1114394 Bijlage 5 Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Giesbeek, Meentsestraat 112 en 114
Gemeente Zevenaar
Datum: 10 augustus 2022 Projectnummer: 180491 ID: NL.IMRO.0299.BP05MEENTSE112-VA01 2019
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 5
2
Planbeschrijving
6
2.1 2.2
Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied
6 8
3
Beleid en regelgeving
10
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
10 12 13
4
Milieu- en omgevingsaspecten
16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Kabels en leidingen
16 17 17 19 21 22 22 25 30 32 33 34 35
5
Wijze van bestemmen
36
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
36 37
6
Uitvoerbaarheid
40
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
40 40
Bijlagen: − − − − − − − − − −
Bijlage 1: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Watermanagement en natuurinclusief bouwen Bijlage 5: Quick scan natuur Bijlage 6: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 7: Aanvullend natuuronderzoek Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Parkeeronderzoek Bijlage 10: Zienswijzenota
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Meentsestraat 112 en 114 in het westen van Giesbeek bevinden zich een tweetal bedrijfspercelen. Het aannemersbedrijf (nr. 112) en de slagerij (nr. 114) zijn voornemens om hun bedrijfsactiviteiten ter plaatse te beëindigen. Het voornemen bestaat om de opstallen te slopen en in totaal maximaal 11 woningen te realiseren. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek’ is de locatie voorzien van de bestemmingen ‘Bedrijf’ (nr. 112) en ‘Detailhandel’ (nr. 114). Op grond van deze bestemmingen is de bouw van woningen niet mogelijk. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor het gebied noodzakelijk. Voorliggend plan voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de gronden behorende bij de adressen Meentsestraat 112 en 114 te Giesbeek binnen de gemeente Zevenaar in de provincie Gelderland. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Giesbeek en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.
Ligging plangebied (gele cirkel) in relatie tot de kern Giesbeek (Bron: PDOK viewer).
3
Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).
1.3
Geldend bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek’ (vastgesteld d.d. 20 april 2011) en kent momenteel de bestemmingen ‘Bedrijf’ (Meentsestraat 112) en ‘Detailhandel’ (Meentsestraat 114). De gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ aan de Meentsestraat 112 zijn bedoeld voor een aannemersbedrijf, een (boven)woning en de daarbij behorende voorzieningen als wegen, paden, bermen, parkeerplaatsen, tuinen, groenvoorzieningen en overige voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen. De gronden aan de Meentsestraat 114 zijn voorzien van de bestemming ‘Detailhandel’. De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel, een (boven)woning en de daarbij behorende voorzieningen als wegen, paden, bermen, parkeerplaatsen, tuinen, groenvoorzieningen en overige voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen. Raadpleging van het geldende bestemmingsplan ‘Kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek’ wijst verder uit dat het plangebied een archeologische dubbelbestemming (specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting) kent. Uit raadpleging van de regels blijkt dat bij een bodemingreep groter dan 200 m2 en dieper dan 0,5 meter een archeologisch onderzoek moet worden overlegd om aan te tonen dat archeologische waarden voldoende beschermd worden bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen.
4
Uitsnede juridisch-planologische situatie plangebied (globaal in rood begrensd) en omgeving (Bron: PDOK viewer).
Als gevolg van de geldende bestemmingen is de realisatie van nieuwe woningen niet mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan. Daarom is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.
1.4
Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5
2 2.1
Planbeschrijving Huidige situatie plangebied Giesbeek Giesbeek is een lintdorp aan de IJsseldijk. Het gebied rond Giesbeek en Lathum is al sinds lange tijd bewoond. De ligging aan de IJssel is bepalend geweest voor het karakter van het dorp Giesbeek. Het gezicht van Giesbeek en Lathum is jarenlang bepaald door beroepsscheepvaart, boerderijen en steenfabrieken. Met name de steenfabrieken hebben voor deze dorpen als aanjager voor bewoning gediend in de negentiende en de twintigste eeuw. Het lint wordt gevormd door de Kerkstraat en de Meentsestraat. De Kerkstraat is een oud dijklichaam. De Meentsestraat is ontstaan achter de IJsseldijk. Aan de Kerkstraat bevond zich aan het begin van de twintigste eeuw behalve een kerk ook de school. Aan de Meentsestraat was behalve de molen wat verspreide bebouwing te vinden. Tot aan de tweede helft van de twintigste eeuw bestond Giesbeek uit niet veel meer dan enige bebouwing aan of rondom deze wegen. Daarna is Giesbeek gestaag gegroeid. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw zorgt de ligging aan de IJssel voor een nieuwe bron van inkomsten in de vorm van grootschalige recreatie in het Rhederlaag. Door afgraving van zand en grind zijn plassen met oevers ontstaan die geschikt zijn voor watersport. Ook de infrastructuur werd verbeterd. Met de aanleg van de Rivierweg verloor het historische lint de functie als belangrijke verbindingsweg.
Rond de centrale wegen heeft het dorp zich in de afgelopen decennia ontwikkeld. Het meest recente woongebied is Riesweerd, gelegen ten noorden van de Kerkstraat. Bij de Rivierweg is een bedrijventerrein aangelegd. Navolgende afbeelding geeft meer inzicht in de ruimtelijke kenmerken van Giesbeek.
Topografische kaart ruimtelijke situatie Giesbeek met daarop de ligging van het plangebied globaal in rood weergegeven (Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl).
6
Meentsestraat Onderhavig plangebied is gesitueerd aan het bebouwingslint van de Meentsestraat. De Meentsestraat vormt al sinds het ontstaan van Giesbeek de doorgaande weg van het dorp, zoals in voorgaande alinea beschreven. De bebouwing aan de Meentsestraat heeft een overwegend kleinschalig karakter. Het gaat voornamelijk om grondgebonden woningen bestaande uit één of twee bouwlagen met een kapconstructie. De bebouwing bestaat uit vooroorlogs gebouwen alsmede recentelijk gerealiseerde bebouwing. De percelen aan de Meentsestraat kenmerken zich daarnaast onder meer door groene voortuinen. In eerste instantie is de bebouwing in het bebouwingslint van de Meentsestraat gerealiseerd. Vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw is er meer bebouwing achter het lint gerealiseerd, onder andere ter hoogte van het IJsselpad en de Bongerd. Functioneel gezien is langs de Meentsestraat de woonfunctie nu dominant. Direct grenzend aan de locatie bevinden zich eveneens woonpercelen. Plangebied Het plangebied wordt gevormd door de percelen Meentsestraat 112 en 114 waar zich respectievelijk een aannemersbedrijf en een slagerij bevinden. Het gaat om bedrijfsfuncties die overwegend omringd worden door woningen. Aan de overzijde van het plangebied is nog een doe-het-zelf-zaak gevestigd. Ook ruimtelijk gezien vormt het plangebied op dit moment een uitzondering in het bebouwingslint.
De gronden zijn als gevolg van de bedrijfsfuncties vrijwel volledig verhard, onder andere voor parkeervoorzieningen, en hebben daardoor een stenig karakter zonder groene voortuin. De bebouwing is gerealiseerd aan het begin van de twintigste eeuw en is thans verouderd. De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie.
Impressie huidige situatie plangebied (Bron: Google Streetview).
7
2.2
Toekomstige situatie plangebied Het aannemersbedrijf en de slagerij zijn voornemens om hun bedrijfsactiviteiten ter plaatse te beëindigen. Om langdurige leegstand en verloedering te voorkomen doet zich de kans voor om de locatie op passende wijze te herontwikkelen ten behoeve van woningen. Met woningbouw wordt de mogelijkheid geboden om het bebouwingslint langs de Meentsestraat zowel ruimtelijk als functioneel gezien op een meer passende functie in te vullen. Functioneel gezien is langs de Meentsestraat immers de woonfunctie dominant. Bovendien wordt met de herontwikkeling een mogelijk milieuknelpunt opgeheven en kan aansluiting worden gezocht bij de functionele kenmerken van de omgeving als woonbuurt. Verder sluit de ontwikkeling van het plangebied qua aard en opzet aan bij de naastgelegen voorziene woningbouwontwikkeling. Het gaat om een ontwikkeling van 13 grondgebonden woningen op het agrarische perceel achter de percelen Meentestraat 114 tot en met 124. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld waarbinnen het realiseren van en dorps karakter, met aansluiting op de ruimtelijke kenmerken en karakteristieken van de omgeving, als uitgangspunt is gehanteerd. Daarom wordt de lintbebouwing aan de Meentsestraat voortgezet door de realisatie van een vrijstaande woning en een twee-onder-één-kapwoning met een groene voortuinzone.
Achter deze woningen bestaat de mogelijkheid om een kleinschalig woonbuurtje te maken, zoals dat vaker het geval is langs de Meentsestraat zodat aangesloten wordt op de huidige stedenbouwkundige opzet in Giesbeek. Er wordt een diversiteit aan woningtypen beoogd. In het plangebied zijn vrijstaande, twee-onder-één-kap- en rijwoningen voorzien. Dit zorgt voor huisvestigingsmogelijkheden voor starters, gezinnen en senioren. Het plan biedt ruimte aan maximaal 11 nieuwe woningen. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een functioneel programma van 7 rijwoningen, 2 twee-onder-éénkapwoningen en 2 vrijstaande woningen.
Stedenbouwkundig plan plangebied (Bron: MH Tekenwerk). 8
De beoogde woningen zijn grondgebonden en bestaan uit één à twee bouwlagen met een kapconstructie. Bergingen en garages zijn achter de voorgevelrooilijn voorzien, zodat een groene en dorpse voortuin kan worden gerealiseerd. De meest noordelijke woning, nabij de dijk (kavel 11), krijgt een bijzonder karakter en een markantere opzet en uitstraling. Door de positionering en de zichtlijnen vanuit de woning wordt verbinding gezocht met de Gieseplas. Het plangebied zal net zoals in de huidige situatie worden ontsloten via de Meentsestraat. Daarvoor zal een nieuwe entree worden gemaakt. De verkeersstructuur houdt rekening met de naastgelegen woningbouwontwikkeling en vormt bij de afronding van het naastgelegen plan één ontsluitingsstructuur. Parkeren gebeurt straks zowel op eigen terrein als in de vorm van openbaar parkeren. Daarbij is gekozen om enkele bomen aan te planten, zodat er een groen, prettig en kleinschalig karakter ontstaat. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat voorliggend plan ruimtelijk en functioneel gezien aansluit bij de karakteristieken van het plangebied en haar omgeving. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie van het plangebied.
Impressie toekomstige situatie ter plaatse van het plangebied (Bron: MH Tekenwerk).
9
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van Giesbeek centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Leegstaande verouderde bedrijfspercelen worden herontwikkeld naar een meer duurzame en toekomstbestendige invulling door middel van een dorpse woningbouwontwikkeling. Binnen het plan is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2.
3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. 10
Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Daarmee hoeft er voor dit plan geen toets aan de Ladder worden doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
11
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
12
Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen overige provinciale belangen raakt. In meer algemene zin geldt daarentegen wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van een goede ruimtelijke kwaliteit en een goede woon- en leefkwaliteit. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 Op 20 februari 2013 heeft de gemeenteraad van Zevenaar de structuurvisie ‘Samen kijken naar de toekomst 2012-2030’ vastgesteld. In de structuurvisie wordt ingezet op een vijftal hoofdopgaven: − versterken van de identiteit van Zevenaar met aandacht voor de diversiteit in landschappen, kernen en functies; − voldoende plek voor stedelijke ontwikkelingen tot 2030; − behoud van kwalitatief goede woon- en werkgebieden en goede voorzieningen; − tegengaan van versnippering van de leefomgeving incl. het leefbaar houden van de kernen; − nadrukkelijker inzetten op een duurzame ontwikkeling. In de structuurvisie wordt specifiek ingegaan op de visie voor de kernen van de gemeente Zevenaar. Wat betreft wonen wordt gesteld dat het woningbouwprogramma moet worden afgestemd op de behoefte van Giesbeek en het gemeentelijk woningbouwprogramma. Nieuwbouw dient een impuls te geven aan de kwaliteit, waarbij behoud en versterking van de identiteit van Giesbeek van belang is. Toetsing Met dit plan doet zich de kans voor om de verouderde en leegstaande bedrijfspanden te herontwikkelen ten behoeve van woningen, waardoor verloedering wordt voorkomen en een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid ter plaatse. Voor het plan is een diverse woonprogramma beoogd, gericht op verschillende doelgroepen.
Daarbij wordt aangesloten op de aard en kenmerken van de omgeving zonder het eigen karakter te verliezen. Daarmee sluit onderhavig plan aan bij het gestelde in de Structuurvisie.
3.3.2
Woonvisie Gemeente Zevenaar 2015-2025 Om ervoor te zorgen dat Zevenaar een prettige woongemeente blijft heeft de gemeente kritisch gekeken naar de vraag naar nieuwe woningen, de kwaliteit van de bestaande wijken en de demografische ontwikkeling in de gemeente. Hiertoe is de woonvisie opgesteld ter bepaling van de koers richting 2025. De visie richt zich op drie opgaven: − Het aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad; − Het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie; − Bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod.
13
Woondeal Op 4 maart 2020 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen ondertekend. Aanleiding hiervoor zijn de toenemende woningtekorten en de complexiteit van de stedelijke vraagstukken. De woondeal is een pakket met afspraken met het ministerie van BZK, de regio Arnhem-Nijmegen en de provincie Gelderland. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. Voor het laatste punt is afgesproken om 50% van de “zachte” plancapaciteit te realiseren in het betaalbare segment (sociale- en middeldure huur en betaalbare koop tot de NHG-grens, conform landelijke definities). Sub regionale woonagenda. In 2020 is de subregionale woonagenda geactualiseerd. De uitgangspunten uit de Liemerse Woonagenda zijn nog steeds relevant, al zien we op een aantal punten een accentverschuiving. Zo kijken wij nu vooral naar de kwaliteiten van het plan en naar de toegevoegde waarden van het plan op lokale en/of (sub)regionale behoefte en zijn we afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Bovendien hebben we de afgelopen jaren gewerkt aan een beter inzicht in vraag en aanbod in de Liemers.
Op basis van het regionale woningmarktonderzoek 2019 Arnhem- Nijmegen zijn de belangrijkste opgaven: − Voorkomen dat het woningtekort verder oploopt inde Liemers − Ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties − Behoefte aan betaalbaar wonen. Door de accentverschuiving zijn de uitgangspunten herijkt en zijn er zes punten geformuleerd in plaats van zeven. Parallel aan de Liemerse Woonagenda werken we in de Regio Arnhem Nijmegen ook samen aan de Woondeal. Die zal ons op een aantal punten helpen bij het uitvoeren van de opgaven en uitgangspunten die we in de Liemerse Woonagenda hebben geformuleerd. De toevoeging van woningen (en uitbreiding van de woningvoorraad) is noodzakelijk om de woningvraag als gevolg van de toename van het aantal huishoudens te kunnen faciliteren. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor middeninkomensgroepen. Volgens het woningbehoefteonderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen Voor de middeldure huur hanteren we € 850 als bovengrens:. Daarnaast geeft het onderzoek aan dat er vanuit de middeninkomens ook behoefte is aan vrije sector huurwoningen in de middenhuur. (voetnoot: Bij de bouw van betaalbare koopwoningen hanteren we € 250.000 als bovengrens (lager dan de grens in de Woondeal, waar de NHG-grens wordt hanteert).
Toetsing In de Woonvisie wordt gesteld dat de gemeente zich blijft inzetten om jongere leeftijdsgroepen en hogere inkomensgroepen aan te trekken. Dat is goed voor de lokale economie en noodzakelijk om voldoende draagvlak te behouden voor de voorzieningen. Deze voorzieningen zijn belangrijk voor een prettige woonomgeving en om de leefbaarheid op peil te houden.
14
Het plan voorziet in een divers woonprogramma, met kansen voor betaalbare en levensloopbestendige woningen. Dit betekent huisvestigingsmogelijkheden voor starters, gezinnen en senioren. De vrijstaande woningen zijn daarentegen uitermate geschikt voor hogere inkomensgroepen. Door de realisatie van woningbouw zal meer draagvlak ontstaan voor lokale voorzieningen. Voorliggend initiatief beantwoord daarmee nadrukkelijk aan de ambities uit de Woonvisie. Conclusie Voorliggend project is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.
15
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 11 nieuwe woningen binnen de bebouwde kom van Giesbeek. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het totale plangebied is circa 3.300 m2 groot.
Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarden kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling1 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er hoogstens een beperkt negatief effect kan optreden (soortenbescherming). De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
1
SAB (2021). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Giesbeek, Meentsestraat 112 en 114. Projectnummer: 180491. 4 januari 2021. 16
4.2
Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied is een verkennend bodemonderzoek en asbest in puinonderzoek2 uitgevoerd (NEN 5740 en NEN 5897). Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − de bodem op de locatie bevat in de bovengrond plaatselijk sporen puin; − in de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten cadmium, lood, zink en PAK aangetroffen. − in de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten nikkel en lood aangetroffen. − het grondwater is matig verontreinigd met barium en licht verontreinigd met nikkel, zink, xylenen en naftaleen. Het matig verhoogde gehalte barium heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong en derhalve is hiervoor geen aanvullend onderzoek noodzakelijk; − de puinverharding van erfverharding 1 is niet asbesthoudend; − in erfverharding 2 is een zeer licht verhoogd gehalte asbest aangetroffen. Dit gehalte ligt echter ruim beneden de norm voor nader onderzoek; − ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank zijn zowel in de grond als in het grondwater geen verontreinigingen aangetroffen.
Het plangebied is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. SAB heeft middels een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 3 de geluidsbelasting op de nieuwe woningen als gevolg van de omliggende wegen onderzocht.
2
De Klinker Milieu (2021). Verkennend bodemonderzoek en asbest in puinonderzoek. Meentsestraat 112-114 Giesbeek. Rapportnummer: K20B031. 6 oktober 2021. 17
3
SAB (2020). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Giesbeek, Meentsestraat 112 en 114. Projectnummer: 180491. 16 december 2020. 18
Op basis van dit onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: N338 (80 km/uur) De geluidbelasting vanwege de gezoneerde N338 (80 km/uur) bedraagt maximaal 41 dB inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt niet overschreden. Er wordt voldaan aan de Wgh. Tevens wordt de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid niet overschreden. Havenweg (60 km/uur) De geluidbelasting vanwege de gezoneerde Havenweg (60 km/uur) bedraagt maximaal 46 dB inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt niet overschreden. Er wordt voldaan aan de Wgh. Tevens wordt de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid niet overschreden. Meentsestraat (30 km/uur) De geluidbelasting vanwege de niet-gezoneerde Meenstestraat (30 km/uur) bedraagt maximaal 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt niet overschreden. Op basis van de resultaten wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Tevens wordt de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid niet overschreden. Klaverweide (30 km/uur) De geluidbelasting vanwege de niet-gezoneerde Klaverweide (30 km/uur) bedraagt maximaal 41 dB inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt niet overschreden.
Op basis van de resultaten wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Tevens wordt de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid niet overschreden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkings19
programma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van maximaal 11 nieuwe woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen.
De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
20
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met onderhavig plan worden gevoelige functies (woningen) mogelijk gemaakt. Aan de overzijde van het plangebied, aan de Meentestraat 93, bevindt zich ‘Doeland’. Deze winkel kent een detailhandelsbestemming en is ook als zodanig in gebruik. Detailhandel behoort tot milieucategorie 1, zoals vermeld in de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'. Voor milieucategorie 1 geldt een richtafstand van 10 meter in een rustig woongebied. De gemeten afstand tussen de grens van de detailhandelsbestemming tot aan de dichtstbijzijnde gevel binnen het plangebied bedraagt circa 14 meter, waarmee wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand. In de omgeving van de beoogde woningbouw bevinden zich verder sportvelden en een jachthaven. Dit zijn beide functies behorend tot milieucategorie 3.1. De richtafstand voor een functie behorend tot milieucategorie 3.1 bedraagt 50 meter. Aangezien de daadwerkelijke afstand circa 100 meter bedraagt voor de sportvelden en circa 200 meter voor de jachthaven wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG publicatie.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
21
4.6
Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In de directe nabijheid (circa 300 meter) van de ontwikkelingslocatie bevinden zich geen (intensieve) veehouderijen. Het uitvoeren van een nader onderzoek geurhinder is daarom niet noodzakelijk. Ook de bedrijfsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden niet belemmerd. Er zijn geen belemmeringen in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.
Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.
22
Toetsing Onderhavig plan voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten (woningen). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart met daarop het plangebied weergegeven door middel van een groene stip. Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat het plangebied buiten een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi-inrichting, transportroute en hogedruk aardgastransportleiding ligt. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Het plangebied ligt wel in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Zutphen. Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobron. Doordat de afstand tussen het plan en de risicobron groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Uitsnede risicokaart met daarop het plangebied weergegeven door middel van een groene stip (Bron: www.risicokaart.nl).
Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij wordt de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt.
23
De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Het plangebied wordt ontsloten door de Meentsestraat. Via deze weg is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten en kan van de bron af worden gevlucht. Conclusie De Veiligheidsregio is om een advies gevraagd.
Het advies is op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan nog niet voorhanden en zal voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan verwerkt worden.
24
4.8
Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.
Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
25
De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie.
Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapbeleid – Waterbeheerplan 2016-2021 waterschap Rijn en IJssel Dit waterbeheerplan is vastgesteld in november 2015 en vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015. In dit waterbeheerplan beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende zaken in de periode 2016-2021 gedaan worden: het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het zorgen voor het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. − Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
− Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. − Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. − Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.
26
Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht. Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of
Ja
HOOFDTHEMA’S Veiligheid
regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Nee
Riolering en Afvalwa-
1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
Ja
terketen
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
Nee
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)
Nee
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
Nee
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
Nee
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast
Nee
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee Nee (zie uitleg) Nee
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit
Nee
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit
Nee
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?
27
Nee
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
Nee
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?
Natte natuur
Nee Nee
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
Nee
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer
Nee
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Nee
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
AANDACHTSTHEMA’S Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
Nee
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
*
Nee
als op één of meer vragen per waterthema Ja wordt geantwoord dan is het thema relevant en zal de toelichting bij het kopje 3 ingevuld en toegevoegd moeten worden in het bestemmingsplan.
Waterveiligheid Uit voorgaande toetsing van de watertoetstabel en uit navolgende afbeelding blijkt dat het plangebied zich in beperkte mate aan de noordzijde binnen de kernzone, beschermingszone, buitenbeschermingszone en het profiel van de vrije ruimte van een waterkering bevindt. De werken die met het plan worden beoogd zijn vergunningplichtig op basis van de legger en de keur van het waterschap. De (beschermingszone van de) waterkering wordt doormiddel van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering' beschermd. Voor de noordelijk gelegen woning betekent dat dat de woning alleen gebouwd kan worden dan nadat is aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de waterkering en dan nadat advies is ingewonnen bij het waterschap. Het waterschap staat binnen de beschermingszone van de waterkering (ter vermeerderen met een denkbeeldig vlak met een dalende helling van 1:5) geen holle ruimten toe. Dit betekent dat de volgende zaken niet vergund gaan worden: − kruipruimtes, kelders; − drainage- of infiltratiekoffers; − bomen en struiken; − medium voerende buisleidingen (gas- en water); − toekomstige tuininrichtingen waarbij maaiveldverlagingen nodig zijn z.a. vijvers, trampolines e.d.
28
Uitsnede (ontwerp)legger Waterschap Rijn en IJssel met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: Waterschap Rijn en IJssel).
Grondwateroverlast De locatie ligt binnendijks waardoor het plangebied niet in het stroomvoerend regime c.q. de invloedsfeer van de IJssel ligt. Aangezien het plangebied in de huidige situatie reeds grotendeels verhard is zal er geen wijziging optreden in de huidige situatie van het grondwater. Bovendien vindt met dit plan geen ophoging van het maaiveld (met meer dan 50-100 m3) plaats. Overige waterbelangen Verder heeft raadpleging van de digitale legger van het waterschap Rijn en IJssel aangetoond dat er geen andere waterbelangen spelen waar bij de herontwikkeling rekening mee moet worden gehouden. Watermanagement plangebied Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard (circa 3.100 m2). In de toekomstige situatie zal de verharding naar verwachting circa 2.300 m 2 zijn. Er zal dan ook sprake zijn van een afname van het verhard oppervlak. Binnen de ontwikkeling zijn diverse maatregelen op het gebied van watermanagement voorzien en verder uitgewerkt in een rapportage4 die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Zo wordt het hemelwater op het eigen perceel geïnfiltreerd door middel van een systeem van dakgoten, regenpijpen en een schoonwaterriool waarmee het water wordt verzameld in
4
Ebbers (2021). Watermanagement & Natuurinclusief bouwen. Project: nieuwbouw 11 woningen te Giesbeek. 6 januari 2021 29
één of meerder verzamelputten met zandvangfunctie. Deze putten worden aangesloten op een stelsel van infiltratieunits, die in de ondergrond aangebracht worden. Een verdere uitwerking van het watermangement vindt in het kader van de omgevingsvergunning plaats. Overleg waterschap Initiatiefnemer heeft in het kader van de planvorming overleg gevoerd met het waterschap. Hierna wordt ingegaan op de overeengekomen afspraken tussen beide partijen. Voor zowel het bouw- en woonrijp maken als de bouw van de nieuwe woningen plus voorzieningen is een watervergunning nodig van het waterschap. De aanvraag kan ingediend worden als het vooroverleg tussen ons beiden is afgerond, en er een definitief ontwerp is goedgekeurd door het waterschap. Voor de bouw van uw woningen worden dezelfde uitgangspunten toegepast als bij de naastgelegen bouwontwikkeling. Dit betekent dat in afwijking van de huidige regelgeving het waterschap niet de recent aangepaste regelgeving rondom het profiel van de vrije ruimte hanteert, maar de oude regelgeving gebruikt. Concreet betekent dit dat niet mag worden gebouwd beneden het huidige maaiveld. Er mogen geen maaiveldverlagingen en holle ruimten worden gecreëerd beneden het huidige maaiveld. Uitzonderingen hierop zijn rioleringen (buisleidingen hwa en dwa). De woningen moeten echter aangesloten worden vanaf de zuidoostzijde van de woning. Dus niet aan de dijk zijde.
De leidingen moeten vanaf de woning via de kortste weg naar de Meentsestraat worden aangelegd. In het ontwerp dienen de voorzieningen als infiltratie, tuininrichting, erfafscheiding, kabels en leidingen te worden ingetekend. Bij infiltratie zijn ingegraven kratten niet toegestaan, omdat dit holle ruimten zijn beneden maaiveld. In het overleg is aangegeven dat de woning die het dichtst bij de dijk wordt gebouwd, op een terp of aanberming wordt gebouwd. Hiervoor ontvangt het waterschap een uitgewerkt dwarsprofiel op schaal met dijk en woning incl. aanberming en maatvoering. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.