21. RIB 2021-009 Lopende procedures raadsenquête
Tekst van het document
In het advies van Hekkelman-advocaten wordt een sluitend overzicht gegeven van strekking en consequenties van de bepalingen uit de Archiefwet. Overtuigend is de redenering dat de betreffende archivaris geen zelfstandig oordeel toekomt over de vraag of openbaarheid kan worden betracht ten aanzien van de bedoelde bescheiden. Onder deze omstandigheden is een doorverwijzing van verzoeken van deze aard naar de gemeentelijke bestuursorganen geboden. En dan rijst vervolgens welk bestuursorgaan hier welke bevoegdheid heeft. Lex specialis derogat legi generali ( de speciale wet heeft voorrang op de algemene wet) In de Archiefwet is het begrip ‘zorgdrager’ cruciaal. Artikel 30, eerste lid, van de Archiefwet regelt dat burgemeester en wethouders overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening, zorgdragen voor de archiefbescheiden van gemeentelijke organen. In artikel 31 van de Archiefwet is verder vastgelegd dat burgemeester en wethouders een gemeentelijke archiefbewaarplaats aanwijzen voor de bewaring van over te brengen archiefbescheiden van gemeentelijke organen. Het feit dat het college ‘zorgdrager’ is betekent niet dat deze zorgdrager nu ook in eerste aanleg moet beslissen over de vraag welke bescheiden openbaar zijn en welke niet. In het advies van Hekkelman-advocaten wordt daarbij verwezen naar jurisprudentie van de Afd.
bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit die jurisprudentie vloeit voort dat de Enquête-commissie bevoegd was om tot de langjarige geheimhouding te besluiten. Dit betekent echter niet dat daardoor de commissie - en na opheffing de gemeenteraad - de ‘zorgdrager’ is geworden, zoals bedoeld in de Archiefwet. Wel dient conform de Awb (Artikel 1:5, eerste lid) een besluit op bezwaar te worden genomen door de gemeenteraad - na opheffing van de commissie de rechtsopvolger - en wel omdat het primaire besluit tot geheimhouding door de commissie is genomen en nu is gegaan naar de raad. Het college is echter op basis van de Archiefwet bevoegd om formeel te besluiten over een verzoek tot openbaarmaking. Hier geldt derhalve het adagium - de speciale wet heeft voorrang op de algemene wet -. Er zijn geen rechtsgronden om dit adagium in deze casus te doorbreken. Er zijn echter goede gronden om de commissie - en nu de gemeenteraad - het materiële oordeel toe te staan of er termen zijn om die geheimhouding deels of geheel op te heffen. In de bestuurspraktijk zal in vrijwel alle gevallen het college het materiële oordeel van de gemeenteraad volgen en dan zijn er ook geen motieven om de bevoegdheid van de ‘zorgdrager’ te betwisten. Alleen indien het college de intentie zou hebben om iets anders te beslissen dan de raad, ontstaat een ingewikkelde situatie.
Dat is echter theorie en zal zich niet voordoen, maar indien wel dan ontstaat de formele positie dat het oordeel van het college primeert.
zaaknummer Z/20/378967
pagina 22 van 22