CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1. 1222186 - Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8 Zevenaar (30-07-'24)

Raadsvergaderingen 2022-2026 25 september 2024, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/23/461929 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van een woning aan de Sleeg 8 in Zevenaar12.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8 te Zevenaar

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8 te Zevenaar Plannaam: Sleeg 8, Zevenaar Datum: 30 juli 2024 Versie: jul ‘24 Status: Definitief Projectnummer: 2022-0365

Ruben Laman

Merijn van Hoek

Adviseur Ruimtelijke ordening

Projectleider Ruimtelijke ordening

r.laman@lycens.nl

m.vanhoek@lycens.nl

M 06 109 843 15

M 06 839 230 05

2

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Inhoudsopgave 1. Inleiding ..................................................................................................................................... 4 2. Beleidskader ............................................................................................................................. 9 3. Planbeschrijving ..................................................................................................................... 17 4. Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................ 19 5. Uitvoerbaarheid ...................................................................................................................... 40 6. Conclusie ................................................................................................................................. 41 Bijlagen.......................................................................................................................................... 42 Bijlage 1 – Archeologisch bureauonderzoek ............................................................................................................ 43 Bijlage 2 – Akoestisch onderzoek ..............................................................................................................................

44 Bijlage 3 – Verkennend bodemonderzoek ................................................................................................................ 45 Bijlage 4 – Quickscan externe veiligheid .................................................................................................................. 46 Bijlage 5 – Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 47 Bijlage 6 – Quickscan flora en fauna......................................................................................................................... 48 Bijlage 7 – Stikstofdepositieberekening ................................................................................................................... 49 Bijlage 8 - Digitale watertoets.................................................................................................................................... 50 Bijlage 9 – Quickscan trillingen .................................................................................................................................. 51 Bijlage 10 – Landschappelijke inpassing Sleeg 8, Zevenaar ................................................................................ 52

3

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens een aangebouwde schuur en een vrijstaande schuur te slopen en een nieuwe woning met bijgebouw te realiseren gelegen aan de Sleeg 8 te Zevenaar in de gemeente Zevenaar. Bestemmingsplan-technisch ligt het plangebied in het buitengebied. In het vigerende bestemmingsplan ‘Groot Holthuizen en Hengelder II’ zijn de gronden bestemd als ‘Wonen’ en ‘Groen’. Binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’ mag het aantal woonhuizen niet meer bedragen dan het ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaande aantal. Binnen het bestemmingsvlak ‘Groen’ mogen uitsluitend andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. De beoogde ontwikkeling is daarmee binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Hierdoor is een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. Om de voorgenomen bouw van de woning met bijgebouw mogelijk te maken is een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wet Algemene bepalingen (Wabo) vereist. Deze aanvraag dient o.a. te bestaan uit een ruimtelijke onderbouwing waarin wordt gemotiveerd dat het besluit tot het afwijken van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing toont aan dat het planvoornemen in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening' en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2.

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Zevenaar in de gemeente Zevenaar. Het plangebied beperkt zich tot de kadastrale percelen gemeente Oud-Zevenaar, sectie M nummers 287, 293, 2165, 2166 en 2167. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 3.728 m2 en wordt aan de westzijde begrensd door bestaande bebouwing. Ten noorden van het plangebied ligt de Sleeg. Ten zuiden grenst het plangebied aan een grasland en ten oosten van het plangebied staat een woning. Onderstaande figuur 1 toont het plangebied ten opzichte van de omgeving, figuur 2 toont de bestaande situatie en planbegrenzing.

4

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Figuur 1: Plangebied ten opzichte van de omgeving

Figuur 2: Bestaande situatie en begrenzing plangebied

5

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

1.3.

Vigerende planologische regimes

Bestemmingsplan ‘Groot Holthuizen en Hengelder II’ Het vigerende planologische regime ter plaatse van het plangebied betreft het bestemmingsplan ‘Groot Holthuizen en Hengelder II’ (vastgesteld 01-06-2007) van de gemeente Zevenaar. Op basis van dit plan zijn de gronden ter plaatse van het plangebied bestemd als 'Wonen' en ‘Groen’. Conform artikel 10.2.1 van het bestemmingsplan geldt voor ‘Wonen’ de bepaling dat per bestemmingsvlak het aantal woonhuizen niet meer mag bedragen dan het ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaande aantal. Daarnaast geldt de bestemming ‘Groen’. Deze bestemming stelt volgens artikel 4.2 van het bestemmingsplan dat uitsluitend andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming gebouwd mogen worden. Het bouwen van één nieuwe woning met bijgebouw is middels de algemene regels van het plan niet mogelijk, het is derhalve noodzakelijk van het bestemmingsplan af te wijken. In figuur 3 is de ligging van het plangebied in het bestemmingsplan weergegeven.

Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Groot Holthuizen en Hengelder II’

6

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Strijdigheden Het bouwplan is getoetst aan het vigerende bestemmingsplan, uit deze toetsing blijkt dat het voorgenomen plan op de volgende punten strijdig is met de regels: In de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 10.2.1 dat “per bestemmingsvlak het aantal woonhuizen niet meer bedragen mag dan het ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaande aantal”. Ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan was er één woning aanwezig, derhalve geldt er een maximumaantal wooneenheden van één. De realisatie van één extra woning overschrijdt dit maximum. De bestemming ‘Wonen’ dient uitgebreid te worden ten koste van de bestemming ‘Groen’. De nieuwe woning wordt gerealiseerd ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’. De bestemming ‘Wonen’ is niet toereikend voor de voorgenomen ontwikkeling aangezien het aangegeven maximumaantal wooneenheden wordt overschreden. Om de bouw van de voorgenomen woning juridisch-planologisch te regelen wordt middels een omgevingsvergunning buitenplanse (project) afwijking afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. In de uiterst westelijke hoek in het plangebied ligt de gebiedsaanduiding ‘milieuzone’.

Op deze bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een door burgemeester en wethouders vastgesteld en, voor zover noodzakelijk, door Gedeputeerde Staten goedgekeurd uitwerkingsplan. Voorliggend plan is niet strijdig met bovengenoemde gebiedsaanduiding. Bestemmingsplan ‘Archeologie’ In dit bestemmingsplan is het gemeentelijke archeologische beleid vertaalt in de bestemmingsplannen (vastgesteld 07-04-2010). Conform dit bestemmingsplan kent het plangebied grotendeels de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – hoge archeologische verwachting’. Dit betekent dat bodemingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 50 cm enkel zijn toegestaan met een vergunning van burgermeester en wethouders. Voor het uiterst oostelijke gelegen gebied geldt de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – onbekende archeologische verwachting’. Hiervoor geldt dat bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm enkel zijn toegestaan met een aanlegvergunning van burgermeester en wethouders. In figuur 4 is de ligging van het plangebied in het bestemmingsplan weergegeven.

Strijdigheden De twee schuren worden gesloopt (241 m2). De nieuw te bouwen woning overlapt deels met de bestaande schuren en omvat een oppervlak van 167 m2. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt nader toegelicht in 4.2.

7

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Wonen’ Het doel van dit bestemmingsplan is uitsluitend het vastleggen van een juridisch planologische regeling ten aanzien van de functie ‘wonen’ op het gehele grondgebied van de gemeente Zevenaar (vastgesteld 18-122019).

Het

paraplubestemmingsplan

heeft

in

juridische

zin

betrekking

op

die

bestemmingsplannen/beheersverordeningen en daarin opgenomen bestemmingen, waar op grond van de geldende regeling meerdere vormen van huisvesting in woningen is toegestaan. Het betreffen hier verschillende vormen van woonfuncties. De herziening bestaat uitsluitend uit het toevoegen van een uniforme regeling ten aanzien van de begrippen huishouden, wonen en woning. Tot een gebruik in strijd met de bestemmingen ‘wonen’ wordt in ieder geval gerekend “het gebruik van een woning voor de huisvesting van meer dan één huishouden.” Strijdigheden Voorliggend plan is niet strijdig met bovengenoemd bestemmingsplan. Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar De juridische borging van het gemeentelijke parkeerbeleid gebeurt via dit bestemmingsplan. Dit is een partiële herziening en geldt aanvullend op de vigerende bestemmingsplannen. Op grond van het bestemmingsplan geldt voor de beoogde ontwikkeling het parkeerbeleid van de gemeente en daarmee de verplichting tot het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. Op grond van artikel 4.5 geldt voor het initiatief een parkeerbehoefte van 2,2 parkeerplaatsen (woning, vrijstaand, koop). Blijkens de inrichtingstekening wordt bij de nieuwe woning op de oprit geparkeerd. Dit betreft een oprit van 12,7 bij 4 meter. Hiermee is voldoende gelegenheid beschikbaar voor het parkeren van 2,2 motorvoertuigen.

1.4.

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op het geldende beleid waaraan getoetst wordt. De voorgenomen ontwikkeling wordt uiteengezet in hoofdstuk 3 middels een uitgebreide beschrijving van het planvoornemen waarin onder andere wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het geheel. In hoofdstuk 4 worden de milieu- en omgevingsaspecten behandeld. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid komen in hoofdstuk 5 aan de orde en tot slot de conclusie in hoofdstuk 6.

8

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

2. Beleidskader 2.1.

Rijksbeleid en regelgeving

2.1.1. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In voorliggend plan is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Het plan is dan ook niet in strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.

9

Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft het Rijk de juridische kaders die nodig zijn voor het beleidsmatig borgen van het ruimtelijk rijksbeleid. Het Rijk heeft het Barro vastgesteld op 22 augustus 2011. De meest recente wijziging heeft op 1 december 2020 plaatsgevonden, dit is een geconsolideerde versie. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op de beoogde ontwikkeling.

2.1.3. Conclusie Rijksbeleid Voorliggend plan voorziet niet in ruimtelijke ontwikkelingen waarmee Rijksbelangen gemoeid zijn, of belemmerd worden.

10 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

2.2.

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’. De kern van deze Omgevingsvisie is dat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland voorop staat. Om dit te behouden en te bereiken worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland. Duurzaam Gelderland beschikt over talrijke initiatieven en kansrijke aanknopingspunten op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit. Gelderland maakt ruimte voor forse schaalsprongen ten behoeve van een duurzame omgeving, samenleving en economie. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: Energietransitie: In 2050 is Gelderland energieneutraal. Dat bereiken we door grootschalig besparen, opwekken uit duurzame energiebronnen en innoveren. Als tussendoel realiseren we 49% CO2 reductie in 2030. Klimaatadaptatie: In 2050 is Gelderland ingericht op het veranderende klimaat. Circulaire economie: In 2050 is Gelderland een afvalloze provincie. Met als tussenstap 50% reductie van het gebruik van grondstoffen in 2030. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden. Biodiversiteit: Vanaf 2019 denkt en werkt Gelderland natuur-inclusief.

Biodiversiteit gaat verder dan de bekende natuurgebieden. Ook daarbuiten, in woonwijken, op werklocaties en bij infrastructuur wordt van biodiversiteit een kernkwaliteit gemaakt. Een krachtige economie De ‘oude’ economie van ongelimiteerde groei verandert in een economie die in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. Vestigingsklimaat, arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden steeds belangrijker. De woningmarkt in Nederland kampt enerzijds met schaarste en anderzijds met krimp. Daarnaast is er een grote opgave om bestaande bouw te verduurzamen. Gelderland heeft sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en uiterst potentiële positie – clustering van economische activiteit, maakindustrie, logistieke kracht, sociaal ondernemen, natuur, kennis en onderwijs, ruimte, cultuur en sport en een strategische ligging. Op woongebied heeft Gelderland eveneens een uitzonderlijke positie. Door zowel te investeren in een bruisende en levendige stad en in een vitaal platteland ontstaat een symbiose waarbij beide elkaar versterken. Hierdoor gaat van Gelderland aantrekkingskracht uit. De Gelderse economie is krachtig. Deze situatie is niet vanzelfsprekend.

Duurzame werkgelegenheid en bedrijvigheid zijn cruciaal voor de economische kracht van de Gelderse regio’s. Daarnaast vraagt een goed vestigingsklimaat om hoogwaardige culturele voorzieningen. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: Het uitnutten van de strategische ligging van Gelderland. De Gelderse economie kan zich verder ontwikkelen binnen de natuur- en landschapswaarden en dragen duurzaam bij. Het positioneren van Gelderland als hét vestigingsgebied voor de nieuwe generatie ondernemers. Ondernemers die duurzaam ondernemen in balans met de sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving hoog in het vaandel hebben. 11 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Een sociaal evenwichtig vestigingsklimaat in Gelderland. Het versterken van de positie van Gelderland op het gebied van food, health en energy en andere topsectoren en stimuleren van kleinschalig ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. Het verduurzamen van de bestaande gebouwde woonomgeving. Dit is noodzakelijk om steden toekomstbestendig en economisch aantrekkelijk te maken. En we zoeken actief naar interessante transformaties, zoals bijvoorbeeld de functiemenging op bedrijventerreinen en het omzetten van kantoren in woningen. Blijvend verbonden Het is van belang dat mensen andere mensen kunnen ontmoeten. Dat geldt voor mensen in steden, wijken en voor het platteland. Of het nu gaat om werk of sociale contacten, de samenleving moet voor flexibele netwerken zorgen die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. Naast traditionele voorzieningen als auto en OV doen nieuwe spelers en technologieën op het gebied van verbindingen en netwerken hun intrede, zoals smart mobility, zelfrijdende auto’s en deelauto’s. Ook het belang van snelle en betrouwbare data-uitwisseling neemt toe en is hier onderdeel van. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn soms onstuimig. Het is van belang dat de relatief goede bereikbaarheid een toekomstvaste waarde voor Gelderland is.

Systemen moeten meebewegen met nieuweontwikkelingen en deze ook faciliteren. Mobiliteit moet verder verduurzaamd worden. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: Een optimale bereikbaarheid van Gelderland door onderlinge aansluiting van vervoersmogelijkheden en verplaatsingen te faciliteren. In 2050 dient de mobiliteit in Gelderland volledig duurzaam te zijn in termen van energie, klimaat, circulair en biodiversiteit. Het creëren van slimme en duurzame oplossingen voor het verbinden van mensen, goederen en data. Daaronder wordt ook begrepen het beter benutten van bestaande infrastructuur en gedragsverandering. De opties tussen weg, rail en water worden zorgvuldig en duurzaam afgewogen. Het stimuleren en faciliteren van nieuwe vormen van vervoer en verplaatsing. Dit kan bijvoorbeeld door autonoom rijden. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Onderhavig plan voorziet in de bouw van één woning op een bestaand erf. De woning wordt niet op het gasnetwerk aangesloten, in die zin is er sprake van een duurzame woning. Met de bouw op een bestaand erf vindt er geen nieuw beslag op de ruimte plaats. Met de beoogde ontwikkeling worden geen provinciale belangen geschaad.

2.2.2. Omgevingsverordening Gelderland Vanaf 19 december 2018 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing. De regels in de Omgevingsverordening vormen het sluitstuk op de Omgevingsvisie. Ten opzichte van de Omgevingsvisie voorziet de Omgevingsverordening niet in nieuw beleid. De provincie zet de Omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen of om te voldoen aan wettelijke verplichtingen. De regels uit de verordening zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast worden de gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden in de Omgevingsverordening concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie 12 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

De regels uit de Omgevingsverordening hebben geen betrekking op het initiatief.

2.2.3. Conclusie Provinciaal beleid Voorliggend plan voorziet niet in ruimtelijke ontwikkelingen waarmee provinciale belangen gemoeid zijn, of belemmerd worden.

13 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

2.3.

Gemeentelijk beleid

2.3.1. Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 Op 20 juni 2013 is de Structuurvisie Zevenaar voor 2030 vastgesteld. De Structuurvisie Zevenaar is het ontwikkelingskader van de gemeente Zevenaar tot 2030. De visie geeft richting aan de ruimtelijke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen van de gemeente Zevenaar tot 2030. Het geeft een samenhangend beeld van de gewenste ontwikkelingen met een ruimtelijke component voor de periode tot 2030. De structuurvisie is het integrale kompas voor toekomstig beleid van de gemeente Zevenaar.

Figuur 4: Uitsnede Structuurvisieplankaart 2012-2030, plangebied ligt binnen de gele omlijning Binnen de structuurvisie is het plangebied gelegen binnen ‘nieuw wonen kernen’ en is hierbij aangeduid als woningbouwlocatie 2010-2030. Voor wonen streeft de gemeente ernaar om een aantrekkelijke woongemeente voor verschillende doelgroepen/leefstijlen en leeftijdsgroepen te zijn. Dit betekent dat er sprake is van een divers en onderscheidend aanbod aan woonmilieus en een kwalitatief goede woningvoorraad, met voldoende aanbod om in de behoefte te voorzien. De samenstelling van de woningvoorraad draagt bij aan de sociale binding van de mensen en aan de ‘gemeenschap’ in de wijken, buurten en dorpen.

14 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Met betrekking tot het aspect wonen zijn de volgende hoofddoelen geformuleerd: Voldoende passende woonruimte, aansluitend op de bevolkingsontwikkeling en inzetten op vergroten van het

aandeel

vestigers

ter

ondersteuning

van

het

behoud

van

de

streekfunctie

van

het

voorzieningenapparaat; Het behouden en realiseren van goed bereikbare woongebieden; Het behouden en waar noodzakelijk versterken van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving; Het bieden van de juiste condities voor levensloopbestendige wijken en dorpen; Inspelen op veranderende vragen; en Aansluiten bij de vraag naar diverse woonmilieus. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie De voorgenomen ontwikkeling waarbij beperkt wordt afgeweken van de bouwmogelijkheden, waarbij wordt ingespeeld op de marktvraag, past binnen de hoofddoelen van de structuurvisie. Het voorliggend plan past binnen de beleidskaders van de structuurvisie.

2.3.2. Woonvisie Gemeente Zevenaar 2015-2025 Om ervoor te zorgen dat Zevenaar een prettige woongemeente blijft heeft de gemeente kritisch gekeken naar de vraag naar nieuwe woningen, de kwaliteit van de bestaande wijken en de demografische ontwikkeling in de gemeente. Hiertoe is de woonvisie opgesteld ter bepaling van de koers richting 2025. De visie richt zich op drie opgaven: het aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad; het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod.

Woondeal 2.0 In maart 2023 is de Woondeal aangepast en daarmee de Woondeal 2.0 vastgesteld. Daarin zijn de afspraken uit de eerste Woondeal herijkt, aangepast en aangescherpt. Daarmee wil provincie, en daaruit volgend ook gemeente Zevenaar, het volgende bereiken: •

Realisatie van de woningbouwopgave als bouwsteen en binnen de kaders van de gezamenlijke Verstedelijkingsstrategie Arnhem-Nijmegen/Foodvalley.

•

Een gezonde woningmarkt met een woningtekort van 2% in 2030. Daarom zetten we conform de provinciaal bestuurlijke afspraak in op de bouw van 33.000 woningen tot en met 2030. En richting 2040 zo'n 50.000 woningen. Circa 20.000 van deze woningen worden gerealiseerd in 3 grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties: Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone en de Spoorzone Arnhem Oost en 17.000 woningen in de 17 andere focusgebieden.

•

Ophoging van de woningproductie van 3.300 naar 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen.

•

Gezamenlijk inzet voor het huisvesten van jong talent om zo bij te dragen aan de kenniseconomie. Door realisatie van voldoende studentenhuisvesting en inzet op voldoende aanbod voor jonge starters. Het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) wordt hierbij als uitgangspunt gehanteerd.

•

Beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie 'meer landschap meer stad'.

15 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

•

In lijn met de nationale doelstelling naar 2/3e betaalbaar een vergroting van de beschikbaarheid van woningen voor mensen met lage en middeninkomens, waaronder veel starters. We zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor aandachtsgroepen en een evenwichtige spreiding daarvan over de gemeenten.

•

Op dit moment is 31% van de woningen in de regio een corporatiewoning. Iedere gemeente zorgt vanaf 2025 binnen de nieuwbouw voor minimaal 30% sociale huur en minimaal 35% middenhuur en betaalbare koop (tot € 355.000). Op basis van de uitkomsten van het woningbehoefteonderzoek zet de regio zich ervoor in dat een op basis van het woonbehoefteonderzoek per gemeente te bepalen deel in het middensegment bestaat uit betaalbare koopwoningen voor de lagere inkomens met een prijs van € 255.000 of middenhuur.

•

Verduurzamen en toekomstbestendig maken van de bouwsector en vermindering van bouwkosten, doordat circulair en conceptueel bouwen de norm is bij woningbouw. Zo dragen we bij aan de reductie van 55% tot 60% CO2-uitsoot (Paris-proof), 50% primaire grondstoffen en 50% uitstoot van stikstof in 2030. Met klimaatadaptief bouwen en beheren beperken we de overlast van de gevolgen van klimaatverandering. Dit gaat hand in hand met natuurinclusief bouwen.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw en daarmee de toevoeging van één enkele vrijstaande woning. Dit plan is niet opgenomen in het woningbouwprogramma of de harde plancapaciteit van het woningbouwprogramma. De realisatie van een enkele woning betreft een kleinschalige ontwikkeling die past binnen de doelstellingen van de woonvisie en de woondeal.

2.3.3. Conclusie gemeentelijk beleid Voorliggend plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen waarmee gemeentelijke belangen gemoeid zijn. Deze gemeentelijke belangen worden niet geschaad. Het voorliggende plan past binnen de beleidskaders en de structuurvisie zoals hierboven beschreven.

16 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

3. Planbeschrijving 3.1.

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de Sleeg 8 tussen de Sleeg en de spoorlijn. Ten (noord)westen van het plangebied is een nieuwbouwwijk gesitueerd en ten oosten van het plangebied begint het buitengebied. De Sleeg bestaat uit een langgerekt bebouwingslint, de bebouwingstypologie is divers. Er zijn op diverse plaatsen open ruimtes, ook zijn de panden niet allemaal op dezelfde afstand van de Sleeg gesitueerd. Relatief kleine panden worden afgewisseld door tamelijk forse boerderijen, schuren en bedrijfsgebouwen. Ook de bebouwingshoogte varieert sterk. De omgeving was voorheen aan te merken als buitengebied van de stad Zevenaar, maar met de komst van de nieuwbouwwijk is de omgeving aan te merken als matig of weinig stedelijk. De omgeving van het gebied bevat (met de komst van de nieuwbouwwijk) voornamelijk woningbouw, echter ten noorden en noordoosten van de nieuwbouwwijk ligt het bedrijventerrein ‘Hengelder’. Onderstaande figuur 5 toont het plangebied in de bestaande situatie. In de bestaande situatie kent het plangebied een woning met aanbouw, een schuur en een bijgebouw.

Figuur 5: Plangebied, bestaande situatie.

17 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

3.2.

Beoogde situatie

In de beoogde situatie worden de aangebouwde schuur en de vrijstaande schuur gesloopt. De woning blijft bestaan. Ten oosten van de bestaande woning, op de plek van de te slopen vrijstaande schuur, wordt een nieuwe woning met bijgebouw gerealiseerd. De nieuw te bouwen woning met bijgebouw, wordt op dezelfde rooilijn als de bestaande woning gebouwd. Ook wordt de nieuwe woning op de straat georiënteerd, dit is in lijn met de welstandsnota. Het plangebied is momenteel ingericht ten behoeve van de woning met tuin en grasland. Ten oosten van de nieuw te bouwen woning wordt een ‘groen randzone’ aangelegd, zodat er een groene erfafscheiding ontstaat. Onderstaand is een uitsnede van de beoogde inrichting opgenomen (zie ook Bijlage 10).

Figuur 6: Beoogde inrichting toekomstige situatie

18 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

4. Milieu- en omgevingsaspecten 4.1.

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2.

Archeologie

4.2.1. Algemeen Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Erfgoedwet moet de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige en te verwachten archeologische waarden. De beleidskaart van de gemeente Zevenaar is vertaald in het vingerende archeologische bestemmingsplan uit 2010.

4.2.2. Onderzoek De gemeente Zevenaar heeft archeologisch beleid opgesteld (april 2010 vastgesteld). Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en is vastgelegd in het bestemmingsplan "Archeologie". Onderstaande figuur 7 toont een uitsnede van het bestemmingsplan. Zoals benoemd in hoofdstuk 1.3 gelden voor het plangebied de gebiedsaanduidingen ‘Specifieke vorm van waarde – hoge archeologische verwachting’ en ‘Specifieke vorm van waarde – onbekende archeologische verwachting’. Het gedeelte van het plangebied met de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – onbekende archeologische verwachting’ is slechts circa 15 m2 groot, voor dit gebied geldt dat bodemingrepen tot 2.500 m2 en dieper dan 50 cm zijn vrijgesteld van het aanvragen van een aanlegvergunning. Omdat er geen bodemingrepen plaatsvinden op deze 15 m2 wordt deze waarde niet overschreden. Voor de rest van het plangebied geldt de gebiedsaanduiding ‘hoge archeologische verwachting’, hier zijn bodemingrepen tot 200 m2 die niet dieper reiken dan 50 cm vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Als gevolg van de ontwikkeling worden deze drempelwaarden mogelijk overschreden waardoor archeologisch onderzoek is vereist.

19 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Figuur 7: Uitsnede bestemmingsplan Archeologie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 1. Onderstaand wordt de inhoud van dit rapport beknopt toegelicht. Geconcludeerd wordt dat de archeologische verwachting dient te worden getoetst door middel van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek. Gezien de onderzoeksresultaten uit de omgeving en het relatief ondiep voorkomen van het pleistocene rivierterras (1-2 m -mv) wordt aangeraden dit onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De verwachte historische huisplaats laat zich lastig door middel

van

booronderzoek

in

kaart

brengen,

eventuele

oudere

afzettingen

zijn

middels

een

proefsleuvenonderzoek ook goed op te sporen. Voor een proefsleuvenonderzoek is een door de bevoegde overheid goedgekeurd PvE (Programma van Eisen) vereist.

2024-07-29: Het advies tot het uitvoeren van het proefsleuven onderzoek is overgenomen door het bevoegd gezag. Aanvullend is middels een selectiebesluit aangegeven dat de ondergrondse sloop van de oude schuur archeologisch begeleid dient te worden. Dit om te bepalen of de schuur gefundeerd is op oudere resten.

20 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

4.2.3. Conclusie Op basis van het gemeentelijk selectiebesluit dient de ondergrondse sloop van de oude schuur archeologisch begeleid te worden. Dit om te bepalen of de schuur gefundeerd is op oudere resten. Daarnaast dient de archeologische verwachting te worden getoetst door middel van het uitvoeren van een inventariserende veldonderzoek. Voor deze archeologische werkzaamheden is een door de bevoegde overheid goedgekeurd PvE (Programma van Eisen) vereist. Wat betreft het inventariserende veldonderzoek zijn er twee mogelijkheden: 1.

Onderzoek t.p.v. grondroerende werkzaamheden: de voorgenomen ontwikkeling ziet enkel toe op grondroerende werkzaamheden op en rondom de gronden waar de bestaande bebouwing is gesitueerd. In dat kader is het niet persé benodigd het volledige plangebied te onderzoeken, maar kan worden volstaan met inventariserend archeologisch veldonderzoek ter plaatse van de grondroerende werkzaamheden. Wel kan in dit geval alleen het onderzochte gedeelte van het plangebied worden vrijgegeven wat betreft archeologie. Voor dit onderzoek zijn de volgende opties mogelijk: -

Proefsleuvenonderzoek, in de vorm van archeologische begeleiding (in dit geval kunnen na de sloop van de bovengrondse bebouwing proefsleuven worden gegraven en onderzocht);

2.

Archeologische opgraving, ter plaatse van de bouwkuip.

Onderzoek t.p.v. volledige plangebied: om het gehele plangebied vrij te kunnen geven wat betreft archeologie, dient een inventariserend veldonderzoek het volledige plangebied te omvatten. Dit kan in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

4.3.

Cultuurhistorie

4.3.1. Algemeen In de structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 zijn enkele hoofddoelen in relatie tot cultuurhistorie verwoord. Deze sluiten aan bij de algemene Kernopgaven van de gemeente: verbinden, diversiteit en kwaliteit: •

Beschermen, bewaren en versterken van de monumenten;

•

Monumenten altijd als onderdeel van hun omgeving beschouwen;

•

Ontwikkelen van een cultuurhistorische waardenkaart;

•

Cultuurhistorie versterkt recreatie en toerisme en vice versa, en;

•

Zevenaar staat positief tegenover ontwikkelingsplannen die bijdragen aan het behoud, het herstel en de beleving van het archeologisch en cultureel erfgoed.

4.3.2. Onderzoek Het plangebied ligt tegen het stedelijke gebied van Zevenaar aan. Om uit te sluiten dat gemeentelijke- en/of rijksmonumenten worden geschaad is de kaart met gemeentelijke- en rijksmonumenten in Zevenaar geraadpleegd. Uit de beoordeling van deze kaart is gebleken dat zich in, en in de nabijheid van het plangebied, geen monumenten aanwezig zijn.

4.3.3. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.

21 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

4.4.

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1. Algemeen Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand heeft als doel bijvoorbeeld om ter plaatse van een 'gevoelig' object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. VNG-publicatie “Bedrijven & milieuzonering” Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'.

Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd.

In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype

Richtafstanden tot omgevingstype

rustige woonwijk en buitengebied

gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

22 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Tabel 1: Milieucategorieën en bijhorende richtafstanden De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie, en daarmee maatwerk, mogelijk zijn.

23 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Milieubelastende of milieugevoelige activiteiten De te realiseren woning betreft geen milieubelastende activiteit. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies hinder ondervinden van het onderhavige plan. Het planvoornemen betreft een milieuhindergevoelige functie. Er moet daarom worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een ‘goed woon- en leefklimaat’ en of omliggende milieubelastende activiteiten in de bedrijfsvoering

worden

belemmerd.

Ook

moet

beoordeeld

worden

of

deze

bedrijven

in

hun

uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. Om te beoordelen of er sprake is van een ‘goed woon- en leefklimaat’ en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering of -uitbreiding worden belemmerd zijn nabijgelegen (milieubelastende) activiteiten

in

kaart gebracht. Deze

functies zijn in

beeld gebracht op basis van vigerende

bestemmingsplannen, luchtfoto’s, streetview, kamer van koophandel en indien noodzakelijk vergunningen.

4.4.2. Onderzoek Onderstaande figuur 8 toont een uitsnede van de in de omgeving van het plangebied vigerende bestemmingsplannen. Uit de figuur volgt dat de locatie kan worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk en buitengebied’, de te hanteren richtafstanden kunnen daarmee niet met één stap worden verkleind.

Figuur 8: Uitsnede bestemmingsplannen omgeving plangebied

24 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Sleeg 21 – Agrarisch bedrijf Ter plaatse van bovengenoemd adres is een agrarisch bedrijf in de vorm van een melkveehouderij (milieucategorie 3.2) gevestigd. De afstand van het bouwvlak tot het plangebied bedraagt circa 350 meter. Voor een dergelijk bedrijf geldt een richtafstand van 100 meter. Gelet op de bedrijfsvoering, het aantal gehouden dieren en afstand tot het plangebied zal geen sprake zijn van milieuhinder. Aan de richtafstand wordt voldaan en het bedrijf wordt niet in de bedrijfsvoering belemmerd. Uiversweg 6 – Varkenshouderij Aan de overkant van het spoor, ten zuidwesten van plangebied, is een varkenshouderij gevestigd. Conform de VNG-publicatie geldt hiervoor een richtafstand van 200 meter. Met een afstand tot het plangebied van 255 meter wordt aan de richtafstand voldaan. Het is daarmee onwaarschijnlijk dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van milieuhinder, bovendien wordt het bedrijf niet in de bedrijfsvoering beperkt. 7poort – Business Park Op circa 440 meter ten noorden van het plangebied wordt een bedrijventerrein gerealiseerd. Ter plaatse zijn bedrijven tot een milieucategorie van 3.2 toegestaan, hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Met de daadwerkelijke afstand wordt ruim aan deze richtafstand voldaan. Er zal geen sprake zijn van milieuhinder en toekomstige bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering belemmerd.

4.4.3. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en mileuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.

4.5.

Geur

4.5.1. Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

25 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

binnen bebouwde kom

buiten bebouwde kom

concentratiegebieden

3,0 (in ou/m3)

14,0 (in ou/m3)

niet concentratiegebieden

2,0 (in ou/m3)

8,0 (in ou/m3)

Tabel 2: Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden. Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

4.5.2. Onderzoek De te ontwikkelen woning betreft een geurgevoelig object. In paragraaf 4.4 is toegelicht dat het plangebied buiten de milieuhindercontouren van nabijgelegen agrarische bedrijven is gesitueerd. Ook wordt aan bovengenoemde richtafstanden voldaan. Gesteld wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.3. Conclusie Vanuit het aspect geur bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.

4.6.

Akoestiek

4.6.1. Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: 26 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld.

In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

27 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

4.6.2. Onderzoek Het plangebied is gesitueerd nabij een onderzoeksplichtige weg en een spoorlijn. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2. Wegverkeerslawaai De

geluidbelasting

bedraagt

maximaal

48dB

zonder

5

dB

aftrek

ex

artikel

110G.

Met

een

standaardgeluidwering zoals deze wordt vereist in het Bouwbesluit van Ga;k=20 dB wordt voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB. De geluidbelasting op het plan is ter plaatse van alle woonfuncties lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet Geluidhinder. Het aspect wegverkeerslawaai is geen beletsel voor de beoogde realisatie van een woning. Spoorweglawaai Een spoorweg die is aangegeven op de kaart als bedoeld in artikel 106 eerste lid, van de Wet geluidhinder, heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte aan weerszijden van de spoorweg. Deze afstand wordt gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. De ruimte boven en onder de spoorweg behoort conform artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder tot de zone. In de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder is de zonekaart als bedoeld in artikel 106 van de Wet geluidhinder opgenomen. De zonebreedte varieert van 25 tot maximaal 100 meter. Ter hoogte van de Sleeg 8A is deze vastgesteld op 55.7 dB. De zone bedraagt derhalve 100 meter. Het bouwplan bevindt zich op 150 meter vanaf het spoor en valt hiermee buiten de zone van het spoor. Het aspect spoorweglawaai is geen beletsel voor de beoogde realisatie van een woning.

4.6.3. Conclusie Vanuit het aspect akoestiek bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.

4.7.

Bodem

4.7.1. Algemeen Bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op projectomgevingsvergunningsprocedures die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie, in dit geval voor de functie ‘wonen’.

4.7.2. Onderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3. Onderstaand worden de bevindingen bondig toegelicht. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan nikkel, PAK en PCB in de grond en de licht verhoogde concentraties aan barium in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. 28 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

4.7.3. Conclusie Vanuit het aspect bodem bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.

4.8.

Externe veiligheid

4.8.1. Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld aan de norm voor het plaatsgebonden risico en de (oriënterende) waarde van het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de grote van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans dat deze groep komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

4.8.2. Onderzoek Ten behoeve van het planvoornemen is een QuickScan Externe Veiligheid uitgevoerd (zie bijlage 4). De conclusie van deze QuickScan luidt dat één risicobron (beperkt) relevant is voor het plan vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Dit betreft de Betuweroute. De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft derhalve een ‘EV paragraaf’ (d.d. 14 mei 2024) opgesteld en gedeeld ten behoeve van de verantwoording van het aspect externe veiligheid voor de beoogde ontwikkeling aan de Sleeg 8, Zevenaar. Onderstaand is deze paragraaf van de Omgevingsdienst opgenomen.

29 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

EV paragraaf “Sleeg 8 te Zevenaar” Het ruimtelijk plan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning. Op basis van de landelijke risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 9 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

Figuur 9 Uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd op 29 februari 2024) met het plangebied in de zwarte cirkel. De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op. Het plangebied ligt op ca. 130 meter ten noorden van de Betuweroute en op ca. 1.300 meter ten zuiden van de snelweg A12. Over deze beide transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van de regeling basisnet en de risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze beide risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelweg A12. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Doordat de afstand tussen het plangebied en de risicobron A12 groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Ditzelfde geldt ook voor Betuweroute maar dan omdat het groepsrisico niet met meer dan 10% toeneemt. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico

30 Ruimtelijke onderbouwing Sleeg 8, Zevenaar

30-7-2024

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A12 en de Betuweroute. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 26 april 2024 (kenmerk: Z2024-00001537). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=e8d3ae25-9f94-4818-8690-f0f18213cf26