1082571 Bijlage 2 Toelichting
Tekst van het document
29
Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. En het is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Rijn & IJssel Waterbeheerplan 2016-2021 In november 2015 heeft het Waterschap Rijn & IJssel het waterbeheerplan vastgesteld. Het waterbeheerplan beschrijft op welke wijze de volgende zaken in de periode 2016-2021 gedaan worden: − het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water; − het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; − en het zorgen voor het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk.
Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap. − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. − Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
30
− Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. − Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. − Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in lage gebieden zoekt het waterschap naar compensatie van het verlies aan bergingscapaciteit, om een toename van problemen met wateroverlast te voorkomen. De rekening voor de compensatie is voor de initiatiefnemers van de ruimtelijke ontwikkeling. Watervisie 2030 De Watervisie geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen. Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf. Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Een dergelijk watersysteem heeft onder meer de mogelijkheid om (in geval van veel neerslag) voldoende water op te vangen en water (in geval van te zware belasting) voldoende te reinigen. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding.
Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op oppervlaktewater kleiner wordt. Keur Waterschap Rijn en IJssel legt de eigen regels vast in de zogeheten Keur. Dat is de traditionele benaming voor de verordening waarmee de veiligheid van dijken, watergangen en kades wordt geregeld. Maar ook het al dan niet toestaan van activiteiten of bouwwerken nabij het water en de dijken, lozingen op het oppervlaktewater en het oppompen van grond- en oppervlaktewater zijn erin geregeld. 4.9.2
De waterparagraaf In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met onder andere de waterschappen. In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens hieronder beschreven.
31
Beschrijving van het watersysteem in het plangebied De hoogte van het maaiveld ligt omstreeks NAP +11,5 meter. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de legger van het waterschap weergegeven, met daarop De Holtkamp weergegeven (het gehele buurtschap). De groene stippellijn in de legger is een administratieve lijn.
De Holtkamp
Uitsnede legger, met globale aanduiding buurtschap De Holtkamp (rood) (Bron: Waterschap Rijn & IJssel). Thema
Toetsvraag
Relevant
Intensiteit
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het
Nee
2
Nee
2
Ja
2
Nee
1
Nee
1
Ja
2
plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? Riolering en
1. Is de toename van het afvalwater
afvalwaterketen
(DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Wateroverlast
1. Is er sprake van toename van het
(oppervlaktewater)
verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
32
2. Is er sprake van toename van het
Ja
1
Nee
1
Nee
1
Nee
1
Nee
1
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee
1
3. Beoogt het plan dempen van
Ja
1
4. Beoogt het plan aanleg van drainage?
Ja
1
1. Ligt het plangebied in de
Nee
1
Ja
1
Nee
2
Nee
1
Nee
1
Nee
2
Nee
2
Nee
1
Nee
1
Nee
1
Nee
2
verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Oppervlaktewater-
1. Wordt vanuit het plangebied
kwaliteit
(hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
perceelsloten of andere wateren? Grondwaterkwaliteit
beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Inrichting en beheer
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?
Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
33
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische
Nee
1
waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Riolering en Afvalwaterketen Het rioolstelsel heeft voldoende capaciteit om de toename in het afvalwater van 1,8 m3/uur te verwerken (circa 10 liter per persoon per uur x 180 = 1.800 liter = 1,8 m3/uur). Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en wordt ter plaatse geïnfiltreerd / geborgen. Het functioneren van de riolering wordt niet nadelig beïnvloed en het milieu wordt niet zwaarder belast dan in de huidige situatie. Wateroverlast (oppervlaktewater) Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Binnen het plangebied is in de huidige situatie vrijwel geen m2 verhard oppervlak aanwezig. In de toekomstige situatie zal circa 40% van het plangebied verhard zijn. Bij de uiteindelijke inrichting van het gebied worden voorzieningen gerealiseerd om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen. Binnen het plangebied is hiervoor voldoende ruimte. Waterkering Het plangebied grenst gedeeltelijk aan een watergang die in het beheer is van het waterschap.
Met dit plan worden geen veranderingen in het watersysteem aangebracht. Procedure Als er op een intensiteit 2 vraag (zie voorgaande tabel) een ‘ja’ is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Gelet op het feit dat het afvalwater met meer dan 1,0 m3/uur toeneemt en het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2 toeneemt, moet een uitgebreide watertoets worden doorlopen. Dit houdt in dat samen met het waterschap een watertoetsproces wordt doorlopen en in overleg met het waterschap wordt bekeken wat de waterkansen en -knelpunten zijn. Nadere afstemming met het waterschap vindt nog plaats. 4.9.3
Conclusie Deze waterparagraaf is aan het waterschap voorgelegd en akkoord bevonden.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de 34
Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor de gronden geldt een archeologische dubbelbestemming. De gronden binnen buurtschap De Holtkamp zijn deels aangeduid als 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' en deels als ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting'. Ter plaatse van de genoemde aanduidingen geldt dat het verboden is om een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders: − bij ‘specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' voor bodemingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 meter; − bij ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting ' voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 meter. ADC ArcheoProjecten heeft op de plekken die een hoge archeologische verwachtingswaarde kennen een bureau- en inventariserend veldonderzoek9 in de vorm van boringen uitgevoerd, voor de bouw van woningen in De Holtkamp (het gehele buurtschap). Hierna worden de bevindingen kort omschreven.
Om de opgestelde archeologische verwachtingen (uit het bureauonderzoek) te toetsen en aan te vullen is in het onderzoeksgebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek bleek dat de pleistocene ondergrond van het plangebied bestaat uit zandige Kreftenheye-afzettingen. De top hiervan is aangetroffen tussen 55 en 200 cm -mv (9,3 en 10,6 m +NAP). De pleistocene afzettingen worden afgedekt door een pakket holocene komklei dat een dikte heeft van 50 tot 200 cm. In het zuidwestelijk deel van het plangebied worden de komafzettingen afgedekt door een pakket zandige crevasse- of dijkdoorbraakafzettingen, met een vermoedelijk laatmiddeleeuwse ouderdom. De afzettingen hebben een totale dikte van 50 tot 70 cm -mv en reiken tot aan het maaiveld. Het pleistocene oppervlak vertoont enig reliëf. In de zuidelijke helft van het plangebied is mogelijk sprake van een terrasovergang. Uit de boringen blijkt evenwel geen duidelijke gradiëntzone. Verder heeft het booronderzoek geen aanwijzingen opgeleverd voor archeologisch kansrijke lagen (bijvoorbeeld laklagen, bodems of de Laag van Wijchen). Evenmin zijn cultuurlagen of oude akkerniveaus aangetroffen.
Ten aanzien van het grootste deel van het plangebied (te weten de huidige agrarische percelen) is op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat de kans klein is dat de voorgenomen ingrepen (ontwikkeling van de woonwijk) zullen leiden tot aantasting van archeologische resten. Ten aanzien van (het erf van) de boerderij De Holtkamp alsmede de erven aan de Sleeg 15 en 19 geldt dat de kans hier wél groot
9
ADC ArcheoProjecten (2019). Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Groot-Holthuizen te Zevenaar. Rapportnummer: 4984. 28 november 2019. 35
wordt geacht dat bouw-, sloop- en/of graafwerkzaamheden zullen leiden tot aantasting van archeologische resten.
Landweer
Boerderij De Holtkamp
Advieskaart archeologie (Bron: ADC ArcheoProjecten).
ADC ArcheoProjecten adviseert om in de delen van het plangebied met een hoge archeologische verwachting voor (laat)middeleeuwse bewoningssporen (bovengenoemde erven aan de Sleeg 15, 17 en 19) een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven uit te laten voeren (IVO-P). Hierbij is van belang dat het onderzoek zich ook richt op de delen die momenteel nog bebouwd zijn (en waar sloopwerkzaamheden gaan plaatsvinden). Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het vaststellen en documenteren van mogelijk aanwezige oudere bebouwingsresten (alsmede erfstructuren) op de erven. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Ten aanzien van de landweer wordt aanbevolen om geen (graaf)werkzaamheden uit te voeren in de (intacte delen van de) landweer, inclusief een (buffer)zone van 5 meter aan weerszijden ervan. Indien dit niet mogelijk is en ingrepen zullen plaatsvinden in de
36
landweer, dan wordt aanbevolen om eveneens een gericht proefsleuvenonderzoek te doen naar de opbouw van de landweer. Ook in dat geval dient hiertoe een PvE te worden opgesteld. Ten aanzien van de overige delen van het plangebied wordt aanbevolen om deze vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Omdat het niet is niet uit te sluiten dat binnen het vrijgegeven gebied toch nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn, verdient het aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Voor de gronden van de boerderij De Holtkamp wordt vervolgonderzoek aanbevolen.
Landweer
Boerderij De Holtkamp
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen. 37
Toetsing Het plangebied of de directe omgeving daarvan herbergt geen cultuurhistorische waarden waar in dit bestemmingsplan rekening mee gehouden moet worden. Ten behoeve van landschapswaarden is een landschapsplan opgesteld, zoals besproken in paragraaf 2.2. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer In het kader van het aspect verkeer is voor de ontwikkeling van Groot Holthuizen door Antea Group een verkeersonderzoek10 uitgevoerd. Het plangebied wordt voor autoverkeer via de Landeweerdijk in oostelijke en westelijke richting ontsloten, zoals navolgend inzichtelijk gemaakt. Uit verkeerskundig onderzoek volgt dat dit leidt tot een goede verkeersafwikkeling. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
De Holtkamp
Toekomstige verkeersstructuur (Bron: Antea Group).
10
Antea Group (2017). Verkeersonderzoek uitbreiding Groot Holthuizen (deel 2). Projectnummer: 0412259.00. 1 juni 2017. 38
Parkeren Voor wat betreft parkeren geldt dat in de planregels is bepaald, dat er dient te worden voldaan aan de gemiddelde parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie nummer 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Dit is onderdeel van de toets van de omgevingsvergunning, waardoor geborgd is, dat er voldoende parkeervoorzieningen worden aangelegd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
39
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
40
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de 41
beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van wat hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Groot Holthuizen en Hengelder II’. Dit bestemmingsplan kent uitsluitend de enkelbestemming ‘Wonen’. Deze bestemmingen wordt hierna kort toegelicht. Wonen Aan het plangebied is de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Hiervoor geldt dat hoofdgebouwen binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd moeten worden. Binnen dit vlak zijn maximaal 24 woningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn bij recht ook aan huis verbonden beroepen toegestaan, echter beperkt tot een oppervlakte van ten hoogste 30% per woning tot een maximum van 75 m2.
5.2.2
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
42
6
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Voor de gemeente Zevenaar zijn er naast het opstellen van dit bestemmingsplan en de procedurekosten, geen verdere kosten verbonden. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Het plan zal worden ontwikkeld door ontwikkelaars. Met de ontwikkelaars wordt een anterieure overeenkomst afgesloten. De ontwikkelaars beschikken over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De kosten voor het bestemmingsplan en de procedure worden gedekt via de grondprijs bij de uitgifte van de bouwkavels. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
43
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (zienswijzenprocedure).
7.1
Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening moet het bestemmingsplan worden voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
7.2
Ontwerp Op de procedure van het bestemmingsplan is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging heeft het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegen van 20 mei 2021 tot en met 30 juni 2021. Er zijn tijdens die periode geen zienwijzen ingediend.
44