RV26.044 WA-Hoeve NZOV Toelichting Bijlage 14 Nader ecologisch onderzoek NNN waarden
Tekst van het document
RAPPORT Nader onderzoek ZOV In het kader van NNN Klant:
BPD Ontwikkeling B.V.
Referentie: BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001 Status:
Definitief/1
Datum:
15 februari 2024
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB Eindhoven Netherlands Water & Maritime
+31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Nader onderzoek ZOV Sub titel: In het kader van NNN Referentie: BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001 Uw kenmerk Status: Definitief/1 Datum: 15 februari 2024 Projectnaam: BG9319 Projectnummer: BG9319 Auteur(s): E.P. Opgesteld door: E.P. Gecontroleerd door: H.Z. Datum: 13 februari 2024 Goedgekeurd door: Datum:
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderzins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
ii
Projectgerelateerd
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
iii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstelling en scope onderzoek
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Plangebied en voorgenomen ingreep
2
3
Grondgebonden zoogdieren
4
3.1
Werkwijze
4
3.2
Resultaten en effectbeoordeling
5
4
Reptielen
7
4.1
Werkwijze
7
4.2
Resultaten en effectbeoordeling
8
5
Insecten
10
5.1
Algemeen
10
5.2
Werkwijze
10
5.3
Resultaten en effectbeoordeling
10
6
Conclusie
12
Geraadpleegde literatuur
13
Bijlagen Bijlage 1: Juridisch- en Beleidskader Bijlage 2: Habitat-geschiktheidsanalyse Vlinderstichting
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
iv
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
BPD Ontwikkeling is voornemens om de locatie ‘Willem Arntsz Hoeve’ te Den Dolder gefaseerd te ontwikkelen. De locatie is opgedeeld in een deel rondom de Historische Middenas (HMA) en een deel betreffende het Noordelijke Ontwikkelingsveld (NOV) en het Zuidelijk Ontwikkelingsveld (ZOV). De gebouwen zullen een andere functionele invulling krijgen en daarnaast worden enkele bouwkavels ontwikkeld. In het kader van de voorziene herontwikkeling en wijzigingen in functies zijn natuurtoetsen door Royal HaskoningDHV uitgevoerd van de locatie ‘Willem Arntsz Hoeve’. In het rapport ‘Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming’ (RHDHV, 2020) is het totale voornemen getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb1) en planologische bescherming. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen: Gebiedsbescherming Natura 2000 Soortenbescherming Houtopstanden Planologische gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland Ten aanzien van het effect op het NNN is geconcludeerd dat er mogelijk wezenlijke kenmerken en waarden worden aangetast en dat een uitgebreidere beoordeling nodig is conform de NNN-wijzer van de provincie Utrecht.
In de rapporten ‘Herontwikkeling Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, NNN-toets’ (RHDHV, 2022) en ‘Herontwikkeling Willem Arntsz Hoeve Den Dolder – Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld, NNN-toets’ (RHDHV, 2023) is de toetsing aan het NNN uitgevoerd. Voor de wijziging van het bestemmingsplan is door de Provincie Utrecht soortgericht onderzoek gevraagd naar de aanwezigheid van prioritaire sooren waarvan beschermde soorten onderdeel vanuit kunnen maken (persoonlijke communicatie, 21 februari 2023).
1.2
Doelstelling en scope onderzoek
Deze toets geeft de resterende aanvullende onderzoeksresultaten van de soortgerichte onderzoeken zoals gevraagd door de Provincie Utrecht en is een aanvulling op de NNN-toets (RHDHV, 2023). Het gaat hierbij om de volgende soortgroepen: reptielen, grondgebonden zoogdiersoorten en solitaire bijen en dagvlinders zoals opgenomen op de lijst met aandachtsoorten van de Provincie. Aangezien het plangebied onderzocht is op het voorkomen van verschillende soorten insecten wordt vanaf nu niet meer gesproken over onderzoek naar solitaire bijen en dagvlinders maar over onderzoek naar insecten. Door het uitvoeren van het soortgericht onderzoeik wordt voldaan aan de regels die de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening (1 januari 2024) heeft gesteld aan ontwikkelingen binnen het NNN (hoofdstuk 6).
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is een beschrijving opgenomen van het projectgebied en de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 tot en met 5 worden respectievelijk de resultaten van de nadere onderzoeken naar grondgebonden zoogdieren, reptielen en insecten (waaronder solitaire bijen en dagvlinders) beschreven. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. Tot slot is een overzicht van de geraadpleegde literatuur opgenomen. In bijlage 1 is een beknopt kader van de relevante natuurwet- en regelgeving opgenomen.
1
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden waarin de Wnb is opgenomen. De werking van de wet, gebaseerd op de Vogel- en Habitatrichtlijn, is hierdoor niet gewijzigd. In bijlage 1 is meer informatie over de juridische toetsingskaders opgenomen.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
1
Projectgerelateerd
2
Plangebied en voorgenomen ingreep
Het plangebied betreft het terrein: ‘Willem Arntsz Hoeve’. Het is gelegen in de bosrijke omgeving van Den Dolder op ongeveer 500 meter afstand van het stedelijk gebied. De locatie van de WA-Hoeve kenmerkt zich als landelijk gebied met een bos- en groenrijk karakter. Het plangebied grenst aan de Altrecht-locatie die momenteel nog in gebruik is voor geestelijke gezondheidszorg, maar op den duur ook zal verhuizen, waarna deze locatie ook vrijkomt voor transformatie naar wonen, werken en verblijven. Ten noorden van de WAHoeve is Stichting Reinaerde gevestigd, die zorg (dagbesteding, ambulante begeleiding, etc.) biedt aan mensen met een verstandelijke beperking. Het plangebied is een afwisseling van verhard terrein, struweel en bos. Naast bos, is er ook heide aanwezig in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is verdeeld in verschillende te ontwikkelen terreinen. Onderhavige rapportage heeft alleen betrekking op het Zuidelijk Ontwikkelveld (ZOV; Figuur 2-2 en Figuur 2-2). De Historische Middenas (HMA) en Noordelijk Ontwikkelveld (NOV) vallen buiten de scope van het onderzoek. Voor een uitgebreide verwijzing van deze locaties wordt verwezen naar de quickscan (RHDHV, 2020) en natuurtoets (RHDHV, 2021).
Plangebied Zuidelijk Ontwikkelveld (ZOV) Het plangebied ligt in het zuidelijk deel van de Willem Arntsz Hoeve en is gelegen aan de bestaande historische wegenstructuur (Distelvlinder en Citroenvlinder). In het plangebied is één gebouw genaamd het ‘Deltahuis’, verschillende parkeervoorzieningen, sport en recreatie aanwezig. Vanuit het zuidwesten loopt een langzaamverkeerverbinding (fietsbrug Willem Coxlaan) het gebied binnen vanuit Den Dolder. Deze fietsverbinding verbindt het gebied direct met Den Dolder en gaat van hieruit over in verschillende fietsroutes. Zoals in de NNN-toets (RHDHV, 2023) is toegelicht is de NNN-begrenzing vanuit het Programma Hart van de Heuvelrug vooruitlopend op voorziene ontwikkelingen van wonen en zorg gewijzigd. Hierdoor is een nieuwe NNN-begrenzing ontstaan, die niet aansluit op de huidige situatie en niet vertaald is naar beheertypen. Noordelijk van het gebouw ligt een bloemrijk grasland binnen NNN-begrenzing maar heeft geen beheertype en is deels bebouwd. Westelijk van ZOV is bos aanwezig dat onder het NNN is aangeduid met het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbossen. Voorziene ontwikkeling Binnen het ZOV wordt een ontsluitingsweg aangelegd welke ontsluit op de N238 ter hoogte van de Pleineslaan. De nieuwe ontsluitingsweg is voorzien ter plaatse van gronden die aangewezen zijn als NNN.
Het betreft deels bestaande natuur met N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbossen alsook een bloemrijk grasland zonder beheertype, bestrating, parkeerplaatsen en een deel van een gebouw. Het bebouwd en bestraat gebied noordelijk van de ontsluitingsweg wordt omgevormd naar een bloemrijk grasland waardoor het areaal aan grasland gelijk blijft. In het ontwerp zijn maatregelen genomen voor kleinere en minder mobiele zoogdiersoorten (en reptielen) om de barrièrewerking van de weg te voorkomen. Het gaat om een herpetofaunatunnel, om dieren te helpen het gebied te doorkruisen zonder dat zij hinder ondervinden van de ontsluitingsweg. Middels lage opstaande randen langs de weg worden dieren naar de onderdoorgang geleid. Op deze locaties kunnen zij daardoor veilig de weg ‘oversteken’. Verder wordt de reikwijdte van verlichting door toepassing van armatuur en kleur amber/rood spectrum) beperkt waardoor verstoring van nachtactieve dieren wordt beperkt. Dit geldt voor de ontsluitingsweg alsook voor de herontwikkelingslocatie. Met de inpassing van de nieuwe ontsluitingsweg kan 0,24 ha aan bosstrook westelijk van ZOV behouden blijven en terug herbegrensd worden naar NNN (zie NNN-toets, RHDHV 2023).
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
2
Projectgerelateerd
Figuur 2-1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (groene vlak). Bron: Provincie Utrecht, 2024a
N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbossen
N07.01 Droge heide
Figuur 2-2. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) en het NNN met aangewezen beheertypen. Bron: Provincie Utrecht, 2024a.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
3
Projectgerelateerd
3
Grondgebonden zoogdieren
Uit de quickscan (RHDHV, 2020) en natuurtoets (RHDHV, 2021) is gebleken dat in en nabij het plangebied verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten kunnen voorkomen zoals boommarter, steenmarter, das, eekhoorn, wezel, hermelijn en bunzing. Ook kunnen algemene grondgebonden zoogdieren als muizen en egel verwacht worden. Er kan niet worden uitgesloten dat de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op deze soorten en daarmee aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Om deze reden is het uitvoeren van nader onderzoek naar het voorkomen van deze soorten in en nabij het plangebied noodzakelijk.
3.1
Werkwijze
Voor het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren is enerzijds gebruik gemaakt van de aanwezigheid op het terrein tijdens de veldbezoeken voor onderzoek naar reptielen (zie hoofdstuk 4), anderzijds is gebruik gemaakt van de kennis en expertise van de terrein-, groenbeheerder en van onderzoek middels inzet van wildcamera’s. Het nadere onderzoek naar grondgebonden zoogdiersoorten richtte zich op de volgende soorten: das, boommarter en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Deze soorten zijn voornamelijk ’s nachts actief, maar je kan ze ook overdag treffen. Tijdens de veldbezoeken voor onderzoek naar reptielen (overdag) is dan ook gelet op het voorkomen van deze soorten, maar ook op het voorkomen van eekhoorn. Verder zijn op vijf locaties in en nabij het plangebied wildcamera’s geplaatst (Figuur 3-1 en Tabel 3-1). Deze zijn na enige tijd opgehaald en uitgelezen. De beelden zijn vervolgens door een ter zake kundige ecoloog geanalyseerd. Aan de hand van deze informatie is beoordeeld of het beoogde voornemen negatief effect kan hebben op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN en de voorkomende soorten.
Figuur 3-1. Locatie's van de wildcamera's ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd).
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
4
Projectgerelateerd
Tabel 3-1. Nummer van de camera, of deze was ingesteld of foto's of video's en welke data de camera's hebben opgenomen. Nummer
Foto of video
Opgenomen vanaf
Opgenomen tot en met
1
Video
24-04-2023
26-04-2023
2
Video
06-06-2023
18-07-2023
3
Video
06-06-2023
18-07-2023
4
Video
18-07-2023
19-09-2023
5
Video
18-07-2023
18-08-2023
3.2
Resultaten en effectbeoordeling
Resultaten In Tabel 3-2 zijn de resultaten van de wildcamera’s ten aanzien van grondgebonden zoogdieren weergegeven, hierbij is alleen verwezen naar het nummer en de data dat de camera heeft opgenomen. In de tabel zijn alleen camera’s opgenomen waarop grondgebonden zoogdieren zijn waargenomen. Uit het nader onderzoek blijkt dat de volgende grondgebonden zoogdieren voorkomen nabij het plangebied, namelijk: das, egel, haas, ree en vos. Andere soorten zoals boommarter en eekhoorn zijn niet waargenomen. Daarentegen zijn van deze soorten in de omgeving wel waarnemingen bekend. Hierdoor wordt het voorkomen van deze soorten in en nabij het plangebied niet uitgesloten. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van boommarter (boomholtes), das en/of vos (burchten/pijpen) waargenomen. Kortom maakt het plangebied onderdeel uit van het groter leefgebied van das, egel, haas, ree en vos. Mogelijk is het plangebied ook onderdeel van het leefgebied van boommarter en eekhoorn omdat deze in de (ruime) omgeving zijn waargenomen. Tabel 3-2. Resultaten wildcamera's waarbij alleen de camera's met waarnemingen van grondgebonden zoogdieren zijn opgenomen in de tabel. Hierbij is het nummer, wanneer deze heeft opgenomen en de waarnemingen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren opgenomen. Nummer
Opgenomen vanaf
Opgenomen tot en met
Waarnemingen
2
06-06-2023
18-07-2023
Meerdere keren vos en één keer egel waargenomen.
3
06-06-2023
18-07-2023
Meerdere keren vos, enkele keer ree en één keer das waargenomen.
4
18-07-2023
19-09-2023
Meerdere keren vos en ree waargenomen.
5
18-07-2023
18-08-2023
Meerdere keren haas, vos en ree waargenomen. Verder twee keer foeragerende das waargenomen.
Effectbeoordeling Door het voornemen gaat een deel van het aanwezige bos met het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbossen verloren door de aanleg van een verbindingsweg. Verder wordt het andere deel van de weg ook in NNN aangelegd met deels grasland en deels bestrating en een gebouw. Deze delen hebben nog geen beheertype. In het plangebied ontbreekt het aan boomholtes en eekhoornnesten. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plangebied geen essentiële functie biedt voor de boommarter en eekhoorn en de soorten slechts incidenteel passerend of foeragerend kunnen waargenomen in het gebied. Voor de das, egel, ree en vos geldt dat deze wel zijn waargenomen op de wildcamera’s en dat ze voorkomen in of nabij het plangebied in het bos en grasland. Echter ontbreekt het in het plangebied en de directe omgeving hiervan aan verblijfplaatsen van deze soorten. Voor deze soorten geldt dat ze het plangebied 15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
5
Projectgerelateerd
gebruiken als onderdeel van een grote leef- en foerageergebied. Er blijft voldoende geschikt leef- en foerageergebied aanwezig voor deze mobiele soorten. In de gebruiksfase kan de ontsluitingsweg echter wel een barrière vormen alsook dodelijk zijn voor grondgebonden zoogdieren. Om deze reden zijn in het ontwerp maatregelen genomen voor kleinere en minder mobiele zoogdiersoorten (o.a. egel) en reptielen om deze barrièrewerking te voorkomen. Het gaat om een herpetofaunatunnel, om dieren te helpen het gebied te doorkruisen zonder dat zij hinder ondervinden van de ontsluitingsweg. Middels lage opstaande randen langs de weg worden dieren naar de onderdoorgang geleid. Op deze locaties kunnen zij daardoor veilig de weg ‘oversteken’. Daarnaast kan verlichting langs de ontsluitingsweg verstoring veroorzaken van nachtactieve dieren. De reikwijdte van verlichting wordt door toepassing van armatuur en kleur (amber/rood spectrum) beperkt. Dit geldt voor de ontsluitingsweg alsook voor de herontwikkelingslocatie. Met het in acht nemen van deze maatregelen kan worden uitgesloten dat het voornemen effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Daarnaast is schadelijk handelen vanuit de soortenbescherming zoals beschreven in de Omgevingswet niet aan de orde.
Wel dienen algemene voorzorgsmaatregelen te worden gevolgd om overtreding van de Ow tijdens de uitvoeringsfase te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een nader op te stellen ecologisch werkprotocol.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
6
Projectgerelateerd
4
Reptielen
Uit de quickscan (RHDHV, 2020) is gebleken dat in en nabij het plangebied verschillende beschermde reptielen kunnen voorkomen namelijk hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang. Voor de zandhagedis ontbreekt het in het plangebied aan geschikt leefgebied en het voorkomen van de soort in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Voor de andere soorten geldt dat er niet kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op deze soorten en daarmee aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Om deze reden is het uitvoeren van nader onderzoek naar het voorkomen van deze soorten in en nabij het plangebied noodzakelijk.
4.1
Werkwijze
Het nader onderzoek naar hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang is uitgevoerd conform het inventarisatie protocol van Netwerk Groene Bureaus (NGB, 20172). Daarnaast is gebruik gemaakt van informatie van RAVON (2024) en het kennisdocument Levendbarende hagedis (BIJ12, 2017) geraadpleegd. Stap 1: uitleggen van tegels Aanwezigheid van reptielen is onderzocht met behulp van tapijttegels. De tegels zijn onder begeleiding van een ter zake kundige op het gebied van reptielen in geschikt leefgebied voor de soorten in en nabij het plangebied gelegd (Figuur 4-1). Om trefkans te vergroten zijn de tegels niet op locaties gelegd die te open of te vlak zijn en de voorkeur ging uit naar overgangssituaties. De tegels zijn eind april uitgelegd zodat de dieren minimaal een maand hadden om hieraan te wennen. In totaal zijn er in en nabij het plangebied 26 tegels neergelegd. Tegels 1 tot en met 22 zijn in en nabij de aan te leggen ontsluitingsweg gelegd. De tegels 23 tot en met 26 zijn nabij het nader in te richten compensatiegebied van het NNN neergelegd. Stap 2a: controle van de tegels De tapijttegels zijn vervolgens in de periode van mei tot en met september op vijf momenten omgedraaid om te controleren of er individuen van de hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang onder de tegels aanwezig waren (Tabel 4-1).
Deze controles zijn uitgevoerd op ochtenden zonder neerslag en met een temperatuur tussen de 15 en 20 graden Celsius. Na afloop van de laatste controle zijn de tegels opgehaald uit het onderzoeksgebied. Stap 2b: controle van de omgeving Verder geldt dat voor de levendbarende hagedis aanvullend op de tapijttegels routes zijn gelopen. Hierbij is gericht gezocht naar de aanwezigheid van individuen van de levendbarende hagedis, waarbij voornamelijk gelet wordt op wegschietende exemplaren. Indien aanwezig zijn natuurlijke elementen als houtstronken en boomstammen gekeerd om daaronder te zoeken naar reptielen. Stap 3: data-analyse en effectbeoordeling Gedurende de controles van de tegels is meteen genoteerd wat er is aangetroffen. Verder is na afloop van de controles de NDFF geraadpleegd om te kijken of er nieuwe waarnemingen bekend waren van de hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang in en nabij het plangebied.
2 Gedurende het opstellen van de rapportage is de nieuwe versie van het inventarisatie protocol van Netwerk Groene Bureaus uitgekomen. Aangezien deze ten tijde de uitvoering van het onderzoek nog niet beschikbaar was is het onderzoek volgens het protocol van 2017 uitgevoerd.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
7
Projectgerelateerd
Figuur 4-1. Ligging van de tapijttegels in en nabij het plangebied.
Tabel 4-1. Weergave van de inventarisatierondes voor de hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis, met in de eerste kolom de inventarisatieronde, daarna de datum, de tijd en de weersomstandigheden. Bezoek
Doel
Datum
Tijd
Weersomtandigheden
0
Uitleggen tapijttegels
25-04-2023
9.00 - 12.00
6 ºC, zonnig, 2 Bft NNO
1
Controle tapijttegels en lopen route
15-05-2023
9.00 - 12.00
16 ºC, zonnig, 2 Bft NW
2
Controle tapijttegels en lopen route
06-06-2023
8.30 - 11.00
17 ºC, zonnig, 3 Bft NNO
3
Controle tapijttegels en lopen route
18-07-2023
8.00 - 10.30
18 ºC, zonnig, 2 Bft ZWZ
4
Controle tapijttegels en lopen route
18-08-2023
8.30 - 11.00
20 ºC, zonnig, 2 Bft O
5
Controle tapijttegels, lopen route en opruimen tegels
19-09-2023
9.00 - 11.30
15 ºC, bewolkt, 4 Bft ZO
4.2
Resultaten en effectbeoordeling
Resultaten Gedurende alle vijf de inventarisatierondes is er onder een tapijttegel (nummer 16) één hazelworm aangetroffen. Er zijn geen levendbarende hagedissen of ringslangen onder de tapijttegels aangetroffen. Tijdens de gelopen routes zijn ook geen individuen van levendbarende hagedis of zandhagedis aangetroffen in of nabij het plangebied. Wel is na raadplegen van de NDFF op circa 100 meter ten oosten van de aan te leggen ontsluitingsweg op circa 100 meter een waarneming gedaan van zandhagedis. Echter wordt de soort nog steeds niet in het plangebied verwacht omdat de soort voorkomt in droge struikheideterreinen, welke ontbreken in het plangebied.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
8
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling Door het voornemen gaat een deel van het aanwezige bos met het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbossen verloren door de aanleg van een verbindingsweg alsook een deel van grasland, parkeerterrein en een gebouw dat in begrensd NNN ligt. Gedurende het onderzoek zijn in het plangebied en de directe omgeving daarvan geen waarnemingen gedaan van ringslang en levendbarende hagedis. Voor de zandhagedis geldt dat er op 100 meter van het plangebied wel een waarneming is gedaan van zandhagedis. Echter ontbreekt het in plangebied aan geschikt leefgebied (droge struikheideterreinen) voor zandhagedis. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Aangezien gedurende het onderzoek een waarneming is gedaan van hazelworm in het plangebied kan geconcludeerd worden dat het plangebied onderdeel is van leefgebied van de soort. Voor het voornemen gaat een deel van het leefgebied van de hazelworm verloren. Echter blijft er in de directe omgeving voldoende leefgebied aanwezig. Bebouwd gebied wordt omgevormd naar bloemrijk grasland en langs de ontsluitingsweg komt een berm met een bosrand. Hierdoor blijft voldoende leefgebied aanwezig voor de hazelworm en tast het plan de lokale staat van instandhouding niet aan. In de gebruiksfase kan de ontsluitingsweg wel een barrière vormen voor de hazelworm.
Om deze reden worden in het ontwerpmaatregelen genomen om deze barrièrewerking te voorkomen. Het gaat om een herpetofaunatunnel, om dieren te helpen het gebied te doorkruisen zonder dat zij hinder ondervinden van de ontsluitingsweg. Middels lage opstaande randen langs de weg worden dieren naar de onderdoorgang geleid. Op deze locaties kunnen zij daardoor veilig de weg ‘oversteken’. Met het in acht nemen van deze maatregelen kan worden uitgesloten dat het voornemen effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Voor het voornemen kan echter tijdens de uitvoering niet uitgesloten worden dat het leidt tot schadelijk handelen zoals beschreven in de Ow. Zo kan tijdens de aanlegfase hazelwormen worden verwond en/of gedood. Daarnaast kan het voornemen leiden tot het beschadigen en/of aantasten van verblijfplaatsen van de soort. Dit zijn overtredingen van artikel 11.54, lid 1a en 1b, van de Ow. Mitigerende maatregelen zijn nodig om deze negatieve effecten te voorkomen. Voor het voornemen dient dan een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Verder dienen tijdens de uitvoering maatregelen genomen te wordne om negatieve effecten op de hazelworm te voorkomen en zoveel mogelijk te beperken.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
9
Projectgerelateerd
5
Insecten
5.1
Algemeen
In de provincie Utrecht komen ruim 500 bedreigde planten- en dierensoorten voor die zij hebben aangewezen als aandachtsoorten in de provincie. De Provincie Utrecht zet zich voor deze soorten in om ze te behouden in de provincie door het stimuleren van maatregelen die ten goede komen voor deze soorten. Met als doel dat het leefgebied van deze soorten verbetert en het aantal van de soort uiteindelijk toeneemt en uitbreidt. Daarnaast heeft de Provincie Utrecht uit deze lijst 41 icoonsoorten geselecteerd. Dit zijn planten en dieren waar de provincie Utrecht en bijzondere betekenis voor vervult. Deze soorten staan daarnaast symbool voor vele andere aandachtsoorten. Dit houdt in dat maatregelen die genomen worden voor de icoonsoorten vaak ook een positief effect hebben op andere aandachtsoorten (Provincie Utrecht, 2024). Na contact met de Provincie Utrecht (persoonlijke communicatie, 6 april 2023) is gebleken dat er in het plangebied onderzoek plaats dient te vinden naar het voorkomen van solitaire bijen en dagvlinders die zijn opgenomen op de lijst met aandachtsoorten. Het onderzoek is uitgevoerd door de Vlinderstichting (2023) en het volledige rapport is opgenomen in bijlage 2. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van het onderzoek.
Op basis van dit onderzoek kan vervolgens ingeschat worden of het voornemen leidt tot aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het aanwezige NNN.
5.2
Werkwijze
De Vlinderstichting heeft een habitatgeschiktheidsanalyse uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde en/of bijzondere insecten in het plangebied. Hiervoor heeft op 18 augustus 2023 (20 graden Celsius, droog, zonnig, 2 Bft O) een veldbezoek plaatsgevonden door een medewerker van de Vlinderstichting. Hierbij is gelet op het voorkomen van beschermde insecten en insecten die zijn opgenomen op de Rode Lijst. Daarnaast is gekeken of er in het plangebied unieke of bijzondere habitats aanwezig zijn die geschikt leefgebied vormen voor beschermde insecten en/of insecten die zijn opgenomen op de Rode Lijst.
5.3
Resultaten en effectbeoordeling
Resultaten Tijdens het veldbezoek van de vlinderstichting zijn in het plangebied en de directe omgeving hiervan verschillende bestuivers en andere insecten aangetroffen. Het plangebied is op basis van habitat opgesplitst in twee deelgebieden, namelijk: bloemrijk grasland en bos. Hieronder worden per deelgebied de resultaten toegelicht. Bloemrijk grasland In het deelgebied met bloemrijk grasland zijn voor het merendeel algemene en weinig kritische soorten aangetroffen. Echter zijn er ook een aantal soorten gevonden die typerend zijn voor schrale graslanden zoals kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas; thans niet bedreigd op Rode Lijst) en het bruin blauwtje (Aricia agestis; gevoelig op Rode Lijst). Daarnaast werden er het gewoon krieltje (Paragus haemorrhous) en graslanglijf (Sphaerophoria taeniata) aangetroffen in het deelgebied. Dit zijn twee zweefvliegen die voorkomen in droge graslanden en heideterreinen. Verder is ook nog de bruine winterjuffer (Sympecma fusca; thans niet bedreigd op Rode Lijst) waargenomen. Dit is een soort die voorkomt in kleinschalige grasen heideterreinen. Aangezien de soort is waargenomen in augustus kan geconcludeerd worden dat dit de tweede generatie betreft van de soort. Deze staat bekend om zwervend gedraag waarbij ze op zoek gaan naar structuurrijke gebieden met struiken en bosranden om te jagen en uiteindelijk te overwinteren.
Als ze ontwaken in het voorjaar gaan ze weer op zoek naar geschikte voortplantingswateren. Verder is het deelgebied ook geschikt voor bijvoorbeeld het geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris; bedreigd op de Rode Lijst). Deze soort is niet waargenomen tijdens de gebiedsinventarisatie, maar komt wel in de omgeving 15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
10
Projectgerelateerd
voor en het plangebied vormt ook een geschikt habitat voor deze soort. Het schrale bloemrijke grasland is vrij uniek in de omgeving aangezien open plekken in het bos veelal bestaan uit heide. Bos In het bos zijn geen bestuivers aangetroffen en deze heeft ook geen waarden voor deze soorten. Wel zijn er gedurende het veldbezoek meerdere keversoorten gevonden die afhankelijk zijn van dood hout. Dit betroffen enkele algemene soorten maar er zijn daarnaast ook twee minder algemene soorten waargenomen. Een van deze soorten is de gewone dubbeloogboktor (Tetropium castaneum). De larven van de soort leven in vers dood naaldhout. De soort is in de provincie Utrecht een enkele keer aangetroffen en daarbuiten is de soort uiterst schaars. Daarnaast werd de keversoort Colydium elongatum uit de familie Zopheridae (Somberkevers) aangetroffen. Deze soort wordt niet vaak aangetroffen en was nog niet bekend in de regio. Deze soort leeft onder schors van dikke bomen en jaagt hierop larven van kevers uit de familie Scolytidae. Effectbeoordeling Bos De voorgenomen ingreep zal geen groot effect hebben op de aanwezige populaties van de aangetroffen keversoorten in het deelgebied bos. Na het voornemen is er in de directe omgeving nog voldoende geschikt leefgebied aanwezig voor deze soorten. Hierbij is het wel van belang dat het beheer niet verandert en nog voldoende doodhout beschikbaar blijft.
De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN worden door het voornemen niet aangetast. Bloemrijk grasland Voor het voornemen gaat een klein gedeelte van het schrale bloemrijke grasland verloren. Dit deel van het plangebied valt onder NNN vanwege de herbegrenzing maar heeft nog geen beheertype. Daarbij gaat voor het voornemen maar een klein gedeelte verloren en blijft het merendeel van het bloemrijke grasland onaangetast. Verder wordt het gebouw in het plangebied en daarbuiten gesloopt wat uitbreidingsmogelijkheden biedt voor het bloemrijke grasland. De verwachting is dan ook dat het oppervlak van dit deelgebied niet achteruit zal gaan. Daarnaast wordt het gebied mogelijk versterkt door het in te richten compensatiegebied waar leefgebied voor insecten met bloemrijke grasland vegetaties wordt gecreëerd. Vanwege het ontbreken van een beheertype kan niet beoordeeld worden over de aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het desbetreffende beheertype.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
11
Projectgerelateerd
6
Conclusie
Uit de resterende onderzoeksresultaten, aanvullend op de bevindingen opgenomen in de NNN-toets (RHDHV, 2023) volgt dat
De bevinding dat het plan niet leidt tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het aanwezige NNN maar tot een plus niet wijzigt. Dat aanwezigheid van grondgebonden beschermde soorten das, egel, ree en vos in het plangebied met wildcamera is bevestigd. Vaste verblijfplaatsen komen niet voor in het plangebied. Dat aanwezigheid van hazelworm in het plangebied is vastgesteld. Mitigerende maatregelen in de uitvoering is nodig om doding te voorkomen. Een omgevingsvergunning is nodig voor tijdelijk aantasting van verblijfplaatsen en verstoring in het kader van de soortenbescherming. De lokale staat van instandhouding komt door het plan, een nieuwe verbindingsweg voorzien van reptielentunnels en geleiding, niet in gevaar. Ten aanzien van bijzonder insectensoorten zijn in het relatief bloemrijk grasland verschillende insectensoorten van schralere graslanden aangetroffen. Het plan met deels verlies en deels teruggave van bebouwd gebied naar bloemrijk grasland tast het leefgebied niet aan. In het bos zijn twee bijzondere keversoorten waargenomen; met voldoende aanbod van dood hout is voldoende leefgebied aanwezig.
Vervolg In het kader van de soortenbescherming dient in verband met de omgevingsvergunning en de uitvoering de mitigerende maatregelen voor de hazelworm uitgewerkt te worden waarin tevens de maatregelen voor broedvogels en vanuit de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 11.27 in de Bal Ow worden opgenomen. Hiervoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden. In een nader op te stellen ecologisch werkprotocol worden de mitigerende en voorzorgsmaatregelen eventueel met aanvullende voorwaarden vanuit de vergunning nader concreet met of door de uitvoerende partij uitgewerkt.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
12
Projectgerelateerd
Geraadpleegde literatuur BIJ12 (2017). Kennisdocument Levendbarende hagedis, versie 1.0 (BIJ12-2017-012). Utrecht, Nederland. Nationale Databank Flora en Fauna (2024). Geraadpleegd op 25 januari 2024, via: https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal. Provincie Utrecht (2024a). Natuurnetwerk Nederland. Geraadpleegd op 10 januari 2024, via: https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/natuur/natuurnetwerk-nederland-nnn#nnn Provincie Utrecht (2024b). Natuurbeleid. Geraadpleegd op 18 januari 2024, via: https://www.provincieutrecht.nl/onderwerpen/natuur/natuurbeleid#aandachtsoorten RHDHV (2020). Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, d.d. 14 juli 2020, kenmerk: BG9319-T&P_RP_2007141514. Royal HaskoningDHV, Eindhoven. RHDHV (2022). Herontwikkeling Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, NNN-toets, d.d. 16 december 2022, kenmerk: BG9319TPRP2210261407. Royal HaskoningDHV, Zwolle. RHDHV (2023). Herontwikkeling Willem Arntsz Hoeve Den Dolder – Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld. NNN-toets, d.d. 30 mei 2023, kenmerk: BG9319TPRP2305151423. Royal HaskoningDHV, Zwolle. Vlinderstichting (2023). Habitat-geschiktheidsanalyse Willem Arentsz Hoeve, oktober 2023, rapportnummer: VS2023.041. De Vlinderstichting, Wageningen. Waardenburg Ecology (2023). Toelichting op NNN-compensatieplan Willem Arntsz hoeve, d.d. 16 januari 2023 Rapport 22-313.
Waardenburg Ecology, Culemborg
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
13
Bijlage 1 Juridisch- en Beleidskader
Projectgerelateerd
A1
Inleiding Omgevingswet
In de Omgevingswet (hierna: Ow) zijn alle wetten met betrekking tot de fysieke leefomgeving opgenomen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) hoofdstuk 11 is de bescherming van Natuur in Nederland opgenomen. Deze wet bevat onder andere regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen.
A1.1
Natura 2000 (Ow Bal § 11.1)
Het onderdeel Gebiedsbescherming (§ 11.1) van de Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet regelt de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Hoewel het de meest strikte vorm van juridische bescherming betreft, heeft deze wet daardoor vaak een beperkte reikwijdte, die zich beperkt tot de grenzen van een Natura 2000-gebied en uitsluitend die natuurwaarden ten aanzien waarvan daarbinnen instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Voor elk van de in het kader van Natura 2000 aangewezen gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, nader uitgewerkt in een beheerplan, die gelden als toetsingskader. Uitgaande van die instandhoudingsdoelstellingen dient nagegaan te worden of sprake is van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen en zo ja, of de wezenlijke kenmerken en waarden van een Natura 2000-gebied in het geding zijn. Voorgaande geldt sinds 29 mei 2019 ook weer onverkort voor effecten ten gevolge van depositie van stikstof, gevat onder de storingsfactor “Verzuring en Vermesting door stikstof uit de lucht (3 & 4)”; de generieke Passende Beoordeling voor het PAS, waarin rekening werd gehouden met de verschillende bron- en herstelmaatregelen, is niet langer bruikbaar als beoordelingskader. Bij de beoordeling van effecten op instandhoudingsdoelstellingen is ook zogenoemde externe werking van belang.
Dat wil zeggen dat ook beschouwd moet worden in hoeverre voorgenomen activiteiten buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten hebben op in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. In zoverre is de reikwijdte van de Omgevingswet onbegrensd, zo volgt uit bestaande jurisprudentie. In geval van emissie en depositie van stikstof is dit bijvoorbeeld relevant. Vaak vindt de emissie plaats (ver) buiten de grenzen van een Natura 2000-gebied, maar daalt de stikstof neer in Natura 2000-gebieden waar deze negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen die daar gelden. Hoe werkt een beoordeling voor Natura 2000-gebieden? Voor projecten of plannen waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze, rekening houdend met externe werking en gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, dient in een oriënterende fase onderzocht te worden of het voornemen significante negatieve effecten kan hebben. Vaak heeft deze oriënterende fase de vorm van een zogenoemde Voortoets waarin ten minste voor elk van de storingsfactoren uit de Effectenindicator (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2023) wordt nagegaan óf deze relevant is (aan de orde is) en zo ja óf negatieve effecten op geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen op voorhand kunnen worden uitgesloten.
Indien op grond van de Voortoets niet kan worden uitgesloten dat een voornemen uitgaande van de instandhoudingsdoelstellingen (significant) negatieve effecten kan hebben, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden neergelegd in een Passende Beoordeling.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
A1
Projectgerelateerd
In de Passende Beoordeling wordt de best beschikbare wetenschappelijke kennis gebruikt om in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen na te gaan welke effecten aan de orde zijn, waarbij mitigerende maatregelen (maatregelen die de effecten terugdringen) meegenomen mogen worden, om zo waar mogelijk het optreden van effecten uit te sluiten. Voor projecten of handelingen waarvan uit de Passende Beoordeling volgt dat ze afzonderlijk of in cumulatie kunnen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken kan geen vergunning worden verleend, tenzij een zogenoemde ADC-toets (die formeel geen onderdeel is van de Passende Beoordeling) succesvol kan worden doorlopen. De stappen die volgordelijk allemaal succesvol moeten worden doorlopen zijn dan: Er zijn geen Alternatieve oplossingen met minder gevolgen voor het gebied. Het project is nodig om Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Overigens gelden als Dwingende redenen van groot openbaar belang alleen die gronden, die zijn vastgelegd in de Europese Habitat- of Vogelrichtlijn. De nodige Compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
A1.2
Beschermde soorten (Ow Bal § 11.2)
De Bal van de Ow kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de specifieke zorgplicht conform Ow Bal artikel 11.27. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als vergunning of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.
Beschermingsregimes Het gaat om de volgende beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Ow Bal § 11.2.2) Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Ow Bal § 11.2.3) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (Ow Bal § 11.2.4) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B van de Bal Ow. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten van nature voorkomend in Nederland. Verbodsbepalingen Elk van de beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of vergunning van deze verboden. De verbodsbepalingen in de paragrafen 11.2.2 en 11.2.3 zijn een-op-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2) en verdragen en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 11.2.4 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlage IX onder A en B bij de Bal Ow. Hiervoor geldt een Kleiner aantal verbodsbepalingen. 15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
A2
Projectgerelateerd
Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Bal Ow wordt bepaald of beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen in het onderzoeksgebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt. Tabel 2. Verbodsbepalingen Besluit activiteit leefgebieden Omgevingswet. Verbodsbepalingen Vogelrichtlijn Ow Bal art.11.37
Verbodsbepalingen Habitatrichtlijn Ow Bal art.11.46
Verbodsbepalingen Andere soorten Ow Bal art. 11.54
Art. 11.37 1a. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
Art 11.46 1a Het is verboden in het wild levende dieren HR IV soorten (Verdrag Bern en Bonn) in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 11.54 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 11.37 1b Art 11.46 1b Het is verboden opzettelijk nesten, rustHet is verboden dieren als bedoeld in lid 1a plaatsen en eieren van vogels als bedoeld in opzettelijk te verstoren. lid 1a te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art. 11.37 1c Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in lid 1a te rapen en deze onder zich te hebben.
Art. 11.46 1c Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in lid 1a in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art. 11.37 1d Het is verboden vogels als bedoeld in lid 1a opzettelijk te storen.
Art 11.46 1d Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in lid 1a te beschadigen of te vernielen.
Art. 11.37 3 Het verbod geldt niet als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art. 11.46 1e. Het is verboden planten HR (en Verdrag van Bern) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art. 11.54 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art. 11.54 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vergunnings- en vrijstellingsmogelijkheden In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en soorten niet worden verwond of gedood. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan moeten mitigerende maatregelen genomen worden en is een vergunning nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergunning. Artikelen 7.197k, 7.197o en 7.197r van de Omgevingsregeling (hierna: Or) van de Omgevingswet bevatten de vergunnings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden per beschermingsregime. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Omgevingswet geldt voor deze soorten een vergunningsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 11.54 van de Bal kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningsplicht vaststellen middels een verordening. De provincie is het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en vergunningen in het kader van de Ow.
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voor dit project is provincie Utrecht. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen op basis van Provinciale
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
A3
Projectgerelateerd
Staten vastgestelde provinciale verordeningen. De vrijgestelde soorten in Utrecht zijn in Tabel 2 weergegeven. De specifieke zorgplicht (artikel 11.27) blijft wel te allen tijde van toepassing. Tabel 2: Soorten met een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van door PS vastgestelde provinciale verordeningen in Provincie Utrecht. Grondgebonden zoogdieren
Amfibieën en reptielen
Aardmuis
Haas
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker
Bosmuis
Hermelijn
Veldmuis
Bastaardkikker (middelste groene kikker)
Bunzing
Huisspitsmuis
Vos
Gewone pad
Dwergmuis
Konijn
Wezel
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Woelrat
Meerkikker
Egel
Ree
Wild zwijn
Gewone bosspitsmuis
Rosse woelmuis
Voorzorgs- en mitigerende maatregelen Indien door voorzorgsmaatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden, is het aanvragen van een vergunning niet nodig. Het gaat erom dat de voorzorgsmaatregel zorgt dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort blijft behouden en de betreffende soort niet gedood, verwond of verstoord wordt. De voorzorgsmaatregelen worden als randvoorwaarde meegegeven aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om de optredende effecten te verzachten. Omdat sprake is van het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen, moet een vergunning worden aangevraagd. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van vergunningsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode.
Opzettelijkheid In de Ow is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Nietopzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort. Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
A4
Projectgerelateerd
volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de huidige staat van instandhouding van de soort. In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort. Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is. Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.
A1.3
Bescherming van houtopstanden (Ow Bal § 11.3)
In de Bal van de Ow is de bescherming van houtopstanden geregeld. Het doel van de regels met betrekking tot houtopstanden onder de Ow is de instandhouding van het bosareaal. Om deze doelstelling te realiseren blijven de meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod ingeval van houtkap bestaan. De kap dient daarbij wel nog steeds een bepaalde omvang en locatie te hebben. Enkel houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom worden gereguleerd. Bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen is een kapmelding verplicht. De Wet natuurbescherming hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. Verder zijn bijvoorbeeld fruitboomgaarden, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren, kerstbomen en houtopstanden op erven en tuinen vrijgesteld van bescherming. Meldplicht ten aanzien van de voorgenomen kap Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 11.111 van de Bal van de Ow, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie.
In artikel 11.126 van de Bal van de Ow is namelijk opgenomen dat het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. De provincie kan bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de gegevens die bij de melding worden verstrekt, de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en de wijze waarop de melding wordt gedaan. Herplantplicht en vrijstellingsmogelijkheid Een eigenaar moet binnen drie jaren na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand zorgdragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, bedoeld in het eerste lid. Gedeputeerde staten kan vergunning verlenen van het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de gevelde houtopstand.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
A5
Projectgerelateerd
Kapverbod De melding vergemakkelijkt de controle op de uitvoering van deze plicht tot herbeplanting en maakt het mogelijk voor gedeputeerde staten om een kapverbod op te leggen. Het kapverbod kan door gedeputeerde staten telkens voor ten hoogste vijf jaar worden opgelegd ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
A2
Planologische gebiedsbescherming (NNN)
Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones.
A2.1
“Nee, tenzij”
De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde “nee, tenzij”-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan (‘nee’) als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De provincie beschermt het NNN via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden niet afneemt. Dit is geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Hoofdlijn is daarbij dat nieuwe ontwikkelingen in het NNN per saldo niet mogen leiden tot significante aantasting van het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én alternatieven ontbreken (Nee tenzij. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met significante negatieve natuurgevolgen in het Natuurnetwerk Nederland zijn niet toegestaan (‘nee’), tenzij groot openbaar belang en het ontbreken van alternatieven aangetoond is.
Het Nee-tenzij komt uit het rijksbeleid en is uitgewerkt in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en Verordening (PRV).
A2.2
Wezenlijke kenmerken en waarden
De wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het “Natuurbeheerplan” van de betreffende provincie, de Index Natuur en Landschap en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden voor zover de onder het Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden ook in een Natura 2000-gebied liggen. De vraag wanneer sprake is van een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden kan in het kader van het Natuurnetwerk Nederland niet in algemene zin beantwoord worden. In ieder geval worden alle plannen of projecten die ertoe leiden dat een deel van het netwerk een andere bestemming moet krijgen en daardoor uit de begrenzing moet worden gehaald als significant aangemerkt.
15 februari 2024
BG9319-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
A6
Bijlage 2 Habitat-geschiktheidsanalyse Vlinderstichting
Habitat-geschiktheidsanalyse Willem Arentsz Hoeve
Habitat-geschiktheidsanalyse Willem Arentsz Hoeve Tekst Koen Verhoogt Rapportnummer VS2023.041 Projectnummer P-2023.091 Productie De Vlinderstichting Mennonietenweg 10 Postbus 506 6700 AM Wageningen T 0317 46 73 46 E info@vlinderstichting.nl www.vlinderstichting.nl Opdrachtgever HaskoningDHV Nederland B.V. Deze publicatie kan worden geciteerd als Verhoogt, K. 2023, Habitat-geschiktheidsanalyse Willem Arentsz Hoeve. Rapport VS2023.041, De Vlinderstichting, Wageningen. Trefwoorden Habitat-analyse, schraal grasland, bestuivers, libellen, dagvlinders Oktober 2023
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigden/of openbaar gemaakt d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van De Vlinderstichting, noch mag het zonder een dergelijke toestemming gebruikt worden voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoud Inhoud ................................................................................................................................ 3 Introductie.......................................................................................................................... 4 Doel .................................................................................................................................... 4 Locatie ................................................................................................................................ 4 Resultaten .......................................................................................................................... 5 Bos ................................................................................................................................. 5 Bloemrijk grasland ......................................................................................................... 6 Conclusie ............................................................................................................................ 7 Bos ................................................................................................................................. 7 Bloemrijk grasland .........................................................................................................
7 Bijlage A:............................................................................................................................. 7
3
De Vlinderstichting 2023 / P-2023.091
Introductie Het onderzoeksterrein Willem Arentsz Hoeve nabij Den Dolder is onderdeel van NatuurNetwerk Nederland (NNN). Een deel van dit gebied moet vanwege de herinrichting van dit gebied wijken voor een toegangsweg. Ten oosten zal een compensatie gebied ingericht gaan worden. De Vlinderstichting is gevraagd een habitat-geschiktheidsanalyse uit te voeren voor beschermde en/of bijzondere insecten.
Doel Binnen het te compenseren NNN gebied te onderzoeken of er insecten aanwezig zijn die: op de rode lijst staan, habitat richtlijn soorten zijn of aandachtsoorten zijn van de provincie Utrecht (https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/202108/Aandachtssoorten%20actief%20soortenbeleid-A3.pdf ). Daarnaast wordt er ook gekeken of er unieke of bijzondere habitats zijn die één of meerdere van bovengenoemde soorten kan faciliteren.
Locatie Het NNN gebied welke gecompenseerd gaat worden bestaat uit twee delen. Ten eerste en gemengd bos bestaande uit beuk (Fagus sylvatica), zomereik (Quercus robur) en douglasspar (Pseudotsuga menziesii), met een ondergroei van voornamelijk wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) en hulst (Ilex aquifolium). In dit gebied was veel dood hout aanwezig in de vorm van omgevallen bomen en afgevallen en afgezaagde takken welke op een hoop waren gelegd. Hierna genoemd: ‘bos’.
Figuur 1: Overzicht van het habitat 'bos'
De Vlinderstichting 2023 / P-2023.091
4
Het tweede gedeelte wordt aangeduid als ‘Bestaande bebouwing, erven en verharding binnen NNN begrenzing’. Dit gebied bestaat naast de aanwezige bebouwing vooral uit soortenrijk bloemrijk grasland. Hierna genoemd: ‘bloemrijk grasland’.
Figuur 2: Overzicht van het habitat 'bloemrijk grasland'
Resultaten Tijdens het bezoek op 18 augustus 2023 zijn alle bestuivers (vlinders, bijen, hommels en zweefvliegen), libellen en sprinkhanen geïnventariseerd. Daarnaast is er in het bos gelet op insecten die afhankelijk zijn van dood hout. Hieronder worden de resultaten per deelgebied besproken. Bos
Tijdens de inventarisatie van het bosgebied werden enkele kever soorten gevonden die afhankelijk zijn van dood hout. Hiertussen zaten enkele algemene boktorren zoals de gewone smalboktor (Sticoleptura rubra) en de kleine wespenboktor (Clytus arietis), de gewone smalboktor is afhankelijk van dood naaldhout in de vorm van boomstroken of dikke stammen, de Kleine wespenboktor leeft in loofhout. Naast deze algemene soorten werden er ook een paar minder vaak voorkomende soorten aangetroffen. Zo werd de gewone dubbeloogboktor (Tetropium castaneum) aangetroffen onder schors van een naaldboom. Deze soort is nog maar een enkele keer in de provincie Utrecht aangetroffen en ook daarbuiten is hij uiterst schaars. De larven van deze soort leven in vers dood naaldhout. Ook werd de keversoort Colydium elongatum uit de familie Zopheridae (Somberkevers) aangetroffen, een soort die niet vaak wordt gevonden en ook nog niet uit dit onderzoeksgebied bekend was. Deze soort leeft onder schors van dikke bomen waar ze jaagt op de larve van kevers uit de familie Scolytidae, waaronder de welbekende Letterzetter.