina 10

Foto 5. Zingend mannetje nabij de nestlocatie (foto: R. Boerboom).

Verschillende groenstructuren, zoals kleine bosschages, dicht braamstruweel en een haag van laurierkers, in het plangebied en aan de randen hiervan worden als schuilgelegenheid, uitkijkpost en vermoedelijk ook als slaapplaats gebruikt door de mussen. De grazige vegetatie en onkruidvegetatie in het plangebied wordt als foerageergebied gebruikt. Ook een zandbad is plaatselijk aanwezig. Een stapel met riet, afkomstig van het dak van de woonboerderij in het plangebied wordt als uitkijkpost gebruikt en voor nestmateriaal benut. Door de aanwezigheid van deze functies kan gesteld worden dat het plangebied het functioneel leefgebied van deze kolonie huismussen is. In bijlage 1 is op kaart aangegeven welke delen van het plangebied door de huismussen gebruikt worden. Op foto 6 t/m 11 zijn een aantal van deze elementen weergegeven.

Pagina 11

Foto 6 t/m 11. Verschillende delen van het plangebied die tot het functioneel leefgebied van de huismus behoren (foto’s: R. Boerboom).

Pagina 12

Overige soorten In de te slopen ligboxenstal waar ook de huismussen broeden, is een bezet nest van de Turkse tortel (zie foto 12) en een waarschijnlijke nestlocatie van de spreeuw aanwezig. Tijdens het tweede veldbezoek voor huismus zijn hier roepende jongen van de spreeuw gehoord. In de te renoveren boerderij in het plangebied zijn nestlocaties van de boerenzwaluw aanwezig. In een te slopen opslagschuur is een waarschijnlijke nestlocatie van de zwarte roodstaart aanwezig. In groenstructuren binnen het plangebied en aan de randen hiervan broeden mogelijk soorten als grasmus, braamsluiper, zwartkop, tjiftjaf, roodborsttapuit en merel. Deze soorten zijn tijdens het veldonderzoek waargenomen.

Foto 12. Bezet nest van Turkse tortel in de te slopen ligboxenstal (foto: R. Boerboom).

Pagina 13

4 Wet natuurbescherming De effecten op de aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 1). In het plangebied zijn de jaarrond beschermde huismus en nog enkele (overige) broedvogels waargenomen.

4.1 Huismus 4.1.1 Beschermde status De huismus is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. De nesten van de huismus en het daarbij behorend functioneel leefgebied zijn het gehele jaar beschermd. Bij werkzaamheden aan gebouwen is er vaak sprake van dat er voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus worden weggenomen of dat de functionaliteit daarvan niet behouden kan blijven. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 11: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.

Pagina 14

4.2.2 Gebruik van het plangebied Er bevinden zich maximaal 5 nesten van de huismus in het plangebied. Deze bevinden zich op diverse plekken onder het dak, aan beide kopse gevels van de te slopen ligboxenstal. Het omliggende erf behoort tot het functioneel leefgebied van de huismus, waar functies als slaapplaatsen, schuilgelegenheid, foerageergebied, uitkijkposten en een zandbad aanwezig zijn (zie bijlage 1). Door de geplande sloop van de ligboxenstal in het plangebied is voor de huismus sprake van overtreding van de verbodsbepalingen uit Artikel 3.1: Lid 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Door de sloop verdwijnen de fysieke nestlocaties. Hierdoor is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming en is ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Daarbij dient als onderlegger bij de ontheffingsaanvraag een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden, waarbij specifieke maatregelen worden voorgesteld om de lokale instandhouding van de huismuspopulatie te waarborgen.

Indien het functioneel leefgebied van de huismus niet behouden kan worden, dient dit ook gecompenseerd te worden. Bij voorkeur worden alternatieve nestlocaties ter plaatse aangeboden, bijvoorbeeld in/aan de te renoveren woonboerderij of via een mussenhotel en wordt het functioneel leefgebied behouden door de essentiële elementen en groenstructuren te behouden en ter plaatse te versterken. Mussen zijn namelijk erg trouw aan hun leefgebied en het aanbieden van alternatief leefgebied is vaak niet eenvoudig. Bovendien heeft nieuw groen jaren tijd nodig om van voldoende omvang te zijn om als schuilplaats of slaapplek te kunnen fungeren. Een en ander dient in het mitigatie- en compensatieplan uitgewerkt te worden en beoordeeld te worden door het bevoegd gezag: provincie Gelderland.

4.2 Overige broedvogels 4.2.1 Beschermde status Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt,

Pagina 15

afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.

4.2.2 Gebruik van het plangebied In de te slopen en renoveren bebouwing bevinden zich, naast de huismussennesten, ook nestlocaties van de boerenzwaluw, spreeuw, Turkse tortel en mogelijk de zwarte roodstaart. Opgaande groenstructuren in en langs het plangebied worden mogelijk door diverse zangvogels gebruikt als nestlocatie. Door buiten het broedseizoen de aanwezige bebouwing te slopen of renoveren is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de boerenzwaluw, spreeuw, Turkse tortel en zwarte roodstaart. Het wordt sterk aanbevolen om voor deze soorten na afronding van de werkzaamheden weer nestgelegenheid te creëren in het plangebied, bijvoorbeeld door het ophangen van speciale nestkasten en het toegankelijk houden van een schuur/stal of deel waar de boerenzwaluw nestkommen kan bouwen.

Pagina 16

5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In het plangebied bevinden zich 5 nestlocaties van de huismus. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk voor deze soort. Er dient daarbij een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden. Er moet er bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening worden gehouden met de aanwezigheid van (overige) broedvogels.

Pagina 17

6 Bijlagen 1 2

Resultaten veldonderzoek Wettelijk kader

Pagina 18

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek

Nestlocatie huismus

Foerageergebied en zandbad huismus

Nestlocatie Turkse tortel

Slaapplaats en schuilgelegenheid huismus

Nestlocatie spreeuw Nestlocatie boerenzwaluw Waarschijnlijke nestplaats zwarte roodstaart

Pagina 19

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 20

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen. Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 21

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 22

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 23

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 24

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 25

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 26

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •

•

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 27

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=fec902a0-f41e-4eb7-b101-a42f37d212f5