CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

RV25.053 Bijlage 1 Centrumregeling ontwerp voorgenomen besluit

Raad 11 november 2025, gemeente ZeistBij agendapunt: Juridisch formaliseren van de samenwerking in Regio Zuid Oost Utrecht4.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Centrumregeling Sociaal Domein Regio Zuidoost Utrecht (Ontwerpregeling in kader van voorgenomen besluit, augustus-september 2025) De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd: Overwegingen: - De vijf gemeenten in Zuidoost Utrecht werken reeds jarenlang in privaatrechtelijke verband samen in het Sociaal Domein. Het betreft een brede samenwerking op met name de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarbij voert gemeente Utrechtse Heuvelrug op basis van een samenwerkingsovereenkomst taken uit voor de andere vier gemeenten. - De colleges van burgemeester en wethouders van de vijf gemeenten hebben in 2022 in hun meerjarig, regionaal Programmaplan als regionale ambitie afgesproken: het bundelen van de slagkracht van de individuele gemeenten om daardoor beter regie te kunnen voeren op de kwaliteit van de aan inwoners aangeboden hulp en ondersteuning in het sociaal domein. Deze ambitie is nog onverminderd van kracht. - In het sociaal domein zijn er onderwerpen waarop gemeenten de wettelijke plicht hebben om regionaal samen te werken voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van wetgeving (‘wettelijk verplichte samenwerking’).

Voor die wettelijke verplichte samenwerking zijn de vijf gemeenten krachtens artikel 2.17 van de Jeugdwet aangewezen als regio. Dat betekent dat ze, voor de inkoop en het contractmanagement van specialistische jeugdzorg, hun regionale samenwerking moeten gieten in één van de juridische vormen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). - Om redenen van integraliteit van werken is het wenselijk dat de vijf gemeenten naast de wettelijk verplichte samenwerking ook blijven samenwerken op andere onderwerpen binnen het sociaal domein (‘vrijwillige samenwerking’). - De portefeuillehouders van de vijf gemeenten, bijeen op 11 juli 2025 in een bijeenkomst van de Regionale Bestuurstafel, hebben overeenstemming bereikt over de wijze waarop de samenwerking tussen de betreffende gemeenten in het sociaal domein, zowel wettelijk verplicht als vrijwillig, wordt gecontinueerd dan wel aangevuld. - Daarbij is gekozen voor de juridische vorm ‘centrumregeling’. Deze sluit als ‘lichtste’ juridische vorm het meeste aan bij de bestaande samenwerkingsovereenkomst en netwerksamenwerking in Zuidoost Utrecht.

- Als uitgangspunten bij de samenwerking in de vorm van een centrumregeling gelden: • Iedere gemeente behoudt de eigen bestuurlijke structuur, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, gericht op een goede dienstverlening aan de eigen inwoners en ruimte voor het behoud van identiteit in de uitvoering van de wettelijke taken. • Iedere gemeente blijft zelf verantwoordelijk voor de keuze wanneer de jeugdzorg en Wmo-dienstverlening in te zetten: de toegang is lokaal georganiseerd. • Iedere gemeente heeft op casusniveau zelf contact met gecontracteerde aanbieders. • Bij lokale initiatieven die gevolgen (kunnen) hebben voor het regionale zorglandschap en de daarmee samenhangende inkoop, vindt vooraf overleg plaats in regionaal verband. • Formele beleidsbepaling blijft bij de gemeenten. Er is wel sprake van regionale coördinatie en beleidsvoorbereiding op regionale thema's en de uitvoering daarvan.

1

-

-

De beoogde samenwerking tussen de gemeenten kenmerkt zich door het gezamenlijk bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren. Die diensten worden verleend met het oog op de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen, waarbij de invulling van de regionale samenwerking uitsluitend berust op overwegingen in verband met het openbaar belang, een en ander overeenkomstig artikel 2.24c. van de Aanbestedingswet 2012. Mede in relatie tot de uitkomsten van de eerste evaluatie van de Centrumregeling (voorzien in 2028) blijven de vijf gemeenten nadenken over de toekomstbestendigheid van hun regionale samenwerking en de vraag, redenerend vanuit de inhoud, welke juridische vorm daar het beste bij past.

Gelet op: - de Jeugdwet; - de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - artikel 8, lid 4, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; - de Algemene wet bestuursrecht; - de Gemeentewet. Gezien: De toestemming van de gemeenteraden van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist, overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Besluiten: De navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Centrumregeling Sociaal Domein Regio Zuidoost Utrecht.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. Centrumgemeente de gemeente als bedoeld in artikel 8, lid 4, Wet gemeenschappelijke regelingen, de gemeente Utrechtse Heuvelrug; b. Partnergemeenten de gemeenten Bunnik, De Bilt, Wijk bij Duurstede en Zeist; c. BT de Bestuurstafel als bedoeld in artikel 9; d. AS De Ambtelijke Stuurgroep (voorheen: Programmateam) als bedoeld in artikel 10; e. GSO het Gemeentesecretarissenoverleg als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b.; f. Colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist; g. Gemeenten: de gemeenten Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist; h. Raden de gemeenteraden van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist;

2

i.

Deelnemers

j.

Regeling

k.

taken

l. Jeugdwet m. Wmo: n. Participatiewet

de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist die deelnemen aan onderhavige centrumregeling; de gemeenschappelijke regeling Centrumregeling Sociaal Domein Regio Zuidoost Utrecht; de taken van de Centrumregeling Sociaal Domein Regio Zuidoost Utrecht, als bedoeld in artikel 4; de Jeugdwet; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Participatiewet.

Artikel 2. Belang De regeling beoogt het vormgeven van een doelmatige en efficiënte samenwerking tussen de centrumgemeente en partnergemeenten in het sociaal domein. Het betreft taken waarvoor de gemeenten verplicht moeten samenwerken (specialistische Jeugdzorg), en taken die voortvloeien uit de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet, waarop de gemeenten vrijwillig samenwerken, inclusief (een deel van de) in dat verband benodigde coördinerende en ondersteunende taken tussen de deelnemers. Artikel 3. Aanwijzing centrumgemeente De gemeente Utrechtse Heuvelrug wordt aangewezen als centrumgemeente. Hoofdstuk 2: Taken, taakuitvoering en bevoegdheden Artikel 4. Taken 1. Het college van de centrumgemeente voert voor de partnergemeenten, in het kader van de Jeugdwet de volgende taken uit: a. het contracteren of subsidiëren van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; b. het uitvoeren van administratieve processen die behoren bij de uitvoering van de onder a bedoelde taken, waaronder monitoring, relatiemanagement en het maken van gegevensafspraken; c. het afstemmen met andere Jeugdregio’s ten behoeve van een toereikend aanbod van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen; d. de organisatie van de regionale expertteams; e.

coördinatie van regionale en bovenregionale inkoop- en subsidietrajecten; f. contractmanagement en -beheer van gecontracteerde jeugdhulpaanbieders; g. relatiemanagement met aanbieders; h. uitvoering van administratieve taken, monitoring, data-analyse en rapportage ten behoeve van de gemeentelijke beleidscyclus. 2. Het college van de centrumgemeente voert voor de partnergemeenten de volgende taken uit met betrekking tot de Wmo: a. coördinatie van regionale inkoop- en subsidietrajecten; b. contractmanagement en -beheer van gecontracteerde Wmo-aanbieders;

3

c. relatiemanagement met aanbieders; d. uitvoering van administratieve taken, monitoring, data-analyse en rapportage ten behoeve van de gemeentelijke beleidscyclus; 3. Het college van de centrumgemeente zorgt voor de coördinatie van bovenregionale afstemming, regionale beleidsvoorbereiding en -ondersteuning op het gebied van de in vorige leden bedoelde wetten, alsmede op andere terreinen in het sociaal domein, die gericht zijn op het welzijn en ondersteuning van inwoners in de deelnemende gemeenten. Artikel 5. Uitvoering taken Alle taken, genoemd in artikel 4, worden uitgevoerd door de centrumgemeente. Artikel 6. Dienstverleningsovereenkomst 1. De centrumgemeente sluit met iedere partnergemeente een Dienstverleningsovereenkomst voor uitvoering van de taken bedoeld in artikel 4. 2. De Dienstverleningsovereenkomst benoemd in het vorige lid expliciteert in ieder geval, maar niet uitsluitend: a. De volumeafname binnen de taken als benoemd in artikel 4. b. De verhoudingen tussen de verschillende gremia, zijnde de BT als benoemd in artikel 9, de AS als benoemd in artikel 10 en het GSO als benoemd onder b. De AS is de eerst trede in de escalatieladder. De daaropvolgende trede in de escalatieladder is het GSO, als vertegenwoordiging van het hoogste ambtelijk niveau. De BT als bestuurlijk gremium is de laatste trede in de escalatieladder. c.

De taken en bevoegdheden, alsmede de benodigde mandaten en volmachten voor de uitvoering van de taken door medewerkers van de centrumgemeente. d. De financiële bijdrage van de betreffende partnergemeente conform de financieringssystematiek als gesteld in artikel 16 voor de in artikel 4 benoemde taken. 3. Het college van de centrumgemeente, gehoord de BT, stelt een model-dienstverleningsovereenkomst vast. Die wordt vervolgens als basis genomen voor de afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten, zoals bedoeld in het eerste lid. Artikel 7. Bevoegdheden 1. Voor de uitvoering van de in artikel 4 benoemde taken mandateren de colleges van de partnergemeenten hun daarop betrekking hebbende bevoegdheden aan het college van de centrumgemeente. 2. Het college van de centrumgemeente kan de in het vorige lid genoemde mandatering verder mandateren aan medewerkers bij de centrumgemeente. 3. De door de colleges van de partnergemeenten verstrekte mandaten worden in elke gemeente opgenomen in het mandaatregister. De colleges van de partnergemeenten dragen daarbij tevens zorg voor de bekendmaking van de verstrekte mandaten, zoals vereist op grond van afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht. 4.

Het bepaalde in de vorige leden van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van volmachten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het machtigen voor het verrichten van feitelijke handelingen door het college van de centrumgemeente.

4

5. Het college van de centrumgemeente houdt een register bij van de aan hem verleende mandaten en volmachten. Daarin worden ook de ondermandaten, verdere volmachten en machtigingen opgenomen. 6. In geval van verlening van ondermandaten, verdere volmachten en machtigingen zorgt het college van de centrumgemeente voor de bekendmaking daarvan als bepaald in Afdeling 3.6 Algemene wet van het bestuursrecht. Artikel 8. Participatie 1. Ingezetenen van de gemeenten en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering van de regeling worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken voor zover dat bij of krachtens wet is vereist. De participatie als bedoeld in de vorige volzin vindt plaats op de in de gemeenten gebruikelijke wijze, tenzij de BT uitdrukkelijk anders besluit. 2. Bij de participatie als bedoeld in het vorige lid kan een andere procedure dan die van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden. Hoofdstuk 3: Beleidsvorming, beleidsuitvoering en gremia Artikel 9. De Bestuurstafel 1. Gelet op het in artikel 2 benoemde belang dragen de colleges zorg voor een gezamenlijke beleidsvorming. 2. Voor de gezamenlijke beleidsvorming als bedoeld in het vorige lid wordt de Bestuurstafel, ingesteld. Hieraan nemen alle betreffende portefeuillehouders van de deelnemers deel. 3.

De BT is bestuurlijk opdrachtgever voor de uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken door de centrumgemeente. 4. De BT regelt zijn werkzaamheden in een reglement van orde. Dit reglement wordt aan de colleges ter kennisneming verstrekt. 5. Het reglement van orde als bedoeld in lid 4 bepaalt in ieder geval dat de BT: a. ten aanzien van financiële stukken van de centrumgemeente akkoord geeft voor doorgeleiding naar de colleges voor verdere besluitvorming; b. ten aanzien van de Dienstverleningsovereenkomst aan het college van de centrumgemeente toestemming dient te verlenen voor het vaststellen van een ModelDienstverleningsovereenkomst conform artikel 6 lid 3. Het reglement van orde kan eveneens bepalen: c. de stemverhoudingen tussen de aan de BT zitting nemende portefeuillehouders; d. het vergaderquorum; e. het voorzitterschap van de BT; f. de eventuele beperkte samenstellingen van de BT conform lid 6. 6. Indien sprake is van een agendapunt in de BT die niet alle deelnemers betreft, kan de BT besluiten tot een overleg in beperkte samenstelling. In het reglement van orde als bedoeld in het vierde lid wordt uitgewerkt in welke gevallen en op welke wijze de BT in beperkte samenstelling bijeenkomt. Artikel 10. De Ambtelijke Stuurgroep 1. De Ambtelijke Stuurgroep bestaat uit de ambtelijk verantwoordelijken sociaal domein van de deelnemers.

5

2. Het AS is de ambtelijk opdrachtgever voor de uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken door de centrumgemeente. 3. De AS spreekt onder meer over de kwaliteit, haalbaarheid, bestuurlijke gevoeligheid en integraliteit van de inhoudelijke voorstellen die worden voorgelegd aan de BT. De AS doet een voorstel voor de onderwerpen voor de BT. 4. De AS is inhoudelijk adviseur van de bestuurlijk opdrachtgever, zijnde de BT. Artikel 11. Centrumgemeente De centrumgemeente draagt zorg voor een zodanige organieke inrichting van de ambtelijke organisatie, dat de taken, bedoeld in artikel 4, voor de partnergemeenten doelmatig en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd. Hoofdstuk 4: Informatie en verantwoording Artikel 12. Verantwoording 1. Rapportage en verantwoording over de uitvoering van de taken en uitgave van middelen aan de partnergemeenten vindt plaats conform de reguliere P&C cyclus van de centrumgemeente. 2. De centrumgemeente zendt jaarlijks aan de BT een rapportage aan de partnergemeenten over de uitvoering van de taken en de uitgaven van de door hen beschikbaar gestelde middelen. Artikel 13. Informatieplicht 1. Het college van de centrumgemeente geeft de colleges van de partnergemeenten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die het college van de partnergemeenten voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2.

Indien wegens een wettelijke geheimhoudingsverplichting het college van de centrumgemeente niet in staat is om het in het vorige lid bepaalde te doen, komen de verplichtingen uit het vorige lid te vervallen. Artikel 14. Rekenkamer 1. De rekenkamer van een partnergemeente is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente voor de uitvoering van de taak voor die partnergemeente te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht. 2. Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamer van een partnergemeente ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht. Artikel 15. Accountant 1. De accountant van een partnergemeente, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente te onderzoeken voor zover hij dat ter vervulling van zijn taak nodig acht. 2. Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de accountant van een partnergemeente ter vervulling van zijn taak als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet nodig acht.

6

Hoofdstuk 5: Financiering Artikel 16. Verdeelsleutel 1. De centrumgemeente maakt in het kader van de uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken kosten. Deze kosten worden onderscheiden in directe kosten en indirecte (overhead)kosten. 2. De directe kosten als benoemd in lid 1 bestaan uit: a. de kosten van medewerkers van de centrumgemeente inclusief eventuele kosten die het gevolg zijn van langdurige arbeidsongeschiktheid of disfunctioneren; b. het werkbudget ten behoeve van programma- en contractbeheer; c. kosten voortvloeiend uit bovenregionale samenwerking; d. kosten voor innovatie en ontwikkeling van de uitvoering. 3. De indirecte (overhead)kosten als bedoeld in lid 1 bestaan uit kosten van stafdiensten, huisvesting, archivering, ICT, facilitair en overige beheerslasten. Voor de indirecte (overhead)kosten wordt per fte een vast bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de loon- en prijsontwikkeling zoals opgenomen in de meicirculaire van het Rijk. 4. De berekening van de totale in het tweede en derde lid bedoelde kosten per partnergemeente is gebaseerd op basis van het inwonertal van iedere partnergemeente per 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar. 5. Indien de centrumgemeente extra kosten maakt als gevolg van de invulling van het werkgeverschap voor medewerkers worden deze kosten eerst aan de BT ter goedkeuring voorgelegd.

Na goedkeuring worden deze kosten over de partnergemeenten verdeeld overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid. 6. De centrumgemeente brengt de bijdragen per kwartaal in rekening. Afrekening geschiedt op basis van werkelijke kosten, conform de in dit artikel opgenomen systematiek. 7. Indien een deelnemer personeel beschikbaar stelt voor de uitvoering van taken, wordt de financiële waarde daarvan in mindering gebracht op de door die deelnemer verschuldigde bijdrage. Hoofdstuk 6: Duur, evaluatie en geschillenregeling Artikel 17. Duur De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel 18. Evaluatie 1. Deze regeling wordt om de vier jaar, voor het eerst in 2028, of op verzoek van een meerderheid van de deelnemende colleges geëvalueerd. 2. Bij een evaluatie bedoeld in het vorige lid treden de colleges als gezamenlijk opdrachtgever op via de BT. 3. De bevindingen en aanbevelingen van de evaluaties worden, zo nodig met een gezamenlijk voorstel van de colleges, aan de raden van de deelnemende gemeenten gerapporteerd. 4. De BT stelt de criteria voor de evaluaties vast. Artikel 19.

Geschillenregeling

7

1. Indien de uitleg dan wel de uitvoering van deze regeling leidt tot een geschil tussen de deelnemende colleges, wordt eerst geprobeerd dit geschil minnelijk in een overleg tussen alle deelnemers op te lossen. 2. Bij deze minnelijke methode kunnen de deelnemers gezamenlijk besluiten een bemiddelingsprocedure (mediation) te volgen. De kosten hiervan worden volgens de verdeelsleutel van artikel 16 lid 4 door de deelnemers gedragen. 3. Indien de minnelijke methode, al dan niet na mediation, beide als genoemd in het eerste en tweede lid, niet tot een oplossing van het geschil leiden, zullen de deelnemers een bindend adviesprocedure volgen. 4. In geval van bindend advies als bedoeld in het vorige lid wijzen de deelnemers in onderling overleg twee onafhankelijke bindend adviseurs aan. Deze adviseurs wijzen vervolgens een derde onafhankelijk bindend adviseur aan, die tevens zal optreden als voorzitter van de bindend adviescommissie. Deze adviescommissie regelt zelfstandig haar werkzaamheden. 5. In geval van bindend advies als bedoeld in het derde lid komen de colleges overeen dat zij zich gebonden achten aan het uitgebrachte advies. De raden worden over deze procedure en de uitkomst daarvan geïnformeerd. 6. De kosten voor het opstellen van het bindend advies als bedoeld in het derde lid worden volgens de verdeelsleutel van artikel 16 lid 4 door de deelnemers gedragen.

Hoofdstuk 7: toetreding, wijziging, uittreding en opheffing Artikel 20. Toetreding 1. Andere colleges dan die bedoeld in artikel 1 onder f kunnen een verzoek tot toetreding indienen bij het de BT. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op colleges van burgemeester en wethouders van andere gemeenten dan de in artikel 1 onder g genoemde gemeenten. 2. De BT zendt het verzoek tot toetreding als bedoeld in het vorige lid onverwijld door aan de colleges. 3. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien de colleges daartoe unaniem besluiten. 4. De toetreding is tot stand gekomen indien de beoogd toetreder en de colleges, met toestemming van hun raden, bedoeld in artikel 1, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, daartoe besluiten. Artikel 21. Wijzigen van een regeling 1. De BT kan een voorstel voor wijziging van de regeling naar de colleges sturen. 2. De deelnemers kunnen slechts tot een wijziging besluiten als de vertegenwoordigde colleges in de BT hierover unanieme overeenstemming hebben en toestemming van de raden is verkregen. Artikel 22. Uittreding 1. Een college kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan de andere colleges.

De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het college van de centrumgemeente het besluit heeft ontvangen.

8

3. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 4. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 5. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van een jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeen komen. De uittreding gaat in elk geval niet in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling. 6. In afwijking van het vorige lid gaat de uittreding van het college van de centrumgemeente pas in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. De uittreding gaat in elk geval niet in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling. 7. Indien het college van de centrumgemeente beslist tot uittreding, dan nemen alle colleges binnen zes maanden een besluit of in plaats van de uittredingsprocedure van onderhavig artikel besloten wordt tot opheffing van de regeling overeenkomstig artikel 26.

Besluit een meerderheid van de colleges tot opheffing, dan is artikel 26 verder van toepassing en wordt de uittredingsprocedure gestopt. Wordt niet tot opheffing besloten, dan wordt de procedure van artikel 25 gevolgd. 8. Een college dat voornemens is uit te treden kan het college van de centrumgemeente vragen een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding, overeenkomstig hetgeen in deze regeling bepaald. De indicatie wordt binnen zes maanden opgeleverd, tenzij het betreffende uittredende college en het college van de centrumgemeente anders overeenkomen. De kosten voor het opstellen van de indicatie komen voor rekening van het college dat om de indicatie heeft verzocht. De indicatie bindt de gemeenten geenszins wanneer definitief tot uittreding wordt besloten.

Artikel 23. Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het college van de centrumgemeente wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de secretaris van de centrumgemeente. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het college van de centrumgemeente de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden uit de colleges, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer en een vertegenwoordiger van de centrumgemeente.

9

5. Ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 16 lid 4. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding als bedoeld in het zesde lid wordt een risicoopslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het college van de centrumgemeente de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer.

In het uittredingsplan bepaalt het college van de centrumgemeente conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Artikel 24. Te vergoeden kosten 1. De voorlopige, respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. De centrumgemeente brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer.

De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom, als bedoeld in lid 1 heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 23 anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 7. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het college van de centrumgemeente van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 25. Uittreding door centrumgemeente 1. In de periode tussen het besluit tot uittreding van het college van de centrumgemeente tot de inwerkingtreding van de uittreding neemt de centrumgemeente het voortouw om een ontwerp-

10

2.

3.

4.

5.

6.

uittredingsplan op te stellen. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de centrumgemeente, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Het bevat tevens een voorstel over hoe om te gaan met de personele gevolgen van de uittreding en de ontvlechting van gezamenlijke overeenkomsten met derden en aangeschafte systemen. De centrumgemeente en de partnergemeenten stellen zich constructief op bij het aanbieden, respectievelijk overnemen van personeel en andere contractuele verplichtingen, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan de centrumgemeente, een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van de colleges het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de centrumgemeente. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding zendt de centrumgemeente het ontwerp-uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom aan de colleges. De colleges stellen het uittredingsplan bij unanimiteit vast.

Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan bieden de colleges van de partnergemeenten de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kosten, bedoeld in het vierde en vijfde lid van dat artikel, voor rekening van de centrumgemeente komen en dat de verplichting uit het zevende lid van dat artikel juist geldt voor de partnergemeenten.

Artikel 26. Opheffing 1. Tot opheffing van deze regeling kan slechts besloten worden op grond van unaniem besluit van alle deelnemers 2. In geval van een besluit tot een voorgenomen opheffing van deze regeling geven de colleges opdracht aan een onafhankelijke deskundige tot het opstellen van een opheffingsplan. 3. Het opheffingsplan voorziet in ieder geval in de verplichting van de gemeenten tot het gezamenlijk dragen van de financiële en personele gevolgen daarvan. 4. Het voorgenomen besluit tot opheffing wordt samen met het ontwerp-opheffingsplan aan de raden voorgelegd om hun zienswijzen daarop naar voren te brengen bij het college van hun gemeenten. De termijn voor het indienen van zienswijze is twaalf weken. 5. Na verwerking van de zienswijzen in het ontwerp-opheffingsplan, stellen de deelnemers dit gezamenlijk vast. De raden worden hierover geïnformeerd. 6. Het college van de centrumgemeente is belast met de afwikkeling van het opheffingsplan. Na deze afwikkeling wordt de regeling geacht opgeheven te zijn. Hoofdstuk 8: archief Artikel 27. Archief 1. De centrumgemeente is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.

11

2. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de zorg voor de archiefbescheiden, bedoeld in het tweede lid, komen ten laste van de centrumgemeente. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden wijst de centrumgemeente een archiefbewaarplaats aan. 4. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de taakuitvoering als bedoeld in artikel 4, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris van de centrumgemeente. Hoofdstuk 9: slotbepalingen Artikel 28. Bekendmakingen en inwerkingtreding 1. Deze regeling wordt door het college van de centrumgemeente bekendgemaakt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, lid 1, Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op wijziging van, toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling. 3. Deze regeling treedt in werking de dag na bekendmaking. 4. Het college van de centrumgemeente zorgt voor registratie van de gegevens als bedoeld in artikel 26, lid 2, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 29. Citeerwijze Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Centrumregeling Sociaal Domein Regio Zuidoost Utrecht’.

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik op [datum]

De secretaris,

De burgemeester,

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt op [datum]

De secretaris,

De burgemeester,

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op [datum]

De secretaris,

De burgemeester,

12

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede op [datum]

De secretaris,

De burgemeester,

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist op [datum]

De secretaris,

De burgemeester,

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16014755/1