CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1075387 Bijlage 6 Vormvrije mer -beoordeling

Raadsvergaderingen 2022-2026 21 september 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/21/389010 Vaststelling bestemmingsplan Meentsestraat 112-1146.618 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Giesbeek, Meentsestraat 112 en 114

Gemeente Zevenaar

Datum: 4 januari 2021 Plannummer: 180491

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 4 6

2

Kenmerken van het plan

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

7 7 8 8

3

Plaats van het plan

10

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

10 10 10

4

Kenmerken van het potentiële effect

16

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Inleiding Natuur Archeologie Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

16 17 19 19 20 21

5

Conclusie

23

Gebruikte onderzoeken/bronnen

25

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Meentsestraat 112 en 114 in het westen van Giesbeek bevinden zich een tweetal bedrijfspercelen. Het aannemersbedrijf (nr. 112) en de slagerij (nr. 114) hebben inmiddels hun bedrijfsactiviteiten ter plaatse beëindigd. Het voornemen bestaat om de opstallen te slopen en in totaal maximaal 11 woningen te realiseren.

Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).

Om de doelstellingen te kunnen realiseren wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijnde wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarde, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Hoewel onder de drempelwaarde wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag (college) voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen.

In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.

Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in

het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van woningen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” 2

De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3.300 m . Het beoogde bouwplan voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen. Gezien het voorgaande blijft de voorgenomen ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit.

Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

2 2.1

Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en het risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving plan

2.2.1

Planbeschrijving Het voornemen bestaat om ter plaatse van het plangebied te voorzien in maximaal 11 woningen. Het woningbouwprogramma omvat 7 rijwoningen, 2 twee-onder-éénkapwoningen en 2 vrijstaande woningen. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld waarbinnen het realiseren van en dorps karakter, met aansluiting op de ruimtelijke kenmerken en karakteristieken van de omgeving, als uitgangspunt is gehanteerd. Daarom wordt de lintbebouwing aan de Meentsestraat voortgezet door de realisatie van een vrijstaande woning en een twee-onder-één-kapwoning met een groene voortuinzone. Achter deze woningen doet zich de kans voor om een kleinschalig woonbuurtje te maken, zoals dat vaker het geval is langs de Meentsestraat zodat aangesloten wordt op de huidige stedenbouwkundige opzet in Giesbeek. Er is sprake van een diversiteit aan woningtypen, waardoor vrijstaande, twee-onder-één-kap- en rijwoningen in het plangebied zijn beoogd. Dit zorgt voor huisvestigingsmogelijkheden voor starters, gezinnen en senioren. Het plan biedt ruimte aan maximaal 11 nieuwe woningen. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een functioneel programma van 7 rijwoningen, 2 twee-onder-éénkapwoningen en 2 vrijstaande woningen.

Stedenbouwkundig plan plangebied (Bron: MH Tekenwerk).

2.3

Omvang van het plan 2

De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 3.300 m . Het programma voorziet in 7 rijwoningen, 2 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen.

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere planen Direct ten westen van het plangebied worden 13 woningen gerealiseerd. Er is cumulatie denkbaar voor wat betreft verkeerseffecten. Cumulatie bij de aspecten archeologie, bodem en natuur zijn op voorhand beperkter gezien de lokale aard van deze aspecten. Ten aanzien van het aspect verkeer geldt dat voor de in totaal 24 woningen een verkeersgeneratie van circa 191 verkeersbewegingen zal ontstaan (beide plannen). Voor de 13 woningen is de verkeersgeneratie berekend op circa 104 verkeersbewegingen en voor voorliggend plan, de realisatie van 11 woningen, is de verkeersgeneratie berekend op maximaal 87 verkeersbewegingen (zie paragraaf 0). Gesteld wordt dat de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkelingen dusdanig beperkt is dat er wat betreft verkeer geen negatieve cumulerende milieueffecten verwacht worden op het gebied van doorstroming en veiligheid. Dit geldt daarmee ook voor het aspect geluid en lucht waar eveneens geen sprake zal zijn van cumulatie. Gezien voorgaande wordt geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstofemitterend materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen.

Het beoogde plan heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid). 2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied bevindt zich in de kern van Giesbeek. Het plangebied kent een stenig karakter en bestaat uit een aannemersbedrijf, een slager met de winkel en een slachthuis, garageboxen, een schuur en een gedeelte verharde grond welke als opslaglocatie en parkeerplaats in gebruik is. In het noordelijke gedeelte van het plangebied staan enkele jonge bomen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied in de huidige situatie.

Het aannemersbedrijf (Bron: SAB).

De winkel van de slager (Bron: SAB).

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt niet in een

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap of Natio-

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

naal Park.

in een berg- en bosgebied.

van de EHS. 3.3.2.1

Speciale beschermingszones,

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het plange-

door de lidstaten aangewezen

bied liggen enkele Natura

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

2000-gebieden (zie verder on-

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn

der 1).

92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in ge-

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar op basis van

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

communautaire wetgeving

kwaliteit reeds worden

reeds normen worden over-

overschreden

schreden.

Gebieden met hoge bevol-

Het plangebied is niet gelegen

kingsdichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

In het plangebied zijn geen his-

historisch belang

Monumentenwet

torische bouwwerken of monu-

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

mentale panden gelegen. Ook

ontwikkelingsplan

bevinden zich geen structuren

o 

beschermd stads- en dorpsgezicht

met een cultuurhistorische of

archeologisch belang

beeldbepalende waarde in/nabij het plangebied. Het plangebied heeft mogelijk een archeologische verwachtingswaarde (zie verder onder 2).

1. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen.

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel liggen twee Natura 2000gebieden in de buurt van het plangebied. Dit zijn het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ op circa 150 meter afstand en het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ op circa 3 kilometer afstand. In deze gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen.

Situering ontwikkellocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Aerius).

Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Gelet op de afstand van het plangebied tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en gelet op de omvang van het plan kan op voorhand niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000gebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect gebiedsbescherming. 2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Raadpleging van het geldende bestemmingsplan ‘Kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek’ wijst uit dat het plangebied een archeologische dubbelbestemming (specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting) kent. Op basis van deze dubbelbestemming is onder andere vastgelegd dat archeologisch onderzoek noodzakelijk 2 is bij ontwikkelingen met een grotere omvang dan 200 m en die dieper reiken dan 50 centimeter onder maaiveld. Het voorliggende plan overschrijdt deze grenzen. Gezien de overschrijding van de grenswaarden zoals gesteld in de archeologische dubbelbestemming wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect archeologie.

3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het plangebied maakt geen deel

heen: Ecologische Hoofdstruc-

uit van het Natuurnetwerk Ne-

tuur)

derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 3).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels, maar er ligt wel een weidevogelgebied in de buurt (zie verder onder 5).

Stiltegebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Bodembeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

een bodembeschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

3. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiele waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren. NNN/GNN Het plangebied ligt niet binnen een NNN/GNN (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op circa 1.200 meter ten noorden en oosten van het plangebied. De bescherming van het natuurnetwerk kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in het natuurnetwerk of de groene contour ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het natuurnetwerk hebben. De bescherming van het natuurnetwerk staat de

uitvoering van het plan niet in de weg. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht.

Globale ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het NNN/GNN (groen) (Bron: provincie Gelderland).

GO De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Het plangebied maakt wel deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. Ruimtelijke ontwikkeling via een bestemmingsplanwijziging binnen de GO is toegestaan zolang de natuurkwaliteit er op vooruit gaat. In het plangebied zijn geen natuurwaarden aanwezig die enige toevoeging hebben voor de GO. Zo ligt het plangebied in de bebouwde kom van Giesbeek en bestaat het plangebied grotendeels uit verharde grond. Ruimte voor ganzen om te foerageren is ook niet aanwezig. In de huidige situatie zijn wel gebouwen aanwezig, wat mogelijk nestgelegenheid biedt voor vogels huismus en gierzwaluw. Echter in de nieuwe situatie zal vanwege nieuwbouw meer nestgelegenheid ontwikkeld worden voor soorten als huismus en/of gierzwaluw, wat vogels van cultuurgronden zijn. Meer geschikt habitat voor soorten van cultuurgronden is één van de ontwikkelingsdoelen van het betreffende deel (“De Liemers West”) van de GO.

Aangezien er geen ontwikkelingsdoelen in het geding komen en er wel positieve effecten voor één van de ontwikkelingsdoelen gerealiseerd worden, kan geconcludeerd worden dat de natuurkwaliteit er op vooruit gaat en er geen verdere toetsing benodigd is op het gebied van de Groene Ontwikkelingszone. Overigens wordt opgemerkt dat in de in voorbereiding zijnde actualisatie van de omgevingsverordening de status van GO van het plangebied wordt gehaald. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht.

4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 5. Weidevogelgebied Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied bevindt zich op 400 meter afstand van het plangebied, zoals navolgend te zien is. De aanwezigheid van dit gebied zal geen probleem vormen voor de gewenste ontwikkeling. Dit omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in de dorpskern. Effecten van geluid of licht zullen dan ook geen invloed hebben op de weidevogels. Wanneer er met de ontwikkeling stikstof vrijkomt, zal dit ook niet tot een significant effect leiden voor de weidevogels. Dit omdat het leefgebied maar weinig gevoelig is voor stikstof en er door middel van maaibeheer jaarlijks vele kilo’s stikstof van het land verwijderd wordt. Eerder het verkeerd uitvoeren van het maaibeheer, predatie of de afwezigheid van voldoende voedsel hebben een negatief effect op de weidevogelstand. Hier heeft de ruimtelijke ontwikkeling verder niks mee te maken. Het weidevogelgebied wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht.

Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van onder meer weidevogelgebied (Bron: provincie Gelderland).

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de beoogde woningbouw. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van 11 woningen betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn en geldt er een archeologische dubbelbestemming. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: het plan kan voor wat betreft gebiedsbescherming leiden tot gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden.

Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.  archeologie: er kan sprake zijn van negatieve effecten voor archeologische waarden door onderhavig plan.  verkeer: de nieuwe ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  externe veiligheid: de functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten.  landschap en cultuurhistorie: het plangebied en de directe omgeving hebben geen specifieke landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten.

 bodem: onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: de functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder.

 water: het plangebied is reeds grotendeels verhard. Er is met het project nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding. Uit te sluiten is dat de ontwikkeling kan leiden tot een verslechtering van de waterhuishouding en waterkwaliteit. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Giesbeek. De omgeving van Giesbeek kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van de rivier de IJssel. In de nabijheid liggen de plassen Valeplas, Gieseplas en Lathumse Plas en natuurgebieden als de Posbank en Hekenbroek. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en bedrijven. Ten oosten en westen van het plangebied zijn woonhuizen aanwezig. Ten zuiden bevindt zich de Meentsestraat met daarachter een bedrijvenpand. Ten noorden bevindt zich een dijk, waarachter de Gieseplas ligt.

4.2.2

Effecten ontwikkeling 1

SAB heeft met een quick scan natuur en onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Natura 2000 Natura 2000-gebied Rijntakken en Veluwe liggen in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken en Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in 2 het plangebied niet uit te sluiten. SAB heeft daarom een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

1

SAB (2020). Quick scan natuur. Giesbeek, Meentsestraat 112 en 114. Projectnummer: 180491. 3 december 2020.

2

SAB (2020). Onderzoek stikstofdepositie. Giesbeek, Meentsetraat 112 en 114. Projectnummer: 180491. 9 december 2020.

Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van gierzwaluw en huismus. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen.

Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ook kan met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen leefgebied van de rugstreeppad ontstaan. Aangeraden wordt om tijdens de verbouwing ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Conclusie Ervan uitgaande dat de voornoemde werkwijzen (nader soortgericht onderzoek) worden gevolgd en de eventueel benodigde nadere maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, dan kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven.

Daarnaast kan ervan worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht. Geconcludeerd wordt dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

4.3

Archeologie

4.3.1

Huidige situatie Het plangebied ligt op oeverafzettingen van de Gelderse IJssel beddinggordel die actief is vanaf de Midden Romeinse tijd tot en met het heden. Resten ouder dan de Romeinse tijd kunnen zijn geërodeerd door activiteit van de IJssel. Hoewel de oeverafzettingen duiden op een gunstige bewoningslocatie, zijn in eerder archeologisch onderzoek in de directe omgeving van het plangebied geen archeologische resten gevonden. De rivier is in de Late Middeleeuwen bedijkt. Het plangebied ligt langs deze dijk. Op historisch kaartmateriaal is het plangebied als bouwland, weiland en boomgaard in gebruik tot de jaren ‘50 van de 20e eeuw.

4.3.2

Effecten ontwikkeling 3

Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de onderzoeksresultaten kort uiteengezet. In het plangebied zijn vijf boringen gezet met einddieptes tussen 290 en 500 cm -mv. De natuurlijke bodem in het plangebied bestaat uit oever- en/of crevasseafzettingen op komafzettingen met daaronder Pleistoceen stuifzand. De top van dit stuifzand is ontkalkt wat erop duidt dat het enige tijd aan de oppervlakte heeft gelegen. Er is echter geen sprake van bodemvorming waardoor het vermoedelijk in een lager en natter deel van het landschap heeft gelegen. In twee boringen ligt onder de komafzettingen een tweede niveau zandige oever- en/of crevasseafzettingen. In de top van deze afzettingen is tussen 160 en 170 cm -mv een dunne vegetatiehorizont aanwezig. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Negatieve milieueffecten van eventueel aanwezige archeologische waarden zijn daarmee uitgesloten.

4.4

Verkeer

4.4.1

Huidige situatie Binnen het plangebied wordt het bestaande aannemersbedrijf en de slagerij gesloopt. De locatie wordt herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Het programma voorziet in 7 rijwoningen, 2 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen. Derhalve genereert de voorgenomen ontwikkeling verkeer.

3

Bureau voor Archeologie (2020). Een bureau- en inventariserend veldonderzoek. Meentsestraat 112 en 114, Giesbeek. Projectnummer: 976. 18 december 2020.

4.4.2

Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gege4 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied aan de rand van de bebouwde kom van Giesbeek ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Zevenaar wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘matig stedelijk gebied’. Voor de ontwikkeling van 7 rijwoningen, 2 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen volgt uit deze kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Rij (7)

Tweekap (2)

Vrijstaand (2) Totaal

Minimaal

6,7 x 7 = 46,9

7,4 x 2 = 14,8

7,8 x 2 = 15,6

77,3

Maximaal

7,5 x 7 = 52,5

8,2 x 2 = 16,4

8,6 x 2 = 17,2

86,1

Gemiddeld gezien zullen maximaal circa 87 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verwachting is dat dit extra verkeer afgewikkeld kan worden op de Meentsestraat.

4.5

Geluid

4.5.1

Huidige situatie De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, waar verwacht kan worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een enig geluidsniveau als gevolg van omringende wegen en de detailhandel aan de overzijde van het plangebied.

4.5.2

Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht zijn met een toevoeging woningen. Het verkeer zal net zoals in de huidige situatie worden ontsloten op de Meentsestraat richting de N338 en verder. Daarvoor zal een nieuwe entree worden gemaakt. Langs deze route bevinden zich bestaande woningen. Bij deze bestaande woningen zal de geluidsbelasting dus kunnen toenemen als gevolg van de realisatie van het plan. Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de extra verkeersaantrekking geschat op maximaal 87 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer).

4

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen.

Bij dit plan is evenwel te verwachten dat de verkeerstoename veel lager zal zijn dan 40%. In het kader van het bestemmingsplan is door SAB een akoestisch onderzoek 5 wegverkeerslawaai uitgevoerd waarin de etmaalintensiteiten van de omliggende wegen zijn opgenomen. De toename van de 87 motorvoertuigen per etmaal bedraagt op zijn hoogst ca. 13% voor de Meentsestraat (etmaalintensiteit 2031: 700 mvt/etm). Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename, rekening houdend met de toekomstige verkeersstructuur.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie voor de toekomstige zichtjaren in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en (zeer) fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. Zichtjaar

Concentraties wegen direct rondom het plangebied stikstofdioxide (NO2), jaargem. concentratie

fijn stof (PM10), jaargem. concentratie

fijn stof (PM2.5), jaargem. concentratie

NSL-monitoringstool

NSL-monitoringstool

NSL-monitoringstool

2019 2020 2030 Grenswaarden

17,8 μg/m

3

17,2 μg/m

3

16,5 μg/m

3

17,0 μg/m

3

10,5 μg/m3

11,2 μg/m3

14,6 μg/m3

8,4 μg/m3

3

3

25 μg/m3

40,0 μg/m

40 μg/m

10,3 μg/m3

Stikstofdioxide en fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).

4.6.2

Effecten ontwikkeling Onderhavig project voorziet in de ontwikkeling van 11 woningen. Gezien de omvang is het plan ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), zoals op navolgende afbeelding weergegeven. Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig plan onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit.

5

SAB (2020). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Giesbeek, Meentsestraat 112 en 114. Projectnummer: 180491. 16 december 2020.

Berekening NIBM-tool, op basis van 87 extra voertuigbewegingen, waarvan 1,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu).

Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het project kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de beoogde woningen aan de Meentsestraat te Giesbeek belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Archeologie

Verkeer

Geluid

Lucht

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde natuuronderzoek en stikstofonderzoek wijzen uit dat negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden niet aan de orde zijn. Negatieve milieueffecten zijn uitgesloten. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat op zijn hoogst sprake is van een beperkt negatief milieueffect dat niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu kan worden gekwalificeerd. Nader soortenonderzoek zal plaatsvinden. Er heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. Gezien de relatief beperkte verkeerstoename (maximaal 87 verkeersbewegingen per etmaal) worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid. Als gevolg van de nieuwe ontwikeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de omringende wegen is echter ruim minder dan 40% (licht verkeer) ten opzichte van de intensiteiten.

Hiermee zal geen sprake zijn van een merkbare toename van geluidshinder en is geen sprake van een negatief milieueffect. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.

De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er hoogstens een beperkt negatief effect kan optreden (soortenbescherming). De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet benodigd.

Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken  Quick scan natuur (SAB)  Onderzoek stikstofdepositie (SAB)  Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek (Bureau voor Archeologie)  Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (SAB) Bronnen  Risicokaart www.risicokaart.nl  Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken  Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/  Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/  CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/  Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken  AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/  Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=78b53676-a1f5-4c69-9ede-be68a82704cc