CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1075391 Bijlage 10 Quickscan natuur

Raadsvergaderingen 2022-2026 21 september 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/21/389010 Vaststelling bestemmingsplan Meentsestraat 112-11410.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

Giesbeek, Meentsestraat 112 & 114

Ebbers project & vastgoedontwikkeling B.V.

Datum: 8 februari 2021 Projectnummer: 180491 Versie 2

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

7

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

7 8 9

3

Onderzoeksmethode

10

3.1 3.2 3.3

Deskundigheid Definitie product Werkwijze

10 10 10

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

12

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

12 13 23

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

24

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

24 24 28

6

Conclusie

29

6.1

Vervolgstappen

30

Geraadpleegde bronnen

3

Bijlage 1. Wettelijk kader

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op de Meentsestraat 112 en 114 te Giesbeek bevindt zich een aannemersbedrijf en een slager. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing gesloopt en is een wijziging in het bestemmingsplan nodig. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het dorp Giesbeek (gemeente Zevenaar, provincie Gelderland). De omgeving van Giesbeek kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van de rivier de IJssel. In de nabijheid liggen de plassen Valeplas, Gieseplas en Lathumse Plas en natuurgebieden als de Veluwezoom en de Posbank. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en bedrijven. Ten oosten en westen van het plangebied zijn woonhuizen aanwezig. Ten zuiden bevindt zich de Meentsestraat met daarachter een bedrijvenpand. Ten noorden bevindt zich een dijk, waarachter de Gieseplas ligt. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Op 12 november 2020 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een aannemersbedrijf, een slager met de winkel met een slachthuis, garageboxen, een schuur en een gedeelte verharde grond welke als opslaglocatie en parkeerplaats in gebruik is. In het noordelijke gedeelte van het plangebied staan enkele jonge bomen.

4

Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

1.2.2

Het aannemersbedrijf;

De winkel van de slager;

Het slachthuis;

De opslagruimte van het aannemersbdrijf.

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal gaan om twee vrijstaande woningen, twee rijtjeswoningen en één twee-onder-een-kap woning. In totaal zullen 10 woningen in het plangebied aanwezig zijn. Voor de nieuwbouw wordt de bestaande bebouwing gesloopt (de slachterij, het aannemersbedrijf, de schuur en de garageboxen). Ook worden de aanwezige bomen en het groen binnen het plangebied verwijderd. Zie navolgende afbeelding voor de toekomstige situatie.

5

Toekomstige situatie van het plangebied. Bron: MHtekenwerk.

6

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.

De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.

7

De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

8

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

9

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 4 november 2020, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 12 november 2020, bij droog, windstil, onbewolkt weer en een temperatuur van circa 11 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.

Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

10

Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

11

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Rijntakken” en “Veluwe” in de directe omgeving van het plangebied. Deze liggen 200 meter en 3 kilometer van het plangebied verwijderd.

Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden Rijntakken (blauw en groen) en Veluwe (groen). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk, maar wel binnen de Groene Ontwikkelingszone (zie navolgende afbeelding). Ook ligt het plangebied in een rustgebied voor ganzen. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het Gelders Natuurnetwerk bevindt zich op 1,5 kilometer ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied bevindt zich op 400 meter afstand van het plangebied.

12

Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, rustgebied voor winterganzen en weidevogelgebieden. Bron: Provincie Gelderland. Bewerking: SAB.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook is enig groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.

4.2.2

Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek rondom het plangebied zijn soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk direct in de omgeving van het plangebied tot broeden komen. Daarnaast is direct naast het plangebied een vogelnest waargenomen. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.

13

Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017c). In het plangebied zijn mogelijk geschikte nestlocaties van de huismus aangetroffen. Deze mogelijke geschikte locaties zijn aangetroffen bij de winkel en de slachterij van de slager. Zie navolgende afbeeldingen.

Aanwezige geschikte nestlocaties voor de huismus

Naast de mogelijk geschikte nestlocaties, zijn er tijdens het veldbezoek ook sporen van uitwerpselen van gevonden die mogelijk van huismussen zijn. Het voorkomen van huismussen in het plangebied kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten. Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). De gebouwen zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van kieren in muren of onder dakpannen die een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw kunnen zijn. In de gebouwen in het plangebied zijn meerdere kieren aanwezig die een geschikte nestlocatie kunnen vormen. Dit betreft onder andere ruimtes onder dakpannen en kieren onder de dakrand. Zie navolgende afbeeldingen.

De geschikte locaties zijn aangetroffen bij de winkel en de slachterij van de slager en bij het aannemersbedrijf.

Aanwezige geschikte nestlocaties voor de gierzwaluw.

14

Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In het plangebied is sprake van een voornamelijk versteende bodem. De overige gronden zijn voedselrijke en regelmatig bewerkte. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht en zijn dan ook niet aangetroffen.

4.2.4

Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). 15

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de verspreidingsatlas komen de bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter en wezel in de omgeving van het projectgebied voor. Het terrein is bijna volledig versteend en bestaat voor een klein deel uit kort gemaaid grasland. Dekking of schuilgelegenheid van struweel of andere beschutting biedende landschapselementen is niet aanwezig. De bever, das, otter en hermelijn zijn soorten die de bebouwde kom mijden. Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom. In het noorden grenst het plangebied aan het buitengebied. Het plangebied wordt hier echter omsloten door een dijk, waarop een weg aanwezig is. De kans is, vanwege de ligging in de bebouwde kom en de aanwezigheid van de dijk, klein dat één van deze soorten het plangebied bereikt. Daarnaast biedt het plangebied niet het juiste habitat voor deze soorten. Het voorkomen van de bever, otter en hermelijn in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden. De boommarter en eekhoorn zijn afhankelijk van bomen voor hun voortplanting. In het plangebied staat maar enkele jonge bomen, die niet geschikt zijn als nestlocatie voor de boommarter of eekhoorn. In de bomen waren geen holen of nesten aanwezig. Daarnaast bevindt het plangebied zich niet in een bosrijke omgeving. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden.

De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Het plangebied is uitvoerig onderzocht op sporen, als prooiresten, uitwerpselen en pootafdrukken, van de steenmarter. Hierbij zijn ook de leegstaande schuren en zolders onderzocht. Sporen werden niet gevonden. In het plangebied zijn ook geen groenstructuren als heggen, bosjes of greppels aanwezig. Ook zijn geen geschikte schuillocaties aanwezig. De opslag voor materiaal dat op het terrein aanwezig is, wordt dagelijks gebruikt en het materiaal dagelijks versleept. Hier kunnen dus geen rustplaatsen aanwezig zijn. De steenmarter kan wel incidenteel voorkomen in het plangebied, maar omdat het plangebied maar een klein oppervlakte omvat en omdat geschikte schuilplaatsen afwezig zijn, zal het plangebied niet onderdeel uitmaken van de essentiële leefomgeving van de steenmarter.

De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens 2017). Het plangebied bevindt zich aan de rand van het buitengebied, wat geschikt gebied vormt voor de bunzing. In het plangebied zijn echter geen geschikte schuilplaatsen aanwezig. Holen zijn niet gevonden en het aanwezige materiaal wordt vaak versleept. De bunzing kan wel incidenteel voorkomen in het plangebied, maar omdat het plangebied maar een klein

16

oppervlakte omvat en omdat geschikte schuilplaatsen afwezig zijn, zal het plangebied niet onderdeel uitmaken van de essentiële leefomgeving van de bunzing. De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). Het plangebied bevindt zich aan de rand van het buitengebied, wat geschikt gebied vormt voor de wezel. In het plangebied zijn echter geen geschikte schuilplaatsen aanwezig. Holen zijn niet gevonden en het aanwezige materiaal wordt vaak versleept. De wezel kan wel incidenteel voorkomen in het plangebied, maar omdat het plangebied maar een klein oppervlakte omvat en omdat geschikte schuilplaatsen afwezig zijn, zal het plangebied niet onderdeel uitmaken van de essentiële leefomgeving van de wezel. 4.2.5

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast kan de meervleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). De gebouwen zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen. Op verschillende plekken zijn open stootvoegen en kieren en ruimtes onder dakpannen aangetroffen. Zie navolgende afbeeldingen.

17

Ruimte onder de dakpannen en open stootvoegen.

Vleermuizen kunnen via de aangetroffen stootvoegen, kieren en ruimtes onder dakpannen de spouwmuur en de ruimte bij het dakbeschot bereiken. De verschillende invliegopeningen hebben een vrije aanvliegroute en in de directe omgeving van de mogelijke verblijfplaatsen is geschikt foerageergebied aanwezig. Namelijk bij de groene tuinen aan de oostkant net buiten het plangebied en het weiland aan de westkant net buiten het plangebied. Foerageergebied in de directe omgeving van een potentiele verblijfplaats vergroot de kans dat een ruimte als verblijfplaats wordt gebruikt. Vanwege de mogelijk geschikte verblijfplaatsen en de foerageerplekken in de nabijheid, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten. De geschikte locaties zijn aangetroffen bij de winkel en de slachterij van de slager, bij het aannemersbedrijf en bij de garageboxen. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan een aantal jonge bomen.

Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten.

18

Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

Meervleermuis

x

x

x

-

Gewone grootoorvleermuis

x

x

x

-

Watervleermuis

-

-

-

-

Baardvleermuis

-

x

-

-

Brandt’s vleermuis

x

x

-

-

Bosvleermuis

-

-

-

-

Franjestaart

-

-

-

-

Rosse vleermuis

-

-

-

-

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Bomen vormen geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied heeft echter een beperkte oppervlakte en er zijn maar weinig bomen aanwezig. Daarnaast is in de directe omgeving van het plangebied vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Dit betreft onder andere de groene tuinen ten oosten net buiten het plangebied. Het is niet waarschijnlijk dat de bomen in het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen.

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In het plangebied is geen sprake van een doorlopende groenstructuur. De aanwezigheid van een essentiële vliegroute voor vleermuizen kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. 4.2.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van 19

de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis in de buurt van het plangebied voor. De gladde slang komt in Nederland voornamelijk voor op de Veluwe en enkele grotere hoogvenen en stuwwallen in Oost- en Zuid-Nederland. De soort is gebonden aan droge, zonnige habitats zoals heidevelden, rotswanden en wijngaarden. In hoogveen komt de soort vooral in de drogere randzones voor (vaak bij dijkjes en paden) omdat de hoogveenkern te nat is voor overwintering. Vooral droge heideterreinen worden bewoond maar ook open bossen en jonge aanplant op zandgrond. De soort overwintert in vorstvrije holen onder de grond tussen oktober en april (Creemers & van Delft 2009, www.ravon.nl). Habitat van de gladde slang, zoals hierboven beschreven, komt niet voor in het plangebied. Het voorkomen van deze soort kan dan ook uitgesloten worden. De hazelworm leeft in bossen, bosranden, houtwallen en heide maar ook in parken en tuinen in een bosrijke omgeving. De soort wordt het meest in de randzone van heideen bosterreinen aangetroffen.

Het leefgebied bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Ze hebben daarbij een voorkeur voor habitats met voldoende gevarieerde structuur in de vegetatie en ook met holen en gaten in de grond. Door deze variatie kunnen de dieren hun temperatuur regelen zonder in alle openheid te hoeven zonnebaden. Ook in kleinschalig cultuurlandschap kan de soort worden aangetroffen. Hazelwormen leven deels ondergronds, onder blad of onder heidestruiken. De overwintering gebeurt ondergronds, in droge holten, die gedeeltelijk zelf gegraven zijn (Creemers & van Delft, 2009). In het plangebied is een bosrijke omgeving afwezig. De bodem in het plangebied is grotendeels versteend en biedt hierdoor geen kruidlaag voor de hazelworm om in weg te kruipen. Het voorkomen van de hazelworm in het plangebied kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals natte heiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Heide en hoogveen zijn een voorkeurshabitat. De soort wordt ook vaak in bermen, dijken en langs spoorlijnen aangetroffen welke van grote betekenis zijn voor de uitwisseling tussen populaties. Ook in half-natuurlijke graslanden en ruigten kan de soort gedijen. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging.

Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). Habitat van de levendbarende hagedis is niet aanwezig in het plangebied. Wel bevindt zich ten noorden net buiten het plangebied een dijk. Zoals hierboven beschreven komt de levendbarende hagedis vaak bij dijken voor. De dijk is echter begroeid met een dicht grasmat van Engels raaigras. Open plekken om te zonnen of schuilgelegenheden ontbreken. Daarnaast loopt er een autoweg over de dijk, wat voor verstoring zorgt. Het voorkomen van de levendbarende hagedis op deze dijk is dan ook niet te verwachten. Omdat het plangebied geen geschikt habitat biedt en omdat in de omgeving van het plangebied geen geschikt leef-

20

gebied aanwezig is, kan het voorkomen van de levendbarende hagedis uitgesloten worden. De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft 2009). Net zoals bij de levendbarende hagedis, kan de ringslang op dijken voorkomen. De aanwezige dijk is echter weinig geschikt voor reptielen. Open plekken en ruigtes ontbreken.

Ook loopt een autoweg over de dijk, wat voor verstoring van de soort zorgt. De kans dat de ringslang op de dijk voorkomt is dan ook klein. In het plangebied zelf is ook geen geschikt habitat aanwezig. De bodem is grotendeels versteend en mogelijkheden voor broeihopen zijn afwezig. Het voorkomen van de ringslang in het plangebied kan derhalve uitgesloten worden. De zandhagedis komt voor op droge en zandige plekken op (struik)heidevelden, duinen of bosranden. Ook op open plekken in het bos en langs weg- en spoorbermen is de soort te vinden. De aanwezigheid van struikhei en helm en voldoende zonnige plekken zijn hierbij de belangrijkste structuurbepalende landschapskarakteristieken. De optimale habitat is een mozaïek van dwergstruikvegetatie, hogere grassen en kale grond. In kalkrijke duinen betstaat het voorkeurshabitat uit met duinriet vergrast duindoornstruweel met lage grassen, korstmossen en zand. Zandhagedissen overwinteren in de grond in een verlaten zoogdier- of een zelf gegraven hol (Creemers & van Delft, 2009). Habitat als droge en zandige plekken op (struik)heidevelden, duinen of bosranden is niet aanwezig in het plangebied. De zandhagedis zal dan ook niet aanwezig zijn in het plangebied. 4.2.7

Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aan-

21

wezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad in de buurt van het plangebied voor. In of in directe omgeving van het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen zonder vis aanwezig. Het dichtstbijzijnde watervoerend element zijn namelijk de plassen ten noorden van het plangebied achter de dijk en deze plassen staan op de Gezamenlijke Lijst van Nederlandse Viswateren. Het is daarom op voorhand uitgesloten dat voortplantingshabitat van amfibieën in het plangebied aanwezig is. Verder zijn in het plangebied vrijwel geen schuilmogelijkheden aanwezig en is er geen geschikt voortplantingshabitat van beschermde amfibieën in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het is daarom ook uitgesloten dat in de huidige situatie in het plangebied landhabitat van beschermde amfibieën aanwezig is. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Als het plangebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. 4.2.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.

4.2.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).

22

In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied en zijn dan ook niet aangetroffen.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. In het plangebied zijn wel bomen en struiken aanwezig. Maar deze bomen en struiken zijn geen onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting die groter is dan 20 bomen.

23

5 5.1

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Mogelijke effecten op beschermde gebieden Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe in de directe omgeving van het plangebied liggen. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten (Rijksoverheid, 2020). Om te onderzoeken of negatieve effecten op Natura 2000-gebied mogelijk zijn, adviseren wij nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening. Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen door geluid en licht. Dit komt voornamelijk door de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de aanwezigheid van de dijk tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied (Arcadis 2014). Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het Gelder Natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 1,5 kilometer ten noorden van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het besluitgebied niet in de GNN is ten opzichte van het GNN geen verdere toetsing noodzakelijk. De voorngenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben.

De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Het plangebied maakt wel deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. Ruimtelijke ontwikkeling via een bestemmingsplanwijziging binnen de GO is toegestaan zolang de natuurkwaliteit er op vooruit gaat. In het besluitgebied zijn geen natuurwaarden aanwezig die enige toevoeging hebben voor de GO. Zo ligt het plangebied in de bebouwde kom van Giesbeek en bestaat het plangebied grotendeels uit verharde grond. Ruimte voor ganzen om te foerageren is ook niet aanwezig. In de huidige situatie zijn wel gebouwen aanwezig, wat mogelijk nestgelegenheid biedt voor vogels huismus en gierzwaluw. Echter in de nieuwe situatie zal vanwege nieuwbouw meer nestgelegenheid ontwikkeld worden voor soorten als huismus en/of gierzwaluw, wat vogels van cultuurgronden zijn. Meer geschikt habitat voor soorten van cultuurgronden is één van de ontwikkelingsdoelen van het betreffende deel (“De Liemers West”) van de GO. Aangezien er geen ontwikkelingsdoelen in het geding komen en er wel positieve effecten voor één van de ontwikkelingsdoelen gerealiseerd worden, kan geconcludeerd worden dat de natuurkwaliteit er op vooruit gaat en er geen verdere toetsing benodigd is op het gebied van de Groene Ontwikkelingszone.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuur-

24

bescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen. Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden verstoord, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.

Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.

25

Jaarrond beschermde nesten Naast soorten waarvan het nest alleen in de broedtijd beschermd is, zijn mogelijk ook soorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. Dit betreft de soorten huismus en gierzwaluw. Met de geplande werkzaamheden gaan mogelijk aanwezige nesten waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vogels. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in het plangebied of de omgeving aanwezig. 5.2.3

Overige beschermde soorten Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht. Soorten, waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, laatvlieger, meervleermuis). Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren.

Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig. Ook kan met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen leefgebied van de rugstreeppad ontstaan. Wanneer het terrein namelijk braak komt te liggen, kunnen ondiepe poelen ontstaan en kan de rugstreeppad zich ingraven in de bodem. Aangeraden wordt om

26

tijdens de verbouwing ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. 5.2.4

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Gierzwaluwen Het nader onderzoek gierzwaluwen dient volgens het kennisdocument gierzwaluw (BIJ12 2017b) plaats te vinden door middel van drie 3 inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli, tussen twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang, tijdens goede inventarisatieomstandigheden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de huismus (BIJ12 2017a). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni.

De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, rond één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van 10 dagen. Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Drie daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vijf veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer.

27

Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Vleermuizen Gierzwaluwen Huismussen

5.3

Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het plangebied is geen houtopstand aanwezig. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

28

6

Conclusie Op de Meentsestraat 112 en 114 te Giesbeek bevindt zich een aannemersbedrijf en een slager. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing gesloopt en is een wijziging in het bestemmingsplan nodig. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Rijntakken en Veluwe liggen in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken en Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUSberekening is daarom noodzakelijk.

Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur negatief beïnvloedt wordt. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van gierzwaluw en huismus.

Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk

29

Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ook kan met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen leefgebied van de rugstreeppad ontstaan. Aangeraden wordt om tijdens de verbouwing ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

6.1

Vervolgstappen -

Uitvoering AERIUS-berekening; Nader onderzoek effect ontwikkeling op Groene Ontwikkelingszone en rustgebied voor ganzen; Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties huismus en gierzwaluw; Voorkom vestiging van de rugstreeppad tijdens de aanlegfase; Houdt rekening met de zorgplicht; Houdt rekening met de broedperiode.

30

Geraadpleegde bronnen Literatuur Arcadis. 2014. Effectenafstanden Natura 2000-gebiedn Veluwe en Rijntakken. BIJ12. 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Bouwens, S. 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, rapport 2017.32. Bos, F. Bosveld, M. Groenendijk, D. van Swaay, C. Wynhof, I. De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming. Nederlandse fauna deel 7. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Lange, R. Twisk, P. van Winden, A. van Diepenbeek, A. 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Uitgave DDW en VZZ. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna deel 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=17d575ae-6bef-4847-8d04-1fcf075bd5b0