7. 1222181 - Bijlage 6 - Quickscan flora & fauna
Tekst van het document
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar Projectnummer: 2022-0365 16-7-2024 Versie 2.0 Opdrachtgever: Van Vugt Bouwkundig teken- & adviesbureau Jessica Martens
Ben ten Oever
Adviseur Ecologie
Projectleider Ecologie
j.martens@lycens.nl
b.tenoever@lycens.nl
M 06 820 908 90
M 06 160 074 42
Gecontroleerd door: ecoloog B. ten Oever
Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................ 4 1. Inleiding .................................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling ...................................................................................................................... 7 2.1. Projectlocatie ....................................................................................................................................................... 7 2.2. Voorgenomen activiteiten ................................................................................................................................. 8 2.3. Onderzoeksgebied .............................................................................................................................................. 9
3. Natuurwetgeving en -beleid .............................................................................................. 11 3.1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 11 3.2. Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 11 3.3. Soortenbescherming ........................................................................................................................................ 11 3.4. Houtopstanden .................................................................................................................................................. 13
4. Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 14 4.1. GNN, Groene Ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied ........... 14 4.2. Natura 2000 ......................................................................................................................................................... 15 4.3. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 16
5. Soortenbescherming ........................................................................................................... 17 5.1. Hypothese en bureauonderzoek ................................................................................................................... 17 5.2. Methode ............................................................................................................................................................... 17 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties .................................................................................................... 19 5.4. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 24
6. Houtopstanden ..................................................................................................................... 26 7. Conclusie................................................................................................................................ 27 8. Advies en vervolgstappen .................................................................................................. 29 9. Bronnen .................................................................................................................................. 30 Bijlagen ......................................................................................................................................... 31 Bijlage 1: Foto’s ........................................................................................................................................................... 32 Bijlage 2: Toelichting Wet natuurbescherming .................................................................................................. 34
3
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de realisatie van een woning met bijgebouw aan de Sleeg 8 te Zevenaar, provincie Gelderland. Om ruimte te creëren dient de bestaande aanbouw en de schuur gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Lycens B.V. gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 5 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking.
Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit ecologisch oogpunt hoeft er geen stikstofberekening te worden uitgevoerd. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. In het onderzoeksgebied nestelt een steenuil al een aantal jaren in de nestkast.
De steenuil wordt niet gehinderd door het uitvoeren van voorgenomen activiteiten doordat de boom met de nestkast en de bomen rondom behouden blijven waardoor genoeg beschutting aanwezig blijft. Bovendien zat deze steenuil voorheen ook in de solitaire boom waar minder beschutting aanwezig was. Daarbij wordt enkel bebouwing gebouwd op de locatie van de voormalige bebouwing en gaat geen leefgebied van de steenuil verloren. Het onderzoeksgebied wordt verder landschappelijk ingepast door beplanting wat enkel ten goede komt aan het leefgebied van de steenuil. Werkzaamheden dienen in de minst kwetsbare periode van de steenuil te worden uitgevoerd (oktober-maart). Van de in het onderzoeksgebied overige aanwezige nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten
4
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied, voor de in het onderzoeksgebied foeragerende diersoorten, niet aangetast. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden In het onderzoeksgebied worden geen bomen aangetast.
Toetsing aan rijksregels over houtopstanden is niet aan de orde. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot consequenties in het kader van houtopstanden.
5
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
1.
Inleiding
Er zijn concrete plannen voor de realisatie van een woning met bijgebouw aan de Sleeg 8 te Zevenaar, provincie Gelderland. Om ruimte te creëren dient de bestaande aanbouw en de schuur gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Lycens B.V. gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland.
Doel van deze rapportage De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van de projectlocatie, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komt de conclusie aan de orde. In hoofdstuk 8 wordt het advies en de vervolgstappen beschreven. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar hoofdstuk 9. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.
6
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
2.
De ontwikkeling
2.1.
Projectlocatie
Situering De projectlocatie is gesitueerd aan Sleeg 8 te Zevenaar. Het ligt ten zuidoosten van de woonkern van Zevenaar en het wordt omgeven door landelijk gebied. Ten zuiden grenst de projectlocatie aan het treinspoor. In figuur 2.1 wordt de globale ligging van de projectlocatie (rode marker) weergegeven op een topografische kaart.
Figuur 2.1: Globale ligging van de projectlocatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Beschrijving De projectlocatie bestaat uit bebouwing, verharding en beplanting en wordt omgeven door landelijk gebied. Binnen de projectlocatie is een woning met aanbouw en een schuur aanwezig. Zowel de aanbouw als de schuur beschikken over bakstenen buitengevels zonder luchtspouw. De aanbouw is gepleisterd en gedekt met dakpannen welke nauw op elkaar aansluiten. Daarnaast is de buitengevel aan één zijde gedekt met houten betimmering en dakoverstek in de vorm van een windveer aanwezig. De schuur is gedekt met golfplaten en er is geen dakisolatie aanwezig. Daarnaast is een houten overkapping gedekt met golfplaten aanwezig welke tegen de schuur is aangebouwd, hier staan opgeslagen spullen. De woning ten westen van de aanbouw blijft behouden. Rondom de bebouwing is verharding, half verharding en gazon aanwezig. Er is beplanting in de vorm van struiken, solitaire bomen, heggen en een boomgaard aanwezig. In de boomgaard is een steenuilenkast aanwezig en aan de schuur hangen nestkastjes. Voor een verbeelding van de projectlocatie wordt verwezen naar bijlage 1. In figuur 2.2 wordt de begrenzing (rode kader) van de projectlocatie weergegeven.
7
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Figuur 2.2: Begrenzing (rode lijnen) van de projectlocatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
2.2.
Voorgenomen activiteiten
Initiatiefnemer is voornemens de huidige aanbouw aan de woning en de schuur te slopen. Op de plek van de te slopen bebouwing wordt een woning gerealiseerd. Ten behoeve van de woningen wordt verharding verwijderd. Na de realisatie wordt verharding aangelegd en worden de erven landschappelijk ingepast door de aanplant van beplanting. Gezien het huidige wenselijke eindbeeld worden er geen bomen gekapt. Figuur 2.3 geeft het wenselijke eindbeeld weer.
8
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Figuur 2.3: Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron:VanVugt, 2022)
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: slopen bebouwing; verwijderen verharding; uitvoeren grondverzet; bouwen bebouwing; aanleggen verharding en beplanting.
2.3.
Onderzoeksgebied
Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden. Mogelijke permanente invloeden: mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten.
9
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect op de projectlocatie, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten de projectlocatie. Dit wordt invloedsfeer genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Vaststellen van het onderzoeksgebied Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten de projectlocatie te kijken. In voorliggend geval grenst de projectlocatie aan woonerf, openbare ruimte en agrarisch perceel. Vanwege de lokale invloedsfeer, wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan de projectlocatie. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het onderzoeksgebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties.
10
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
3.
Natuurwetgeving en -beleid
3.1.
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld, namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag. Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.
3.2.
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van het NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland. In Gelderland wordt gesproken van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene ontwikkelingszone (GO), natte landnatuur (NL), Weidevogelgebied (WV) en Ganzenrustgebied (GR).
3.3.
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Artikel 3.1: Soorten Vogelrichtlijn 1.
11
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen;
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te
3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;
4.
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen;
5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed
vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen;
is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5: Soorten Habitatrichtlijn 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen;
2. 3.
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te
4.
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te
rapen; beschadigen of te vernielen; 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.10: Andere Soorten 1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
b.
onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a
c.
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun
opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: a.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
b.
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen
c.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan
treft om die gevolgen te voorkomen, of maakt. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit
12
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categoriesoorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
3.4.
Houtopstanden
Om het bosareaal in stand te blijven houden zijn regels opgenomen in de Wet Natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden (hoofdstuk 4). Meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod vormen hierbij de kern. Deze regels zijn in het belang van zowel nationale als internationale natuur-, landschaps- en milieudoelstellingen. In de Wet wordt een houtopstand gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die: a.
een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of
b.
bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk gerooid wordt, dient de rechthebbende binnen drie jaar dezelfde grond her te beplanten. Herbeplanting die niet is aangeslagen dient binnen drie jaar vervangen te worden. Wanneer natuurlijke verjonging geen optie is, moeten boomsoorten die bij de groeiplaats aansluiten worden geplant. Zoals beschreven in Artikel 4.1 heeft de Wet natuurbescherming geen betrekking op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, houtopstanden op erven en tuinen, fruitbomen en windschermen om boomgaarden, naaldbomen die bedoelt zijn als kerstbomen (niet ouder dan twintig jaar), kweekgoed, éénrijige beplanting van populier of wilg langs landbouwgronden, wegbeplanting en langs waterwegen, dunnen van een houtopstand en populieren, wilgen, essen of elzen die bedoelt zijn voor de productie van houtige biomassa. Wanneer bomen binnen de bebouwde kom gekapt zullen worden is de bomenverordening van de desbetreffende gemeente van kracht. Er zal nagegaan moeten worden wat de gevolgen zijn en of er een gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig is voor het rooien van de houtopstanden.
13
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
4.
Gebiedsbescherming
4.1.
GNN, Groene Ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. GNN, GO, NL, WG & GR Het onderzoeksgebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Gronden die tot de Groene ontwikkelingszone behoren liggen op minimaal 540 meter afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.1 wordt de ligging van de Groene ontwikkelingszone (lichtgroene kleur) en het Gelders Natuurnetwerk (donkergroene kleur) in de omgeving van het onderzoeksgebied (rode marker) weergegeven. Gronden die tot de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied behoren liggen op minimaal 930 meter afstand van het onderzoeksgebied.
Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied (rode marker) t.o.v. GNN (donkergroene kleur) en GO (lichtgroene kleur) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Effectbeoordeling De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Wegens de ligging buiten deze gronden hebben voorgenomen activiteiten geen negatief effect op het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Consequenties t.a.v. provinciaal beleid
14
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Het onderzoeksgebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.
4.2.
Natura 2000
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Rijntakken is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en ligt op 950 meter afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied (lichtblauwe en lichtgroene kleur) in de omgeving van het onderzoeksgebied (blauwe marker) weergegeven.
Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied (blauwe marker) t.o.v. Natura 2000-gebied (lichtblauwe en lichtgroene kleur) (bron: pdok.nl)
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen
15
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstof: Realisatiefase Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Hierin wordt gesteld dat bouw- en sloopactiviteiten en het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk met daarbij behorende vervoersbewegingen beschouwd worden als een activiteit die partieel is vrijgesteld voor het aspect stikstof ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Tijdelijke stikstofdepositie afkomstig uit de bouwsector gedurende de realisatiefase wordt buiten beschouwing gelaten. Overige stikstofdepositie, waaronder stikstof afkomstig uit de gebruiksfase, dient wel te worden getoetst. Beoordeling stikstof: Gebruiksfase Als gevolg van het bebouwen van het onderzoeksgebied, neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het onderzoeksgebied, tijdens de gebruiksfase, toe ten opzichte van de huidige situatie. In de toekomstige situatie zullen twee woningen aanwezig zijn in plaats van één.
Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, wordt geen negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied verwacht. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten, zowel qua omvang, als afstand tussen onderzoeksgebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Consequenties t.a.v. WNB Voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied en leiden daarom niet tot wettelijke consequenties.
4.3.
Slotconclusie
Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit ecologisch oogpunt hoeft er geen stikstofberekening te worden uitgevoerd.
16
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
5.
Soortenbescherming
5.1.
Hypothese en bureauonderzoek
Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen: amfibieën; grondgebonden zoogdieren; vleermuizen; vogels. Reptielen Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor reptielen door het ontbreken van heide, broeihopen, een goede ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.
Vissen en kreeftachtigen Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen. Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden Er zijn in het onderzoeksgebied geen geschikte waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten aanwezig of deze aspecten blijven behouden waardoor geen effect van de ruimtelijke ontwikkeling te verwachten is. De aanwezigheid beschermde libellen, dagvlinders of overige ongewervelden in het onderzoeksgebied wordt uitgesloten. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van libellen, dagvlinders en overige ongewervelden (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen. Flora Beschermde sporenplanten en bladmossen komen hoofdzakelijk voor in de volgende biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieus, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen. In het onderzoeksgebied zijn dergelijke landschappelijke kenmerken niet aanwezig.
Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van sporenplanten en bladmossen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.
5.2.
Methode
Veldbezoek
17
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 5 mei 2022 tijdens de daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. De gebouwen en bomen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen en bomen.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territoriumindicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van
18
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
5.3.
Resultaten en wettelijke consequenties
Amfibieën
Verspreiding en functie Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad en bruine kikker en watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieënsoorten. Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het onderzoeksgebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond onder dichte begroeiing. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen vennen, poelen of kleine plasjes aanwezig. Op een perceel ten noorden van het onderzoeksgebied aan de overkant van de weg ligt een poel dat mogelijk wel geschikt voortplantingsbiotoop vormt. Gezien de afstand tot het onderzoeksgebied wordt deze poel niet aangetast.
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie figuur 5.1 voor toepasbare vangmiddelen). Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Het foerageergebied neemt niet af.
19
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Figuur 5.1: Overzicht van toepasbare vangmiddelen per diersoort
Conclusie Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient gewerkt worden volgens Gedragscode of dient ontheffing aangevraagd te worden. Grondgebonden zoogdieren
Verspreiding en functie Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd, zoals huisspitsmuis, bosmuis, egel en steenmarter. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. De voorgenoemde muizensoorten en de egel bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voorplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder dichtbegroeide beplanting in het onderzoeksgebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen gebruikssporen aangetroffen van steenmarter in het onderzoeksgebied. Deze zijn eenvoudig vast te stellen aan de hand van prooiresten en latrines.
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie figuur 5.1 voor toepasbare vangmiddelen). Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Het foerageergebied neemt niet af.
20
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Conclusie Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient gewerkt worden volgens Gedragscode of dient ontheffing aangevraagd te worden. Vleermuizen
Verspreiding en functie: verblijfplaats Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd. Er zijn geen waarnemingen bekend in/nabij het onderzoeksgebied van vleermuizen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezetten. De te slopen bebouwing beschikt over bakstenen buitengevels zonder luchtspouw. De aanbouw beschikt over een met dakpannen gedekt zadeldak welke nauw op elkaar aansluiten. Daarnaast sluit de windveer nauw aan op de buitengevel. De houten betimmering sluit eveneens nauw op elkaar aan. De schuur en de overkapping zijn toegankelijk voor vleermuizen, maar wordt niet benut als rustplaats door vleermuizen. Rustplaatsen zijn doorgaans goed vast te stellen aan de hand van uitwerpselen en prooiresten op de grond onder de hangplek. Verder zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen zoals een holle ruimte achter een vensterluik, zonnescherm of loodslab. De beplanting vormt eveneens geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen, er zijn geen holen of losse schors waargenomen.
Verspreiding en functie: foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de bebouwing en. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Verspreiding en functie: vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantaarnpalen en gevels van woningen. Het onderzoeksgebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood, wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield en wordt geen essentieel foerageergebied of vliegroute aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Conclusie Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor vleermuizen.
21
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Vogels
Verspreiding en functie Op basis van verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd en zijn er waarnemingen bekend van de steenuil. De steenuil broedt al meerdere jaren in het plangebied volgens de eigenaar van het perceel, net als dit jaar. De steenuil broedt in de nestkast in de boomgaard ten oosten van de bebouwing. Voorheen was de nestkast bevestigd in de solitaire eik, maar sinds een paar jaar broedt hij nu in de nestkast in de boomgaard. De boom met de nestkast blijft behouden. De steenuil wordt niet gehinderd doordat de boom met de nestkast en de bomen rondom behouden blijven, waardoor genoeg beschutting aanwezig blijft. Bovendien zat deze steenuil voorheen ook in de solitaire boom waar minder beschutting aanwezig was. Daarbij wordt enkel bebouwing gerealiseerd op de locatie van de voormalige bebouwing en gaat geen leefgebied van de steenuil verloren. Het onderzoeksgebied wordt verder landschappelijk ingepast door beplanting, wat enkel ten goede komt aan de steenuil. Algemene vogelsoorten kunnen nestelen in de nestkasten, onder de overkapping en in de beplanting. Soorten die in het onderzoeksgebied kunnen nestelen zijn merel, houtduif, koolmees, winterkoning, witte kwikstaart, pimpelmees, vink en zanglijster.
De nestkasten worden na het uitvoeren van de werkzaamheden weer teruggehangen aan de gevels. Er zit geen ruimte onder de dakpannen en er zijn geen geschikte gaten en/of kieren in de bebouwing waar huismussen en gierzwaluwen een nestplaats onder kunnen bezetten. Bovendien broedt de gierzwaluw enkel in stedelijk gebied. In het onderzoeksgebied is een huismussenkast aanwezig maar deze wordt bezet door mezen. De nestkast wordt weer teruggehangen na het uitvoeren van de activiteiten. Er zijn in het onderzoeksgebied geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels er een vaste rustof voortplantingsplaats bezetten. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van roofvogels zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van schijtsporen, braakballen en ruiveren op de grond onder de zitplaats.
22
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Figuur 5.1: Ligging nestkast steenuil
Wettelijke consequenties Als gevolg van het slopen van de overkapping en het verwijderen van de nestkasten tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield met als gevolg dat mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Het nest en het functionele leefgebied van de steenuil is beschermd. De activiteiten dienen in de minst kwetsbare periode (oktober-maart) van de steenuil uitgevoerd te worden. Van de in het onderzoeksgebied overige nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Om dit te voorkomen dient dan een broedvogelscan te worden uitgevoerd. Het foerageergebied neemt niet af.
Conclusie Werkzaamheden dienen in de minst kwetsbare periode van de steenuil te worden uitgevoerd (oktobermaart); Voor de overige aanwezige vogelsoorten geldt dat het rooien van beplanting, het slopen van de overkapping en het verwijderen van de nestkasten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd.
23
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
5.4.
Slotconclusie
In tabel 5.1 en tabel 5.2 worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Tabel 5.1: Samenvatting van de wettelijke consequenties Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Amfibieën
Foerageergebied
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie
Geen
wordt niet aangetast.
Amfibieën
(Winter)rustplaats
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling
Geen
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Amfibieën
Voortplantingsplaats
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Doden van dieren
Diverse soorten
Art. 3.10 lid 1a
Geen dieren doden: wegvangen of werken volgens Gedragscode of ontheffing aanvragen
Grondgebonden zoogdieren
Foerageergebied
Grondgebonden zoogdieren
Vaste rust- en
Grondgebonden zoogdieren
Doden van dieren
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie
Geen
wordt niet aangetast Diverse soorten
voortplantingsplaats
Niet van toepassing; vrijstelling
Geen
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Diverse soorten
Art. 3.10 lid 1a
Geen dieren doden: wegvangen of werken volgens Gedragscode of ontheffing aanvragen
Vleermuizen
Rust- of voortplantingsplaats
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vleermuizen
Essentieel
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
foerageergebied
Vleermuizen
Vliegroute
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vleermuizen
Doden van dieren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Geen
Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie
Geen
wordt niet aangetast.
Vogels
Bezette nesten (niet
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 2
Werken buiten
jaarrond beschermd)
voortplantingsperiode of broedvogelscan uitvoeren
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats
Steenuil
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast.
Geen
Vogels
Doden van dieren
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Werken buiten voortplantingsperiode of broedvogelscan uitvoeren
Overige flora- en faunasoorten
Dieren en overige
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
functies
Tabel 5.2: Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per soortgroep Soortgroep
Vaste rust
Voort-
Vliegroute
Essentieel
Wettelijke
Nader
plaats
plantingsplaats
(vleermuizen)
foerageergebied
consequenties
onderzoek vereist
Amfibieën
Ja
Nee
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Vleermuizen
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ontheffing vereist
Nee, tenzij dieren gedood worden
24
Nee, tenzij dieren gedood worden
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
Nee
Vogels
Ja
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden
25
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
6.
Houtopstanden
In het onderzoeksgebied worden geen bomen aangetast. Toetsing aan rijksregels over houtopstanden is niet aan de orde. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot consequenties in het kader van houtopstanden.
26
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
7.
Conclusie
Conclusie m.b.t. gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit ecologisch oogpunt hoeft er geen stikstofberekening te worden uitgevoerd. Conclusie m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. In het onderzoeksgebied nestelt een steenuil al een aantal jaren in de nestkast. De steenuil wordt niet gehinderd door het uitvoeren van voorgenomen activiteiten doordat de boom met de nestkast en de bomen rondom behouden blijven waardoor genoeg beschutting aanwezig blijft. Bovendien zat deze steenuil voorheen ook in de solitaire boom waar minder beschutting aanwezig was. Daarbij wordt enkel bebouwing gebouwd op de locatie van de voormalige bebouwing en gaat geen leefgebied van de steenuil verloren. Het onderzoeksgebied wordt verder landschappelijk ingepast door beplanting wat enkel ten goede komt aan het leefgebied van de steenuil. Werkzaamheden dienen in de minst kwetsbare periode van de steenuil te worden uitgevoerd (oktober-maart). Van de in het onderzoeksgebied overige aanwezige nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor
27
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied, voor de in het onderzoeksgebied foeragerende diersoorten, niet aangetast. Conclusie m.b.t. houtopstanden In het onderzoeksgebied worden geen bomen aangetast. Toetsing aan rijksregels over houtopstanden is niet aan de orde. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot consequenties in het kader van houtopstanden.
28
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
8.
Advies en vervolgstappen
Gebiedsbescherming Een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Soortenbescherming Voor de aanwezige amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient gewerkt worden volgens Gedragscode of dient ontheffing aangevraagd te worden; Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor vleermuizen; Werkzaamheden dienen in de minst kwetsbare periode van de steenuil te worden uitgevoerd (oktobermaart); Voor de overige aanwezige vogelsoorten geldt dat het slopen van de overkapping en verwijderen van de nestkasten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd; Er dient te allen tijde gewerkt te worden conform de Zorgplicht. Houtopstanden Voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van houtopstanden.
29
Quickscan Flora & Fauna Sleeg 8 te Zevenaar
16-7-2024
9.
Bronnen
AERIUS. (2020). AERIUS-Calculator. Opgehaald van aerius.nl: www.aerius.nl Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen J.B.M. (2016), Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. -Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017). Kennisdocument. BIJ12, versie 1.0. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey -Nederland, Leiden. Floron (2011). Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora, Knnv Uitgeverij, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. SOVON Vogelonderzoek Nederland (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertebrate Survey – Nederland. Soort- en gebiedsinformatie: www.eurobats.org www.natura2000.nl www.nederlandsesoorten.nl www.pdok.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl Omgevingsverordening Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl