CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1127238 Bijlage 7. Verwerking van suggesties en opmerkingen uit omgevingsdialogen

Commissie Ruimte 7 december 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/434466 Zienswijze op concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor Milieueffectrapportage Regionale Energiestrategie Groene Metropoolregio1.991 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuur en Milieu Gelderland Alex de Meijer Kernpunt 1: de centrale vraag van de planMER Dit is veel te neutraal: de doelstelling moet zijn een geslaagde energietransitie, met urgentie. Onderdeel van de centrale vraag moet worden: ➢ 1,62 TWh moet als absolute minimum gezien worden, het streven moet zijn om hier bovenuit te komen, als reserve i.v.m. projecten die niet doorgaan en ook als voorschot op de noodzaak voor méér duurzame energie-opwekking ➢ het is heel belangrijk dat er aanzienlijk meer ruimte wordt gevonden voor wind - want de huidige verhouding leidt tot een zeer inefficiënt energiesysteem, waarbij het bovendien de vraag is of de berekende hoeveelheid TWh ook daadwerkelijk op het net kan worden gebracht. Zie ook een motie van PS om de verhouding te verbeteren ➢ wij blijven grote moeite hebben met de benadering van het onderzoek, met de RES 1.0 als 0variant en dan de 4 thematische alternatieven.

Ten eerste: waarom déze vier hoeken van het speelveld? Waarom dan niet kijken naar de opgaven in de regio voor verstedelijking (nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en infra, uitloopgebieden), klimaatadaptatie, de natuur (niet zoals die nu is, maar inclusief de overgangszones voor stikstof en KRW), de landbouwtransitie…? Sommige van deze opgaven zijn waarschijnlijk van méér invloed op de locaties voor de energietransitie, dan ‘landschap’ - en voorzover ‘landschap’ dat wél is, wordt dat ongetwijfeld een factor in de toekomstige regionale plannen ➢ de planMER moet vooral probleem-oplossend zijn - belemmeringen benoemen en opties benoemen om ze op te lossen - dit mede in een afweging tegen de kansen, de potentiële opbrengst voor milieu en maatschappij. Essentieel is daarbij het onderdeel ‘geschikt maken’ van locaties met belemmeringen, bijv. zoals we die in onze brief benoemd hebben voor molenaarswoningen en externe veiligheid. Wij zouden eigenlijk ook een alternatief willen: het maximale uit het gebied halen, en dan terugrekenen naar laten we zeggen: 2x het huidige bod. De doelstellingen zijn internationaal en ook nationaal aangescherpt, maar dat laatste is nog niet vertaald.

In feite kun je de laatste optie zien als een variant waarbij je al beter kijkt naar de totale impact op de regio, en probeert te voorkomen dat latere planvorming tégen de huidige planvorming ingaat (damage control). De provincies worden door de Minister voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting in positie gebracht om de nationale programma’s - op het terrein van verstedelijking, de energietransitie en in het landelijk gebied, inclusief stikstof - te combineren met regionale opgaven. Bodem en watersysteem dienen sturend te zijn bij de regionale ruimtelijke keuzes. In de Gelderse ‘Koers Ruimte en Leefomgeving’ (2021) staat dat berekeningen laten zien dat we 1,8 keer Gelderland nodig als we alle beleidsambities bij elkaar optellen. We zullen keuzes moeten maken en, waar het kan, zaken slim combineren. Deze “ruimtelijke puzzel” wil de provincie samen met de Gelderse partners leggen met de provincie als ‘gebiedsregisseur’. Als start is begonnen met zeven ‘focusgebieden’ - die complex zijn en waar veel opgaven over elkaar heen liggen - omdat we in deze zeven gebieden al spoedig voor onomkeerbare ruimtelijke keuzes staan. Voor deze gebieden is een aantal ontwikkelrichtingen gevonden die de provincie op korte termijn gaat bespreken met zijn partners. Steeds met het bodem- en watersysteem als vertrekpunt. ➢ Liemers.

Dit gebied wordt bij doortrekking van de A15 een nieuw knooppunt van de A15/A12/A18. Dit geeft een extra impuls aan het gebied als logistiek cluster en internationale verbinding (in verbinding met Emmerich). Ook de regio-express draagt bij aan de bereikbaarheid van dit gebied. Naast de eigen woningbouwopgave (4.000 – 5.000 woningen) is dit gebied een overloopgebied van Arnhem maar ook een landbouwgebied dat onder druk staat. Daarbij is het gebied vanuit bodem en watersysteem kwetsbaar te noemen. Wat kan de Liemers aan? ➢ Middengebied Arnhem Nijmegen. Dit gebied ligt tussen Rijn en Waal waar Park Lingezegen het groene hart is. De Linge is de hoofdader voor de waterbeschikbaarheid binnen dit gebied. Een klimaatbestendig middengebied vergt investeringen in een groenblauw raamwerk met de Linge als hoofdader. Is verdere verstedelijking hier wel verstandig? Water vormt hier immers een reële toekomstige bedreiging. Moet Nijmegen zich niet meer focussen op een sprong in zuidelijke richting over de stuwwal?

Kernpunt 2: hoe komen de afspraken in de planMER? akkoord Kernpunt 3: de vier alternatieven Zie boven en onze brief: wij vinden deze aanpak niet zinvol. Het is bekend dat deze elementen moeten worden bekeken maar niet alsof ze alle vier even belangrijk of vergelijkbaar zijn. Met name landschap is een zwak criterium. Er zijn meer hoeken die belangrijk zijn: de bijdrage aan aanpak klimaatproblematiek, natuurontwikkeling, de ontwikkeling van een groene economie, koppelkansen met regionale ontwikkeling etc. Oplossingen zoals gecombineerde wind- en zonneparken etc. Wij willen naast de bestaande keuzes in RES 1.0 (de nul-variant) tenminste een variant uitgewerkt zien die wij de “regionaal optimale variant” noemen op basis van een geïntegreerde beoordeling. Kernpunt 4: andere onderzoeken meenemen: akkoord. Kernpunten 5,6,7, 8: akkoord. Kernpunt 9: solitaire turbines bij bestaande parken Akkoord, wel willen we daarbij opmerken dat het dan in de studie moet gaan om moderne turbines (3,6 tot 7 MW) die veelal groter zijn dan de al bestaande turbines. Landschappelijk is dit wellicht minder aantrekkelijk, maar het is wel de realiteit. Bij ‘oudere’ windparken (maar die zijn er nog niet in deze RES-regio) zou je meteen aan opschaling van het gehele windpark kunnen denken.

Kernpunt 10: bandbreedte van 3,6 MW tot 7 MW Akkoord, wel willen we opmerken dat als in een aanzienlijk groot gebied 3,6 tot 7 MW-turbines vanwege wettelijke regelgeving niet inpasbaar zijn, soms windturbines met bijvoorbeeld een tiphoogte van 150 meter wél inpasbaar kunnen zijn. We pleiten er al langere tijd voor om - alléén voor deze situatie - een aparte SDE-categorie in te stellen. Kernpunt 11, 12, 13, 14: akkoord.

Van: De vertegenwoordigers van de energiecoöperaties in de regio Arnhem-Nijmegen. Frans Dolmans Ineke de Jong John Hontelez Sjon Debie 31 augustus 2022 Deze brief is geschreven in antwoord op de uitnodiging van de Groene Metropoolregio RESorganisatie om na de bijeenkomst op 24 augustus over de NRD voor een planMER voor de regio Arnhem-Nijmegen nog schriftelijk te reageren. De reacties volgen de presentatie op die avond. Deze reacties zijn in aanvulling op de brief die U reeds op 25 juli is gestuurd, samen met de Natuur en Milieufederatie Gelderland, Natuurmonumenten en ZLTO en LTO Noord regio Arnhem-Nijmegen. Centrale Vraag PlanMER: De centrale vraag gaat er van uit dat in deze regio tegen 2030 1,62 TWh met (water en) zon en wind geproduceerd moet worden. Echter, de planMER is niet bedoeld om RES 1.0., met haar beperkt aantal zoekgebieden, te evalueren, maar om voeding te geven aan RES 2.0. En in RES 1.0., goedgekeurd door alle gemeenten en de provincie, wordt duidelijk gesteld dat RES 2.0. een stap moet zijn naar de regionale bijdrage aan de Gelderse doelstelling om in 2030 55% minder broeikasgassen uit te stoten (pagina 9). Op pagina 25 wordt verduidelijkt dat daarmee de uitdaging is om in 2030 3,5 TWh aan productie van zon en wind te realiseren. Om RES 2.0. goed voor te bereiden is het dus belangrijk dat die hogere doelstelling van 3.5 TWh als uitgangspunt genomen wordt.

Dit bindt de politieke organen niet meteen aan deze doelstelling, maar het moet het technisch mogelijk maken om wel tot die beslissing te komen. Deze hogere doelstelling onderstreept ook het urgente karakter van deze exercitie, en is een aanmoediging om vooral veel energie te steken in het aspect “geschikt maken” van gebieden waar op het eerste gezicht zachte belemmeringen zijn. Wat wij missen is een expliciete doelstelling of althans uitdaging om in onze regio naar een balans tussen wind- en zonvermogen te werken. Die moet, qua vermogen, rond de 50%-50% zijn. In de RES 1.0 is deze verhouding 11% - 89% (pag. 27). Dat betekent ook dat in de route van 1,62 TWh naar 3,5 TWh het extra vermogen grotendeels van meer windmolens moet komen. Wij roepen de RESorganisatie op om deze 50%-50% doelstelling in de NRD op te nemen. Keuze II: definitie windparken In principe akkoord, want we zijn het eens met het streven naar clustering, maar er moet in onze regio plaats blijven voor nieuwe solitaire windmolens en windmolens met een kleiner vermogen. Keuze III: definitie zonnevelden 3 ha. is een onnodig hoge benedengrens. Kleinere zonnevelden kunnen prima onderdeel vormen van een energiepark gecombineerd met windmolens, en ze kunnen ook op zichzelf nuttig zijn. Denk ook aan drijvende zonnevelden.

De noodzaak van clustering speelt hier minder dan met windmolens omdat de horizonvervuiling en hinder voor de gezondheid voor omwonenden niet of minder speelt. Keuze VII: alternatieven

Wij hebben onze twijfels over de benadering met vier invalshoeken (“hoeken van het speelveld”) als gelijke elementen in het creëren van een kaart met geschikte gebieden. Deze benadering mist de dimensie van koppelkansen en andere mogelijke voordelen van wind- en zonprojecten. In een brief geschreven samen met Natuurmonumenten en LTO Zuid en LTO Noord van 25 juli pleiten wij voor een andere benadering, namelijk om tegenover het nul-scenario uit RES 1.0. een regionaal optimale variant te produceren. Op die manier wordt niet passief geregistreerd wat belemmeringen zijn, maar actief gewerkt aan een perspectief dat aan de 3,5 TWh ambitie bijdraagt. Wat betreft de vier gekozen invalshoeken zijn er voor natuur en leefomgeving enkele harde belemmeringen, naast zachte belemmeringen waar iets aan te doen valt. Landschap is daarentegen een subjectieve invalshoek, die meer thuishoort in het politieke besluitvormingsproces nadat de planMER is geproduceerd. Als de keuze blijft voor deze vier alternatieven, stellen we voor om onder leefomgeving ook naar positieve koppelkansen te kijken voor de omwonenden, zoals lokaal eigendom, nieuwe bedrijvigheid, vergroening van de lokale economie. Hier kunnen ook de kansen aan bod komen om geplande of waarschijnlijke nieuwe infrastructuur (woonwijken, bedrijventerreinen, wegen…) te combineren met duurzame energieopwekking.

We verwijzen ook naar de pilot planMER van de Metropoolregio Eindhoven als voorbeeld van een bredere benadering. Tenslotte: in de stukken wordt naar de Groene Metropoolregio gerefereerd. Dat is in het kader van het RES proces, onjuist aangezien het RES proces slechts 16 van de 18 gemeenten omvat. De andere twee vallen onder de RES regio Achterhoek en de RES regio Noord en Midden Limburg.

Geachte mensen van RES Arnhem-Nijmegen, Bij een dubbele afspraak morgenavond, meld ik mij af voor de 3e bijeenkomst op 24 augustus a.s. Na twee wel leuke bijeenkomsten, kan ik helaas niet zeggen dat de “omgevingsdialoog” duidelijke resultaten heeft geboekt die horen bij een dialoog over een NRD. We ontvingen na 1e bijeenkomst een presentatie en verslag, dat is nu niet het geval geweest. Er is nog geen concept van NRD verspreid. Dan is aanwezigheid op die 3e bijeenkomst minder zinvol. Graag noem ik enkele punten die ik in de dialoog heb/had willen inbrengen voor een NRD: - Laat de omgeving letterlijk meeschrijven aan het NRD, niet alleen een omzetafhankelijk lid van de NWEA, met verder alle respect voor personen van Witteveen&Bos - Stel de Gedragscode Wind op Land verplicht in gemeentelijke Afwegingskaders, ook voor buitenlandse ontwikkelaars, en voeg daar naast de goede proces- en financiële participatiemogelijkheden eerst een verplichte, betere compensatieregeling dan planschade aan toe. Het draagvlak van nabij wonenden wordt met name hierdoor gehinderd met effecten op leefbaarheid en vastgoedwaarde. - Neem daarom een planalternatief op om een grote afstand tot elke woning aan te houden (alle Bundes Laender >1000m) - Neem als te kwantificeren en te minimaliseren effecten ook omwonenden, landschap en leefbaarheid als object mee, meer dan nu het geval lijkt te worden.

Ga niet simpel uit van vergunbaarheid, maar weeg af welke alternatieven de geringste impact hebben, vanuit zorgplicht voor het milieu - Ga niet in op wijzigen naar meer wind-aandeel in RES-biedingen, dat is tegen de vrijheid van keuze in technieken die de RES-biedingen nu juist bewust van onder af hebben Met vriendelijke groet, Jan Jaap Tiemersma +31-(0)653-146014 Bestuurslid NLVOW www.nlvow.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=ed53f264-e66b-443f-b6ca-86f3a1d15c25