CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

993996 Bijlage 11 Quickscan natuurtoets

Raadsvergaderingen 2018-2022 27 januari 2021, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/20/368408 Bestemmingsplan Mariëndaalseweg 17 Angerlo13.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Mariëndaalseweg 17 in Angerlo In opdracht van dhr. W. Riewald

Colofon Quickscan natuurtoets Mariëndaalseweg 17 in Angerlo

Opdrachtgever Contactpersoon

Dhr. W. Riewald Dhr. W. Riewald

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2108 Ing. R. Boerboom Drs. L.M.A. Witjes 26 maart 2020 Plangebied (foto: R. Boerboom)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Samenvatting ........................................................................................................................ 3 1

2

3

4

Inleiding en doel ............................................................................................................ 4 1.1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.2

Doel ........................................................................................................................ 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ...................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ............................................................................................ 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ............................................................................. 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................. 5

2.4

Geplande werkzaamheden .................................................................................... 6

Beschermde status plangebied ..................................................................................... 7 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................. 8

3.2

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 8

3.3

Natura 2000 .......................................................................................................... 12

3.4

Houtopstanden ..................................................................................................... 15

Beschermde soorten plangebied ................................................................................. 16 4.1

Methode ............................................................................................................... 16

4.2

Resultaten ............................................................................................................ 17

5

Wet natuurbescherming............................................................................................... 27

6

Conclusie ..................................................................................................................... 32

Bijlage 1

Impressie plangebied ....................................................................................... 34

Bijlage 2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 35

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten ................................................................... 43

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen herontwikkeling aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo, bestaande uit het bouwen van een nieuwe woning en het slopen van enkele gebouwen, het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de huismus en het aanvragen van een ontheffing en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen voor de kerkuil noodzakelijk is. Voor overige beschermde soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing of het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te voorkomen te worden dat broedvogels zich lokaal vestigen. Voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling moet onderbouwd worden dat er sprake is van een substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelzone binnen het Natuurnetwerk Nederland waarbinnen het plangebied gesitueerd is. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde Natura 2000-gebieden is niet aan de orde. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om enkele bestaande schuren te slopen en hiernaast een nieuwe woning te bouwen aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van dhr. W. Riewald. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.

Pagina 3

1

Inleiding en doel

1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn plannen om een nieuwe woning te bouwen en enkele bestaande schuren te slopen aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo. De heer Riewald is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Mariëndaalseweg 17 Angerlo Zevenaar Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Zevenaar, ten westen van de woonkern Angerlo (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Mariëndaalseweg aan de noordzijde, een onverhard deel van de Didamseweg aan de oostzijde en agrarisch grasland aan de overige zijden. Het plangebied betreft een voormalig boerenerf met een monumentale woonboerderij. Naast deze boerderij met rieten kap bevinden zich op het erf een leegstaande ligboxenstal, een schuur, een kippenhok met ren, verhard oppervlak, een grotendeels dichtgegroeide paardenbak, agrarisch grasland en enkele opgaande groenstructuren. Verspreid in het plangebied zijn onder andere een haag met laurierkers, braamstruweel, twee gewone essen en nog enkele struikvormers te vinden (zie figuur 2 en bijlage 1). De te slopen gebouwen zijn voorzien van asbest golfplaten daken zonder dakbeschot of isolatie, gedragen door houten en stalen balken. De ligboxenstal is opgebouwd uit gemetselde en betonnen wanden, de schuur bestaat uit gevels van stalen damwandplaat. De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarische percelen afgewisseld met lijnvormige groenstructuren, verspreid liggende woonerven, agrarische bedrijven en infrastructuur.

Ten westen van het plangebied ligt Landgoed Bingerden, met een afwisseling van vochtig loofbos, waterpartijen, agrarische percelen en een parkachtige tuin met landhuis (zie figuur 1).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door agrarisch grasland, het bestaande woonerf met boerderij, bijgebouwen en erfverharding, bomenrijen, struweel en enkele solitaire bomen (zie figuur 2).

Pagina 5

2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om op het bestaande woonerf aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo een nieuwe woning te realiseren, naast de bestaande woonboerderij. Deze monumentale boerderij blijft behouden en wordt dit moment gerenoveerd. Drie bijgebouwen worden wel gesloopt. De nieuwe woning wordt ontsloten via de Didamseweg, aan de oostzijde van het plangebied (zie figuur 3). Er worden geen bomen gekapt of andere opgaande groenstructuren verwijderd. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast, met onder andere struweel, bloemrijk grasland en een poel.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).

Pagina 6

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen globaal de positie van de nieuw te bouwen woning (geel) en de te slopen bijgebouwen (rood), bron: Google Earth (2020).

Figuur 3. Impressie van de nieuw te bouwen woning, naast de bestaande woonboerderij, bron: Retail Bouw Nederland (2020).

Pagina 7

3

Beschermde status plangebied

3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling moet onderbouwd worden dat er sprake is van een substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelzone binnen het Natuurnetwerk Nederland waarbinnen het plangebied gesitueerd is.

3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling

Pagina 8

van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt in een GO (zie figuur 3). Deze GO bestaat uit een aantal verspreid liggende erven en agrarische percelen. Deze zone vormt een verbinding tussen de Veluwe(zoom), de IJsseluiterwaarden, Landgoed Bingerden en diverse bos- en natuurgebieden ten oosten en zuiden van het plangebied, waaronder de landgoederen rondom Hummelo en Keppel, het Stille Wald bij Wehl en de Kruisbergsche Bosschen bij Doetinchem. De bossen van Landgoed Bingerden en enkele kleine bosschages en bomenrijen nabij het plangebied zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2020.

Pagina 9

Het plangebied ligt in het deelgebied De Liemers oost (38). De kernkwaliteiten en ontwikkelopgaven van dit deelgebied zijn: Kernkwaliteiten 

   

     

Heideontginnings- kampen- en essenlandschap in het oosten; kom- en broekontginningen in het westen; dicht en kleinschalig in het oosten, steeds opener naar het westen; overgangen naar Montferland en het Rijnstrangengebied. Parel/A-locatie bos: De Bijvanck: landgoed met oude boslocatie met waardevolle bossen van rijkere bodems met bossoorten als bosanemoon en boszegge. Parel: Kwartierse Dijk: smalle, kronkelige dijk met zeer rijk stroomdalgrasland met vele zeldzame soorten; mogelijk leefgebied knoflookpad. Parel/A-locatie bos: Bosslag: eeuwenoud op oude rivierklei met overgangen naar zandiger gedeelten; het eiken-haagbeukenbos is het meest waardevol. De evz Bingerden - Keppel en evz Veluwe - Montferland verbinden de Veluwe met Montferland en Duitsland: modellen das, kamsalamander (in het noorden); deze verbinding is tevens klimaatcorridor Veluwe - Eiffel (stuwwalcorridor). Leefgebied das. Leefgebied steenuil. Cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen. Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir. Ecosysteemdiensten: recreatie, drinkwater, waterberging. Alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied.

Ontwikkelopgaven         

Ontwikkeling oude, natte en droge bossen met bijbehorende flora en fauna. Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden. Ontwikkeling ecologische verbinding Bingerden - Keppel met poelen, natte graslanden en moerasjes, opgaande landschapselementen, etc. ontwikkeling ecologische verbinding Veluwe - Montferland met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden. Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A12, A18, N335, N336, N812, N335, N316, N813 en N814. Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden. Ontwikkeling biotopen voor vissen, reptielen en amfibieën. Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen. Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten.

Pagina 10

Specifiek voor de GO’s in dit deelgebied zijn de volgende ontwikkelopgaven benoemd:  

      

Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden Ontwikkeling ecologische verbinding Oude IJssel-west met natuurlijkere oevers. voor de Oude IJssel, poelen, natte graslanden en moerasjes, opgaande landschapselementen, etc. Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-noord met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden. Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-west met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden. Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A12, A18, N335, N336, N812, N335, N316, N813 en N814 Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden Ontwikkeling biotopen voor vissen, reptielen en amfibieën Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen. ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten.

Ecologische verbindingen met evz-model: 13. Oude IJssel-west (IJssel - Winterswijk - Duitsland): das, kamsalamander, rietzanger, winde 14. Montferland Noord (Reichswald Duitsland - Montferland - IJssel- Veluwe): das 15. Montferland - Bijvanck (Montferland - Rijnstrangen): das In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits: -

-

in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

Voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling aan de Mariëndaalseweg 17 in Angerlo moet in het bestemmingsplan onderbouwd worden dat door de geplande activiteiten in het plangebied sprake is van een substantiële versterking van bovenstaande kernkwaliteiten.

Pagina 11

3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt wel nabij het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Stikstofdepositie Doordat er slechts sprake is van bouw van één woning, de woning gasloos gebouwd wordt, en er een fysieke afstand van ruim 3 km tot stikstofgevoelige habitats is, wordt er geen meetbare depositie in het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ verwacht. Derhalve is nadere effectbeoordeling met betrekking tot stikstofdepositie niet noodzakelijk. Overige effecten Door de tijdelijke aard, de beperkte omvang van de activiteiten en de fysieke afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ worden geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van de Rijntakken of overige Natura 2000-gebieden verwacht door overige verstoringsfactoren als licht, geluid en trillingen.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 970 meter afstand van het plangebied. De uiterwaarden van de IJssel zijn onderdeel van dit Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op 5,2 kilometer afstand (zie figuur 4). Overige Natura 2000-gebieden (o.a. ‘Landgoederen Brummen’, ‘Stelkampsveld’ en ‘De Bruuk’) liggen op nog ruimere afstand, vanaf circa 11,5 km. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de ruime afstand tussen het plangebied en deze overige Natura 2000-gebieden en het ontbreken van een ecologische binding worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van overige Natura 2000-gebieden verwacht. Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ De geplande ruimtelijke ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van dit nabijgelegen Natura 2000-gebied door indirecte verstoringsfactoren als geluid, licht, trillingen en stikstofdepositie.

Pagina 12

Veluwe

Rijntakken

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ (groen), bron: Provincie Gelderland (2020).

Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook ‘Rijntakken’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen en doelsoorten in het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ is gevoelig voor depositie van stikstof (bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat (H91E0C vochtige, alluviale bossen) ligt echter op enige afstand van het plangebied, vanaf ruim 3 km. De bouw van woningen kan leiden tot een beperkte, tijdelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. In de meeste situaties zal er sprake zijn van dusdanig geringe toename, dat dit op voorhand niet zal leiden tot meetbare effecten en hiermee niet leidt tot verslechtering van de natuurkwaliteiten. Voor dit project zal de enige uitstoot tijdens de gebruiksfase afkomstig zijn van verkeersbewegingen.

De gebruiksfase van nieuwe woningen kan leiden tot permanente depositie van stikstof op een Natura 2000-gebied, maar in vergelijking met de eenmalige depositie tijdens de bouw is dit 10-50 keer lager (Handreiking woningbouw en AERIUS, Rijksoverheid, januari 2020). Bovendien is er in het plangebied sprake van de bouw van slechts één woning zonder gasaansluiting.

Pagina 13

Voor woningbouwplannen waarbij als gevolg van de bouwfase èn het toekomstig gebruik geen sprake is van een bijdrage in de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen effecten als gevolg van het plan worden uitgesloten. In de praktijk gaat het daarbij om het toekomstig gebruik van kleinschalige woningbouwplannen of plannen die op een grote afstand van Natura 2000-gebieden liggen (bron: Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie). Doordat er slechts sprake is van bouw van één woning, de woning gasloos gebouw wordt, en er een fysieke afstand van ruim 3 km tot stikstofgevoelige habitats is, wordt er geen meetbare depositie in het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ verwacht. Derhalve is nadere effectbeoordeling met betrekking tot stikstofdepositie, zoals het uitvoeren van een AERIUS-berekening, niet noodzakelijk. Overige effecten Door de beperkte omvang van de geplande ruimtelijke ontwikkeling en de tijdelijke aard van de verstoring tijdens de sloop- en bouwfase, zijn negatieve effecten door overige verstoringsfactoren als licht, geluid en trillingen op voorhand uit te sluiten.

Pagina 14

3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.

3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van Angerlo (zie figuur 1). In het plangebied staan enkele solitaire bomen en wat struweel, maar van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.

Pagina 15

4

Beschermde soorten plangebied

4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

Ing. R. Boerboom

1

23-03-2020

09:00 uur

Onbewolkt, droog, 5°C, windkracht 1-2 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 16

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen buizerd, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten:  

Nationaal beschermde soorten: bunzing, egel, haas, konijn, ree en steenmarter1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis en gewone/grijze grootoorvleermuis.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde amfibieënsoorten. Het betreft de volgende soorten:  

Nationaal beschermde soorten: bruine kikker en gewone pad¹. Internationaal beschermde soorten: kamsalamander.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van het voorkomen van één beschermde dagvlinder: 

Nationaal beschermde soorten: sleedoornpage.

1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de bunzing en steenmarter, in de provincie Gelderland vrijgesteld van

de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 17

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat uit een voormalig boerenerf met naast bebouwing en verhard oppervlak hoofdzakelijk voedselrijk (agrarisch) grasland, enkele ruige hoekjes en wat opgaande begroeiing in de vorm van braamstruweel, laurierkers en enkele verspreid staande bomen en struiken. De vegetatie bestaat hoofdzakelijk uit algemene plantensoorten van voedselrijk en ruderale omstandigheden als paarse dovenetel, kleine veldkers, paardenbloem, vogelmuur, fluitenkruid, grote weegbree, kluwenhoornbloem, doornappel, hoenderbeet, akkerdistel, witte dovenetel en ridderzuring. Door het voormalige agrarische gebruik en het voedselrijke karakter ontbreken bijzondere vegetaties met kenmerkende plantensoorten in het plangebied. Op de muren van de te slopen gebouwen zijn ook geen bijzondere of beschermde plantensoorten aangetroffen. Ook op de muren van de te behouden woonboerderij zijn geen bijzondere of beschermde muurplanten aangetroffen. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek.

Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: veldleeuwerik, zwarte kraai, tjiftjaf, roodborsttapuit, witte kwikstaart, holenduif, spreeuw, zwarte roodstaart, vink en de jaarrond beschermde huismus, roek en sperwer. Daarnaast zijn sporen van de kerkuil gevonden. De opgaande groenstructuren in het plangebied, zoals de haag van laurierkers en de braamstruwelen, zijn geschikt als nestlocatie voor enkele vogelsoorten als merel, winterkoning, heggenmus, roodborsttapuit, grasmus en zwartkop. De te slopen gebouwen zijn geschikt als nestlocatie voor soorten als huismus, holenduif, spreeuw, witte kwikstaart, zanglijster en zwarte roodstaart. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de buizerd, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied huismussen aangetroffen, zijn sporen van een kerkuil gevonden en is een overvliegende sperwer waargenomen. In de directe omgeving zijn enkele foeragerende roeken waargenomen.

Pagina 18

Buizerd, ransuil, roek en sperwer Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen in het onderzoeksgebied, met uitzondering van een overvliegende sperwer. Dit exemplaar vertoonde geen binding met het plangebied. Ook zijn geen (recent) gebruikte roofvogel- en roekennesten, (oude) ekster- en kraaiennesten of andere gebruikssporen van deze soorten (veren, uitwerpselen, plukplaatsen, prooiresten, braakballen, etc.) in het onderzoeksgebied aangetroffen. Door het ontbreken van bosschages met voldoende rust en dekking en het ontbreken van geschikte nestbomen, wordt deze locatie ongeschikt geacht als vaste rust- en verblijfplaats voor deze soorten. Incidenteel kan een jagend of overvliegend exemplaar van bijvoorbeeld een buizerd of sperwer in het plangebied worden waargenomen. De agrarische graslanden rondom het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor de roek. Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen wordt er echter geen essentieel foerageergebied van deze soort aangetast. Grote gele kwikstaart De NDFF meldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de grote gele kwikstaart. Hierbij gaat het naar alle waarschijnlijkheid om exemplaren die op doortrek zijn. In Nederland broedende grote gele kwikstaarten hebben hun leefgebied hoofdzakelijk bij snelstromende en meanderende beken.

Nestlocaties zijn onder andere holle oevers met boomwortels en bouwwerken, zoals sluizen, stuwen en watermolens. In het onderzoeksgebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Daarnaast ligt het plangebied ver buiten de bekende en traditionele broedlocaties in de (oostelijke) Achterhoek, Twente en Limburg. Het plangebied is geen (essentieel) leefgebied voor deze soort. Sporadisch kan een foeragerende, overvliegende of rustende grote gele kwikstaart in het onderzoeksgebied aangetroffen worden. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend. In de te slopen voormalige ligboxenstal in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek circa 8 huismussen waargenomen. De mussen gebruiken gaten in de lichtstraat van het dak om de binnenzijde van de leegstaande stal te bereiken (zie foto 1 t/m 4).

Foto 1

Foto 2

Pagina 19

Foto 3

Foto 4

Foto 1 t/m 4. Huismussen die via de beschadigde lichtstraat de binnenzijde van de te slopen stal bereiken (foto’s: R. Boerboom).

De mussen broeden waarschijnlijk in de ruimte tussen de balken en het golfplaten dak en in de ruimte tussen de kopse gevel en de golfplaten (zie foto 5 t/m 7). Tijdens het veldbezoek is waargenomen dat de mussen regelmatig wegkropen in deze ruimten. Onder deze locaties is op de vloer ook nestmateriaal aangetroffen (zie foto 8) en zijn langs de muren uitwerpselen waargenomen (zie foto 7).

Foto 5

Foto 6

Foto 7

Foto 8

Foto 5 t/m 8. Waarschijnlijke nestlocaties huismus (rood) en nestmateriaal (foto’s: R. Boerboom).

Pagina 20

In de overige te slopen gebouwen zijn geen indicaties waargenomen dat hier huismussen broeden. Het plangebied behoort tot het functioneel leefgebied van de waargenomen huismussen. De dichte braamstruweel wordt als schuilplek gebruikt, de haag van laurierkers is vermoedelijk de slaapplaats van deze mussen. De vegetatie rondom de gebouwen wordt vermoedelijk als foerageergebied gebruikt. Kerkuil Tijdens het veldbezoek zijn in de te slopen, leegstaande ligboxenstal op drie plekken braakballen en uitwerpselen van een kerkuil gevonden (zie foto 9 en 10). Gezien de hoeveelheid braakballen en uitwerpselen is hier sprake van een roestplek. Een broedgeval wordt hier niet verwacht door het ontbreken van geschikte nestlocaties, zoals speciale kerkuilenkasten, rustige en donkere hooizolders of andere geschikte plekken. Vermoedelijk behoort het plangebied tot een van de roestplekken van een kerkuil die in de omgeving broedt. Foto 9

Foto 10

Foto 9 en 10. Braakballen en uitwerpselen van een kerkuil in de te slopen ligboxenstal en één van de locaties waar deze aangetroffen zijn (foto: R. Boerboom).

Ooievaar Voor de ooievaar ontbreken nestlocaties in de vorm van kunstnesten op palen of daken van gebouwen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is geen functioneel leefgebied voor deze soort. De agrarische graslanden rondom het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor de ooievaar. Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen wordt er echter geen essentieel foerageergebied aangetast. Steenuil Uit het buitengebied van Angerlo, ten noordoosten van het plangebied zijn een aantal territoria van de steenuil bekend (bron: NDFF). De steenuil is een kenmerkende vogelsoort van erven van burgerwoningen en boerderijen in het agrarische cultuurlandschap. Het ideale leefgebied van de steenuil wordt bepaald door een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie, erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met vee en voldoende nestplaatsen in de vorm van boomholten,

Pagina 21

nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen. Verder is het belangrijk dat er een gevarieerd prooiaanbod is in het territorium, dan wel de directe omgeving, zoals muizen, regenwormen en insecten. Het plangebied is door de aanwezigheid van grazige vegetatie geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Echter is het voormalige agrarische grasland niet bijzonder rijk aan muizen en andere voedselbronnen. Door de openheid van het plangebied is het verder slechts marginaal geschikt als leefgebied voor de steenuil. Verder ontbreken nestkasten of andere geschikte nestgelegenheden in het plangebied. De te slopen gebouwen zijn ongeschikt als nestlocatie voor de steenuil. Bovendien is de soort tijdens het veldbezoek niet waargenomen en zijn ook geen sporen van de soort, zoals braakballen, veren, uitwerpselen etc. aangetroffen. In het plangebied wordt geen vaste rust- en verblijfplaats of functioneel leefgebied van de steenuil verwacht. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of functioneel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn, met uitzondering van muizenholletjes, geen (sporen van) zoogdieren aangetroffen in het plangebied.

Het plangebied is (plaatselijk) geschikt als leefgebied/foerageergebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, haas, konijn, mol, steenmarter, wezel en diverse soorten (spits)muizen. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde bunzing, egel, haas, konijn, ree en steenmarter voor de omgeving van het plangebied. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Kleine marterachtigen als bunzing

Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood.

Van de bunzing is een waarneming bekend van een foeragerend exemplaar op de Didamseweg, net ten zuidoosten van het plangebied (NDFF). Deze marterachtige leeft bij voorkeur in kleinschalige en afwisselende cultuurlandschappen en natuurgebieden. Belangrijke elementen in het leefgebied zijn een combinatie van kleine wateren, vochtige terreinen en landschapselementen, zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels. Soms komt met name de bunzing ook voor in steden en dorpen met een natuurlijk karakter, zoals parken, braakliggend terrein, tuinen, etc. De bunzing maakt zijn nestplaats onder andere in houtstapels, takkenhopen en soms in een hol in de grond. Ook

Pagina 22

worden oude schuurtjes, stallen en andere bouwwerken bewoond. De rustplaats wordt gemaakt in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Kleine marterachtigen, zoals de bunzing, zijn actieve jagers en hebben meerdere jachtgebieden nodig in de directe omgeving van hun verblijfplaatsen. Dichte begroeiing, rommelhoekjes, holtes en kieren vormen het jachtgebied, evenals natuurgrasland, extensief beweide percelen, braakliggende terreinen en akkerranden. Deze terreinen moeten via verbindingszones bereikbaar zijn vanaf de nest- en verblijfplaats en in voldoende mate binnen het territorium beschikbaar zijn. Het plangebied is marginaal geschikt als leefgebied voor de bunzing en andere kleine marterachtigen. Met name de dichte braamstruwelen langs de randen van het plangebied, enkele ruige perceelranden en aangrenzende bermen van de Mariëndaalseweg met eikenlanen en sleedoornstruweel zijn geschikt als leefgebied. Het plangebied is verder door de openheid slechts marginaal geschikt voor kleine marterachtigen, die altijd behoefte aan dekking in de vorm van opgaande groenstructuren nodig hebben. Geschikte verblijfplaatsen zijn momenteel, tijdens de renovatie van de woonboerderij, tijdelijk aanwezig in de vorm van stapels hout, puin, riet en opslag van materieel (zie foto 11 t/m 14).

Foto 11 t/m 14. Tijdelijk aanwezige geschikte schuilgelegenheden voor kleine marterachtigen (foto’s: R. Boerboom).

Pagina 23

Een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing of andere kleine marterachtige wordt niet verwacht door de menselijke activiteit tijdens de renovatie, de tijdelijke aard van aanwezige schuilgelegenheden, de openheid van het plangebied en het ontbreken van sporen als wissels, graafsporen, uitwerpselen etc. Het gebruik van de bunzing en eventueel hermelijn of wezel beperkt zich hooguit tot een passerend of een incidenteel foeragerend exemplaar. Steenmarter Uit de bebouwde kom van Angerlo, Doesburg en het direct aangrenzende buitengebied, ten (noord)oosten van het plangebied, zijn meerdere waarnemingen van de steenmarter bekend (bron: NDFF). Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Geschikte verblijfplaatsen zijn momenteel, tijdens de renovatie van de woonboerderij, tijdelijk aanwezig in de vorm van stapels hout, puin, riet en opslag van materieel (zie foto 11 t/m 14). Tijdens het veldbezoek zijn er echter geen steenmarters en/of sporen, zoals uitwerpselen, wissels, krabsporen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Hierbij zijn alle te slopen gebouwen en andere potentiele schuilgelegenheden grondig geïnspecteerd.

Er kan worden gesteld dat het plangebied niet als vaste rust- en verblijfplaats in gebruik is door de steenmarter. Het gebruik van de steenmarter beperkt zich hooguit tot een passerend, tijdelijk rustend of een foeragerend exemplaar. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis en gewone/grijze dwergvleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen De te slopen gebouwen zijn door het ontbreken van een stabiel microklimaat en geschikte verblijfruimten, zoals bijvoorbeeld een open spouw, ruimte onder dakpannen, een donkere zolderruimte of andere nauwe ruimte ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis en gewone/grijze grootoorvleermuis. De te slopen gebouwen zijn niet voorzien van een dakbeschot en zijn tochtig door diverse openingen aan de gevels en in het dak. Er zijn in en rond de te slopen gebouwen verder geen sporen van vleermuizen, zoals uitwerpselen of prooiresten, waargenomen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte holtes.

Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen zijn dan ook niet te verwachten.

Pagina 24

Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is door de beperkte omvang en het ontbreken van robuuste en/of aaneengesloten opgaande groenstructuren niet van belang als foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen. De nabijgelegen eikenlanen langs de Mariëndaalseweg en de bosranden van het Landgoed Bingerden, ten westen van het plangebied, zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde bruine kikker, gewone pad en kamsalamander voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water ontbreekt in het plangebied en voortplanting van amfibieën wordt niet in het plangebied verwacht. Het plangebied is (plaatselijk) marginaal geschikt als landbiotoop voor een enkele weinig kritische en algemene soorten als bruine kikker en gewone pad. Incidenteel kan een exemplaar van deze soorten in het plangebied aangetroffen worden. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De in de NDFF vermelde kamsalamander is een strikt beschermde soort. Kamsalamander Van de kamsalamander is een waarneming bekend van 10 verkeersslachtoffers op de Mariëndaalseweg, ten westen van het plangebied.

De exemplaren zijn hier waarschijnlijk doodgereden tijdens de voorjaarstrek van het overwinteringsgebied (vermoedelijk de bossen van Landgoed Bingerden) naar nabijgelegen voortplantingswateren (poelen en vijvers in de nabije omgeving van dit bosgebied). Door het ontbreken van geschikt landhabitat en geschikte voortplantingswateren is het plangebied niet van belang als leefgebied voor de kamsalamander. Bovendien ligt het plangebied niet op een mogelijke migratieroute van de soort. De kamsalamander wordt hier niet verwacht. Overige strikt beschermde amfibieën worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van strikt beschermde amfibieën voor het plangebied en omgeving. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Deze zijn echter grotendeels ook in winterrust op het moment van het veldbezoek. Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde reptielensoorten bekend voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Deze worden ook niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Vissen Permanent open water ontbreekt in het onderzoeksgebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is.

Pagina 25

Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen, maar deze zijn echter op het moment van onderzoek (maart) ook grotendeels nog niet actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de strikt beschermde sleedoornpage voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Sleedoornpage De sleedoornpage is een zeldzame standvlinder die voorkomt op een aantal locaties in Overijssel en Drenthe, op de Utrechtse Heuvelrug, op een enkele locatie in Noord-Brabant en in Zuid-Limburg en langs de randen van de Veluwe. Het leefgebied van de sleedoornpage bestaat voornamelijk uit houtwallen, bosranden en sleedoornstruwelen. De laatste jaren lijkt het leefgebied steeds meer te verschuiven naar tuinen en parken in stedelijk gebied. Van de soort zijn eitjes in de omgeving van het plangebied vastgesteld. Vanuit diverse sleedoornstruwelen in en rond de bebouwde kom van Angerlo en Doesburg is de soort inmiddels bekend (bron: NDFF). In het plangebied ontbreekt het echter aan geschikt habitat en waardplanten, waardoor voortplanting van de sleedoornpage hier niet verwacht wordt. De dichtstbijzijnde (bekende) populatie/vliegplaats bevindt zich op enige afstand van het onderzoeksgebied in de bebouwde kom van Angerlo. Net buiten het plangebied bevinden zich wel enkele geschikte sleedoornstruwelen, langs de Mariëndaalseweg.

Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar in het plangebied waar genomen worden, maar van een functioneel leefgebied is geen sprake. Ook overige beschermde ongewervelde diersoorten worden niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.

Pagina 26

5

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:     

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. Beschermde plantensoorten worden niet in het plangebied verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk.

Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt,

Pagina 27

afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn In het plangebied bevindt zich een roestplek van de kerkuil en zeer waarschijnlijk meerdere nestlocaties van de huismus. Er bevinden zich in het plangebied geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende buizerd, grote gele kwikstaart, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil. De functionaliteit van het leefgebied van deze overige soorten wordt eveneens niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige jaarrond beschermde soorten. De te slopen bebouwing wordt vermoedelijk ook gebruikt als nestlocatie door de spreeuw en zwarte roodstaart. Dit zijn twee zogenaamde categorie 5-soorten. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Huismus De te slopen ligboxenstal wordt zeer waarschijnlijk als nestlocatie door de huismus gebruikt.

Er zijn circa 4 paar huismussen aangetroffen die de waarschijnlijke nestplaatsen onder het dak bezochten en territoriumindicerend gedrag vertoonden. Daarnaast is gebruikt nestmateriaal gevonden op de vloer onder de vermoedelijke nestlocaties. Bij het slopen van dit gebouw gaan mogelijk nestlocaties verloren. Artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten van de huismus. De nesten en het functioneel leefgebied van deze nestlocaties zijn jaarrond beschermd. Het verloren gaan van deze nestlocaties is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiervoor is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk en dienen alternatieven aangeboden te worden. Een quickscan natuurtoets kan in beeld brengen of er huismussen aanwezig of mogelijk aanwezig zijn. Aan de hand van dit vooronderzoek kan de potentiële aanwezigheid van de huismus en functies van het plangebied worden ingeschat. Er kan echter geen antwoord gegeven worden op de vraag hoeveel nesten er aanwezig zijn en waar deze nesten zich bevinden in een gebouw. Ook kan er dan geen informatie worden gegeven over de gunstige staat van instandhouding van de populatie.

Als de quickscan tot uitkomst heeft dat er huismussen aanwezig zijn of mogelijk aanwezig zijn, moet aanvullend onderzoek aangeven waar en voor welke functies de huismus het gebied of het object gebruikt (bron: Kennisdocument Huismus, BIJ12). Aanvullend onderzoek tijdens het broedseizoen is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van bezette nesten en om de exacte aantallen broedparen te bepalen. Hiervoor moeten 2 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 april tot en met 20 juni tussen 1 à 2

Pagina 28

uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus). Kerkuil In de te slopen ligboxenstal zijn sporen (braakballen en schijtsporen) van de kerkuil gevonden. Bij een locatie aan de Kruisstraat, ten westen van het plangebied, is sprake van een vastgesteld territorium (bron: NDFF). Door de geringe afstand (circa 500 meter) tot de roesplek in het plangebied, behoort het plangebied vermoedelijk tot het functioneel leefgebied van deze kerkuil(en). De te slopen stal wordt gebruikt als roestplek/rustplaats, vermoedelijk door een solitair exemplaar tijdens de winterperiode. Van een broedgeval is geen sprake door het ontbreken van geschikte nestgelegenheden. Bij het slopen van dit gebouw zal deze rustplaats van de kerkuil verloren gaan. Artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van de kerkuil. Rustplaatsen van de kerkuil zijn daarmee jaarrond beschermd. Het verloren gaan van deze rustplaats is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiervoor is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk en dienen alternatieven aangeboden te worden. Voor elke verblijfplaats die aangetast of verwijderd worden minimaal twee nieuwe verblijfplaatsen aangeboden.

Dit in de vorm van bijvoorbeeld kerkuilenkasten of toegangen in gebouwen (bijvoorbeeld schuren), (bron: Kennisdocument Kerkuil, BIJ12, 2017). Spreeuw en zwarte roodstaart De te slopen ligboxenstal is vermoedelijk in gebruik als nestlocatie door de spreeuw en de te slopen opslagschuur is mogelijk in gebruik als nestlocatie door de zwarte roodstaart. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Voor beide soorten zijn echter voldoende alternatieven in de directe omgeving van het plangebied in de vorm van geschikte gebouwen op boerenerven en in de bebouwde kom van Angerlo en verschillende bomen met holten. Het aanvragen van ontheffing en het aanbieden van alternatieven is niet noodzakelijk voor deze soorten. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in het plangebied. Voor overige jaarrond beschermde vogelsoorten is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, haas, konijn, mol, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Kleine marterachtigen als bunzing De kleine marterachtige bunzing is strikt beschermd in de provincie Gelderland. Het voorkomen is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied voldoet slechts marginaal aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing en eventueel hermelijn en wezel. Van de bunzing is één waarneming bekend op ten zuiden

Pagina 29

van het plangebied. Overige kleine marterachtigen zijn niet bekend uit de omgeving van het plangebied. Het is uitgesloten dat het plangebied behoort tot een essentieel onderdeel van het leefgebied van de bunzing, hermelijn of wezel door het ontbreken van voldoende rust en dekking in de vorm van opgaande, lijnvormige groenstructuren en geschikte (permanente) verblijfplaatsen. De geplande woningbouw en sloop van enkele bestaande bijgebouwen leidt niet tot aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing, hermelijn of wezel. Nader onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja  2.

Zijn de te slopen gebouwen potentieel geschikt als kraam-, zomer-, paar- en (massa)winterverblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen? Nee  Nader onderzoek naar kraam-, zomer-, paar-, en (massa)winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 3. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee  Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 4. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee  Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen geen verblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied of vliegroutes worden aangetast.

Pagina 30

Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten zoals bruine kikker en gewone pad niet te verwachten in het plangebied. Voor de mogelijk aanwezige algemeen voorkomende amfibieën geldt in de provincie Gelderland automatisch een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Strikt beschermde soorten als de, uit de omgeving bekende kamsalamander en sleedoornpage, worden niet verwacht. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.

Pagina 31

6

Conclusie

Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling moet onderbouwd worden dat er sprake is van een substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelzone binnen het Natuurnetwerk Nederland waarbinnen het plangebied gesitueerd is. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt wel nabij het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Stikstofdepositie Doordat de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten en de fysieke afstand tot stikstofgevoelige habitats, wordt er geen meetbare stikstofdepositie in het Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ verwacht. Derhalve is nadere effectbeoordeling met betrekking tot stikstofdepositie niet noodzakelijk. Overige effecten Door de tijdelijke aard, de beperkte omvang van de activiteiten en de fysieke afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ worden geen negatieve effecten verwacht door overige verstoringsfactoren. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de huismus.

Voor het verwijderen van de vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk en dienen alternatieven aangeboden te worden. Er moet verder rekening worden gehouden met overige broedvogels. Activiteiten als het slopen van bebouwing moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd.

Pagina 32

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 33

Bijlage 1 Impressie plangebied

Pagina 34

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:     

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=414f62e0-a293-4b36-80a5-3db35e6cd38d