CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1018365 Bijlage 6 Quick scan ecologie

Raadsvergaderingen 2018-2022 26 januari 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/21/381935 ‎ Bestemmingsplan Hoogeweg 23c Pannerden8.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Hoogeweg 23C Pannerden In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Hoogeweg 23C Pannerden

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever: Contactpersoon:

Projectnummer en versie: 2907 versie 1.0 Veldmedewerker(s): P.Leemreise Hoogeweg 23C Pannerden

BJZ.NU dhr. W. Bekke Twentepoort Oost 16a 7609 RG ALMELO

Auteur: P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 13-11-2020

1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofstuk 1

Inleiding .................................................................................................................................... 5

Hoofstuk 2

Het plangebied ......................................................................................................................... 6

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofstuk 3

Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 7

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4

Gebiedsbescherming ................................................................................................................ 9

4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ........................................................................... 9 4.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 5

Soortenbescherming .............................................................................................................. 12

5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 17 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 18 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 22 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 22 Hoofstuk 6

Conclusies ............................................................................................................................... 22

2

SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor beëindigen van een commerciële forellenvijver aan de Hoogeweg 23c te Pannerden. Het voornemen is de vijvers een natuurlijke inrichting te geven en gedeeltelijk te dempen en de aanwezige bebouwing te slopen en te vervangen voor een nieuwe vrijstaande woning. Een bestaande ondergrondse schietbaan met parkeerplaatsen blijft behouden op een naastgelegen deel van het erf. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 23 oktober 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.

Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Groene ontwikkelingszone, Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de Groene ontwikkelingszone en Gelders Natuurnetwerk, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te kunnen brengen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Het huidige plangebied behoort (nog) niet tot functioneel leefgebied van de rugstreeppad, maar indien de plasdrasvijver blijft zoals die is aangetroffen tijdens het veldbezoek, zal het plangebied vermoedelijk vanaf april-mei 2021 tot functioneel leefgebied van de rugstreeppad gaan behoren. Met uitzondering van de rugstreeppad, geldt voor de amfibieën die in het plangebied voorkomen een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats. De rusten voortplantingsplaats van de rugstreeppad is beschermd.

De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In het kader van de zorgplicht, mag de plasdrasvijver niet gedempt, vergraven of leeggezogen worden, zolang die in gebruik is als voortplantingsbiotoop (maart-september). 3

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast. Samenvattende conclusie: Het plangebied vormt een voormalige forellenvijver met horecavoorziening en bestaat uit bebouwing, beplanting, gazon en vijvers. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd worden, kunnen beschermde soorten gedood worden, eieren en larven beschadigd worden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield worden. Beschermde dieren mogen in Gelderland niet zonder ontheffing (opzettelijk) gedood worden en eieren en larven van beschermde dieren mogen in Gelderland niet (opzettelijk) beschadigd worden zonder ontheffing. Voor het beschadigen en vernielen van een vaste rust- en voortplantingsplaats van de grondgebonden zoogdieren en de meeste amfibieën die in het plangebied voorkomen, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling. Dit geldt niet voor de rugstreeppad. De vaste rust- en voortplantingsplaats van de rugstreeppad is beschermd en mag alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden.

Mits geen beschermde dieren gedood worden, geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt en het voortplantingsbiotoop van de rugstreeppad (incl. eieren en larven) niet negatief beïnvloed wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich gaat vestigen in het plangebied wordt geadviseerd te voorkomen dat potentieel geschikt voortplantingsbiotoop ontstaat in het plangebied tijdens de voortplantingsperiode, of dient het potentieel geschikt voortplantingsbiotoop afgeschermd te worden voor rugstreeppad (en andere amfibieënsoorten). In het kader van de zorgplicht, mag een vijver die gebruikt wordt als voortplantingsbiotoop niet gedempt of leeggezogen worden tijdens de voortplantingsperiode.

4

HOOFSTUK 1

INLEIDING Er zijn concrete plannen voor beëindigen van een commerciële forellenvijver aan de Hoogeweg 23c te Pannerden. Het voornemen is de vijvers een natuurlijke inrichting te geven en gedeeltelijk te dempen en de aanwezige bebouwing te slopen en te vervangen voor een nieuwe vrijstaande woning. Een bestaande ondergrondse schietbaan met parkeerplaatsen blijft behouden op een naastgelegen deel van het erf. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland . Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

5

HOOFSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Hoogeweg 23C te Pannerden. Het ligt in het buitengebied, net ten noorden van de woonkern Pannerden en wordt omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een commerciële forellenvijver en bestaat uit bebouwing, vijvers, gazon, erfverharding en beplanting. In het plangebied staat een gebouw met een horecafunctie. Dit gebouw is gebouwd van bakstenen en is gedekt met dakpannen. De bakstenen buitengevels beschikken over een luchtspouw. De staat van onderhoud van het gebouw is goed; het gebouw is wind- en waterdicht. Ten oosten en zuiden van het gebouw liggen vier vijvers. Deze vijvers hebben steile wanden, bekleed met (vijver)folie. Rondom de vijvers ligt erfverharding, gazon en staan enkele sierkersen. Onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 6

HOOFSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Het voornemen is de aanwezige bebouwing in het plangebied te slopen, de meest oostelijke vijver te dempen en de andere vijvers om te vormen tot natuurvijvers. In het plangebied wordt vervolgens een woning met bijgebouw opgericht welke een eigen, nieuwe ontsluiting in zuidelijke richting krijgt middels een (verhard) pad. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast middels de aanplant van erf- en landschappelijke beplanting. Op onderstaande afbeelding wordt een verbeelding gegeven van het wenselijke eindbeeld.

Verbeelding van het wenselijke eindbeeld.

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Verwijderen erfverharding en beplanting; • (gedeeltelijk) dempen vijvers; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woning en aanleggen erftoegangsweg; • Aanbrengen beplanting;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

7

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden en het vergraven van de vijvers. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar in een gebied rondom het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Alleen de te slopen bebouwing en de te verwijderen erfverharding wordt tot het onderzoeksgebied gerekend, niet het grasland of de bomen (zie afbeelding onder).

8

HOOFDSTUK 4

GEBIEDSBESCHERMING

4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000), Groene ontwikkelingszoner en Gelders Natuurnetwerk.

4.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Gronden die tot het Groene ontwikkelingszone behoren liggen op minimaal 115 meter afstand. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven. GO

GNN 115 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot Groene ontwikkelingszone behoren.

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Met de lichtgroene kleur worden gronden aangeduid die tot de Groene ontwikkelingszone behoren. De ligging van het plangebied wordt door het vlak met de rode lijn aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

9

Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Gelders Natuurnetwerk of Groene ontwikkelingszone. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

4.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het opschorten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Per 1-1-2020 is de Spoedwet stikstof van kracht.

Het doel van deze tijdelijke wet is om projecten op het gebied van woningbouw, infrastructuur en landbouw door te laten gaan. Projecten worden daartoe van 'dringend openbaar belang' verklaard. Wanneer de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur van kracht is, kan er gewerkt worden met de Spoedwet.

10

Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 115 meter afstand van Natura2000-gebied Rijntakken. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

115 meter afstand tussen het plangebied en gronden die tot Natura 2000 behoren

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met vlak met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot Nederland Natura 2000-gebied behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen.

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied kan leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Of, en de mate waarin een negatief effect waarneembaar is in een Natura 2000-gebied, is afhankelijk van de duur, aard en omvang van de uit te voeren activiteiten, en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied. Als gevolg van sloopen bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling Stikstof Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloopen/of bouwmaterialen, materieel en personeel. Het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase neemt sterk af ten opzichte van de huidige situatie.

Gelet op de ligging van het plangebied, nabij stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000gebied op voorhand niet uitgesloten worden. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met 11

stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten, zowel qua omvang, als afstand tussen plangebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Wettelijke consequenties De wettelijke consequenties kunnen op basis van voorliggend onderzoek niet vastgesteld worden. Om de wettelijke consequenties volledig in beeld te krijgen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.

4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Groene ontwikkelingszone, Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de Groene ontwikkelingszone en Gelders Natuurnetwerk, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te kunnen brengen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.

HOOFDSTUK 5

SOORTENBESCHERMING

5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied vormt een voormalige forellenvijver met horecavoorziening en bestaat uit bebouwing, erfverharding, beplanting, gazon en vijvers. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot potentieel functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 23 oktober 2020 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Veldbezoek door ervaren ecoloog; • Aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet);

12

Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; • NDFF Verspreidingsatlas; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, temperatuur 16⁰C, wind 2 Bft Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Sommige vogels vertonen in deze tijd van het jaar nog territorium-indicerend gedrag (zingen/balts), maar slechts enkele vogelsoorten kunnen een bezet nest hebben in deze tijd van het jaar (o.a. kerkuil, houtduif, Turkse tortel en holenduif). Veel trekvogels hebben de broedplaats reeds verlaten. Standvogels, zoals steenuil, kerkuil en huismus bevinden zich nog wel op of in de directe omgeving van de nestplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Slechts enkele beschermde grondgebonden diersoorten bezetten de voortplantingsplaats nog omdat ze zogende jongen hebben. De meeste in dit voorjaar geboren jonge grondgebonden zoogdieren hebben de geboorteplaats verlaten. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode van het jaar dat slechts enkele vleermuissoorten nog actief zijn op relatief ‘warme’ nachten. Sommige soorten hebben de winterverblijfplaats reeds opgezocht, soms op enige afstand van de zomerverblijfplaatsen. Ook is het plangebied niet bezocht op het moment van de dag dat vleermuizen foerageren en lijnvormige landschapselementen bezetten als vliegroute.

De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterverblijfplaats in deze tijd van het jaar en zijn dan moeilijk waar te nemen. Amfibieën in landbiotoop zitten meestal (diep) weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de 13

gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied wordt als functioneel leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in de opgaande beplanting, zoals de bomen en scheerhaag. Vogels die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, Turkse tortel, vink, groenling en putter. Er zijn in het plangebied geen huismussen waargenomen en onder de onderste rij dakpannen zijn geen nesten aangetroffen. Gelet op de inrichting en het gebruik, wordt het plangebied ook niet als geschikt leefgebied voor de huismus beschouwd. Het gebouw is niet toegankelijk voor vogels om in te nestelen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat watervogels in het plangebied nestelen, maar als de plasdrasvijver zo blijft als tijdens het veldbezoek, gaan we wellicht vogels in nestelen. Het plangebied wordt niet beschouwd als onderdeel van het functionele leefgebied van de steenuil.

Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en/of vernield. Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, wordt niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien tijdens de voortplantingsperiode; - Dempen plasdrasvijver tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als haas, vos, konijn, huisspitsmuis, bosmuis en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als bosmuis en huisspitsmuis er een vaste verblijf- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder strooisel en in/onder opgeslagen goederen en rommel.

Er is in het plangebied geen potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats van de egel of de steenmarter aangetroffen. Het gebouw is niet toegankelijk voor de steenmarter om er een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten. Door het verwijderen van opgeslagen spullen en rommel en het vergraven van de buitenruimte, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, wordt niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet (buitenruimte);

14

Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. Het gebouw in het plangebied beschikt over gemetselde buitengevels met een luchtspouw. In de buitengevels zijn echter geen potentiële invliegopeningen van vleermuizen waargenomen, zoals open stootvoegen of andere gaten/kieren. Ook sluit de betimmering van de overstek nauw aan op de buitengevels zodat vleermuizen ook niet via gaten of kieren de spouw kunnen bereiken. Aan het gebouw is geen potentiële rust- of voortplantingsplaats van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, loodslab, zonnewering of gevelbetimmering. De nokvorsten van het gebouw zijn afgedicht aan de onderzijde, zodat vleermuizen niet onder de dakpannen kunnen kruipen. In de bomen ontbreken holen en andere potentiële verblijfplaatsen, zoals een holle ruimte achter losse schors.

Het gebouw is secuur afgedicht waardoor vleermuizen geen verblijfplaats kunnen bezetten in het gebouw.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren soorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis rond de bebouwing en opgaande beplanting en boven het water. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast, maar vermoedelijk zelfs versterkt. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen en gevels van woningen. 15

Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander, benutten de buitenruimte in het plangebied mogelijk als foerageergebied, en bezetten er mogelijk een (winter)rustplaats. De vijver welke vol water staat, wordt niet als potentieel voortplantingsbiotoop voor amfibieën beschouwd, maar de vijver die bijna droog staat wel. Deze vormt een potentieel voortplantingsbiotoop voor soorten als bastaardkikker, meerkikker, gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en zelf rugstreeppad. Dit voortplantingsbiotoop vormt wel een ecologische val; nadat amfibieën in het gat zijn gesprongen, zullen ze er niet zelfstandig meer uit kunnen komen. Als de rugstreeppad de vijver benut heeft als voortplantingsbiotoop, zal de soort er ook een vaste rustplaats bezetten.

Aanzicht op het potentieel voortplantingsbiotoop van amfibieën in het plangebied.

Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin de plasdrasvijver gedempt of vergraven wordt (of leeggezogen wordt), en de buitenruimte vergraven wordt, kunnen amfibieën gedood worden, vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield worden en eieren en larven beschadigd/vernield (gedood) worden. De functie van het plangebied als foerageergebied, wordt niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen opgeslagen spullen en rommel tijdens de wintermaanden; - Uitvoeren grondverzet; - Dempen/vergraven/leegzuigen plasdrasvijver; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

16

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Gelderland van kracht. In afwijking met de meeste provincies in Nederland, mogen in Gelderland beschermde soorten niet gedood worden als gevolg van activiteiten die uitgevoerd worden in verband met een ruimtelijke ontwikkeling. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Dit kan de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting zijn van Stadswerk (2016).

Foerageergebied Foerageergebied voor beschermde soorten is niet expliciet beschermd in de Wet natuurbescherming, tenzij het expliciet onderdeel uitmaakt van jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen en het essentieel foerageergebied betreft en het vernietigen/aantasten van het foerageergebied de gunstige staat van instandhouding van de soort negatief beïnvloed. Bij de beoordeling van het effect zal daarom aangegeven worden of het foerageergebied, essentieel foerageergebied betreft; van belang voor de gunstige instandhouding van de soort. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

17

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode en het dempen van de plasdrasvijver, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepaling verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Om te voorkomen dat vogels gedood worden en bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden, dient de beplanting gerooid te worden en de pasdrasvijver gedempt te worden buiten de voortplantingsperiode. Indien voorgenoemde werkzaamheden uitgevoerd moeten worden tijdens de voortplantingsperiode, kan een broedvogelscan uitsluitsel geven over het wel of niet voorkomen van een bezet vogelnest in het plangebied. Mits geen bezet vogelnest negatief beïnvloed wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting buiten voortplantingsperiode; - Dempen plasdrasvijver buiten voortplantingsperiode;

Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentiële vliegroute van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

18

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste verblijf- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen).

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 19-12-2018).

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren niet aangetast. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Amfibieën Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin grondverzet wordt uitgevoerd of de plasdrasvijver wordt vergraven, gedempt of leeggepompt, wordt mogelijk een amfibie gedood, eieren en larven beschadigd en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. 19

De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Met uitzondering van de rugstreeppad mogen de in het plangebied voorkomende amfibieën weggejaagd of weggevangen worden om vervolgens elders weer losgelaten te worden (zie tabel boven voor toepasbare vangmiddelen). De rugstreeppad mag alleen met een ontheffing gevangen en verplaatst worden. De vaste rust- en voortplantingsplaats van bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander mag beschadigd en vernield worden, maar dat geldt niet voor de vaste rust- en voortplantingsplaats van de rugstreeppad, deze mag alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden. In het kader van de zorgplicht mogen eieren en larven van amfibieën niet beschadigd worden, omdat de werkzaamheden eenvoudig op een ander moment uitgevoerd kunnen worden. Geadviseerd wordt te voorkomen dat amfibieën de plasdrasvijver gaan benutten als voortplantingsbiotoop, als deze nog gedempt, vergraven of leeggepompt moet worden. Op dit moment vormt het plangebied (nog) geen functioneel leefgebied voor de rugstreeppad, maar rugstreeppadden zijn opportunistisch die snel nieuwe (tijdelijke) voortplantingsplaatsen kunnen koloniseren. Door de plasdrasvijver af te zetten met amfibieënfolie, wordt voorkomen dat amfibieën de plasdrasvijver benutten als voortplantingsplaats.

Ook wordt geadviseerd de plasdrasvijver droog te maken en houden, of om te voorkomen dat amfibieën er naar toe trekken, omdat het een ecologische val is. Eenmaal in de (huidige) vijver, kunnen ze er niet meer uit, tenzij flauwe oevers aangelegd worden. Mits geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, geen eieren en larven beschadigd worden en het plangebied geen functioneel leefgebied van de rugstreeppad wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Indien de rugstreeppad zich heeft gevestigd in het plangebied, dient een ontheffing aangevraagd te worden om werkzaamheden uit te mogen voeren die leiden tot het aantasten van de rugstreeppad en het leefgebied van de rugstreeppad.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beschermde amfibieën, uitgezonderd rugstreeppad wegvangen of verjagen voordat grondverzet uitgevoerd wordt; - Ontheffing aanvragen als de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt en deze negatief beïnvloed wordt; - Geen eieren/larven beschadigen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

20

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a

Foerageergebied

Diverse soorten

Vogels

Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Art. 3.1 lid 2

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1

Vleermuizen Vleermuizen

Verblijfplaats Foerageergebied

Niet aanwezig Diverse soorten

Vleermuizen Vleermuizen

Vliegroute Doden van dieren

Amfibieën

Foerageergebied

Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten

Niet van toepassing Niet van toepassing; functie wordt niet aangepast Niet van toepassing Niet van toepassing

Amfibieën

Vaste verblijfplaats

Amfibieën

Vaste verblijfplaats

Amfibieën

Voortplantingsplaats

Amfibieën

Voortplantingsplaats

Amfibieën Overige soorten

Vogels

Diverse soorten

Diverse soorten, m.u.v. rugstreeppad Mogelijk rugstreeppad

Geen Geen dieren doden, of ontheffing aanvragen Geen Werken buiten voorplantingsperiode Geen Werken buiten voorplantingsperiode Geen Geen Geen Geen

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Geen

Art. 3.5 lid 4

Advies; voorkomen dat rugstreeppad zich gaat vestigen in plangebied Geen

Diverse soorten, m.u.v. rugstreeppad Mogelijk. rugstreeppad

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Doden van dieren

Diverse soorten

Dieren en overige functies

Niet aanwezig

Art. 3.10 lid 1a + 3.5 lid 1 (rugstreeppad) Niet van toepassing

Art. 3.5 lid 4 + art. 3.5 lid 3

Geen

Advies; voorkomen dat rugstreeppad zich gaat vestigen in plangebied Geen dieren doden, of ontheffing aanvragen Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Rust- en Voortplanverblijfplaats tingsplaats

Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied

Wettelijke consequenties

Nader onderzoek vereist

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Ja

n.v.t.

nee

ja

nee

Vogels

nee

ja

n.v.t.

nee

ja

nee

Vleermuizen Amfibieën

nee ja

nee ja

nee n.v.t.

nee ja

nee ja

nee mogelijk

Ontheffing vereist

Nee, tenzij dieren gedood worden of de rugstreeppad zicht vestigt in het plangebied Nee, tenzij vogel gedood wordt of bezet nest beschadigd/vernield wordt nee Nee, tenzij dieren gedood worden of de rugstreeppad zicht vestigt in het plangebied

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.

21

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

HOOFSTUK 6

CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Groene ontwikkelingszone, Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de Groene ontwikkelingszone en Gelders Natuurnetwerk, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent.

Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te kunnen brengen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties.

Grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Het huidige plangebied behoort (nog) niet tot functioneel leefgebied van de rugstreeppad, maar indien de plasdrasvijver blijft zoals die is aangetroffen tijdens het veldbezoek, zal het plangebied vermoedelijk vanaf april-mei 2021 tot functioneel leefgebied van de rugstreeppad gaan behoren. Met uitzondering van de rugstreeppad, geldt voor de amfibieën die in het plangebied voorkomen een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats. De rusten voortplantingsplaats van de rugstreeppad is beschermd. De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In het 22

kader van de zorgplicht, mag de plasdrasvijver niet gedempt, vergraven of leeggezogen worden, zolang die in gebruik is als voortplantingsbiotoop (maart-september). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast.

23

Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=b66c5dd7-5dcb-4a79-bdce-aa0d6e22fbc7