CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

9. 220621 Brief VNG Gelderland aanbieding rapport toekomstbestendige Gelderse Veren 2022

Raadsvergaderingen 2022-2026 6 juli 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Wijze van afdoening van de ingekomen stukken20.499 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2014

22.330 94.455

2011

712258

19.265 52.202 61.108 61.108 394.387 71.788 24.125 28.275

2013

21.981 93.335

2010

Fiets- en voetveren, bijdragen aan gemeenten 35%

totaal

Zaltbommel - Nederhemert Zaltbommel - Aalst Veen Wageningen - Opheusden Neder-Betuwe- Opheusden Zaltbommel - Brakel Herwijnen Dieren - Olburgen Alem-Maren Kessel Maasbommel-Megen

part/gem part gem part part gem part part part

Autoveren, bijdragen aan gemeenten 80%

Exploitatie per jaar:

0

2020

0

2020

Daarnaast zijn er de fiets- en voetveren. In het overzicht hiervoor staan de uitkeringen uit het verenfonds over de periode 2010 tot 2020 aan gemeenten voor de fiets- en voetveren op een rij. In het overzicht ontbreken de gegevens van twee van de 19 veren volledig: Millingen aan de Rijn-Pannerden en Gendt-Millingen. Zij tellen dus niet mee, net als Nunspeet-Biddinghuizen dat al jaren geen bijdrage meer nodig heeft. Er zijn 17 veren die (deels) in deze periode een uitkering via de gemeente gekregen hebben. Over 2019 hebben 13 fiets- en voetveren via de gemeente een uitkering mogen krijgen. Ook uit dit overzicht blijkt dat van de ondersteunde veren de meeste in particuliere handen zijn, vaak van een stichting; er zijn slechts twee gemeentelijke veren in het rijtje opgenomen. In negen van de gevallen zijn de bijdragen in de exploitatie bescheiden en liggen ruim onder de tienduizend euro. In de laatste twee jaar zijn het drie fiets- voetveren veren die twee derde deel van de totale bijdragen aan exploitaties voor hun rekening nemen. Bij het veer Tiel-Wamel daalt het langjarig tekort ieder jaar structureel. In de periode 2010 tot 2020 lag de gemiddelde totale uitkering voor de voet/fietsveren samen jaarlijks rond de € 180.000. In totaal is voor de voet/fiets- en de autoveren samen jaarlijks bijna € 1.000.000,-- uitgekeerd.

De inkomsten De inkomsten van het Verenfonds bestonden uit aanzienlijke incidentele donaties vanuit de Gelderse Gemeenten en de provincie Gelderland in 1995 (ieder 8 miljoen gulden) en het rijk en de provincie Gelderland in 2007 (samen ca. € 8 miljoen waarvan het rijk via BDU ca. € 3 miljoen en de provincie € 5 miljoen) en jaarlijkse bijdragen van de provincie van € 160.000 vanuit het beleidsveld recreatie tot 2012. Met name in het verleden werden aanzienlijke rente-inkomsten over het kapitaal gerealiseerd. Met de afname van het kapitaal en de dalende rentevergoedingen zijn de rente-inkomsten de laatste jaren steeds lager geworden. Dit blijkt duidelijk uit het gekleurde overzicht op de vorige pagina van de inkomsten en de uitgaven in het jaarverslag van de stichting over 2020. In de begroting 2020 van de stichting wordt het volgende aangegeven: …dat door de toenemende subsidieverstrekking in de exploitatietekorten het eigen vermogen in 2020 nog slechts € 3,9 miljoen zal bedragen. Dit zal betekenen dat met de prognoses van baten en lasten het eigen vermogen ultimo 2024 negatief zal worden.

In de definitieve jaarrekening van de stichting over 2019 uit 2020 wordt vermeld: Gezien de ingrijpende gevolgen van COVID19 voor de verenbranche (…..) verwachten wij dat over het lopende jaar 2020 hogere aanvragen voor subsidie zullen worden ingediend bij de oevergemeenten, waardoor ook de Stichting Veren Gelderland meer subsidie zal moeten uitkeren. Voor deze mogelijk hogere exploitatietekorten over het boekjaar 2020 verwachten wij geen probleem met het huidige saldo van de Stichting Veren Gelderland. Als het fonds door COVID19 nog zwaarder belast gaat worden komt de uitputtingsdatum eerder in zicht. Hoewel de cijfers over 2020 voor dit onderzoek nog niet ter beschikking waren wordt vanuit het verenfonds aangegeven dat COVID geen wezenlijke impact heeft gehad op het totaal van de subsidieaanvragen. Dat was wel de verwachting, maar blijkbaar zijn niet alleen de inkomsten achtergebleven, maar ook de uitgaven. De subsidiebeoordelingen Ten behoeve van het onderzoek zijn de aanvragen over de afgelopen vijf jaar, in de vorm van de subsidieverzoeken vanuit de gemeenten met bijlagen, bekeken.

25

Het verenfonds heeft in de loop der decennia meerdere opeenvolgende modellenboeken gekend, geldig voor zowel autoveren als voetveren. Voor het onderzoek zijn modellenboeken uit diverse jaren ingezien. De laatste versie van het modellenboek is van 2012, het laatste normenboek is van 2018 en het laatste reglement dateert van 2009. In de loop der jaren zijn in deze documenten kleine wijzigingen doorgevoerd. Vanaf het Modellenboek 2009 is als bijlage bij de aanvraag een accountantsverklaring of samenstellingsverklaring verplicht. Verder zijn de normbedragen aangepast en worden bij vervanging van veren enkele eisen gesteld zoals een taxatierapport van de restwaarde van het oude veer. Maar in feite zijn de voorschriften vanuit het fonds in de loop der jaren nauwelijks gewijzigd. De toekenning van de subsidie is enkel gebaseerd op toetsing van de jaarrekening aan het modellenboek. Naast de financiële uitkeringsgegevens die in bovenstaande tabellen zijn weergegeven ontbreken beoordelingen van aanvragen die niet louter cijfermatig zijn. Dan kan gedacht worden aan contact met de ondernemer over de achterliggende redenen van een structureel exploitatietekort, vragen naar een visie op het tekort van de exploitant en van gemeente, vragen naar een verbeterplan, kortom, naar het waarom achter de cijfers.

Aanvullende gegevens zijn echter niet voorhanden en door een vertegenwoordiger van het verenfonds is deze gang van zaken bevestigd.

3.4 Samenvattend Het fonds van de Stichting Gelderse Veren voorziet in incidentele en vooral structurele jaarlijkse bijdragen in de exploitatietekorten van ongeveer de helft van alle Gelderse veren. De gemeenten zijn aanvrager van de subsidie. Het zijn met name particuliere veren die, via een oevergemeente, een beroep doen op subsidie van het verenfonds. De autoveren die een beroep doen op het fonds draaien gezamenlijk een exploitatieverlies van circa € 1,0 miljoen jaarlijks. De fiets- voetveren realiseren jaarlijks een exploitatietekort van circa een € 0,5 miljoen, derhalve samen circa € 1,5 miljoen. Hiervan wordt ongeveer een derde deel door de gemeenten gedragen en komt ca. een miljoen uit het fonds. De jaarlijkse tekorten zijn min of meer structureel en lopen bij de autoveren jaarlijks op. Bij de fiets- voetveren stijgt het totaal aan uitkeringen niet echt en slechts een enkel veer springt eruit met een flinke stijging. Tegenover het totaal aan uitkeringen van het verenfonds dat 80% van het exploitatietekort dekt staat 20% aan ongedekt exploitatietekort voor gemeenten. In 2019 pasten de gemeenten voor autoveren in totaal ongeveer € 200.000, -- bij in de tekorten. Bij de voetfietsveren was dit op basis van een 35% bijdrage van het verenfonds ongeveer € 350.000,--, 65% van het exploitatietekort.

In het geval het twee Gelderse oevergemeenten betreft kan het tekort door twee gemeenten opgevangen worden. Van de exploitanten wordt geen bijdrage verwacht. In prikkels vanuit het fonds naar gemeenten en exploitanten om de uitputting van het fonds af te remmen of te voorkomen -voor zover dit mogelijk is- voorziet het fonds nauwelijks. De enige mogelijkheid die het fonds hiertoe biedt is een prikkel bij vermindering van het exploitatietekort.

26

4. Visie ondernemers en gemeenten 4.1 Inleiding De provincie Gelderland is de provincie in Nederland met de meeste veren binnen haar grenzen: er varen 22 utilitaire veren en 26 toeristische veren. Deze 48 veren worden geëxploiteerd door 27 ondernemers; diverse ondernemers exploiteren meerdere veren. Soms zijn gemeenten zelf exploitant van een veer. Het aantal Gelderse gemeenten dat een veer binnen haar grenzen heeft bedraagt 32. In het kader van het onderzoek zijn in 2021 interviews gehouden met ondernemers en gemeenten. Voorafgaand aan de gesprekken is aan alle partijen een vragenlijst (zie bijlage) toegezonden met het verzoek deze vooraf ingevuld te retourneren. Op dit terugzend verzoek is na een reminder door 17 ondernemers en 14 gemeenten gereageerd. Vervolgens hebben in de periode september - december 2021 de gesprekken plaatsgevonden met de ondernemers, twee belangengroepen (LVP en VEEON) en met de gemeenten. De exploitanten met wie gesproken is exploiteren samen 29 van de 48 veren in Gelderland. Vanwege de voorwaarden rondom Corona hebben veel gesprekken via MS Teams plaatsgevonden. Qua ligging in de provincie blijkt dat de grootste concentratie aan veren in Rivierenland aan de Nederrijn ligt (13 stuks). Daarnaast worden veren op de Lek (4), de Maas (8) en de Waal (7) geëxploiteerd.

De overige veren liggen aan de IJssel (6), aan diverse andere kleinere rivieren/wateren liggen nog enkele veren (10). Bij de selectie van de gesprekken is gekeken naar de retour ontvangen vragenlijsten, ondersteuning via het verenfonds en naar een aanvaardbare spreiding over de provincie. De omvang van het aantal gesprekken maakt dat er geen sprake is van een steekproef. Er is een substantieel aantal belanghebbenden gesproken, bijna de helft van de totale doelgroep. Daar waar in dit onderzoek uitspraken gedaan worden, wordt indien nodig en mogelijk aangegeven of dit voor de hele groep geldt of voor een deel daarvan. Als uitgangspunt voor de gesprekken is een agenda opgesteld als mogelijke leidraad voor het gesprek mede op basis van al bekende informatie en het ingevulde vragenformulier. Hoewel ieder gesprek uniek kan worden genoemd waren de belangrijkste onderwerpen die besproken zijn de volgende: 1. Algemeen (kennismaking, takenpakket, kennis van Twijnstra & Gudde rapport, belang van het veer e.d.) 2. Het Gelders verenfonds 3. Problematiek bij de veren 4. Duurzaamheid 5. Tarieven 6. Beleid 7. Routestructuren e.d. 8.

Tips en een eventuele visie op oplossingsrichtingen volgens exploitant/gemeente In het navolgende deel zijn weergaven van de belangrijkste uitspraken/meningen uit de gesprekken en de invulformulieren cursief opgenomen, soms voorzien van een korte toelichting van de onderzoeker.

27

4.2 De gesprekken met de ondernemers 1. Algemeen • ‘Wij kennen het rapport van Twijnstra & Gudde niet.’ Uit de gesprekken bleek dat veel exploitanten niet echt op de hoogte zijn van het bestaan van het rapport van Twijnstra & Gudde of niet goed bekend zijn met de inhoud ervan. De brancheverenigingen hebben hier klaarblijkelijk geen aandacht aan besteed richting de leden. •

Niet iedereen beseft de ernst van de (financiële) problematiek.

In het verlengde van de vorige constatering blijkt uit de gesprekken het besef dat de klok voor het verenfonds op vijf voor 12 staat niet tot iedereen te zijn doorgedrongen. Dit geldt overigens ook voor de gemeenten. Meermalen wordt door ondernemers aangegeven dat het gesprek aanleiding geeft tot overleg om de stand van zaken en eventuele ontwikkelingen onder de aandacht te brengen van de gemeente. 2 Het Gelders verenfonds • “Ze moeten het fonds niet afschaffen maar het dient exploitanten meer te prikkelen” De meeste exploitanten spreken zich niet negatief uit over het verenfonds en er wordt niet met afgunst naar ondersteuning gekeken. De basishouding is vaak: we willen als het mogelijk is de eigen broek ophouden. Maar dat moet mogelijk zijn; een prikkeling van het ondernemerschap (want de huidige subsidievorm maakt lui) wordt niet als negatief gezien. •

“Het zou goed zijn als een Verenfonds in enigerlei vorm blijft bestaan maar dan bijvoorbeeld specifiek voor veerverbindingen die inzetten op het verduurzamen van de schepen of op andere specifieke belangen. Met andere woorden een verenfonds voor ‘maatwerk op divers gebied’”

Kennelijk heeft een deel van de exploitanten zich al neergelegd bij een andere toekomst. Een toekomst waarin er wel een verenfonds bestaat maar dat dan een speciaal doel dient. Aangegeven wordt dat een tegemoetkoming of bij voorbeeld een renteloze lening voor 25 jaar t.b.v. electrificeren/duurzaamheid deels uitkomst zou kunnen bieden. •

“Wat doen we met veren die niet rendabel blijken te zijn, ook na verhoging van het tarief, bijvoorbeeld omdat er een brug in de nabijheid ligt. Het is de vraag of dan nog structurele ondersteuning mogelijk is. Het belang van het in standhouden van de verbinding wordt dan bepaald door de gemeente of de provincie”.

●

“De publieke functie die de veren vervullen verdient (deels) ook publieke financiering; voer een landelijk verenfonds in. Veren zijn geen OV maar men kan zich afvragen waarom veren geen landelijke steun krijgen terwijl men wel in het algemeen belang vaart.”

3 Problematiek bij de veren • “De veerdiensten wacht in de toekomst een grote opgave om het bestaansrecht te kunnen blijven waarborgen/bewijzen. Terwijl dat eigenlijk helemaal geen probleem zou moeten zijn”. •

“Het wordt voor exploitanten steeds moeilijker om zelfstandig het hoofd boven water te houden”.

28

Alle exploitanten geven aan dat de problemen zich min of meer opstapelen en niet alleen van financiële aard zijn. Terwijl de inkomsten achterblijven worden de kosten steeds hoger, en men noemt de kosten van: -gekwalificeerd personeel -brandstof (gasolie) -onderhoud materieel -onderhoud infrastructuur zoals veerstoepen -onderhoud baggeren i.v.m. laag water. Deze kosten komen vaak ten laste van exploitanten en niet van gemeente of Rijkswaterstaat -strengere milieueisen.

Foto: De veerpont Dieren-Olburgen (Foto Antoinet Roëling)

●

“Er is weinig contact met de gemeente. Er is een slechte betrokkenheid bij de gemeente, er is sprake van vanzelfsprekendheid. De bewegwijzering naar de pont is slecht (redenen: andere partij gaat erover, we willen geen sluipverkeer, bebording zelf betalen). Gemeenten informeren exploitanten slecht over werkzaamheden en alternatieven”.

•

“Private veren maken meer winst met name omdat ze minder overheadkosten hebben”.

Deze mening van een ondernemer strookt niet met het feit dat bijna alle veren die gebruik maken van het verenfonds in particuliere handen zijn en kennelijk geen winst maken. ●

“Het verdwijnen van de subsidieregeling zal direct gevolg hebben voor het voortbestaan van een aantal veerdiensten”.

Aangegeven wordt dat op basis van de lopende subsidieregeling vaak langjarige verplichtingen zijn aangegaan (nieuwbouw veerponten met 29

afschrijvingstermijnen/financieringen van 30 jaar) op basis van te verwachten uitkeringen van het verenfonds. Diverse gemeenten staan garant voor de lening maar wie neemt deze verplichtingen straks over? ●

“De werkelijke tekorten van veren liggen eigenlijk hoger”.

Diverse veren hebben in de praktijk een niet reële kostenstructuur zo wordt aangegeven. Een aantal veren is oud en heeft geen kapitaallasten meer. Dit probleem manifesteert zich hoe dan ook ooit. Er wordt op gewezen dat soms sprake is van liefdewerk waarbij de management fee van de exploitant (te) laag is en niet alle uren worden in rekening gebracht. Deze wordt in enkele gevallen te laag opgevoerd in de exploitatie bijvoorbeeld vanuit principiële redenen (“ik hoef niet per se een subsidie, ik kan mijzelf wel bedruipen”). Ook de inzet van vrijwilligers (oudschippers) drukt de werkelijke kosten. Dit kan gevolgen hebben voor de overname van sommige veren in toekomst. Meermalen wordt aangegeven dat sommige organisaties met vrijwilligers varen en waarschijnlijk diverse subsidies krijgen en dat vindt men valse concurrentie. De vraag wordt gesteld of door gemeenten met twee maten wordt gemeten. Er wordt op gewezen dat de kosten van exploitaties lastig te drukken zijn want het grootste deel bestaat uit salarissen van personeel en gasolie en dat ligt behoorlijk vast. Men vindt minder varen gericht op kostenbesparing geen optie want dan zijn er ook minder inkomsten. In het algemeen stellen de ondernemers dat verbeteringen binnen de exploitatie niet direct leiden tot betere dekking van de kosten.

Men wijst erop dat opstellen en uitvoeren van een verbeterplan gericht op een hogere omzet (marketing, PR, etc.) weinig oplevert. Het aantal klanten is relatief vast, maar voor toerisme geldt dit minder. ●

“Cultuurhistorie: een veerdienst die al verschillende eeuwen bestaat komt misschien wel te vervallen. Dat is toch te gek voor woorden”.

●

“De Corona problematiek kan lastig worden voor ons ondernemers”.

De verwachting van ondernemers is dat er structureel minimaal ca. 10% minder overzettingen na Corona worden gerealiseerd vanwege het thuiswerken. Ook het uitstel van de belastingdienst van de betaling van de loonheffing wordt als probleem genoemd nu de betaling er alsnog aan komt. ●

“Bij stoppen van een veer is de impact groot. Denk naast scholen en dergelijke ook aan bedrijven, winkels, personeel dat moet omrijden e.d. Noodlijdende veren liggen vaak bij kleine gemeenschappen waarbij het gebruik beperkt is, maar waar het veer juist hard nodig is (sociaal isolement).”

●

“We hopen dat de gemeenten zullen blijven of gaan betalen, maar dat zal niet tot elke prijs zijn”.

Ondernemers geven aan te stoppen als het veer structureel verlies draait en de meesten verwachten niet dat de gemeenten zonder meer in de bres zullen springen om het financiële gat te dichten. Het is de vraag of gemeenten zich dat voldoende realiseren. ●

“De branche werkt niet samen, er is geen algemene belangenbehartiging en de veren positioneren zich zeer slecht in de markt. De belangenbehartiging met de huidige organisaties is onvoldoende. In de huidige structuur wordt onvoldoende naar gemeenschappelijk belang gekeken. De verenbranche is gebaat bij een solide en professionele brancheorganisatie die niet gekenmerkt wordt door bestuurders die als exploitant in een brancheorganisatie zitten. Er is geen aansluiting bij

30

overheidsinstellingen waaronder RWS; de verschillende partijen (regio, exploitanten, gemeenten, etc.) moeten gezamenlijk optrekken naar de overheid.” 4. Duurzaamheid • “Het voorkomen van onnodig omrijden blijft actueel maar het daarmee samenhangende CO2 probleem neemt af”. Het argument dat veren veel omrijdkilometers voorkomen blijft voor ondernemers overeind, maar onnodige CO2-uitstoot door omrijden voorkomen, wordt langzaam achterhaald. Het gebruik van fossiele brandstoffen is op zijn retour en dat is een trage maar goede ontwikkeling. Toch blijft omrijden ongewenst omdat dit tijd kost, omdat ook stroom opgewekt dient te worden en omdat de kans op verkeersongelukken groter is. ●

“Electrificeren van het schip draagt bij aan onze maatschappelijke verantwoordelijkheid”. “Organiseer een landelijke duurzaamheidspot voor investeringen voor alle veren. De provincie geeft geen subsidie voor verduurzaming”.

Het electrificeren van een veer draagt bij aan de borging van de continuïteit van de exploitatie maar vergt een aanzienlijke investering volgens de ondernemers. In principe merkt de klant daar niets van en levert het de exploitant geen extra inkomsten op. Sterker nog, het kost alleen maar geld. Veel exploitanten geven aan deze vorm van verduurzaming niet (zondermeer) zelf te gaan betalen. Duurzaam varen is weliswaar goedkoper in exploitatie, maar duur in aanschaf. ● “Fonds moet eigenlijk ook in calamiteiten voorzien”. De effecten op de omzet verschillen maar deze kunnen voor een deel van de exploitanten negatief uitvallen. Corona zou zo’n calamiteit kunnen zijn waarvan de hele reikwijdte nog niet bekend is. In de praktijk kan het bestuur in bijzondere gevallen afwijken van de criteria. In 2021 is bijvoorbeeld besloten om het verplichte minimumaantal vaarweken tijdens de Corona-pandemie los te laten. Als veren tijdens de pandemie niet of minder voeren, konden ze toch de exploitatietekorten indienen. Uiteindelijk bleek dat het tekort daarmee niet substantieel hoger lag, omdat ook de kosten (personeel en gasolie) minder waren. 5. Tarieven ● “Klanten begrijpen niet dat een veerpont geld kost”. In de ogen van ondernemers hebben klanten hebben geen inzicht in de kosten van een veerexploitatie en denken dat het altijd een overheidstaak is.

De opbouw van kosten en baten van een veerexploitatie is bij de klanten niet bekend. Dat geldt ook voor de gedachte dat een veer financiële steun nodig zou hebben. Ondernemers geven aan dat betere voorlichting hierover gewenst is. Een (landelijke) campagne om aandacht van publiek te vragen en het belang en de positie van de veren te benadrukken is in hun ogen hard nodig. Waarschijnlijk is vrijwel iedereen (het publiek) het eens met de dan aan te voeren argumenten en stellingen. Er zijn voldoende argumenten om het bestaan van veren en een hoger tarief of ondersteuning door de overheid te rechtvaardigen en waarschijnlijk zal het publiek dit nog begrijpen ook. “Het verhogen van het tarief leidt vrijwel altijd tot klantverlies, omdat de bruggen nog altijd “gratis” zijn en iedere verhoging leidt tot rekenwerk bij de klant en een geringer verschil met het rondrijden”. Vanuit de kostenkant zou een tariefverhoging voor het autoverkeer volgens veel ondernemers eigenlijk geen enkel probleem moeten zijn; elke extra omrijdkilometer kost immers € 0,50 per kilometer. Maar omrijd argumenten zijn niet altijd rationeel. Voor leaserijders zijn de omrijdkosten minder van belang want zij zijn niet gevoelig voor de kosten van omrijdkilometers, wel voor tijdbesparing. Voor hen werkt de prijselasticiteit minder want tijd is belangrijker dan prijs. Bij hogere benzineprijzen komen er meer andere ●

31

klanten. Fietsers hebben uiteraard niets met die prijzen te maken en omrijden is lastiger voor hen, hoewel minder lastig voor elektrische fietsen. Diverse exploitanten geven aan dat een prijsverhoging een deel van de problemen zou kunnen oplossen maar vinden maximaal inflatiecorrecties gewenst. Dit om de financiële aantrekkelijkheid voor de keuze van het gebruik van de veerpont ten opzichte van de omrijdkilometers niet uit de pas te laten lopen. Met een brug in de nabijheid is tariefverhoging dus moeilijk. Ervaring leert dat als klanten lang genoeg de brug nemen gewenning optreedt en zij niet meer terug naar het veer komen. In zijn algemeen zijn de exploitanten van mening dat een goed gecommuniceerde, gestaffelde en gefaseerde prijsverhoging over enkele jaren tot op zekere hoogte mogelijk is. Mits de branche dit min of meer gezamenlijk doet want soms zijn prijsverhogingen lastig vanwege de concurrentie met andere veren. De verhoging moet dan wel begeleid worden door informatie over het wanneer en het waarom van de prijsverhoging en dat het vaak private ondernemingen betreft en geen overheid. ● “Er wordt binnen de branche onderling niet over prijzen gesproken”. De tariefstelling lijkt deels een gevoelskwestie; gezamenlijk optrekken daarin is lastig maar wel noodzakelijk. Aangegeven wordt dat onderlinge prijsafspraken niet zouden mogen vanwege het verbod op prijsafspraken.

● “Een prijsverhoging voor recreanten en toeristen is geen probleem” Een tariefverhoging voor recreanten en toeristen is meestal geen probleem omdat dit incidentele overtochten betreft. ● “Een prijsverhoging voor schooljeugd ligt lastig”. Voor abonnementhouders en schoolgaande jeugd die een veer frequent gebruiken kan een tariefsverhoging ingrijpend zijn vinden veel ondervraagden. Overigens is daarbij maatwerk mogelijk door bijvoorbeeld een goedkopere tienrittenkaart voor door de week of varianten daarop in te voeren (voordelige abonnementen). Eigenlijk is het heel vreemd dat in veel gevallen de kosten niet gewoon worden gedekt door de inkomsten. Er zou eigenlijk gezamenlijk onderzoek gedaan moeten worden naar het effect van tariefstellingen en het verschil in tarieven bij de diverse veerponten. 6. Beleid ● “Veren onderdeel laten zijn van het wegennetwerk”. Sommige ondernemers denken dat door veren weer onderdeel te laten zijn van het wegennetwerk deze weer onder de wet uitkering wegen vallen zoals voor 1994. Indertijd is met de nieuwe wet echter geen geoormerkt geld terechtgekomen bij de veerponten, maar het geld is verdeeld over alle provincies zonder label. In Gelderland is de basis voor het Verenfonds de stortingen door gemeenten en provincie van het gedecentraliseerde WUW-geld (Wet Uitkering Wegen) geweest. In andere provincies is dit niet gebeurd.

● “Belang van veren beter onderkennen. “ Men geeft in de gesprekken aan dat duidelijk en veel meer dan nu het geval is moet worden onderkend dat veren heel belangrijk zijn voor het wegennetwerk en de verbindingen in rivierengebieden. Terwijl de financiële resultaten centraal staan moeten de diverse belangen van veren veel meer onder de aandacht worden gebracht. Wat zijn de consequenties zijn bijvoorbeeld 30% van de veren weg zou vallen? Ook de calamiteiten functie (incidentbestrijding, vervoer brandweer e.d.) wordt vergeten. Veelal hangen de veren “ergens bij”. ●

“Veren als Openbaar Vervoer. Kunnen we de vergelijking trekken met de NS of busdiensten o.i.d. Ga over op het systeem België waar alle overheidsponten gratis zijn”.

32

De exploitatie van veren zou in de ogen van ondernemers betaald kunnen worden uit andere budgetten zoals bijvoorbeeld de wegenbelasting, en dat kan een overweging van de Rijksoverheid zijn. Het kostenvoordeel vanwege het vervallen van de inningskosten en alles wat daarmee samenhangt (reistijd, afstorten, veiligheid, apparatuur, fraude e.d.) is overigens aanzienlijk. Volgens diverse ondernemers lijken veren een soort een varende brug te zijn maar aangegeven wordt dat vaste bruggen gratis zijn. De OV-status wordt met getemperd enthousiasme bekeken want verplicht aanbesteden is, met al de individuele veerpont exploitaties, praktisch moeilijk te regelen en ook minder gewenst. Het beleid zou voor veel ondernemers niet (alleen) op lokaal of provinciaal niveau bepaald moeten worden, maar zeker ook op landelijk niveau. “Toeristische veren varen in de winter niet, de utilitaire veren wel. Stimuleer als gemeente het gebruik van bestaande veren i.p.v. de ontwikkeling van gesubsidieerde nieuwe kleinschalige toeristische voetveren”. Diverse ondernemers zien toeristische veren als concurrerend en geven aan dat gemakshalve vaak wordt vergeten dat de utilitaire veren ook veel toeristisch/recreatieve klanten en scholieren overzetten. Vanuit dat oogpunt vinden ondernemers het vreemd om deze categorie utilitaire veren niet meer te ondersteunen.

De meerderheid van ondernemers vindt dat initiatieven voor nieuwe kleine toeristische fiets-voetveren oneerlijk concurrentie veroorzaken. Men zegt dat met twee maten wordt gemeten. Men vindt het belangrijk dat gemeenten en provincie de waarde van de bestaande veren onderkennen en het gebruik van veren in de mobiliteitsketen stimuleren. ●

7. Routestructuren e.d. ● “De infrastructuur in het Rivierengebied is oost-west georiënteerd”. De veren zijn voor de ondernemers binnen de oost-west structuren in het rivierengebied belangrijke noord-zuid verbindingen. In de IJsselstreek is de bestaande vaste infrastructuur juist noord-zuid georiënteerd. Daar zijn de veren van belang voor met name het oost-west verkeer. ● “Beleving van de rivieren is uitermate belangrijk”. De rivier- en veerbeleving is een belangrijk onderdeel voor recreanten en toeristen en vormt een specifieke “attractie” in het Rivierengebied. Men vindt het bijzonder leuk om op een boot de rivier over te varen, aldus menig ondernemer. 8 Tips ● Sommige exploitanten hebben een goed contact met de toeristische sector in de omgeving van de veerpont. Dit contact levert een wederzijdse bijdrage in de vorm van het bekendmaken van de “veerattractie” en de ligplaats van de veerpont en vaartijden. ● Sponsoring op veerponten vindt men een (lastige) vorm van inkomsten. Daarnaast is men van mening dat dit niet veel inkomsten oplevert. ● “Stimuleer recreatief gebruik ponten, betere bewegwijzering, ooit kunnen we zonder personeel varen”.

4.3 De gesprekken met de gemeenten Ook de uitkomsten van de (overwegend) ambtelijke gesprekken met de gemeenten zijn naar dezelfde onderwerpen gegroepeerd. 1. Algemeen (kennismaking, takenpakket, kennis van rapport Twijnstra & Gudde, belang van het veer e.d.) 2. Het Gelders verenfonds

33

3. 4. 5. 6. 7.

Problematiek bij de veren Duurzaamheid Tarieven Beleid Routestructuren e.d.

1. Algemeen: ● “Het Twijnstra&Gudde rapport is niet goed bekend bij ons”. Het rapport van Twijnstra&Gudde uit 2020 blijkt niet echt (goed) bekend te zijn bij de ambtenaren die deelnamen aan het interview. Het urgentiegevoel voor de toenemende problematiek bij de veerexploitaties ontbreekt bij vrijwel alle gemeenten. Bij het stoppen van de exploitatiesubsidie zullen de effecten voor een aantal veren wel meevallen, is soms de reactie. Het belang van de problematiek wordt overigens wel duidelijker als men er desgevraagd over nadenkt, maar dat moet dan wel eerst helder uitgesproken worden. ● “Veren zijn ondergebracht bij uiteenlopende beleidsvelden bij de gemeenten”. Veel gemeenten vinden veren een vreemde eend in de bijt; onbekend maakt onbemind. Het contact met de veerexploitanten is meestal niet intensief. Men heeft veelal geen beeld van de exploitatie en de problematiek rondom het veer, de vanzelfsprekendheid dat de veren er zijn en dat ze varen is groot. Meegegeven wordt dat er binnen de gemeente vaak niemand is die de exploitatie van het veer goed kan beoordelen. Niemand voelt zich verantwoordelijk, noch bij de beleidsvelden verkeer en mobiliteit nog bij recreatie en toerisme. 2 Het Gelders verenfonds ● “Kunnen we gezamenlijk met de gemeenten onderzoek doen naar subsidiemogelijkheden voor verduurzaming en innovatie?”.

De verduurzaming is in de ogen van de gemeenten eigenlijk des ondernemers maar dat levert binnen de exploitatie geen voordeel op gezien de flinke investering. Ook de reizigers zelf merken geen fysieke voordelen van verduurzaming. De stimulans voor verduurzaming moet dus uit een andere hoek komen. ● “Kan een verlaging van het uitkeringspercentage uit het fonds een oplossing bieden?”. Aangegeven wordt dat de bijdragen uit het verenfonds verlaagd worden bijvoorbeeld van 80% naar 50%. Het fonds kan aanvullende voorwaarden stellen voor een subsidie uitkering. “Kijk naar andere provincies of regio’s (of dat daar andere methoden van ondersteuning worden gehanteerd). Of kijk naar ondersteuning in het buitenland (bijvoorbeeld België).” België beschikt volgens Mark Hoekstra (Welvarend, 2016) over slechts 39 voornamelijk recreatieve veren die bijna alle in handen van de overheid zijn en deze zijn over het algemeen gratis. Alleen de particuliere veren rekenen een tarief voor de overzetting. ●

● “De financiële garantstelling van de gemeente rekent op het fonds”. Diverse gemeenten staan garant voor de hypotheek die op het pontveer rust en soms zijn er langjarige garanties afgegeven ter dekking van het tekort. Ondernemers hebben op basis van langjarige afspraken investeringen gedaan in de veren. Financieel hebben zowel gemeenten als exploitanten dus baat bij het voortbestaan van het fonds. De bijdragen vanuit het Verenfonds zijn financieel aanzienlijk en niet zomaar over te nemen volgens veel gemeenten. Daarbij komt ook nog dat relatief veel gemeenten te maken hebben met ombuigingsoperaties van gemeentelijke uitgaven. 3 Problematiek bij de veren • “Wij kennen het belang van het veer niet precies maar we hebben er weinig mee te maken en we zijn niet op de hoogte van wat er speelt bij een veer exploitatie”.

34

Gemeenten geven aan niet goed op de hoogte te zijn van het reilen en zeilen bij de veren in de gemeente. Onderliggende cijfers zijn meestal niet goed bekend, er is weinig kennis, maar men vindt de veren, als men er over nadenkt, wel belangrijk (te vaak zonder actief aan kunnen geven waarom). Behoudens wat klachten over te hard rijden naar het veer op secundaire wegen zijn er weinig signalen die ertoe leiden dat er nagedacht moet worden over de veerdiensten. De gesprekken binnen dit onderzoek zijn voor het merendeel van de gemeenten aanleiding om de veren anders te gaan bekijken en intern aandacht voor het belang van de veren te vragen. Er is bij veel gemeenten duidelijk sprake van een “wake up call”. Een vraag voor ondersteuning in de toekomst voor verduurzaming of de exploitatie wordt niet ondenkbaar geacht, maar dan moet men daarop voorbereid zijn. 4. Duurzaamheid ● “Het is belangrijk CO2 uitstoot te voorkomen door minder omrijden en door minder uitstoot van het veer na electrificering”. Gemeenten zien over het algemeen de voordelen voor het milieu bij het gebruik van veren en bij electrificering van een veer. Als de vraag naar ondersteuning voor electrificering te zijner tijd vanuit de exploitant komt zal door de gemeente eerst het belang van het veer moeten worden benoemd en onderkend.

Diverse gemeenten realiseren zich naar aanleiding van het gesprek dat het belangrijk is daar nu al (bestuurlijke) aandacht aan te gaan besteden. “Over verduurzaming van de veren denken wij (nog) niet na maar misschien is het een kans om verduurzaming te stimuleren via het fonds”. De verduurzaming van een veer is een grote investering die volgens de gemeenten niet altijd in de exploitatie op te vangen is; de hoogte van de investering is afhankelijk van diverse factoren en verschilt sterk per veerpont. Verduurzaming levert voor de cliënten van een veer geen enkele fysieke meerwaarde op. Duurzaamheid betreft een puur maatschappelijk belang. Daarin kan de provincie via een (eenmalige) duurzaamheidssubsidie iets regelen ter vervanging van het verenfonds. Er is (nu) geen lokaal budget bij de gemeenten beschikbaar, wel bij de provincie en bij het Rijk. Zonder budget worden de duurzaamheidsdoelstellingen van de overheid nooit gehaald. ●

5. Tarieven ● “Een prijsverhoging voor toeristen en recreanten lijkt mogelijk”. Een prijsverhoging voor toeristen en recreanten lijkt de meeste gemeenten geen probleem mits de scholieren en inwoners (enigszins) ontzien worden met rittenkaarten en abonnementen. ● “Een algemene prijsverhoging is alleen mogelijk op voorwaarden”. Een verhoging van de tarieven lijkt gemeenten beter mogelijk mits gestaffeld, maar ook niet tot in het oneindige. Bij hogere tarieven prijst het veer zich wellicht uit de markt. Duidelijk en heel helder communiceren van tariefverhogingen waarbij gewezen wordt op het waarom, op de kosten van een veer (met aandacht voor de stijgende kosten van o.a. gasolie en personeel) , op de maatschappelijke belangen etc. wordt als van groot belang gezien.

●

6. Beleid ● “De procedure rondom het eerste onderzoek van de provincie (Twijnstra Gudde) was teleurstellend”. De gemeenten die hebben deelgenomen aan de bijeenkomst voor het provinciale rapport vinden dat met hun bevindingen en opmerkingen niets gedaan is. ●

“Het is een probleem dat de veren met verschillende provinciale en gemeentelijke beleidsvelden te maken hebben”.

35

Veelal komen de veren en de exploitatie daarvan terecht bij ambtenaren die geen expertise hebben op verengebied, aldus menig ondervraagde gemeente. Het wordt niet integraal maar sectoraal bekeken. Ambtenaren en waarschijnlijk ook bestuurders hebben eigenlijk nooit nagedacht over het multibelang van veren, men geeft aan: “de veren zijn er gewoon”. ● “Los van de mobiliteitsbehoefte zit de meerwaarde van veren op meerdere vlakken”. Men geeft aan dat de bijdrage van veren aan de aan de mobiliteit door de provincie als te gering wordt geacht. Oog voor de andere maatschappelijke belangen heeft de provincie evenmin in de ogen van veel gemeenten. ● ●

“Vergeet het belang van veren voor de calamiteitenbestrijding niet” Het belang van veren binnen de calamiteiten bestrijding verdient aandacht volgens sommige gemeenten. Daarbij wordt met name gewezen op filevorming op de dichtstbij zijnde brug. Gesteld wordt dat als de veren eruit liggen (bijvoorbeeld bij hoog water), de bruggen vaststaan doordat er files ontstaan.

7. Routestructuren ● “Het is minder bekend is dat auto- en utilitaire veren veel recreatief en toeristisch gebruik kennen”. Er wordt op meermalen op gewezen dat niet de fiets- voetveren maar de utilitaire veren veruit de meeste fietsers/voetgangers overzetten. Enkele gemeenten merken op dat de aanleg van een fietsbrug geldverspilling is en veren tekort doet. ● “De veren zijn veelal onderdeel van het toeristische (wandel – en fietsroute) knooppunten netwerk: we staan niet stil bij wat we hebben: veren zijn de ‘missing link’ voor veel recreatieve routes”. Veel gemeenten geven aan dat veren voorzien in een behoefte; recreatief verkeer zorgt voor 40% van de overzettingen (recreatie en toerisme, winkel- en familiebezoek). Gewezen wordt op de beleving van de Betuwe, het rivierengebied van Maas, Rijn, Waal en IJssel. De wandel- en fietsmogelijkheden lopen via de knooppuntroutes over de veren. Er wordt gewezen op een verarming van het aanbod van routestructuren in de rivierengebieden, zowel lokaal, bovenlokaal als regionaal voor wandelen en fietsen. Dit geldt ook voor de cultuurhistorische verhaallijnen en samenwerking tussen oevergemeenten. Men ziet inclusie (toegankelijkheid), cultuurhistorie (verhaallijnen) graag hoog op de agenda bij de toekomst van de veren. “Vrijwel geen enkel veer is onderdeel van een busroute: er loopt geen OV over het veer, maar ook niet op de dijk”.

Gemeenten geven aan dat veren van groot belang zijn voor toerisme en recreatie: de provincie wil een dekkend wandel- en fietsnetwerk en dat kan in het rivierengebied en in de IJsselstreek niet zonder veren. De veren verbinden de Betuwe met de uitlopers van de Veluwe en zijn daarbij een belangrijke schakel in de aansluiting van het netwerk aan beide zijden van de Waal, IJssel en Neder-Rijn. Dat wordt volgens de gemeenten niet goed onderkend. ●

“Het Gelders rivierengebied bestaat eigenlijk uit een aantal eilanden waarvoor de veren een belangrijke functie hebben”. Aangegeven wordt dat veren de enige noord-zuid ontsluiting zijn (omrijden via A27/A2) in het rivierengebied. En daarmee erg belangrijk voor de ontsluiting waarbij gewezen wordt op bijvoorbeeld de West-Bommelerwaard vanuit het zuiden. Voor de IJsselstreek wordt opgemerkt dat de veren juist een belangrijke schakel in de oost-west verbinding zijn. Vanwege de afstanden naar de eerstvolgende brug zullen inwoners/bezoekers bij opheffing van het veer vaker de auto (moeten) pakken. ●

36

Foto: Fiets- en voetveer Dommerholtsveer van Wilp naar Gorssel (foto: gemeente Lochem)

●

●

“Het veer wordt meer en meer gebruikt zowel op piekmomenten (zonnige dagen, weekenden en feestdagen) als op dagen die voorheen rustiger waren (slechter weer, doordeweekse dagen)”. Als oorzaken daarvan worden aangegeven de groei van het toerisme in eigen land, de komst van de e-bike en de groeiende groep gezonde ouderen die de tijd heeft om de omgeving te verkennen. De mobiliteit wordt door elektrische fietsen groter en veren vullen dat mooi aan.

“Het veer verbindt naast twee toeristisch aantrekkelijke gemeenten ook twee diverse toeristische regio’s (De Achterhoek en De Veluwe)”. Aangegeven wordt dat de veren onderdeel zijn van de IJsselvallei die als regio potentie heeft als uitloopgebied van de drukbezochte Veluwe. Het doel van de komende jaren is om mede via de IJsselvallei de bezoekersdrukte op de Veluwe te verminderen en daarmee de natuur te ontlasten. Daardoor behartigen de veren in deze streek een enorm regionaal belang. Zonder veren, geen aanbod in IJsselbeleving en dus geen spreiding van toerisme en ontlasting van de natuur. Genoemd wordt het evenement IJsselbiënnale dat de regio op de kaart zet en laat zien dat er een grote vraag is: fietsen langs beide kanten van de IJssel in combinatie met de ervaring van het oversteken van de IJssel via een veer. Vele malen leuker dan via een drukke brug met gemotoriseerd verkeer. ●

•

“Voor de dorpen zal een voorziening ophouden te bestaan en dat heeft impact op de leefbaarheid van de dorpen (sociaal isolement)”. Omdat inwoners vanwege de afstanden naar de eerstvolgende brug dan vaker de auto moeten pakken zullen ze zich hiertegen verzetten volgens een enkele gemeente. Dit omdat het tegenstrijdig is met het doel om duurzame mobiliteit en gezonde beweging te stimuleren.

37

•

“Vaak is een veerverbinding vele eeuwen oud met vaak een groot immaterieel belang vanwege het veerhuis en -stoep”.

8. Door gemeenten genoemde tips Verbeter ideeën: combinatiekaartjes voor meerdere veren; een veren/rivierenpas; beleggen i.v.m. daling rente-inkomsten; een landelijke organisatie van veervrienden met sponsoren zodat leden voordelig gebruik kunnen maken van de veren. ● Zet een waarderingssystematiek of een fysieke en maatschappelijke taxatie van de veerbelangen voor veren op. ● Veerstoepen: geef de omgeving van de veerstoepen meer aandacht (kiosk/restaurant, specifiek informatiepunt, en dergelijke). Dat kan een goede bron van inkomsten zijn. ● Voer een vaste vergoeding voor onrendabele vaarten in. De ondernemer hoeft dan geen inzage meer te geven in zijn financiën, het levert minder administratieve last op en men weet waar men aan toe is.

4.4 De gesprekken samengevat Uit de gesprekken met de ondernemers en de gemeenten blijkt dat over veel onderwerpen hetzelfde wordt gedacht. 1. Algemeen • Voor zowel ondernemers als voor gemeenten geldt dat niet iedereen het rapport van Twijnstra & Gudde kent en niet iedereen de ernst van de (financiële) problematiek beseft. 2 Het Gelders verenfonds • Zowel gemeenten als ondernemers zijn voorstander van het structureel of incidenteel ondersteunen van veerexploitaties en willen het fonds niet afschaffen. Het dient dan wel exploitanten meer te prikkelen door een andere werking op basis van overeengekomen en vastgelegde voorwaarden, bijvoorbeeld op basis van een verbeterplan. • Het fonds kan ingezet worden voor maatwerk zoals verduurzaming of andere specifieke belangen. Met andere woorden een verenfonds voor “maatwerk op divers gebied”. 3 De problematiek bij de veren • De ondernemers geven aan dat het vanwege de kosten voor exploitanten steeds moeilijker wordt om zelfstandig het hoofd boven water te houden. • De verenbranche is heel erg divers en de samenwerking binnen de branche is niet optimaal en niet professioneel. 4. Duurzaamheid ● Een ondersteunend fonds dient een rol te hebben op het gebied van duurzaamheid; de meeste gemeenten hebben nog niet nagedacht over de verduurzaming van veerponten. 5.

Tarieven ● Ondernemers zijn erg voorzichtig met tariefsverhogingen vanwege de concurrentiegevoeligheid en mogelijke gevolgen voor de omzet. De tariefstelling lijkt deels een gevoelskwestie; gezamenlijk optrekken (overleg en onderzoek) daarin is lastig maar wel noodzakelijk. ● Een prijsverhoging voor toeristen en recreanten lijkt voor de meeste gemeenten geen probleem mits de scholieren en inwoners (enigszins) ontzien worden met rittenkaarten en abonnementen. ● Tariefsverhogingen moeten in de ogen van beide partijen gefaseerd en goed gecommuniceerd over het hoe en het waarom ingevoerd worden.

38

6. Beleid ● Een probleem is dat de veren met verschillende provinciale en gemeentelijke beleidsvelden te maken hebben en vrijwel altijd met ambtenaren die geen expertise hebben op verengebied. Het wordt niet integraal maar sectoraal bekeken. ● Veren zijn een varende brug maar vaste bruggen zijn gratis. De OV-status wordt met getemperd enthousiasme bekeken want verplicht aanbesteden is niet goed mogelijk en minder gewenst; maar een vorm van landelijke ondersteuning is welkom. 7. Routestructuren e.d. ● De veren zijn onderdeel van het toeristische knooppunten netwerk voor fietsers en wandelaars en erg belangrijk voor de rivierbeleving. Zonder uitzondering benoemen niet alleen de ondernemers maar ook alle gemeenten met nadruk de grote belangen voor het toerisme en de recreatie. Zij wijzen op de lokale, bovenlokale en regionale gevolgen van het eventueel stoppen van exploitaties.

39

5. Duurzame veervoorzieningen 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de analyse van het Gelders Verenfonds uit hoofdstuk 2, het belang van de Gelderse veren uit hoofdstuk 3 en de Visie van de ondernemers en de gemeenten uit hoofdstuk 4 gecombineerd om te komen tot aanbevelingen en het benoemen van toekomstgerichte oplossingsrichtingen.

5.2 De lessen uit het verenfonds Naar verwachting raakt het verenfonds in de loop van 2024 financieel uitgeput waardoor de uitkeringen aan verlieslijdende veren stoppen. Het gevolg is dat veren die tot in 2023 ondersteuning krijgen, zonder verdere maatregelen, in 2024 de financiële consequenties hiervan ondervinden. Zonder verdere maatregelen staan verliesgevende veren en de gemeenten, waar deze veren varen, er vanaf 2024 alleen voor. Het is op voorhand niet aan te geven wat er precies gaat gebeuren en met welke veren. Kijken we naar de veren die ondersteuning uit het fonds krijgen en naar de hoogte van de uitkering dan kan uiteraard alleen gespeculeerd worden over wat er gaat gebeuren. In de twee onderstaande overzichten staan de uitkeringen per veer in 2019 nogmaals op een rij met daarbij de resterende 20% en de resterende 65% bijdragen die de oevergemeenten bijleggen. Uitkering 80% voor 6 autoveren Zaltbommel-Brakel Herwijnen Dieren-Olburgen Wageningen-Opheusden en Neder Betuwe Zaltbommel - Aalst Veen Zaltbommel-Nederhemert Alem-Maren Kessel TOTAAL

Uitkering 435.467 151.527 119.478 67.034 22.386 16.974 812.866

Bijdrage gemeente 20% 108.867 37.882 29.870 16.759 5.597 4.244 203.217

Uitkering 35% voor 13 fiets-Voetveren Gorssel - Wilp Zaltbommel-Loevestein (eenmalige pilot) Tiel-Wamel Renkum-Heteren Beuningen-Slijk Ewijk Rheden-Rhederlaag Varik-Heerewaarden Druten-Dodewaard Hattem/'t Kleine Veer Heerewaarden-Lith Ravenstein-Niftrik Liniepont Batenburg-Demen TOTAAL

Uitkering 38.707 43.871 41.032 13.461 8.750 7.720 7.000 6.048 5.765 4.315 3.325 3.325 2.578 185.897

Bijdrage gemeente 65% 71.884 90.760 76.202 24.999 16.250 14.337 13.000 11.232 10.706 8.014 6.175 6.175 4.787 345.237

40

Van de 48 veren in Gelderland krijgen 19 veren jaarlijkse financiële ondersteuning uit het fonds. Voor het grootste deel van de ondersteunde veren is dit een (relatief) geringe ondersteuning. De gemiddelde uitkering uit het verenfonds over 2019 bedroeg afgerond voor de autoveren € 135.000 en voor de fiets- en voetveren € 14.000. Van de zes ondersteunde autoveren krijgen drie veren een bijdrage die aanzienlijk hoger ligt dan de overige drie. Met deze ondersteuning is 85% van het subsidiebedrag voor autoveren gemoeid. De meeste fiets- voetveren veren krijgen een bijdrage die aanzienlijk lager ligt. Het is overigens niet zo dat alleen autoveren flinke exploitatietekorten kunnen hebben. Ook drie fiets- voetveren krijgen een uitkering van rond de veertigduizend euro. Met een enkele uitzondering realiseren de veren die een hogere bijdrage ontvangen aanzienlijke aantallen overzettingen. Het veer Alem-Maren Kessel vormt daar met een relatief laag tekort en veel overzettingen een uitzondering op. Het verenfonds dekt 80% van het exploitatietekort voor autoveren zodat 20% aan ongedekt exploitatietekort resteert voor de gemeenten. In 2019 pasten de Gelderse gemeenten zo voor autoveren in totaal ongeveer € 200.000, -- bij in de tekorten. Bij de voet- fietsveren was dit op basis van een 35% bijdrage van het verenfonds ongeveer € 350.000,--, 65% van het exploitatietekort.

Het extra aandeel dat bijgepast dient te worden als het fonds abrupt eindigt is bij de categorie fiets- voetveren “slechts” 35%. Bij de autoveren ligt dit bedrag op 80%, in alle gevallen aanzienlijke en in enkele gevallen zeer aanzienlijke bedragen, in totaal ongeveer een miljoen euro. De financiële gevolgen zijn bij het stoppen van het verenfonds groot. Het is op voorhand niet aan te geven wat dit voor de ondersteuning vanuit de gemeenten betekent. Dit verschilt per gemeente en desgevraagd laten gemeenten niet het achterste van hun tong zien; het is immers de politiek die beslist over de begroting. Kijken we naar de ontwikkelingen van de uitkeringen door het fonds over de afgelopen tien kaar dan kunnen we de volgende conclusies trekken: 1. het zijn dezelfde veren die jaarlijkse structurele exploitatietekorten laten zien waarbij overigens grote aantallen reizigers worden overgezet; 2. de totale tekorten lopen bij autoveren jaarlijks op deels door hogere lasten van gasolie en personeel; 3. er zijn grote verschillen in hoogte van de uitkeringen individueel en per categorie veren; 3. van de autoveren nemen drie van de zes veren 85% van het uitgekeerde totaal voor autoveren voor hun rekening; 4. drie van de dertien fiets- voetveren nemen twee derde deel van de totale bijdragen aan exploitaties van fiets- voetveren voor hun rekening; 5.

van de fiets- voetveren krijgen negen veren een uitkering (ruim) onder de €10.000,--; 6. van de ondersteunde veren zijn veruit de meeste in particuliere handen. Kijken we naar de redenen waarom zes veren het verenfonds onevenredig belasten dan is dit grotendeels te wijten aan hoge kapitaallasten. De kapitaallasten van nieuwbouw of renovatie/verduurzaming mogen worden opgenomen in de exploitatie en worden zo deels vergoed door het verenfonds. Samenvattend De veren die gebruik maken van het Verenfonds kampen over het algemeen met een gebrek aan evenwicht tussen inkomsten en uitgaven waar blijkbaar meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen. Met het verenfonds achter de hand was dit voor deze ondernemers tot op heden slechts een “relatief klein probleem”, sterker nog, het is in veel gevallen geen onderwerp van discussie. Het fonds is er immers niet op gericht exploitatietekorten en/of subsidies te verkleinen met

41

als doel een lagere onttrekking uit het fonds. Er was immers geld genoeg tot 2012. Vanaf dat moment stopten de aanvullende stortingen door de provincie Gelderland; er zette een periode van rentedaling in. Hoewel de uitputting van het fonds voor zover bekend en in de loop der tijd in diverse gremia aan de orde is geweest, heeft dit nimmer geleid tot werkelijke actie en/of verbeterende maatregelen. Bijvoorbeeld door het aanpassen van de voorwaarden van het Gelders verenfonds, een betere controle of het realiseren van extra stortingen in het fonds. Met het fondseinde in zicht realiseren alle partijen zich nu dat er huiswerk op dit gebied te doen valt. Maar de resterende tijd is beperkt.

5.3 Het belang van de veren Over het aantal overzettingen van de veren kunnen we indicatief stellen dat de utilitaire en de recreatieve Gelderse veren samen 11 miljoen overzettingen realiseren. Dit is inclusief het aantal inzittenden van overgezette (40%) personenauto’s. De waarde van het economisch belang van de overzettingen in Gelderland op utilitaire en betaalde recreatieve Gelderse veren, samen met de bestedingen van recreanten aan horeca en winkels in de buurt, bedraagt geschat op basis van kengetallen afgerond € 100 miljoen. Dit bedrag kan gezien worden als een grove becijfering van de materiële opbrengsten van de veren. De immateriële opbrengsten zijn niet becijferd, maar waarschijnlijk zijn zij nog veel groter dan de materiële opbrengst.

5.4 Gesprekken met ondernemers en gemeenten In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de gesprekken met de ondernemers en de gemeente weergegeven, verdeeld over diverse onderwerpen. Tijdens een fysieke bijeenkomst op 18 januari 2022 met de ondernemers en de gemeenten zijn de belangrijkste inzichten en resultaten, voortkomend uit het onderzoek en uit de gesprekken, gepresenteerd. Op 27 januari 2022 heeft eenzelfde presentatie plaatsgevonden voor de gemeentebestuurders. Daarbij werd duidelijk dat alle partijen ervan overtuigd zijn dat het stoppen van een veer een grote impact heeft en heel veel mensen, organisaties en bedrijven in hun belangen raakt. Uit de opmerkingen van ondernemers en gemeenten komen twee belangrijke aspecten helder naar voren: 1. partijen (zowel ondernemers als gemeenten) lijken redelijk overvallen door de snelheid waarmee na 25 jaar een abrupt einde van het fonds in zicht komt; 2. men is van mening dat het fonds (of op zijn minst een fonds met gewijzigde doelstellingen) zou moeten blijven bestaan maar een betere werking zou moeten kennen. Spoedige actie is nodig, beter laat dan nooit Samenvattend is het standpunt van partijen: het verenfonds in Gelderland niet afschaffen maar anders inrichten, gericht op een betere werking: het dient veerondernemers en gemeenten veel meer dan nu te prikkelen.

Voorts zou een inzet van het fonds voor het verduurzamen van de schepen of voor andere specifieke belangen door “maatwerk op divers gebied” mogelijk moeten zijn.

5.5 De toekomstscenario’s Op basis van het voorgaande zijn twee scenario’s te benoemen die de ondersteuning van de exploitaties van veren als uitgangspunt hebben.

42

1. Het verenfonds eindigt in de loop van 2024 mogelijk gevolgd door maatwerk subsidies vanuit de Provincie Gelderland; 2. Het Verenfonds met enkele jaren verlengen na 2023 maar aangepast en gericht op een lagere c.q. andere vorm van onttrekking; 1. Het verenfonds eindigt in de loop van 2024 mogelijk gevolgd door maatwerk subsidies vanuit de Provincie Gelderland. De Provincie Gelderland heeft gekozen voor een andere rol en inzet in het onderhouden van de veren in Gelderland en herijkt de positie van de provincie in de Stichting Veren Gelderland. De provincie heeft geen rol meer in het bestuur van het Verenfonds. De verantwoordelijkheid van overheidszijde komt te liggen bij de oevergemeenten. Wel wil de provincie in overleg met gemeenten in het regionale vervoerberaad (mobiliteit) incidenteel middelen beschikbaar stellen, mits gerelateerd aan provinciale mobiliteitsdoelen. Voor veren voor gebruik door fietsers (waaronder scholieren) en recreatief gebruik wordt een instrumentarium ontwikkeld en kan maatwerk geleverd worden. Het fonds kan in 2024 de laatste uitkering verrichten over het boekjaar 2023, waarna het fonds uitgeput is. De gevolgen voor de exploitaties van veren en de bereidheid van gemeenten voor ondersteuning zijn niet exact te voorspellen. Zonder hogere bijdragen van de gemeenten zullen enkele gemeentelijke of particuliere veren stoppen of failliet gaan.

De maximaal benodigde aanvullende bijdrage, naast de € 500.000,-- die de gemeenten nu betalen (20% respectievelijk 65 %), bedraagt bij een ongewijzigde structuur van het fonds ca. € 1.000.000,--, gelijk aan de huidige jaarlijkse ondersteuning. Naar verwachting biedt incidenteel maatwerk vanuit de provincie (zover nu helder is) alleen een oplossing voor scholieren en voor toeristen. Het is de provincie die zelf of op aanvraag van gemeenten maatwerk kan verrichten op door de provincie aangegeven beleidsvlakken en doelen. Dit betreft dan met name het toeristische verkeer (fiets en voetganger) en maatwerk voor scholieren die anders te ver moeten omrijden. Het vormt in ieder geval geen passend alternatief voor de algemene ondersteuning van de veren die tot op heden heeft plaatsgevonden. Voor diverse veren zal dit (deels) het einde van de ondersteuning van de exploitatie betekenen. 2. Het gezamenlijk ontwikkelen van een adequaat arrangement (instrument) ter ondersteuning van veren. Om in de toekomst een gezonde en stabiele verenbranche in Gelderland te realiseren is het noodzakelijk in een gefaseerde gezamenlijke aanpak binnen enkele jaren adequate oplossingen te creëren voor de huidige problematiek. Omdat het verenfonds 30 jaar bestaat is echter sprake van gewenning vanuit gemeenten en ondernemers aan de makkelijke ondersteuning door het fonds.

Het streven naar zo laag mogelijke exploitatietekorten was geen uitgangspunt en evenmin bestonden er maxima voor de hoogte of de duur van de subsidie. Dit leidde tot afhankelijkheid van het fonds op basis waarvan eenvoudig kon worden geïnvesteerd: de kapitaallasten kunnen immers via de exploitatie worden opgevoerd voor gedeeltelijke dekking uit het fonds. Om van die gewenning af te komen en strakker te sturen op de resultaten is een overgangsperiode nodig. Zonder een dergelijke overgangsperiode zal een deel van de ondersteunde veren kunnen wegvallen. Het is immers onduidelijk of en hoe tekorten worden aangevuld. In deze periode dienen door ondernemers en gemeenten verbeteringen vormgegeven te worden met lagere exploitatietekorten en lagere onttrekkingen uit het fonds als uitgangspunt. De resterende periode van twee jaar tot het einde van het fonds is

43

echter onvoldoende om dit te realiseren. Een periode van enkele jaren, bijvoorbeeld vijf jaar, vanaf 2022 zal minimaal nodig zijn om overtollige uitgaven te verkleinen en niet gerealiseerde inkomsten alsnog te verwerven. Aan het einde van de overgangsperiode moeten resultaten zijn bereikt in de vorm van: -een afname van het aantal veren dat ondersteuning nodig heeft; -een afname van de hoogte van de ondersteuning van de resterende veren; -duidelijkheid over de hoogte van de tekorten van de veren die niet zonder ondersteuning kunnen overleven. Het tweede scenario impliceert dus een transitieperiode tijdens welke de afhankelijkheid van het Verenfonds moet worden afgebouwd door aangepaste voorwaarden gericht op een lagere of geen onttrekking. Gemeenten en exploitanten moeten in deze overgangsperiode samen huiswerk maken gericht op het substantieel verlagen van de ondersteuning van veerexploitaties. In de gevallen dat de maatregelen onvoldoende zijn om de kostendekking van een veer te verbeteren moet worden bezien of en wat alternatieve oplossingen kunnen zijn. Aan het einde van deze periode wordt de balans opgemaakt welke ondersteuning nodig blijft en wie deze kosten draagt. Het is de bedoeling dat de gemeenten tijdens de transitieperiode samen een instrument ontwikkelen voor de ondersteuning van de veren die anders niet overleven.

Dit kan in de vorm van bijvoorbeeld een stichting zijn die ook weer een gezamenlijk fonds beheert. De plannen die voor de transitieperiode gemaakt worden zullen zowel branche breed zijn als lokaal individueel, maar altijd in samenwerking zijn tussen betrokken partijen. Branche breed dient vanuit de gemeenten, de ondernemers en het Verenfonds gewerkt te worden aan: • • • • • • • • • • • •

een Verenfonds anno 2023 met gewijzigde voorwaarden waarbij op voorwaarde van een overeengekomen en gefaseerd verbeterplan per veer/gemeente wordt uitgekeerd; ondersteuning op het onderwerp duurzaamheid binnen veerexploitaties; onderzoek naar de verhoging van tarieven (tarievenvergelijking, prijselasticiteit, dynamic pricing, fasering van de verhoging, verhoging voor toeristisch versus utilitair gebruik, proefdraaien of pilots instellen, e.d.); onderzoek (laten) doen naar mogelijke subsidies en subsidievormen vanuit het Rijk, de Provincie en overige belangengroepen c.q. subsidieverstrekkers; objectief beoordelen van de bijdragen van oevergemeenten en het (meer) meebetalen door niet Gelderse gemeenten, buur provincies of andere belanghebbende partijen; zoeken naar andere eventuele inkomstenbronnen zoals sponsoring, reclamekranten e.d.; de verbetering en professionalisering van de belangenbehartiging van de Nederlandse zoetwaterveren door een nieuwe branchevereniging; de verbetering van de onderlinge samenwerking van exploitanten door bijvoorbeeld collegiale coaching, prijsafsprakenoverleg, best practices duurzaamheid; promotie (PR) voor de veren en de veerexploitaties vanuit marketing oogpunt; landelijke aandacht voor veren bij overheden (bijvoorbeeld een landelijk fonds, OV) en bij het publiek (inzicht in kostenstructuur e.d.); aandacht vragen voor een adequate routering voor

veren bij gemeenten (bewegwijzering, autonavigatie,); bezien in hoeverre veren door de overheid kunnen worden meegenomen in de electrificering van de binnenvaart.

Individueel kunnen exploitanten en gemeenten eigen onderzoek doen naar verbeteringen in: • eventuele herfinanciering kapitaallasten n.a.v. lage rentestanden;

44

• • • • •

van maatregelen binnen de bedrijfsvoering zoals kosten reductie, aanpassen vaartijden, etc. gericht op winstgevender exploitaties; aanpassing routestructuren en bewegwijzering (ook bij wegwerkzaamheden) bij gemeenten intern en bij toeristische organisaties; de onderlinge relatie en daartoe taken en verantwoordelijkheden per partij vastleggen; maatregelen die de duurzaamheid bevorderen; combinatiefuncties voor de veren (commercieel gebruik, calamiteiteninzet, e.d.)

Foto: de Brakel II van Brakel naar Herwijnen

45

6. Conclusies en aanbevelingen 6.1 Algemeen In Nederland, een zeer waterrijk land, varen ongeveer 300 veren, waarvan ca. 48 in de provincie Gelderland. Veren zijn bijzonder te noemen en de meeste gemeenten waar een of meer veren varen vinden deze heel belangrijk. Toch hebben veel gemeenten niet goed in beeld hoe groot dat belang is en hoe dat kan worden geduid. Beleidsmatig worden veren binnen de overheid met name sectoraal en niet integraal bekeken. Het is klaarblijkelijk lastig waar de veren beleidsmatig en qua verantwoording ondergebracht moeten worden. Is dat bij toerisme, economie, beheer en onderhoud of misschien bij financiën? Dit zorgt ervoor dat de beleidsmatige invalshoek waaruit veren bekeken worden niet altijd de meest optimale is, maar wel de basis vormt voor besluitvorming rondom de veren. Een goede veerdienst is voor veel gemeenten een veerdienst die bij voorkeur door een externe organisatie of ondernemer wordt geëxploiteerd, vanzelfsprekend vaart, geen problemen veroorzaakt en dus weinig aandacht vraagt. Dit leidt er echter toe dat er veelal minimaal contact is tussen exploitant en gemeente en er over het algemeen weinig begrip is over en weer. Door de min of meer vanzelfsprekende continuïteit in de dagelijkse bedrijfsvoering van met name utilitaire veren genereren deze binnen een gemeente meestal weinig aandacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=eb04203b-de11-4e69-a0ad-2546ae86a1ec