1008415 Bijlage 1 Beleidsplan Inburgering
Tekst van het document
1
Inhoud Inleiding
3
1.
Het huidige stelsel
4
2.
De nieuwe wet
7
3.
Ambitie en doelstellingen
9
3.1.1. Ambitie 1
Meer inburgeraars werken
10
3.1.2. Ambitie 2
Meer inburgeraars doen mee in de maatschappij
10
3.1.3. Ambitie 3
Meer regie voeren op de inburgering
11
4.
Wat gaan we doen?
11
5.
Kaders en randvoorwaarden
15
Lijst met afkortingen: AZC BI COA DUO IND KNM MAP PIP PVT RSD
Asielzoekerscentrum Brede Intake Centraal Orgaan opvang asielzoekers Dienst Uitvoering Onderwijs Immigratie- en Naturalisatiedienst Kennis van de Nederlandse Maatschappij Module Arbeidsmarkt en Participatie Persoonlijk plan Inburgering en Participatie Participatieverklaringstraject Regionale Sociale Dienst de Liemers
2
Inleiding Gemeente Zevenaar krijgt naar verwachting per 1 januari 2022 de regie op de inburgering van inburgeraars. Doel van de nieuwe wet is dat inburgeraars vanaf het moment dat zij in de gemeente wonen actief aan de slag gaan met inburgeren, taal, participatie en werk. Dit is een belangrijke basis voor het meedoen aan de samenleving en het bevorderen van (financiële) zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Wij willen ons als gemeente inzetten voor een goed integratiebeleid. Inburgeraars hebben een status om in Nederland te verblijven en vanuit onze maatschappelijke verantwoordelijkheid willen wij deze mensen goed opvangen. Inburgeren betekent niet alleen de taal leren, participeren en werken maar ook ‘landen’ in de omgeving waar ze wonen. Het betekent dat mensen kennis maken met activiteiten en een netwerk opbouwen waarin zij hun plek weten te vinden. Om dit te bereiken is inzet en samenwerking nodig van iedereen, want alleen met de inzet van iedereen bieden we inburgeraars een basis voor inburgering. Dat wil zeggen: je thuis voelen in je eigen buurt of dorp. Inburgeraars zijn personen die op grond van de Wet inburgering inburgeringsplichtig zijn. Dat zijn asielstatushouders en hun (nareizende, meerderjarige) gezinsleden, gezinsmigranten en overige migranten. Inburgeraars zijn niet de arbeidsmigranten die op basis van een (tijdelijke) werkvergunning in Nederland werken.
In dit beleidsplan gebruiken we de term inburgeraars en daar waar nodig maken we een onderscheid in de groep asielstatushouders en de gezins- en overige migranten. Opstellen van beleidsplan met verschillende lokale en (sub-) regionale partijen en organisaties Voor het opstellen van dit beleidsplan is met een aantal organisaties gesproken, waaronder Vluchtelingenwerk en RSD de Liemers. Zij hebben meegedacht en input gegeven voor de inhoud van dit beleidsplan. Ook hebben we een aantal malen met ervaringsdeskundige inburgeraars gesproken. Zij weten als geen ander met welke knelpunten en obstakels zij tijdens hun inburgering te maken hebben (gehad). We hebben hun ervaringen meegenomen en dit getoetst aan het beleid en de toekomstige uitvoering van de nieuwe wet. Leeswijzer In hoofdstuk 2 gaan we in op het huidige inburgeringsstelsel. We zoomen in op de gebreken van het huidige stelsel, de taakstelling huisvesting en de verwachte omvang van de groep asielstatushouders en gezins- en overige migranten en de organisaties die nu een rol hebben bij de inburgering. Vervolgens gaan we in hoofdstuk 3 in op de nieuwe wet en de veranderingen die dit voor inburgeraars en de gemeenten meebrengt en de relatie van de nieuwe wet met andere beleidsterreinen. In hoofdstuk 4 bespreken we de ambities en de doelen en resultaten die we als gemeente willen bereiken.
In het daaropvolgende hoofdstuk werken we uit wat we moeten doen om de gestelde doelen en resultaten te bereiken. We sluiten af met hoofdstuk 6 waarin de financiën en de randvoorwaarden voor de uitvoering van de wet zijn verwoord.
3
1. Het huidige stelsel In het huidige stelsel moeten inburgeraars zelf hun inburgering regelen. Zij sluiten voor het volgen van de taal- en inburgeringslessen een lening bij DUO af waarmee zij dit bekostigen. Vervolgens moeten inburgeraars zelf hun taal- en inburgeringslessen regelen. Uit de praktijk blijkt dat dit vaak te hoog gegrepen is en een te groot beroep op de zelfredzaamheid en zelfstandigheid van de inburgeraar doet. Gevolgen Dit heeft een aantal gevolgen: veel inburgeraars zijn aan het einde van hun inburgeringstermijn de taal onvoldoende machtig en slagen niet voor hun examen waarmee zij een schuld bij DUO hebben. Door het onvoldoende beheersen van de taal slagen zij er niet altijd in om een plek op de arbeidsmarkt te verwerven. Dit leidt in veel gevallen tot eenzaamheid, isolatie en psychische problemen. Daarnaast begeeft zich op de ‘markt’ van taalaanbieders een aantal malafide aanbieders. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit van het taalonderwijs. Dit zijn belangrijke redenen voor het Kabinet om de nieuwe Wet inburgering te introduceren. Effectiviteit huidig inburgeringsstelsel Vanuit de landelijke overheid is onvrede over de effectiviteit van het huidige inburgeringsstelsel zoals dat in 2013 is ingevoerd.
Uit onderzoeken en evaluaties wordt duidelijk dat veel inburgeraars, ondanks alle inspanningen, onvoldoende de taal beheersen, langdurig bijstandsafhankelijk zijn en onvoldoende de weg weten in de Nederlandse samenleving. Het huidige systeem is niet stimulerend en motiverend ingericht. Om het zekere voor het onzekere te nemen schrijven inburgeraars zich soms op een lager taalniveau in. Hierdoor slagen zij wel, maar blijven veel talenten en kansen onbenut. Het Kabinet heeft in het regeerakkoord van 2017 aangekondigd dat de effectiviteit en doelmatigheid van het inburgeringsstelsel moet worden verbeterd. Het uiteindelijke doel is dat inburgeraars zo snel mogelijk meedoen in de Nederlandse maatschappij, het liefst door betaald werk. Het bovenstaande gaat over het huidige inburgeringsstelsel. De huidige basistaken van de gemeente voor deze groep mensen zijn: Verzorging van passende huisvesting; Bieden van maatschappelijke begeleiding (al dan niet door externe partij); Aanbieden van het Participatieverklaringstraject; Taken in het kader van werk & inkomen (door RSD de Liemers). De huidige taken van de gemeenten op het inburgeringsterrein zijn beperkt. Dit betekent dat de gemeente op dit moment weinig regie heeft op de inburgering en geen middelen of mogelijkheden heeft om de inburgering effectiever en efficiënter te organiseren.
Ook heeft de gemeente, in het kader van de huidige wet, vrijwel geen mogelijkheden om inburgeraars te ondersteunen, te motiveren of hen aan te spreken op hun verantwoordelijkheden. Dit verandert met de komst van de nieuwe wet. De gemeente krijgt dan de regie op de inburgering en staat aan het roer. De gemeente kan de effectiviteit en doelmatigheid van de inburgeringsketen positief beïnvloeden omdat zij de middelen en mogelijkheden krijgt om hier een actief aan bij te dragen.
4
1.2 Analyse van de situatie van gemeente Zevenaar
Alle Nederlandse gemeenten huisvesten inburgeraars met een verblijfsvergunning. De voormalige gemeente Zevenaar had sinds 1994 een ontheffing van deze taakstelling, vanwege de huisvesting van het aanmeldcentrum van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Op basis van de huidige Woningwet zijn alle gemeenten verplicht om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van inburgeraars. Met ingang van 1 januari 2017 kreeg de voormalige gemeente Zevenaar weer een taakstelling voor de huisvesting van inburgeraars. De voormalige gemeente Rijnwaarden heeft de taakstelling altijd al gehad. In de praktijk betekent dit dat vanaf 2017 en 2018, na de herindeling, de infrastructuur voor de huisvesting en begeleiding van inburgeraars weer opgebouwd moest worden.
1.3 Taakstelling en omvang van de doelgroep
Gemeenten krijgen van het Rijk een halfjaarlijkse taakstelling opgelegd voor de huisvesting van asielstatushouders. De gemeente moet ervoor zorgen dat mensen met een verblijfsvergunning woonruimte krijgen. Hiervoor overlegt de gemeente met de woningcorporaties waarbij een beroep wordt gedaan op de sociale huurwoningen. Gezien het huidige gebrek aan sociale huurwoningen is dit voor gemeente en woningcorporaties een uitdaging. Onder het aantal te huisvesten statushouders bevindt zich een grote groep kinderen (niet inburgeringsplichtig) en nareizigers (gezinsherenigers). Op basis van de ervaring is van het totaal aantal te huisvesten statushouders ongeveer 65% inburgeringsplichtig. In onderstaande tabel is de verwachtte taakstelling van 2021 opgenomen. Gemeente Zevenaar
Taakstelling 1e halfjaar 2021 34
Taakstelling 20211 68
Inburgering plichtig 1e half jaar 2021 (schatting) 22
Ter illustratie van de aantallen gehuisveste statushouders en binnengekomen gezinsmigranten is in onderstaande tabel een overzicht van 2019 en 2020 opgenomen. In deze tabel wordt een onderscheid gemaakt in asielstatushouders en gezins- en overige migranten. De gemeente heeft voor deze groepen een verschillende aanbodplicht. Dit wordt op pagina 8 bij de tabel aanbodplicht nader toegelicht.
Zevenaar
2019 Asiel statushouder 41
2019 Gezinsmigrant 11
2020 Asiel statushouder 24
2020 Gezinsmigrant 3
De bij de huidige inburgering betrokken partijen zijn: Regionale Sociale Dienst de Liemers (RSD). Een groot aantal inburgeraars ontvangt een bijstandsuitkering. Zij worden voor hun participatie en re-integratie naar werk begeleid door de RSD. Vanaf 2018 is de opdracht aan de RSD geïntensiveerd als het gaat om de begeleiding aan inburgeraars. Er zijn klantmanagers specifiek voor deze doelgroep aangetrokken en er zijn projecten gestart zoals Liemers Perspectief en de VCA-training. Met deze projecten worden
1 De taakstelling voor de tweede helft van 2021 is nog niet bekend. Deze wordt door het Rijk in april 2021 bekend gemaakt aan de gemeenten. Vooralsnog zijn wij ervanuit gegaan dat de taakstelling in de tweede helft van 2021 gelijk is aan die van de eerste helft van 2021.
5
uitkeringsgerechtigde inburgeraars actief ondersteund. Ondanks deze inspanningen blijft het lastig voor veel inburgeraars om een baan te vinden en te houden. Vluchtelingenwerk biedt maatschappelijke begeleiding. Als vluchtelingen van een asielzoekerscentrum naar een gemeente verhuizen, komt er veel op hen af. Dit zijn bijvoorbeeld zaken zoals: het regelen van zaken rondom basisvoorzieningen voor gezondheidszorg, toeslagen, woningzaken en onderwijs. De vrijwillige maatschappelijk begeleider helpt de inburgeraar zijn/haar weg te vinden in de gemeente en leert hem/ haar de geschreven en ongeschreven regels van de samenleving kennen. Het opbouwen van een sociaal netwerk en werken aan sociale zelfredzaamheid zijn hierin belangrijk. Maatschappelijke organisaties zoals Caleidoz en Kunstwerk. Deze organisaties hebben een functie bij activiteiten gericht op welzijn en welbevinden en het informele en non-formele taalonderwijs2 voor statushouders. Bij het informele taalonderwijs worden inwoners van de gemeenten in hun taalverwerving groepsgewijs getraind door vrijwilligers. Het non-formele taalonderwijs bestaat uit de ondersteuning door taalmaatjes of taaltafels. Een kenmerk van het informele taalonderwijs is dat er sprake is van een op een ondersteuning.
Alle vormen van taalondersteuning, formeel-informeel en non-formeel, zijn ondersteunend aan elkaar en zorgen ervoor dat de taal geleerd in de formele lesomgeving op verschillende manieren geoefend en in de praktijk gebracht wordt. Deze organisaties hebben dan ook een belangrijke rol in het leren van de taal.
1.4 Wat hebben we opgehaald? Voor dit beleidsplan hebben we gesproken met een aantal vrijwillige en professionele organisaties zoals Vluchtelingenwerk, RSD de Liemers, Caleidoz en Kunstwerk. Zij houden zich bezig met begeleiding en activiteiten van asielstatushouders. Uit een aantal werksessies is duidelijk geworden dat de onderlinge samenwerking en afstemming van de dienstverlening verbeterd kan worden en aandacht nodig heeft. Zo is niet altijd duidelijk wat de ander doet en biedt aan dienstverlening. Meer afstemming is gewenst. Er wordt samengewerkt maar deze (netwerk-)samenwerking kan verbeterd worden door de begeleiding en producten beter op elkaar af te stemmen, kennis te hebben van elkaars producten en dienstverlening, informatie en kennis met elkaar te delen, actief de samenwerking te zoeken en statushouders naar elkaar door te verwijzen. Regie op de keten van organisaties is nodig. Organisaties ervaren dat casusregie voor statushouders gewenst is en dat er op dit moment nog onvoldoende sprake is van een integrale begeleiding. Uit gesprekken met ervaringsdeskundige statushouders komt duidelijk naar voren dat zij behoefte hebben aan een casusregisseur: een vaste contactpersoon waar zij tijdens hun inburgeringsperiode op terug kunnen vallen, hen begeleidt en de weg wijst bij knelpunten of problemen.
Zij vertellen dat zonder hulp of begeleiding het moeilijk is hun plek in de lokale samenleving te vinden en dat het lastig is een netwerk op te bouwen. Volgens hen is een netwerk van mensen (en organisaties) noodzakelijk om goed de taal te oefenen, in te burgeren en werk te vinden. Vooral taal oefenen met buren, kennissen, vrijwilligers of taalmaatjes wordt door hen als belangrijk ervaren. Op deze manier kan het geleerde in de praktijk geoefend worden.
2 Informeel taalonderwijs: onbedoeld leren, in een georganiseerde leersetting of daarbuiten
Non-formeel taalonderwijs. Georganiseerd leren, minder gestructureerd en systematisch in vergelijking met formeel leren. Het is niet gericht op het behalen van een erkend diploma of certificaat.
6
2. De nieuwe wet Met de komst van de nieuwe wet Inburgering worden gemeenten verantwoordelijk voor de begeleiding van inburgeraars. Het doel is dat zij zo snel mogelijk mee kunnen doen in de samenleving naar vermogen, het liefst via betaald werk. Met de nieuwe wet wordt tegemoetgekomen aan een belangrijk kritiekpunt op het huidige stelsel, namelijk het ontbreken van samenhang tussen inburgeren en meedoen. Hier ligt een belangrijke verbinding tussen de nieuwe Wet inburgering en de Participatiewet. Met de invoering van de wet worden gemeenten verantwoordelijk voor de volgende onderwerpen: 1. De brede intake – een snelle start Inburgeraars starten na huisvesting in de gemeente zo snel mogelijk met hun inburgering. De gemeente is verantwoordelijk voor het uitvoeren van een brede intake waarmee zij inzicht krijgt in de achtergrond en behoeften van de inburgeraars, hun gezinssituatie, leer- en werkervaring, de resultaten van de leerbaarheidstoets en participatiemogelijkheden, enz. 2. Persoonlijk plan inburgering en Participatie - resultaatverplichting Op basis van de brede intake wordt een persoonlijk Plan inburgering en Participatie (PIP) opgesteld.
Dit plan bevat afspraken over verschillende onderdelen die van belang zijn voor de inburgering, waaronder het leren van de taal in combinatie met (vrijwilligers-)werk, deelname aan het Participatieverklaringstraject, de maatschappelijke begeleiding en de instroom in één van de leerroutes. De afspraken in het PIP worden opgenomen in een beschikking en zijn niet vrijblijvend. De afspraken zijn ook gekoppeld aan de verplichtingen vanuit de Participatiewet. De gemeente monitort en handhaaft de voortgang en houdt hiervoor gesprekken met de inburgeraar. 3. Verhogen van de taal-eis naar B1-niveau en drie leerroutes - betere startpositie Met het verhogen van de taal-eis wordt de inburgeraar gestimuleerd om het hoogst mogelijke taalniveau, in plaats van het meest passende taalniveau te behalen. Een taalniveau op B1 zorgt voor een goede startpositie op de arbeidsmarkt. Er zijn drie leerroutes: de Onderwijs, B1 en Zelfredzaamheidsroute, zie onderstaand kader voor een toelichting. De gemeente koopt deze routes in. Zie hiervoor punt 5. De leerroutes B1-route, ook wel de reguliere inburgeringsroute, is gericht op het bereiken van een eenvoudig taalniveau in combinatie met participatie op basis waarvan men zich kan redden op de arbeidsmarkt. De onderwijsroute is bedoeld voor met name jonge inburgeraars.
Zij kunnen na het volgen van een taalschakeltraject instromen in een MBO, HBO of WO-opleiding. Doel is het behalen van een Nederlands schooldiploma, waardoor de kansen op de arbeidsmarkt toenemen. De zelfredzaamheidsroute, ook wel de Z-route, is bestemd voor de mensen voor wie de onderwijsen B1-route buiten bereik ligt, bijvoorbeeld omdat zij niet gealfabetiseerd zijn. Deze route is gericht op maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid. Doel hierbij is dat iedereen zich in de (lokale) samenleving weet te redden, naast het leren van de taal. In alle leerroutes is activering en participatie een expliciet doel. Dit kan op verschillende wijzen worden ingevuld.
7
4. Financieel ontzorgen van de inburgeraar - voorkomen van belemmeringen Gemeenten zijn verplicht om de eerste zes maanden nadat een asielstatushouder in de gemeente is komen wonen, de statushouder financieel te ontzorgen. Dit betekent dat gedurende deze periode de vaste lasten op de uitkering worden ingehouden en overgemaakt aan de betreffende instellingen. In deze periode worden asielstatushouders begeleid in het financieel zelfredzaam worden. 5. Inkoop leerroutes – inzet op kwaliteit onderwijs Met de nieuwe wet worden de gemeenten verantwoordelijk voor de inkoop van het taalaanbod c.q. de leerroutes. De drie leerroutes zijn bedoeld om meer maatwerk en kwaliteit van taalonderwijs te bieden. Door de inkoop en monitoring bij de gemeente te beleggen, kan beter worden gestuurd op de kwaliteit van het aanbod. 6. Hervorming in het examenstelsel - samenhang en integraliteit Het huidige inburgeringsexamen bestaat uit een aantal modules gericht op taalvaardigheid en oriëntatie en kennis van de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt. In de nieuwe wet krijgen de gemeenten de verantwoordelijkheid de modules in onderlinge samenhang en integraal aan te bieden. Dit moet de huidige versnippering en gebrek aan integraliteit tegengaan en de kwaliteit van taal en inburgering verhogen.
2.1 Aanbod In de wet wordt een onderscheid gemaakt in twee groepen inburgeraars: asielstatushouders en gezins- en overige migranten3. Wat wij als gemeente moeten aanbieden verschilt per inburgeringsdoelgroep. Het verschil is dat de gezins- en overige migranten gehuisvest worden bij een partner. Zij maken een bewuste keuze om in Nederland te komen wonen, omdat hun Nederlandse partner hier bijvoorbeeld woont.
2.2 Verbinding met andere beleidsterreinen In de nieuwe wet is een nadrukkelijke verbinding gemaakt met de Participatiewet. Veel asielstatushouders ontvangen vanaf de huisvesting in de gemeente een bijstandsuitkering met de daaraan verbonden rechten en plichten. Deze verbinding betekent dat het vaststellen van het PIP in
3 Definitie asielstatushouders: houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze groep inburgeringsplichtigen wordt aangeduid als: asielstatushouders Definitie gezins- en overige migranten: houders van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000, inburgeringsplichtig. Dit betreft onder andere personen die hier voor gezinshereniging of gezinsvorming zijn, bijvoorbeeld omdat zij een Nederlandse echtgeno(o)t(e) of partner hebben. Uit memorie van toelichting Wet inburgering, 2020
8
overleg en afstemming met de RSD moet plaatsvinden. Dit bevordert duidelijkheid, transparantie en is de basis van een goede start van het inburgeringsproces van de asielstatushouder. Er liggen ook verbindingen met beleidsterreinen zoals bijvoorbeeld onderwijs, sport, wonen, cultuur, gezondheid en armoede- en schuldenbeleid. Geredeneerd vanuit de leefwereld van de inburgeraar kunnen zij te maken krijgen met problemen op verschillende leefgebieden. Het is daarom zaak om goede verbindingen te leggen met deze beleidsterreinen om de inburgeraar zo goed mogelijk te ondersteunen.
3. Ambitie en doelstellingen De gemeente Zevenaar heeft de ‘Beleidsvisie Sociaal Domein 2020-2023’ vastgesteld. Het is een visie op hoofdlijnen voor het brede sociale domein waarin gewerkt wordt aan een samenhangend en integraal beleid. Hierbij sluiten we aan op de belevingswereld van de Zevenaarse inwoners en op de sociale structuren in onze gemeente. De visie is gebaseerd op drie ambities: - Wij doen (alleen) wat nodig is; - Meer inwoners doen zo zelfstandig mogelijk mee aan de maatschappij; - Meer inwoners in Zevenaar leven in een (sociaal) veilige omgeving. Het beleidsplan dat voor u ligt valt onder de paraplu van het beleidsplan sociaal domein. In ons collegeprogramma 2018-2022 is het volgende opgenomen: ‘We zetten ons er voor in dat nieuwe inwoners zo snel mogelijk kunnen beginnen met integreren en participeren. We doen dat samen met alle inwoners van onze gemeente. Integratie en participatie start direct bij de huisvesting van de vergunninghouder in onze gemeente. We doen hierbij ook een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder’. Deze visie uit het collegeprogramma sluit naadloos aan op het doel van het nieuwe inburgeringsstelsel en bij de visie voor het sociaal domein.
3.1 Ambities inburgering Meedoen, participeren en werken is de beste en snelste weg naar inburgering. Het doel is dat inburgeraars op een betere en snellere manier volwaardig meedoen aan de samenleving. Met de invoering van de nieuwe wet wordt de gemeente de regisseur van het integratie, werk-, inkomen- en participatiedossier. Maar inburgeren betekent niet alleen de taal leren, participeren en werken maar ook ‘landen’ in de gemeente, de wijk, buurt of dorp. Het betekent dat mensen kennis maken met activiteiten zoals sport, vrijwilligerswerk, cultuur en een netwerk opbouwen waarin zij hun plek weten te vinden. Inburgeren gaat dus ook over sporten, meedoen in een koor of vrijwilliger worden bij de kinderboerderij. Om dit te bereiken is inzet en samenwerking nodig van alle professionele en vrijwilligersorganisaties én inwoners. Dit doet een appél op iedereen, want alleen met de inzet van iedereen bieden we inburgeraars een basis voor inburgering. Dat wil zeggen: je thuis voelen in je eigen buurt, dorp of wijk. Hierbij is het belangrijk dat we uitgaan van de leefwereld van de asielstatushouder. De leefwereld van de statushouder houdt zich niet aan de systeemwereld waarin beleid en wetten afzonderlijk worden geformuleerd of organisaties zich op specifieke doelgroepen of problemen richten.
In de leefwereld heeft de asielstatushouder te maken met bijvoorbeeld de gemeente, huisarts, school, lokale belastingen, toeslagen, de uitkering of werk. Uitgaan van de leefwereld betekent ook dat we beter in staat zijn om maatwerk te leveren. De vraag van de statushouder is hierin leidend en staat centraal.
9
Het is een de uitdaging om de begeleiding van de asielstatushouder op integrale wijze op te pakken en te organiseren waarbij zo min mogelijk last wordt ervaren van de schotten in de systeemwereld. Dit beantwoordt aan de drie ambities: doen wat nodig is, zo zelfstandig mogelijk meedoen aan de samenleving en leven in een sociaal veilige omgeving. Dit wordt verder door-vertaald in de onderstaande drie ambities specifiek voor inburgering. 3.1.1. Ambitie 1
Meer inburgeraars werken
Doel 1: Minimaal 40% van de asielstatushouders die de leerroutes B1 of Z-route volgen, vindt binnen een periode van drie jaar duurzaam werk (dat wil zeggen gedurende zes maanden tegen minimaal 12 uur per week). We richten ons op duurzame participatie (naar vermogen). De kortste weg naar werk is soms niet de meest duurzame weg naar werk. We sluiten aan bij de vaardigheden, belangstelling en vermogens van de statushouder en houden daarbij rekening met kansrijke beroepen en sectoren. Dit betekent maatwerk. Resultaat: we maken inburgeraars werkfit Op basis van een Brede Intake stellen we een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie op. Dit is een beschikking waarin de afspraken worden vastgelegd. Veel inburgeraars ontvangen een bijstandsuitkering. De verplichtingen uit de Participatiewet vormen een integraal onderdeel van de inburgeringsbeschikking. We zetten in op het tegelijkertijd leren van de taal, participatie en reintegratie. Kortom, we zetten in op duale trajecten. In hoofdstuk 5 gaan we nader in op de manier waarop we deze resultaten willen bereiken. 3.1.2. Ambitie 2
Meer inburgeraars doen mee in de maatschappij
Doel 2: Minimaal 80 % van de asielstatushouders doet binnen een periode van 2 jaar mee aan de lokale samenleving door actief te zijn door vrijwilligerswerk, het meedoen aan activiteiten, het volgen van (leerwerk) stages, opleiding, training of werk. Doel 3: Minimaal 80% van de asielstatushouders slaagt binnen de periode van drie jaar voor hun inburgeringsexamen. Meedoen, participeren en zelfredzaam zijn, zijn effectieve middelen om een aantal problemen te voorkomen. Meedoen, meetellen en gezien worden is voor iedereen belangrijk. Het stimuleert talenten, vaardigheden en competenties, bevordert de gezondheid en welbevinden en zorgt voor binding in buurten en een leefbare en veilige omgeving. Resultaat: inburgeraars zijn actief en doen mee. We stellen casusregisseurs aan die de inburgeraar actief begeleidt. Maatschappelijke organisaties en de RSD gaan aan de slag met de participatie van de statushouder. We ontwikkelen programma’s en trajecten voor de inburgeraars. We monitoren op individueel niveau de voortgang van de leerroute en de kwaliteit van het taalonderwijs en ook de verbinding met de participatie onderdelen.
10
3.1.3. Ambitie 3
Meer regie voeren op de inburgering
Doel 4: Een georganiseerde, effectieve en kwalitatief goede inburgeringsketen waarin het netwerk aan organisaties in ieder geval twee keer per jaar samen komt. Een goed georganiseerde keten op zowel casusniveau als ketenniveau ondersteunt de inburgering van de individuele inburgeraars. Resultaat: inburgeraars doorlopen met een beperkt aantal overdrachten de inburgering, hebben een vast contactpersoon en krijgen goede ondersteuning. We zorgen voor begeleiding door een (dedicated) casusregisseur die de asielstatushouder volgt in het inburgeringsproces en zo nodig bijstuurt. Hierbij is aandacht voor alle leefdomeinen en worden indien nodig, andere professionals voor expertise of begeleiding ingeschakeld. Daarnaast werken we aan een effectieve procesregie op de keten van organisaties met als doel een goed werkende inburgeringsketen.
3.2 Nieuw inburgeringsstelsel We willen in de periode van vier jaar op basis van de geformuleerde ambities, de doelen en resultaten bereiken. Dit biedt de mogelijkheid om de eerste effecten en resultaten van de nieuwe wet te volgen, te evalueren en nieuw beleid vorm te geven. De Wet inburgering is een nieuwe wet en de gemeente moet ervaring opdoen met de werking en de inrichting van de inburgeringsketen. Dit betekent dat we de komende jaren data en ervaringscijfers verzamelen, de cijfers monitoren en op basis van data en ervaringen bepalen of deze doelstellingen haalbaar en realistisch zijn. Uiteraard is het realiseren van deze doelstellingen afhankelijk van allerlei factoren, waaronder instroom, economische ontwikkelingen, inzet en draagvlak van inwoners en de mogelijkheden en inzet van de inburgeraar zelf. Voor het meten van deze doelstellingen richten we onze ICT-systemen in, volgen we de inburgeraar en voeren we gesprekken met onze partners om signalen op te pikken en daar waar mogelijk verbeteringen in de inburgeringsketen door te voeren.
4. Wat gaan we doen? We willen dat statushouders zich thuis voelen binnen de gemeente en weinig belemmeringen hebben om snel met hun inburgering aan de slag te gaan. Gemeenten zijn nu al verantwoordelijk voor het zoeken naar passende huisvesting samen met woningcorporaties en worden verantwoordelijk voor de inrichting en organisatie van de inburgeringsketen. Dit doen we op een zo efficiënt en effectief mogelijke manier waarbij we uitgaan van doorlopende programmalijnen of leerroutes, verplichte onderdelen uit de wet zoveel mogelijk combineren, en onnodige overdrachtsmomenten voorkomen. Hiervoor gaan we het volgende doen.
4.1 Uitvoeren van casusregie: volgen van de inburgeraar We zetten gemeentelijke casusregisseurs in. Zij coördineren en volgen het inburgeringstraject van de statushouder. Dit start bij het eerste gesprek op het AZC en eindigt bij het afronden van de inburgering, in de regel na drie jaar. Bij de start is ook de samenwerking met het COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers) belangrijk voor een warme overdracht. De casusregisseur is de ‘spin in het web’ en overziet de stappen in het inburgeringsproces, en schakelt organisaties in als dat nodig is. Dit geldt ook bij problemen bijvoorbeeld op het sociaal domein, onderwijs of schulden. De casusregisseur heeft doorzettingsmacht en we kijken naar goede randvoorwaarden hiervoor. Na deze
11
inburgeringsperiode wordt de casusregie afgebouwd en kan de statushouder een beroep doen op de reguliere dienstverlening van onze gemeente.
4.2.Uitvoeren van procesregie; regie op inburgeringsketen De gemeente is opdrachtgever voor netwerkpartners en aanjager van te maken afspraken. De gemeente voert de regie op de samenwerking van de verschillende partijen van de inburgeringsketen, waaronder RSD De Liemers, Kunstwerk, Caleidoz en Vluchtelingenwerk. Een strakke procesregie zorgt voor een efficiënte en effectieve inrichting van de inburgeringsketen. De gemeente Zevenaar trekt hierin gezamenlijk op met de gemeenten Duiven en Westervoort om de sturing op de inburgeringsketen zo stevig mogelijk te maken.
4.3.Een goede start: directe start en maatwerk De casusregisseur maakt in een zo vroeg mogelijk stadium contact met de statushouder. De casusregisseur voert een aantal gesprekken met de statushouder om een zo goed en compleet mogelijk beeld te krijgen van de (situatie en leerbaarheid) van de statushouder. De vragen ‘wie ben je, wat kun je en wat heb je nodig’ staan hierin centraal. Daarnaast is hier ook ruimte om in te gaan op de gezondheidssituatie, trauma en psychische problemen en welke zorg hiervoor nodig is. De gesprekken leiden tot het PIP (persoonlijk plan inburgering en participatie) waarin o.a. de doelen, resultaten en de leerroute en het volgen van de PVT (participatieverklaringstraject) en de MAP (module arbeidsmarkt en participatie) is opgenomen. Het PIP (persoonlijk plan voor integratie en participatie) is een beschikking en wordt door de gemeente vastgesteld. Het is niet vrijblijvend en dit werkt twee kanten op: naar de asielstatushouder en de gemeente. We willen tijd hebben om de statushouder te leren kennen. Daarom willen we ook de maximale tijd van 10 weken gebruiken die de wet ons geeft om deze gesprekken te voeren en het PIP vast te stellen. Ook voor de groep gezins- en overige migranten wordt een brede intake afgenomen en een PIP opgesteld. In het PIP wordt een advies over de te volgen onderwijsroute, de MAP en het PVT opgenomen.
De casusregisseur kan wijzen op het gecontracteerde aanbod van de leerroutes. Het is echter aan de gezinsmigrant om dit advies op te volgen. De casusregisseur volgt de voortgang.
4.4. Een goede start: maatschappelijke begeleiding bij huisvesting en aankomst in gemeente Tijdens de eerste periode van de huisvesting van de inburgeraar is maatschappelijke begeleiding noodzakelijk. Er moet immers veel geregeld en georganiseerd worden. Deze vorm van begeleiding wordt nu door Vluchtelingenwerk gegeven. We willen deze vorm van begeleiding continueren en hiervoor nieuwe prestatieafspraken maken.
4.5.Een goede start: financieel ontzorgen en begeleiden naar financiële zelfredzaamheid Gedurende een periode van 6 maanden worden voor de bijstandsgerechtigde asielstatushouder de vaste lasten ingehouden op de uitkering en overgemaakt aan de desbetreffende organisatie. De RSD De Liemers verzorgt voor onze gemeente de uitkeringsverstrekking en het is dan ook de meest logische en efficiënte keuze om het financieel ontzorgen bij hen te beleggen. Inzet is om het proces van uitkeringen inhoudingen voor financieel ontzorgen zo goed mogelijk op elkaar aansluiten, zodat het risico op financiële problemen zo klein mogelijk wordt gehouden.
12
Financieel ontzorgen betekent ook dat de asielstatushouders zo goed mogelijk financieel zelfredzaam gemaakt moeten worden door te leren omgaan met de Nederlandse wijze van beheren van geldzaken, betaalverkeer, banken en andere financiële instellingen (belastingdienst) en budgetteren. Hiervoor bieden we hen tijdens de eerste zes maanden een verplichte cursus ‘omgaan met geld’. Daarbij leren statushouders ook wanneer en bij wie zij hulp en ondersteuning kunnen vragen als het niet lukt om overzicht en grip op de financiën te houden. Hierin ligt ook een rol weggelegd voor de maatschappelijke organisaties. Hierna is in principe de statushouder zelf verantwoordelijk voor zijn financiën. Maar in die gevallen waarin dat niet lukt, laten we niet los en zorgen we goede begeleiding. Daarnaast kan in uitzonderingsgevallen besloten worden om het inhouden van de vaste lasten voort te zetten om daarmee problematische (schulden)situaties te voorkomen.
4.6. Een goede start: zo vroeg en snel mogelijk starten met de inburgering; de Module Arbeidsmarkt Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject (PVT). Asielstatushouders en gezins- en overige migranten zijn verplicht de MAP en het PVT te volgen. In de MAP oriënteert men zich op de arbeidsmarkt waarbij het doel is kennis te nemen van de (cultuur van de) Nederlandse arbeidsmarkt, kansrijke branches, de competenties en arbeidskansen inzichtelijk te krijgen door bijvoorbeeld de praktische inzet op de arbeidsmarkt door vrijwilligerswerk, stage, werkervaringsplekken of werk. Belangrijk is dat een zo vroeg mogelijk stadium gestart wordt met de bewustwording van de Nederlandse arbeidsmarkt, de verwachtingen en mogelijkheden. We bekijken of de RSD hier een rol in kan vervullen. De RSD kent tenslotte de lokale- regionale arbeidsmarkt. De PVT is ook een verplicht onderdeel van de inburgering. Tijdens het PVT maken statushouders en migranten kennis met de Nederlandse kernwaarden; de rechten, plichten en fundamentele normen en waarden van de Nederlandse samenleving. We doen dit door het aanbieden van workshops en excursies. Kennismaken met lokale voorzieningen zoals het welzijnswerk van Caleidoz en de bibliotheek maakt hier onderdeel van uit. Deze waarden zijn belangrijk voor een goede start van de inburgering.
De inburgeraar verklaart aan het einde van de PVT de Nederlandse normen, waarden en wetten te accepteren en te respecteren.
4.7. Voorkomen van eenzaamheid en isolatie Inburgeren betekent je thuis voelen in de gemeente, de weg kennen, meedoen en een netwerk in buurt of dorp opbouwen. Dit gaat niet vanzelf en we zullen de statushouders hierin een steuntje in de rug geven. Dit doen we door afspraken te maken met onze netwerkpartners zoals Caleidoz, Kunstwerk of vrijwilligersorganisaties om actief de statushouder op te zoeken en hem te ondersteunen bij het opbouwen van een (persoonlijk) netwerk. Daarnaast zetten we in op taalmaatjes, waardoor er contact met een andere inwoner is en tegelijkertijd de taal geoefend kan worden. In het voorjaar van 2021 start de gemeente met het project ‘Samendoen’. Het project richt zich op de activering van ongeveer 20 statushouders uit de Liemers die een steuntje in de rug nodig hebben voor het leren van de taal en activering. Door deelname aan het project bouwen statushouders een netwerk op, leren ze de Nederlandse taal en gebruiken sneller kennen en nemen zij deel aan de (lokale) samenleving. De ervaringen en resultaten van dit project vormen een goede basis vormen de toekomstige participatie van statushouders.
13
4.8. Uitgaan van vertrouwen en handhaven De nieuwe wet vraagt van de statushouder inzet om zo snel mogelijk en op een volwaardige manier mee te doen in de Nederlandse samenleving. Deze inzet is niet vrijblijvend. De gemeente investeert in de begeleiding en spant zich in om de statushouder zo goed mogelijk te ondersteunen. We vertrouwen erop dat de statushouder een gelijke inzet heeft en investeert in zichzelf om een plek in de Nederlandse samenleving te verwerven. Alleen in het uiterste geval en wanneer dit onontkoombaar is bijvoorbeeld bij een grove schending van de afspraken treden we handhavend op en leggen een sanctie (boete) op.
4.9. Integraal werken en de verbinding maken met andere beleidsterreinen Inburgering raakt vanuit de integrale visie een aantal beleidsterreinen. Dit betekent dat we in de komende periode de verbinding maken met onder andere het onderwijsbeleid, sport en cultuur, en minimabeleid. In de nieuwe wet is een nadrukkelijke verbinding gemaakt met de Participatiewet. Veel asielstatushouders ontvangen vanaf de huisvesting in de gemeente een bijstandsuitkering, met de daaraan verbonden rechten en plichten. Deze verbinding betekent dat het vaststellen van het PIP in overleg en afstemming met de RSD moet plaatsvinden. Dit bevordert duidelijkheid, transparantie en is de basis van een goede start van het inburgeringsproces van de asielstatushouder.
4.10. Volgen en leren We volgen per kwartaal een aantal prestatie-indicatoren die ons inzicht geven in het realiseren van de ambities. Op basis van deze indicatoren en de gesprekken met de statushouders en onze netwerkpartners evalueren we de voortgang en realisatie. Dit vormt de basis voor leren, aanpassen of bijstellen van de ambities en de inrichting van de inburgeringsketen. De casusregisseur legt relevante informatie over het traject vast in de hiervoor in gebruik zijnde applicaties. We vragen de RSD om per kwartaal managementinformatie te leveren over de in- en uitstroom van statushouders, de doelgroepindeling en de inzet van de participatie- en re-integratievoorzieningen. De gemeente moet daarnaast gegevens aanleveren bij DUO. DUO blijft verantwoordelijk voor vaststelling van de inburgeringsplicht en afname van taalexamens voor onder andere de B1-route.
4.11. Samenwerken voor een beter resultaat De gemeente sluit aan bij de regionale inkoop binnen de arbeidsmarktregio Midden-Gelderland van de leerroutes. De keuze voor deze gezamenlijke inkoop is gebaseerd op maatwerk, prijsstelling, directe en flexibele instroom en het bundelen van inkoopkracht. Belangrijke voorwaarde hierbij is dat de leerroutes intensief taalonderwijs bieden en duaal van opzet zijn, dat wil zeggen dat de koppeling van werken en taal gemaakt wordt. We vragen dan ook uitdrukkelijk van de potentiële taalaanbieders om een koppeling te maken met de participatie-activiteiten van bijvoorbeeld de RSD. We werken zoveel als mogelijk met onze lokale of sub-regionale partners en organisaties en schalen op indien dat nodig is.
14
5. Kaders en randvoorwaarden Voor de uitvoering van de nieuwe wet gelden de volgende kaders en (rand-) voorwaarden.
5.1 Financiën Voor de voorbereiding en voor de uitvoering van de nieuwe wet ontvangen gemeenten verschillende financiële middelen vanuit het rijk: • Incidentele middelen voor de voorbereiding op de nieuwe wet (invoeringskosten) • Structurele middelen voor de uitvoering (uitvoeringskosten) • Middelen voor de inburgeringsvoorzieningen
5.2 Invoeringskosten Gemeenten hebben in 2020 eenmalig een integratie-uitkering ontvangen om de nieuwe wet voor te kunnen bereiden. Denk aan het maken van kosten voor het werven en opleiden van medewerkers, voorbereiding van beleid, processen en communicatie.
5.3 Structurele uitvoeringskosten Voor uitvoering van de wet ontvangen gemeenten via een integratie-uitkering van het gemeentefonds structurele financiële middelen. Hiervoor gelden geen bestedingsvoorwaarden. Het gaat hier met name om personele kosten voor uitvoering van de brede take, voortgangsgesprekken, handhaving, financieel ontzorgen, beleid en ondersteunende processen. De middelen worden onder de gemeenten verdeeld op basis van het aantal inwoners (78% van het totaalbedrag) en het aantal personen met een niet-westerse achtergrond (22%). Gemeente Zevenaar
Invoeringskosten € 86.575
Uitvoeringskosten 2022 € 127.101
Uitvoeringskosten 2023 € 139.826
5.4 Inburgeringsvoorzieningen Het budget voor de inburgeringsvoorzieningen is bedoeld voor de kosten van onder andere de leerroutes en maatschappelijke begeleiding. Dus voor de verschillende onderdelen die een inburgeringsplichtige moet afronden voor het behalen van de inburgering. Deze middelen worden vanuit het rijk via een specifieke uitkering verstrekt. Dit betekent dat deze uitkering ook voor dit doel verantwoord moet worden. In de berekening van het budget is het rijk uitgegaan van een gemiddeld bedrag van € 12.713 per asielmigrant en € 590 per gezinsmigrant voor de totale looptijd van de inburgering (inburgeraars hebben drie jaar de tijd om in te burgeren). De raming van de financiële middelen voor de inburgeringsvoorzieningen wordt voorlopig vastgesteld op basis van de prognose van het aantal inburgeringsplichtigen. Deze wordt vervolgens achteraf definitief bepaald op basis van de daadwerkelijke inburgeringsplichtigen.
15
5.5 Financiële beheersbaarheid We voeren de nieuwe wet uit binnen de bestaande financiële kaders en budgetten. De budgetten voor de uitvoeringskosten en de inburgeringsvoorzieningen zijn hierin leidend. We volgen deze financiële ontwikkelingen en rapporteren hierover in de planning en control cyclus. Dit betekent dat we kostenbewust zijn en de organisatie zo inrichten dat we tijdig afwijkingen in het budget en de realisatie zien aankomen, hierop anticiperen en, indien noodzakelijk, maatregelen nemen. Belangrijke hulpmiddelen hierbij zijn het bepalen van indicatoren en het ontwerpen van de gewenste managementinformatie. In deze managementinformatie worden in ieder geval de volgende zaken opgenomen: stand van zaken in realisatie van de doelen, bereikte resultaten tot dan toe, kostenontwikkeling en aangegane financiële verplichtingen in relatie tot beschikbare budget. Ook wordt gemonitord of inburgeraars op koers liggen voor behalen van de inburgering binnen de wettelijk gestelde termijn.
5.6 Casusregisseur(-s) Een goede inburgering start met een (gemeentelijke) casusregisseur die samen met de inburgeraar vanaf de start het inburgeringstraject uitwerkt en uitzet. De basis voor een goede uitvoering van de wet is de casusregisseur: de spin in het web die het hele traject overziet, bijstuurt of aanpast. De functie is essentieel voor het bereiken van het gewenste eindresultaat. De casusregisseur(s) wordt bekostigd uit het budget voor de uitvoeringskosten.
5.7 Opdracht aan de RSD de Liemers De RSD ondersteunt inburgeraars bij hun participatie en re-integratie. Deze opdracht blijft bestaan en wordt geïntensiveerd. De RSD de Liemers krijgt een rol bij het afstemmen van de verplichtingen uit het PIP en de Participatiewet. Op basis van de uitkomsten gaat de zij actief aan de slag met de participatie- en re-integratieactiviteiten. Dit wordt afgestemd met de taalaanbieder(-s) om het effect van het leren van de taal in combinatie met participatie of re-integratie zo optimaal mogelijk te laten zijn. De casusregisseur inburgering en de klantmanager van de RSD werken, ieder vanuit hun eigen functie en verantwoordelijkheid, nauw samen om de inburgeraar optimaal te ondersteunen bij hun inburgering. Deze intensieve samenwerking moet leiden tot snellere en betere inburgering. Om dit te bereiken kan het nodig zijn om, naast de ontvangen vergoeding voor de structurele kosten van de inburgeringsvoorzieningen en uitvoering van de nieuwe Wet inburgering, andere bestaande budgetten hiervoor in te zetten. Een van de opties die mogelijk onderzocht kan worden is de inzet van het re-integratiebudget van de Participatiewet. Het re-integratiebudget wordt nu ook al deels voor inburgeraars ingezet, aangezien dit een van de huidige doelgroepen van de RSD is.
Met betrekking tot het financieel ontzorgen krijgt de RSD de opdracht om gedurende een periode van zes maanden de vaste lasten in te houden op de uitkering van de bijstandsgerechtigde asielstatushouder. Tot slot kijken we naar een rol voor de RSD bij het uitvoeren van de MAP.
5.8 Maatschappelijke begeleiding Tijdens de eerste periode van de huisvesting van de inburgeraar is maatschappelijke begeleiding noodzakelijk. Er moet immers veel geregeld en georganiseerd worden. Deze vorm van begeleiding wordt nu door Vluchtelingenwerk gegeven. We willen deze vorm van begeleiding continueren en hiervoor nieuwe prestatieafspraken maken.
16
5.9 Verordening Zodra de lagere wet- en regelgeving (besluit Inburgering) is vastgesteld, kan de gemeentelijke verordening worden opgesteld. De verordening wordt zo mogelijk in het derde kwartaal 2021 aan de gemeenteraad voorgelegd. De verordeningsplicht betreft onder andere het opnemen van regels rond handhaving.
5.10 Gegevensuitwisseling en AVG-proof werken In de inburgeringsketen werken veel instellingen en organisaties die gegevens en informatie over inburgeraars met de gemeente uitwisselen. We toetsen deze uitwisseling aan de geldende beveiligings- en privacyrichtlijnen en richten het proces zo in dat we hieraan voldoen. Voor het geautomatiseerd uitwisselen van gegevens sluiten we verwerkingsovereenkomsten af met de betreffende organisaties.
5.11 ICT-programma Voor de (digitale) ondersteuning van de inburgeringsketen is een goed werkende ICT-applicatie nodig. We onderzoeken welke applicatie van de gemeente het beste aansluit bij de nieuwe werkwijze(-n) en de gegevensuitwisseling en koppeling met de verschillende organisaties (IND, DUO) in de inburgeringsketen.
5.12 Training en opleiding Voor een goede uitvoering van de nieuwe wet geven we casusregisseur(-s) een training of bieden we scholing aan.
5.13 Regievoering op de inburgeringsketen De gemeente krijgt met de nieuwe wet de verantwoordelijkheid om regie op de inburgeringsketen te voeren. Dit betekent dat de rollen van de opdrachtgever en opdrachtnemer duidelijk moeten zijn. We richten het proces zo in dat regelmatig de voortgang wordt besproken, we elkaar aanspreken op verwachtingen en gemaakte afspraken. Belangrijke opdrachtnemers zijn de RSD de Liemers, Vluchtelingenwerk, de aanbieders van de leerroutes en de maatschappelijke organisaties.
5.14 Samenwerken binnen de Liemers De nieuwe wet brengt nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden met zich mee. Voor een efficiënte uitvoering is het wenselijk om op te trekken en samen te werken binnen de Liemers. Dit is al een goed gebruik en is zeker op dit terrein ook noodzakelijk om kennis, expertise, ervaringen te delen waarmee een effectieve en efficiënte inzet van mensen en middelen wordt bewerkstelligd.
17