CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1127538 Bijlage 1. uitgebreide analyse, maatregelen en effecten maatregelen

Raadsvergaderingen 2022-2026 21 december 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/22/432906 Aanvraag Vangnetuitkering 20223.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Uitgebreide analyse, maatregelen en effecten van maatregelen In de aanvraag vangnetuitkering 2022 wordt gevraagd een toelichting te geven op de volgende onderdelen: A) een analyse van de oorzaken van het tekort. B) getroffen interne en externe maatregelen om het tekort verder te reduceren. C) beoogd effect van de maatregelen. A) Analyse van de oorzaken van het tekort Inleiding De gemeente Zevenaar stevent af op een tekort van naar verwachting 11,9 % op het BUIG-budget 2022. Onderkend wordt dat al gedurende enige jaren sprake is van een tekort. Het verloop vanaf 2014 ziet er als volgt uit:

Note: in 2018 heeft herindeling met Rijnwaarden plaatsgevonden.

De lasten liggen structureel boven het rijksbudget. Opvallend is ook dat het budgetaandeel van de gemeente Zevenaar in het macrobudget van de BUIG daalt. Wij kunnen ons niet aan de indruk

onttrekken dat het objectief verdeelmodel BUIG voor de gemeente Zevenaar ongunstig uitpakt (dit model wordt gehanteerd bij gemeenten met een inwoneraantal van meer dan 40.000 inwoners). Deze indruk wordt nog eens onderkend door de constatering dat Westervoort voor het jaar 2022 een overschot verwacht van € 180.000 en Duiven een verwacht tekort heeft van € 102.000; dit terwijl de RSD geen onderscheid maakt voor wat betreft de benadering van de doelgroep (uniform beleid). Vermeld wordt nog dat de gemeente Duiven een budget ontvangt gebaseerd op een rijksvergoeding van 60% van de historische BUIG-uitgaven. Het BUIG-budget van de gemeente Westervoort is berekend op volledige vergoeding van de historische uitgaven (t-2). Zevenaar heeft deelgenomen aan een onderzoek naar gemeenten met een structureel tekort op het BUIG-budget. Dit onderzoek heeft in opdracht van het ministerie van SZW plaatsgevonden en is uitgevoerd door het SEO (Sociaal Economisch Onderzoek). Uit het rapport van het SEO blijkt dat het verdeelmodel bijstelling behoeft. Minister Schouten geeft in haar kamerbrief van 3 oktober 2022 aan dat deze uitkomst aanleiding is om te onderzoeken of het verdeelmodel kan worden verbeterd. De impact hiervan is op korte termijn echter niet te verwachten.

De hierboven omschreven situatie is voor ons college reden geweest om tegen de beschikking van SZW waarin het definitieve BUIG-budget over 2022 wordt toegekend aan Zevenaar een bezwaarschrift in te dienen. Bij een aanvraag om een vangnetuitkering dient echter gekeken te worden naar de eigen mogelijkheden voor een tekortreductie. Verloop uitkeringsgerechtigden Een nadere analyse van het tekort laat zien dat het tekort voornamelijk wordt veroorzaakt door een hoger aantal uitkeringsgerechtigden dan waarmee het Rijk rekening houdt. De gemiddelde prijs per uitkering ligt lager dan het gehanteerd normbedrag van het Rijk. Voor de aanvraag van de Vangnetuitkering is dan ook geen nader onderzoek gedaan naar mogelijkheden dit bedrag naar beneden bij te kunnen stellen. Temeer ook omdat die maatregelen bij een eerdere Vangnetuitkering (2019) al zijn onderzocht en benut (note: destijds lag het gemiddeld uitkeringsbedrag hoger dan de norm waarmee het Rijk rekent). Dat betekent dat de maatregelen voornamelijk gezocht moeten worden in het terugdringen van het aantal uitkeringsgerechtigden. Onderstaand figuur laat dit duidelijk zien.

De groene lijn geeft het gemiddeld aantal uitkeringsgerechtigden weer waar het Rijk rekening mee houdt in de berekening van het BUIG-budget. De gele lijn geeft het werkelijk aantal uitkeringsgerechtigden voor Zevenaar weer. Na het tekort in 2019 zijn maatregelen getroffen om de tekorten terug te dringen. Ultimo 2021 was het aantal uitkeringsgerechtigden gelijk aan de aantallen waarmee in de berekening rekening werd gehouden. Het Rijk voorspelde - in lijn met de landelijke tendens - echter een verdere daling van de bestanden. De dalende tendens kon voor Zevenaar echter niet gerealiseerd worden. In tegenstelling tot de landelijke trend, steeg het aantal uitkeringsgerechtigden begin 2022. Daarna is de dalende tendens wel weer ingezet, maar onvoldoende om een tekort te voorkomen. Nu het voorlopig budget voor 2023 bekend is, zien we dat de dalende tendens in het aantal uitkeringsgerechtigden zich in 2023 doorzet. Als we de lijn voor Zevenaar doortrekken bij ongewijzigd beleid (conform de lopende bestuursopdracht), dan blijft het aantal uitkeringsgerechtigden boven het aantal waarmee het Rijk rekening houdt. Een meerjarig tekort ligt - behoudens een budgetbijstelling vanuit het Rijk - daarmee op de loer.

Nadere analyse van het bestand De eerste stap in de analyse is inzicht in de aard en samenstelling van het bestand. In 2019 is het gehele bestand ingedeeld op treden van de werkladder. Met deze indeling wordt het bestand beter stuurbaar in de zin dat inzicht bestaat in de problematiek en de afstand tot de arbeidsmarkt. Door dit inzicht kunnen meer gerichte acties ingezet worden. Deze werkladder wordt overigens ook door het UWV gehanteerd waardoor eenheid wordt gecreëerd in de definities. Bij de aanvraag van de Vangnetuitkering voor 2019 is de bestandssamenstelling op de treden van de werkladder inzichtelijk gemaakt. Dit was destijds een startpunt. Redenerend vanuit dat startpunt

naar de situatie per heden (begin oktober 2022), ziet de ontwikkeling van de bestandssamenstelling er als volgt uit:

Als we naar de leeftijdssamenstelling (momentopname per begin oktober 2022) kijken, dan zien we op de treden 1 en 2a voornamelijk personen van boven de 50 jaar. Een belangrijk aandeel is zelfs boven de 60 jaar. De daling van de bestanden op deze treden is dan ook voornamelijk te verklaren door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

Onderkend wordt dat de re-integratiemiddelen ontoereikend zijn om de integrale doelgroep een passend aanbod te kunnen doen. Vanuit de lopende bestuursopdracht concentreert de inzet van de re-integratiemiddelen zich dan ook op de treden 2b tot en met 6. De achterliggende gedachte is dat het effect van de inzet op die groepen het grootst is. Gezien de huidige economische situatie en de druk op de arbeidsmarkt is het de vraag of die keuze bijstelling behoeft. We zien nu immers een daling van het bestand en dat personen met arbeidspotentieel inmiddels actief zijn op de arbeidsmarkt. Degenen die achterblijven hebben een grote achterstand tot de arbeidsmarkt en die doelgroep daalt weliswaar in absolute aantallen (voornamelijk als gevolg van pensioengerechtigde leeftijd), maar stijgt in relatieve zin (van 47% in 2019 naar 51% in 2022). Opvallend is voorts dat zowel het absolute aantal op de treden 2b oploopt als het relatieve aandeel (2019: 19%; 2022: 25%). Deze personen hebben weliswaar een grote afstand tot de arbeidsmarkt, maar we zien wel potentieel. Ook dit is het gevolg van het beleid omdat we de nieuwe instroom slechts bij uitzondering op de treden 1 en 2a plaatsen. Daar komt bij dat de nieuwe instroom in het algemeen een grotere afstand tot de arbeidsmarkt kent. Twee van de belangrijkste oorzaken zijn: • Degenen met arbeidspotentieel vindt zijn/haar weg op de arbeidsmarkt.

Dit blijkt ook uit de uitstroomcijfers waarin we zien dat de instroom een dalend verloop laat zien en waarbij de helft van de instroom binnen 5 maanden ook weer uitstroomt.

• De nieuwe instroom heeft – mede als gevolg van het sluiten van de Wajong en de Wsw – een grotere afstand tot werk. De mogelijkheid tot werk is – zeker gezien de huidige druk op de arbeidsmarkt - zeer wel denkbaar, maar daar zijn wel extra inspanningen voor nodig. Nadere verkenning van de inzet van de re-integratiemiddelen De vraag is hoe de re-integratiemiddelen ingezet worden. De budgetten zijn niet zodanig ruim dat voor elke uitkeringsgerechtigde de wenselijke budgetten beschikbaar zijn. Vanuit dat oogpunt zijn in de bestuurlijke opdracht ook keuzes gemaakt. De inzet is bij voorkeur zo effectief mogelijk gericht op uitstroom. De afgelopen drie jaar zijn de beschikbare re-integratiemiddelen als volgt ingezet:

Note: 2022 tot en met augustus 2022

Het beeld is conform de bestuurlijke opdracht dat de meeste middelen worden ingezet op de treden vanaf 2b. Als we vervolgens kijken hoeveel personen daarmee bereikt worden, ontstaat het volgende beeld:

De groene staven geven het aantal personen per trede weer waaraan de re-integratiemiddelen zijn besteed. De paarse staven geven het aantal personen weer waaraan op die trede geen (out of pocket) middelen zijn besteed. Dat wil overigens niet per definitie zeggen dat aan die doelgroep geen aandacht wordt besteed door de consulenten zelf. Dit is zeer zeker wel het geval namelijk, alleen wordt dat met deze cijfers niet inzichtelijk gemaakt. De consulenten voeren met die personen regelmatig gesprekken om de mogelijkheden voor activering en mogelijke voorliggende voorzieningen te verkennen. Daarnaast worden op deze doelgroep ook regionale gelden ingezet; wel is duidelijk dat het aantal personen met een traject groeiende is.

Conclusie Op basis van bovenstaande verkenning kunnen we concluderen dat Zevenaar te maken heeft met een uitkeringsbestand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Een quick win op een reductie van het aantal ligt niet voor de hand. De belangrijkste redenen zijn: •

• • • • •

De vraag op de arbeidsmarkt is groot waardoor iedereen die kan werken niet of slechts kort in de uitkering zit. Dit wordt bevestigd door enerzijds het punt hierna en anderzijds doordat de nieuwe instroom voor ca. de helft binnen ca. 5 maanden ook weer uitstroomt. Naar aanleiding van het vorige tekort in 2019 zijn al maatregelen getroffen die onverminderd voortgezet worden. Een deel betrof ook quick wins. Grotere complexiteit van de nieuwe instroom, waardoor instroom op de treden 1 en 2 in de lijn der verwachting ligt. Een relatief ouder bestand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Een deel van de oudere bijstandsgerechtigden heeft betaald werk (= trede 6), waarbij de stap naar volledig uitkeringsonafhankelijk niet zondermeer voor de hand ligt. Risico op terugval vanuit de overige treden omdat enerzijds niet alle trajecten succesvol zullen zijn en anderzijds omdat geen sprake is van een sluitend aanbod waardoor personen langer in de uitkering zitten waardoor de afstand naar werk groter wordt.

Dat betekent dat de maatregelen gericht moeten worden op de doelgroep met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt en rekening gehouden moet worden met een langere periode alvorens sprake is van een substantiële daling van de uitkeringskosten. Dat betekent feitelijk ook een beleidswijziging ten opzichte van de huidige bestuursopdracht. Op onderdelen is daar overigens ook al een aanzet toe gegeven. In dit voorstel benoemen we zowel de voorgenomen als al in gang gezette acties.

B. Getroffen maatregelen om het tekort te reduceren Zoals uit de analyse bij onderdeel A blijkt, zijn de aanvullende maatregelen voornamelijk gericht op de doelgroep die langer in de uitkering zit en een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Deze zijn voornamelijk ingedeeld op de treden 1 en 2a, maar ook op 2b. Dit beeld is overigens niet nieuw en mede ook het gevolg van het tot op heden bestaande beleid en zoals verwoord in de

bestuursopdracht. Inmiddels is ook al een aantal initiatieven genomen voor een intensievere inzet op genoemde doelgroep.

De volgende maatregelen worden getroffen c.q. geïntensiveerd gericht op een reductie van het tekort. a) Voortzetten huidig beleid Het huidig beleid is conform de lopende bestuursopdracht gericht op de inzet op de treden vanaf 2b. Dit beleid wordt gecontinueerd zodat voorkomen wordt dat deze doelgroep terugvalt met als gevolg een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. We constateren wel dat nog geen sprake is van een sluitend geheel (nog niet iedereen heeft een lopend traject). Om te voorkomen dat mensen gedurende een langere tijd geen traject hebben (risico op terugval), is het van belang dat iedereen op die treden een passend aanbod krijgt. Een belangrijk instrument voor deze doelgroep zijn de samenwerkende LEON (Leer En Ontwikkel Netwerk) partners.

b) Integrale benadering Het merendeel van de klanten heeft een meervoudige problematiek al dan niet gecombineerd met problemen in de huiselijke sfeer. In lijn met de gedachte van de drie decentralisaties is daarbij een gecoördineerde aanpak wenselijk zo niet noodzakelijk. De achterliggende gedachte is dat de problematiek niet noodzakelijkerwijs volgtijdelijk opgepakt moet worden. Zo mogelijk ligt een gelijktijdige aanpak met een gecoördineerd hulppakket voor de hand. De RSD kan dat vanzelfsprekend niet alleen. Samenwerking met het loket Wmo en Jeugdhulp en aanpalende diensten ligt voor de hand. c) Taallessen Een nadere analyses van de treden 1, 2a en 2b laat zien dat 31% op die treden personen met een migratieachtergrond zijn. Deze groep ervaart belemmeringen in participatie door een taalbarrière en de weg in de maatschappij nog niet goed weten te vinden. Voor deze groep start in 2022 een traject wat gericht is op meedoen in de Liemerse samenleving. Hierbij worden ook taallessen aangeboden. Daarnaast zijn andere aanbieders gecontracteerd die taallessen voor op de werkvloer aanbieden. Dit verbetert de kansen op het vinden en behouden van werk. d) Activerend werk Activerend werk is een voorziening vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning en ondersteunt een inwoner in het weer laten participeren in de samenleving.

Het doel is dat inwoners naar vermogen blijvend een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving. Dit doet Activerend werk om het maximale uit de inwoner te halen. Mogelijke uitkomsten van een traject Activerend werk zijn een toename van zelfredzaamheid en/of tevredenheid van de inwoner, een afname van ondersteuningsbehoefte en stijging van de arbeidsmogelijkheden. Deze doelen lopen deels gelijk met die van de Participatiewet. RSD heeft klanten die gebaat zijn bij een voorziening vanuit de Wmo. Anderzijds heeft de Wmo inwoners die kunnen doorgroeien naar werk en het stadium van een Wmo maatwerkvoorziening zijn ontgroeid. Samen gaan we kijken

hoe Werk en Inkomen beter aan Activerend werk verbonden kan worden. Dit initiatief is in de 2e helft van 2022 opgepakt en wordt in 2023 verder geconcretiseerd. De doelgroep zijn de personen op de treden 1 en 2. We onderkennen dat de weg naar betaald werk lang kan zijn. Om die reden wordt gestart met een pilot om op die manier de impact in termen van kosten, doorlooptijd, doorgroei en arbeidspotentieel inzichtelijk te maken. Bij een gebleken succes wordt de pilot onderdeel van het instrumentarium en wordt bezien voor welke groep dit relevant is. e) Samen in beweging Dit project heeft een focus op de personen op trede 2. De klanten op trede 2a hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt, maar hebben nog wel arbeidsvermogen. Een deel van deze doelgroep leeft langere tijd van een uitkering en is ‘op leeftijd’. Onder deze inwoners bevinden zich inwoners met multi problematiek, met een migratieachtergrond, arbeidsbeperkten, of inwoners op oudere leeftijd met lichamelijke of psychische klachten waarvoor het moeilijk is om ander werk te vinden. De mensen ervaren chronisch stress en chronische stress tast de executieve functies aan. Dit heeft gevolgen voor hun gedrag en hun zelfvertrouwen. Het traject start met een training waarin bij de basis wordt begonnen: de houding ten opzichte van werk. Gedurende 12 weken vinden er 8 groepsbijeenkomsten plaats van één dagdeel per week.

De overige periode wordt gebruikt voor bemiddeling en wordt er door de deelnemers gewerkt aan het behalen van het Vca-certificaat (Veiligheid, gezondheid en milieu checklist aannemers). Deelnemers worden na 12 weken geplaatst op werk en krijgen een arbeidscontract van minimaal 6 maanden voor het aantal uur dat iemand kan werken. In 2023 wordt gestart met de eerste pilotgroep. Op basis van de uitkomsten wordt bezien of en hoe dit instrument structureel kan worden ingezet. f) Loonkostensubsidie (LKS) Dit instrument is bedoeld om mensen met verminderd arbeidsvermogen op betaald werk te plaatsen en behouden. Gesteld kan worden dat dit een succesvol instrument. In juni 2022 is besloten dat de doelgroep voor Loonkostensubsidie sterk wordt uitgebreid. Met name de doelgroep op de trede 2b komt voor LKS in aanmerking. Inmiddels is een aantal voorbereidende maatregelen getroffen om het toenemend aantal personen met LKS aan te kunnen. De komende periode wordt extra ingezet op dit instrument en samen met onze partners het WSP en Scalabor wordt dit proces verder vormgegeven. g) Prestatiegerichte afspraken met LEON partners De acties met externe partijen zijn momenteel voornamelijk gericht op de te leveren inspanning zonder dat expliciet meetbaar wordt gemaakt wat de impact is op het uitkeringenbestand en/of het BUIG-budget.

Bezien wordt of en in hoeverre het mogelijk is beleidsvoornemens zoveel mogelijk te vertalen in meetbare prestaties en daar al dan niet deels de financiering aan te koppelen. Uiteraard is er wel een vorm van prestatieafspraken in termen van kwaliteit en feedback gericht op het succesvol afronden van de gemaakte afspraken. Hiertoe worden aanbieders ook onderling met elkaar vergeleken en zo nodig aangesproken. De volgende stap is dat we de effecten op de werkladder en de BUIG-kosten expliciet gaan maken. Hiermee kunnen we nog gerichter bezien welke maatregelen welk financieel resultaat hebben en op welke termijn.

C. Beoogd effect van de genoemde maatregelen op de tekortreductie Om de effectiviteit van de maatregelen te kunnen monitoren, is het van belang op voorhand het beoogde effect inzichtelijk te maken. Gezien de aard van de geschetste problematiek merken wij het volgende op: • De samenstelling van het uitkeringenbestand is van dien aard dat een snelle uitstroom, anders dan een autonome uitstroom (pensioen, verhuizing, overlijden) niet in de lijn der verwachting is. De maatregelen zijn gericht op de langere termijn. |• Mede als gevolg van eerdere maatregelen liggen de gemiddelde uitkeringskosten rondom het landelijk gemiddelde. Het uitgangspunt bij de berekeningen is dat dat ook voor de toekomst zo zal zijn. • Een aantal maatregelen uit onderdeel B zijn meer ondersteunend en rand voorwaardelijk en laten zich niet in alle gevallen financieel vertalen. Denk daarbij aan de integrale benadering van de doelgroep (b), de taallessen (c), het meer prestatiegericht werken (g) en het moge duidelijk zijn dat die onderdelen in de ondersteunende zin meer dan relevant zijn. • De in het verleden getroffen maatregelen (onderdeel B, punt a) worden onverminderd voortgezet zodat mensen niet langer in de uitkering zitten dan strikt noodzakelijk. Een doorrekening heeft geen toegevoegde waarde voor de structurele vermindering van het uitkeringenbestand.

Een grotere impact dan dat de maatregelen nu al hebben ligt immers niet in de lijn der verwachting. Financiële impact van de voorgenomen maatregelen In elk van de maatregelen worden mensen op de treden 1, 2a en 2b met LKS aan het werk gezet. De bestaande maatregelen dragen niet bij aan de reductie van het tekort; die zijn nodig om de personen op de overige treden te bedienen gericht op het beheersbaar houden van die aantallen. Om die reden is het voortzetten van het huidig beleid van belang. Dat betekent dat de LKS het tekort van ca. € 1 mln. moet goedmaken. Het is onrealistisch te verwachten dat met het forfaitair percentage van 50% een financieel tekort van ca. € 1 mln. overbrugd kan worden. Het financieel voordeel ten opzichte van de gemiddelde uitkeringskosten bedraagt immers slechts € 500,-- uitgaande van een fulltimebaan met dito LKS. Als alleen naar het instrument LKS gekeken wordt, dan zouden ruim 2.100 mensen met LKS aan de slag moeten gaan. Dat is niet realistisch alleen al niet omdat er zoveel uitkeringsgerechtigden niet zijn. Als we het tekort moeten overbruggen met uitstroom, dan zou het gaan om ca. 69 personen. Ook dat is niet realistisch vanuit deze doelgroep. De volgende infographic maakt dit duidelijk:

Duidelijk is dat het statisch inzetten van het instrument LKS alleen niet toereikend is. Dat betekent dat kritisch naar meerdere variabelen moet worden gekeken. Denk daarbij aan zaken als groei in loonwaarde, parttime werken (het is onwaarschijnlijk dat men onmiddellijk fulltime gaat werken) én uitstroom. Tegelijkertijd moet er rekening mee worden gehouden dat sprake zal zijn van terugval naar de uitkeringssituatie. Daarnaast kenmerkt deze doelgroep door de hogere uitkeringskosten dan gemiddeld omdat zij de alleenstaande norm hebben zonder verdere inkomsten. Kortom er is sprake van een complex aan maatregelen waarmee rekening moet worden gehouden. Daarnaast is sprake van een dynamiek van in- en uitstroom ook van nieuwe personen. Dat laatste laten we - behoudens de instroom van de huidige doelgroep in één van de maatregelen - in de berekeningen buiten beschouwing. Wij hebben een doorrekening gemaakt van het huidige bestand waar de maatregelen voor van toepassing zijn. De achterliggende gedachte is dat met het nieuwe instrumentarium en een aangepast beleid voor de toekomstige doelgroep een passend instrumentarium beschikbaar is. De toekomstige samenstelling van het uitkeringsbestand komt er naar verwachting dan ook anders uit te zien.

Bij de berekeningen zijn we uitgegaan van de aantallen zoals benoemd in de voorgestelde maatregelen d, e en f en dat daarmee het huidig zittend bestand mee wordt bediend. Onderstaande tabel laat zien met welke aantallen we rekening houden, de groei in de te realiseren loonwaarde, de uitstroomkans en het terugvalrisico.

Als we dit meerjarig doorrekenen dan zouden in 2027 de uitkeringskosten teruggebracht kunnen worden met ca. € 1 mln. Het verloop hiervan wordt inzichtelijk gemaakt in onderstaande grafiek:

Duidelijk wordt dat het terugbrengen van het uitkeringsbedrag een meerjarig project is. Dit is - zoals hiervoor al is aangegeven - het gevolg van de aard en samenstelling van het uitkeringenbestand op deze treden. De aannames in het rekenmodel zullen we strikt monitoren, zodat we tijdig kunnen bijsturen als de doelen niet gerealiseerd kunnen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=0d660302-7441-493b-bc16-97d66e19458b