CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1010379 Bijlage 4 Voortoets N2000

Raadsvergaderingen 2018-2022 7 juli 2021, gemeente ZevenaarBij agendapunt: HAMERSTUK Z/21/381379 Bestemmingsplan Uitmeentsestraat 4 Giesbeek8.902 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VOORTOETS NATURA 2000 UITMEENTSESTRAAT 4 TE GIESBEEK

Rapportage Voortoets Natura 2000 Uitmeentsestraat 4 te Giesbeek Opdrachtgever

Harm Post Advies Bakenbergseweg 1-4 6814 MA Arnhem

Rapportnummer Versienummer

13408.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

9 oktober 2020

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

Dhr. K. Schilderman, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. C.C. Slemmer, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

VOORTOETS NATURA 2000 .................................................................................................... 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

6

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Doelstelling Natura 2000 ................................................................................................ 10 Aanwezige habitats en habitatsoorten ........................................................................... 10 Aangewezen vogelsoorten ............................................................................................. 11 Toetsing effecten ............................................................................................................ 11 Analyse storende factoren .............................................................................................. 13

CONCLUSIE EFFECTEN OP NATURA 2000-GEBIED RIJNTAKKEN ................................... 18

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 13408.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Harm Post Advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een voortoets Natura 2000 aan de Uitmeentsestraat 4 te Giesbeek. De voortoets Natura 2000 is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De voortoets Natura 2000 is uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit deel van het onderzoek heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied “Rijntakken”, deelgebied uiterwaarden IJssel. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 13408.002 versie D1

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2,8 ha) ligt aan de Uitmeentsestraat 4, circa 1 kilometer ten westen van de kern van Giesbeek. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 200.765, Y = 445.720.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft de voormalige parkeerplaats van het recreatiegebied Rhederlaag. Daarna is het terrein begraasd geweest door schapen. Inmiddels is het terrein niet meer in gebruik en ligt het braak. Op het terrein zijn groenstructuren aanwezig van voornamelijk zomereik en essen. De ondergroei bestaat uit struiken als hazelaar en een kruidlaag. Ten noorden van de onderzoekslocatie, achter de dijk, ligt het Rhederlaag, een recreatiepark van ruim 350 hectare. Ten zuiden van de onderzoekslocatie ligt een industrieterrein met daarachter agrarisch gebied. Ten oosten van de onderzoekslocatie ligt het dorp Giesbeek. En ten westen ligt agrarisch gebied (Giesbeeksche Broek) met enkele boerderijen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

R 13408.002 versie D1

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Wegen en bomengroep centraal op de onderzoekslocatie.

Figuur 4. Essenrij van west naar oost centraal op de onderzoekslocatie.

Figuur 5. Links op de foto, de zomereikenrij aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Zomereiken en kruidlaag aan noordzijde van onderzoekslocatie.

Figuur 7. Bosje aan noordoostzijde van onderzoekslocatie.

Figuur 8. Westelijke grasveld op de onderzoekslocatie.

R 13408.002 versie D1

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens een recreatiepark te realiseren van 23 recreatiewoningen. De woningen zijn zo ontworpen dat op de begane grond de slaapkamers en de badkamer zijn gepositioneerd. Op de verdieping bevindt zich een ruime keuken en living met riant uitzicht over het water. Ten behoeve van de realisatie van het recreatiepark wordt een deel van de bestaande groenstructuur ingepast. De eiken aan de noordzijde en de essen centraal op de onderzoekslocatie zullen grotendeels gekapt gaan worden. Het bosje aan de noordoostzijde blijft behouden. Ook de beheerderswoning aan de Uitmeentsestraat 4 blijft behouden. Verder zal een toegangsweg gerealiseerd langs de beheerderswoning aan de Uitmeentsestraat 4. In figuur 9 is een schets van de toekomstige situatie weergegeven. In figuur 10 is de landschappelijke inpassing en te behouden groenstructuren weergegeven.

Figuur 9. Schets van de voorgenomen terreininrichting (NEXIT Architecten, 2020).

R 13408.002 versie D1

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Middels een zogenaamde "voortoets" is vastgesteld of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Uit deze oriënterende fase van het onderzoek blijkt welke van de onderstaande situaties aan de orde zijn: 1. Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de wet Natuurbescherming nodig is. 2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Tevens is een passende beoordeling vereist. 3. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist. Het project zal hierdoor ook MER-plichtig worden. De effecten zijn getoetst aan de hand van de “effectenindicator” van het ministerie van LNV. Omdat op voorhand is verwacht dat een toename van stikstof als gevolg van de ingreep mogelijke gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied, is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd door Econsultancy.

De conclusies van het stikstofonderzoek zijn terug te vinden in rapport 13408.003.

R 13408.002 versie D1

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 13408.002 versie D1

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 13408.002 versie D1

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 13408.002 versie D1

5

VOORTOETS NATURA 2000

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder is beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, betreft de uiterwaarden van de IJssel en grenst aan de noordzijde aan de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie valt dus wel binnen de invloedsfeer van Natura 2000-gebied Rijntakken. Het Natura 2000-gebied dat grenst aan de onderzoekslocatie is door de staatssecretaris van Economische Zaken in april 2014 aangewezen als Natura 2000-gebied ter uitvoering van de Vogelrichtlijn. Het dichtstbijzijnde gebied dat aangewezen is als habitatrichtlijn bevindt zich op circa 3 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 10).

H9120 H91E0B

Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000, met aangegeven gebieden die onder de habitatrichtlijn vallen.

R 13408.002 versie D1

5.1

Doelstelling Natura 2000

Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: •

de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijke niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

•

• •

5.2

Aanwezige habitats en habitatsoorten

Voor Natura 2000-gebied Rijntakken zijn zowel habitattypen als habitatsoorten aangewezen. Voor deze soorten gelden instandhoudingsdoelstellingen voor de gebieden die aangewezen zijn als habitatrichtlijngebied. Het Natura 2000-gebied dat grenst aan de onderzoekslocatie is alleen aangewezen als vogelrichtlijngebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als habitatrichtlijn is gelegen op 3 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie (Havikerwaard). Binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie zijn twee aangewezen habitattypen aanwezig (zie tabel I en figuur 10). Het betreffen Beuken-eikenbossen met hulst en Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen). Tabel I. Overzicht van habitattypen binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie. Habitattype

Naam

Afstand tot onderzoekslocatie

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

2,9 kilometer

H91E0B

Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)

2,8 kilometer

Naast beschermde habitats zijn in Natura 2000-gebied Rijntakken ook habitatsoorten aangewezen. De aangewezen habitatsoorten zijn allemaal watergebonden soorten zoals de rivierprik, zalm, bittervoorn, grote- en kleine modderkruiper, bever en kamsalamander. Omdat voor deze soorten alleen maar instandhoudingsdoelen gelden binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied dat aangewezen is als habitatrichtlijn (Havikerwaard), worden in onderhavige toetsing alleen externe effecten op populaties op minimaal 1 kilometer afstand getoetst.

R 13408.002 versie D1

5.3

Aangewezen vogelsoorten

Het Natura 2000-gebied dat grenst aan de onderzoekslocatie is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Binnen het Vogelrichtlijngebied zijn er doelstellingen voor een aantal soorten voor het aantal broedparen of als leefgebied voor niet-broedvogels. In onderhavige voortoets is bepaald of de voorgenomen ingreep negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor in het Natura 2000gebied aangewezen broedvogels en niet-broedvogels. In figuur 11 zijn de aangewezen vogelsoorten weergegeven. 5.4

Toetsing effecten

De toetsing van effecten wordt uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische zaken voor Natura 2000-gebied Rijntakken. De categorie die het meest relevant is voor de voorgenomen ingreep is de categorie “Woningbouw”. De acht verstorende factoren, die weergegeven zijn in figuur 11, kunnen allemaal ook als extern effect optreden en dienen daarom allemaal getoetst te worden.

R 13408.002 versie D1

Figuur 11. Storende factoren voor de ingreep "Woningbouw" voor Natura 2000-gebied Rijntakken volgens de efffectenindicator van het ministerie van Economische Zaken.

R 13408.002 versie D1

5.5 5.5.1

Analyse storende factoren Vermesting door stikstof uit de lucht

Kenmerk: Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren: Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg: De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten.

Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied.

Conclusie vermesting door stikstof uit de lucht Het is op voorhand niet uit te sluiten dat de bouwwerkzaamheden en/of een toename van recreatie als gevolg van de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Rijntakken. In hoeverre de ingreep zal leiden tot een toename zal berekend moeten worden middels een AERIUS-berekening. Uit de AERIUS-berekening zal duidelijk worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie en/of significant negatieve gevolgen vast te stellen dan wel uit te sluiten zijn. De AERIUS-berekening wordt door Econsultancy uitgevoerd en is separaat gerapporteerd (rapport 13408.003). 5.5.2

Verontreiniging

Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.

Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.

R 13408.002 versie D1

Conclusie verontreiniging Door de bouw van de recreatiewoningen en toename van verkeer van en naar deze woningen, neemt de kans toe dat dat er een verontreiniging plaatsvindt in het Natura 2000 gebied Rijntakken. De verontreinigingen komen bij normale werkzaamheden en normaal vrijetijdsverkeer eigenlijk niet voor. De verontreiniging ontstaan op het moment van calamiteiten, bijvoorbeeld een benzine lek van een hijskraan tijdens de bouwwerkzaamheden. Vanuit de in Nederland geldende Wet bodembescherming wordt reeds verplicht gesteld om bij dergelijke calamiteiten de verontreiniging zo spoedig mogelijk terug te dringen tot nul. Het is dan ook niet de verwachting dat de realisatie van de recreatiewoningen en de toename van verkeer van en naar de woningen zal leiden tot negatieve gevolgen voor de aangewezen habitattypen of aangewezen (vogel)soorten. 5.5.3

Verdroging

Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype.

Conclusie verdroging De recreatiewoningen komen te liggen op een verhoging. Deze verhoging wordt aangebracht bovenop de bestaande grond. Daarom hoeft er geen bemaling uitgevoerd te worden. Tijdens de ingreep wordt de grondwaterstand niet beïnvloedt, daarnaast wordt er geen verandering aangebracht in de bodem en daarom blijven de natuurlijke grondwaterstanden behouden. Vanwege de aard van de ingreep en het gegeven dat er niets veranderd wordt aan de bodemsamenstelling en de grondwaterstanden zijn negatieve effecten op de nabijgelegen beschermde habitattypen als gevolg van verdroging uit te sluiten. Daarnaast worden er meerdere Wadi’s aangelegd die zorgen voor meer hemelwater infiltratie op de onderzoekslocatie. 5.5.4

Verstoring door geluid

Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd.

R 13408.002 versie D1

Conclusie door geluid Bij deze verstorende factor wordt onderscheid gemaakt in negatieve gevolgen die kunnen ontstaan voor doelstellingen uit de habitatrichtlijn en doelstellingen uit de vogelrichtlijn. Verstoring van habitattypen en habitatsoorten in het dichtbijgelegen habitatrichtlijngebied Havikerwaard is vanwege de aard van de ingreep (woningbouw) en de afstand van ruim 2.8 kilometer op voorhand uit te sluiten. Verstoring voor doelstellingen vanuit de vogelrichtlijn kan optreden als een eventuele geluidstoename zorgt voor negatieve gevolgen voor aangewezen broedvogels en niet-broedvogels in het aan de onderzoekslocatie grenzende Natura 2000-gebied. Voor broedvogels zoals oeverzwaluw, watersnip en ijsvogel kan de ingreep en de nieuwe functie van de locatie verstorend werken tijdens hun broedperiode. De werkzaamheden vinden daarentegen plaats buiten het beschermde Natura 2000-gebied. En omdat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, zijn (significante) negatieve effecten van de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels uit te sluiten. Voor de gebruiksfase van de ingreep geldt het volgende: de onderzoekslocatie ligt tegen het Rhederlaag, dit is een recreatiepark van ruim 350 hectare. Op en rond deze recreatieplas wordt veelvuldig aan recreatie gedaan.

Rondom de onderzoekslocatie en het Rhederlaag liggen meerdere campings en jachthavens die jaarrond gebruikt worden. Daarnaast bevinden zich meerdere strandjes rond het meer waar in de zomer mensen uit de omgeving verkoeling zoeken. In dit gebied is nu al veel menselijk activiteit en daardoor veel geluidsproductie. Op de onderzoekslocatie worden recreatiewoningen gebouwd, met als gevolg dat er een toename is van recreatie in het Rhederlaag. Deze toename is gering en ten opzichte van de huidige geluidsproductie te verwaarlozen. Jaarlijks gebruiken er rond de 400.000 mensen het Rhederlaag om te recreëren. Omdat er geen ander geluid geproduceerd gaat worden dan er al geproduceerd wordt in de directe omgeving, is het uit te sluiten dat de geringe toename van geluid door recreatie zal leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstelling ten aanzien van broedvogels. Instandhoudingsdoelstellingen zijn tevens van toepassing voor een aantal niet-broedvogels in de uiterwaarden van de IJssel en op en rond Rhederlaag. Dit betreft de functie van de uiterwaarden als overwinteringsplaats voor ganzen en kieviten. Omdat tussen de overwinteringsplaatsen en de werkzaamheden een hoge winterdijk aanwezig is, zijn negatieve effecten op aanwezige niet-broedvogels uit te sluiten. 5.5.5

Verstoring door licht

Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren: geen? Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.

R 13408.002 versie D1

Conclusie verstoring door licht Tijdens de werkzaamheden is de kans dat er verstoring door licht plaatsvindt niet op voorhand uit te sluiten. Doordat een gedeelte van de bomen langs de winterdijk gekapt gaan worden en er op deze locatie gebouwd gaat worden tot een hoogte boven de dijk is het mogelijk dat er licht over de dijk valt. Tijdens de bouw is het mogelijk om de verlichting dusdanig op te stellen dat er geen verstoring van vogels aan de andere kant van de dijk plaats vindt. Dit kan bewerkstelligd worden door de verlichting niet richting het Natura 2000-gebied maar richting het zuiden op te stellen. Indien hiermee rekening wordt gehouden en gezien de afstand tot de beschermde habitattypen en vanwege de tijdelijke aard van de werkzaamheden is een verstoring door licht uit te sluiten. De nieuw te bouwen recreatiewoningen worden direct naast de winterdijk gebouwd. Deze recreatiewoningen komen boven de dijk uit, zodat men een uitzicht heeft over het Rhederlaag. De verlichting in en rond deze hoogte zal over de dijk heen vallen en dus broedvogels zoals de ijsvogel en watersnip tijdens de broedperiode kunnen verstoren. Daarnaast kan tijdens de overwinteringsperiode de verlichting die over de dijk valt verstorend werken voor niet-broedvogels als ganzen en kieviten.

Dit houdt in dat de ingreep indien er geen maatregelen genomen worden kan leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstelling van de vogelrichtlijn ten aanzien van broedvogels en nietbroedvogels. De negatieve effecten zijn te voorkomen door gebouwen zo te ontwerpen of te realiseren dat de verlichting niet over de dijk valt. Hier moet rekening mee gehouden worden zodat broedvogels niet verstoord worden (hoofdstuk 6). 5.5.6

Verstoring door trilling

Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht.

Conclusie verstoring door trilling De werkzaamheden tijdens de bouw van de recreatiewoningen op de onderzoekslocatie zullen niet leiden tot significant negatieve effecten als gevolg van trillingen in het Rhederlaag. Soorten die trilling gevoelig zijn, zijn uitsluitend watergebonden soorten. In het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn verschillende habitatsoorten aangewezen die waterafhankelijk zijn zoals de kleine modderkruiper en kamsalamander. De directe omgeving waaronder het Rhederlaag betreft geen habitatrichtlijngebied, waardoor doelstellingen van habitatsoorten niet van toepassing zijn op deze locatie. De trillingen tijdens de werkzaamheden zullen vanwege de afstand (±3km) tot het dichtstbijzijnde habitatrichtlijngebied geen verstorend effect hebben. Omdat er voor de bouw van de recreatiewoningen niet geheid hoeft te worden is er geen sprake van ernstige trilling die een significant negatief extern effect op kan leveren.

R 13408.002 versie D1

5.5.7

Optische verstoring

Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg: optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring.

Conclusie optische verstoring Mogelijke negatieve effecten van optische verstoring hangt samen met verstoring door geluid. Omdat het Rhederlaag al gebruikt wordt als recreatie gebied en er boven op de dijk een fietspad ligt zal er geen significatie nieuwe optische verstoring plaatsvinden. De dijk wordt nu al gebruikt door fietsers. De strandjes worden gebruikt voor recreatie en op de plas ligt Riverparc (huizen op een schiereiland midden in het Rhederlaag). De realisatie van de recreatiewoningen zal een soortgelijke activiteit zijn rondom het Rhederlaag. Op de onderzoekslocatie komen recreatiewoningen net boven de dijk uit maar omdat er rondom het Rhederlaag al meer recreatiemogelijkheden aanwezig is in de vorm van campings en Riverparc, is een significante verandering omtrent de optische verstoring uit te sluiten. 5.5.8

Verstoring door mechanische effecten

Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.

Conclusie verstoring door mechanische effecten Als gevolg van de werkzaamheden zullen mechanische effecten optreden. Er zal namelijk sprake zijn van het plaatsen van rijplaten, graven, en bouwen van recreatiewoningen. Omdat de werkzaamheden niet plaatsvinden binnen aangewezen habitats of gebieden die aangewezen zijn als habitatrichtlijn zullen er als gevolg van de mechanische effecten geen negatieve effecten ontstaan voor habitats, habitatsoorten of typische soorten van habitats.

R 13408.002 versie D1

6

CONCLUSIE EFFECTEN OP NATURA 2000-GEBIED RIJNTAKKEN

Door het treffen van maatregelen op de onderzoekslocatie kan verstoring voorkomen worden in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Doordat er bomen verwijderd worden en op deze plekken recreatiewoningen geplaatst worden is het treffen van maatregelen nodig om verstoring van licht voor zowel broedende vogels als overwinterende niet-broedvogels te voorkomen. Omdat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen is voor broedvogels in het Rhederlaag verstoring uit te sluiten. Als de recreatiewoningen en de verlichting zo geplaatst worden dat er geen licht verstoring plaatsvindt aan de andere kant van de dijk is een negatief effect uit te sluiten. Indien dit niet gebeurd is een vergunning noodzakelijk. De overige activiteiten (recreatie) die plaats gaan vinden tijdens de ingebruikname van de recreatiewoningen zijn soortgelijk als de activiteiten die al plaatsvinden op het Rhederlaag. De bouwwerkzaamheden zullen vanwege de afstand (± 3 km) geen verstorend effect hebben op de beschermde habitattypes die onder de habitatrichtlijn vallen. Mogelijke (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van een toename van stikstofdepositie is niet getoetst in onderhavig rapport. Zie hiervoor rapport 13408.003.

Te treffen maatregelen: Aanleg recreatiepark buiten broedseizoen uitvoeren Geen lichtbronnen richting Natura 2000-gebied gedurende de aanlegfase Geen verlichting vanuit recreatiewoningen die over de dijk richting het Natura 2000gebied schijnen

Econsultancy Doetinchem, 9 oktober 2020

R 13408.002 versie D1

GERAADPLEEGDE BRONNEN Ontwerp-Beheerplan Natura 2000 38 –Rijntakken (mei 2017) https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator.aspx

R 13408.002 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

R 13408.002 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

R 13408.002 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Planten

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

R 13408.002 versie D1

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.

Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming

Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

Artikel 4.4 lid 1

De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer

Artikel 4.5

R 13408.002 versie D1

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.

Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=a474a0b7-fda9-4dd4-b76c-46dd1972732f