PR23.039 Wijziging Gemeenschappelijke regeling ODrU
Tekst van het document
2. 3.
Ter uitvoering en nadere invulling van de in artikel 18 21 bedoelde taken, maakt de Omgevingsdienst met iedere deelnemende collegegemeente bij overeenkomst schriftelijke werkafspraken die worden vastgelegd in dienstverleningsovereenkomsten. Voor de uitvoering van de taken wordt bij separaat besluit mandaat verleend aan de directeur van de Omgevingsdienst. De dienstverleningsovereenkomsten worden gesloten voor onbepaalde tijd. 2. Gedurende de looptijd van de overeenkomst kan de omvang van het door ieder
deelnemend college van de Omgevingsdienst af te nemen aantal uren onder bepaalde, bij overeenkomst nader vast te stellen voorwaarden, worden geactualiseerd. Ook kunnen tussentijds aanvullende taken en/of uren worden overeengekomen. Bij een taak-of urenvermindering die leidt tot een vermindering van 10% of meer van het gegarandeerde aantal af te nemen uren van de Omgevingsdienst, zoals vastgelegd in een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, worden de hierdoor ontstane desintegratiekosten en frictiekosten vergoed door het college dat haar afname vermindert, volgens de daarvoor door het algemeen bestuur vastgestelde regeling.
3.
Afdeling 2 Mandaat Verlenen van extra taken vanen bevoegdheden aan de Omgevingsdienst Artikel 230 a. Onverminderd het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht en de overige toepasselijke wet- en regelgeving, gelden voor de opdracht tot uitvoering van taken en bevoegdheden door de gemeenten colleges aan de Omgevingsdienst, anders dan de taken en bevoegdheden die reeds op grond van artikel 18 21 door de Omgevingsdienst zullen worden uitgevoerd respectievelijk uitgeoefend, de volgende voorschriften: Opdracht tot uitvoering van taken en bevoegdheden door de gemeenten dan wel een gemeente aan de Omgevingsdienst kan plaatsvinden op voorstel van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer gemeenten. b. het dagelijks bestuur voert daartoe overleg met de colleges colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en eventueel met andere daarvoor in aanmerking komende besturen, instellingen, diensten en personen.
c.
het dagelijks bestuur werkt de beoogde opdracht uit en legt die vast in een concept-besluit, voorzien van een financiële onderbouwing als bedoeld in de artikelen 32 en 3330 en 31, en van een regeling van de inhoudelijke en personele gevolgen, ter vaststelling door het algemeen bestuur.
Hoofdstuk 6 Taken, bevoegdheden en verantwoording Aalgemeen Bbestuur, Ddagelijks Bbestuur en voorzitter Afdeling 1 Het aAlgemeen Bbestuur Artikel 241 1. Aan het algemeen bestuur komen alle taken en bevoegdheden toe die aan de Omgevingsdienst bij of krachtens de regeling zijn opgedragen, die niet bij of krachtens de regeling dan wel op grond van toepasselijke wet- en regelgeving, aan het dagelijks bestuur of de voorzitter, dan wel een commissie als bedoeld in artikel 26 30 zijn opgedragen. Tot deze taken en bevoegdheden behoren in ieder geval: a. het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur; a. het houden van toezicht op het financiële beheer van de Omgevingsdienst; b. het vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen; c. het vaststellen van de begroting en de jaarstukken. 2. Het algemeen bestuur besluit slechts tot de oprichting van of de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties, en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. 3. Het besluit bedoeld in het tweede lid wordt niet genomen dan nadat de raden een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Artikel 252 1.
Het algemeen bestuur geeft aan de raden van de gemeenten, indien daartoe door één of meer leden van deze raden wordt gevraagd, dan wel ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. In het reglement van orde van het algemeen bestuur wordt de wijze waarop de bedoelde inlichtingen worden verstrekt, geregeld. 2. Ieder lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de eigen gemeente verplicht om alle door het betrokken college of de betrokken raad gewenste inlichtingen, die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn, te verstrekken. De inlichtingen worden verstrekt op de in de betrokken deelnemende gemeente gebruikelijke wijze. 3. Ieder lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de eigen gemeente verantwoording verschuldigd voor het door hem of haar in het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst gevoerde beleid. Verantwoording wordt afgelegd op de in de betrokken deelnemende gemeente gebruikelijke wijze. Artikel 26 Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling slechts betrokken, voor zover dat bij of krachtens wet is vereist, of voor zover door het algemeen bestuur bepaald.
Afdeling 2 Het Ddagelijks Bbestuur Artikel 273 Aan het dagelijks bestuur komen de volgende taken en bevoegdheden toe: a. het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst, voor zover daarmee niet het algemeen bestuur op grond van de regeling dan wel bij of krachtens de toepasselijke wet- en regelgeving is belast; b. de voorbereiding van datgene waarover in de vergadering van het algemeen bestuur wordt beraadslaagd en besloten; c. de uitvoering van beslissingen van het algemeen bestuur; d. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaamde Omgevingsdienst; e. het beheer van de inkomsten en de uitgaven van de Omgevingsdienst;
1.
te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de wet gemeenschappelijke regelingen; g. te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het dat het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; h. de uitoefening van bevoegdheden van het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en onder door het algemeen bestuur vast te stellen regels. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. f.
2.
Artikel 284 1. Het dagelijks bestuur geeft aan de raden van de gemeenten, indien daartoe door een of meer leden van deze raden wordt gevraagd, dan wel ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. 2. Het dagelijks bestuur verstrekt het algemeen bestuur, indien daartoe door een of meer leden van het algemeen bestuur wordt gevraagd, dan wel ongevraagd, alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor zijn taak nodig heeft, tenzij gewichtige redenen, zulks ter beoordeling van het dagelijks bestuur, zich hiertegen verzetten. Deze verplichting geldt eveneens voor de voorzitter en elk van de leden afzonderlijk. 3. Het dagelijks bestuur legt op verzoek van het algemeen bestuur verantwoording af voor het gevoerde dagelijks bestuur. Deze verplichting geldt eveneens voor de voorzitter en elk van de leden afzonderlijk. Afdeling 3 De voorzitter Artikel 2925 1. Aan de voorzitter komen de volgende taken en bevoegdheden toe: a het leiden van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur; b het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de Omgevingsdienst. De voorzitter kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door haar/hem aan te wijzen persoon. 2.
Indien de gemeente, waarvan de voorzitter lid is van het college van burgemeester en wethouders,de voorzittergemeente partij is in een geding waarbij de Omgevingsdienst is betrokken, oefent een ander door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van het dagelijks bestuur de in lid 1 onder b. bedoelde bevoegdheid uit. Hoofdstuk 7 Commissies Artikel 3026 Het algemeen bestuur kan met inachtneming van het daarover in de Wet gemeenschappelijke regelingenwet bepaalde, commissies van advies en commissies die dienen ter behartiging van bepaalde belangen, instellen. Hoofdstuk 8 Personeel Artikel 3127 1. De Omgevingsdienst heeft een directeur, die onder verantwoordelijkheid van het algemeen dagelijks bestuur belast is met de leiding van de Omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de Omgevingsdienst. 2. Het algemeen dagelijks bestuur legt, na deze aan het algemeen bestuur te hebben voorgelegd, de instructie van de directeur vast in een Directiestatuut. Het algemeen dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat op voordracht van ten minste drie leden van het algemeen bestuur en nadat het besluit aan het algemeen bestuur is voorgelegd, de directeur. 3. Aanwijzing, schorsing en ontslag van de directeur geschiedt door het dagelijks bestuur, nadat het besluit aan het algemeen bestuur is voorgelegd. 4.
Het algemeen dagelijks bestuur regelt in overleg met het algemeen bestuur bij schorsing en/of ontslag de vervanging van de directeur.
Artikel 28 Het dagelijks bestuur stelt, na het Georganiseerd Overleg, een rechtspositie- en arbeidsvoorwaardenregeling vast die op het personeel van de Omgevingsdienst van toepassing is. Artikel 29 De aanstelling of benoeming, schorsing en het ontslag van personeel dat in dienst is van de Omgevingsdienst geschiedt door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur neemt daarbij de door het dagelijks bestuur vastgestelde rechtspositie- en arbeidsvoorwaardenregeling in acht. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden opdragen aan de directeur. Hoofdstuk 9 Financiën Afdeling 1 Toedeling kosten Omgevingsdienst Artikel 320 Het algemeen bestuur kan met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 331 en 342, gehoord de de raden van de gemeenten, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de gemeenten te betalen financiële bijdragen. Artikel 331 1. De kosten van de taken als bedoeld in artikel 2118 worden, voor zover deze niet uit andere inkomsten worden bestreden, door de gemeenten voldaan op basis van een jaarlijks vastgesteld uurtarief, waarbinnen tariefdifferentiatie mogelijk is. 2. Bij de kostentoerekening als bedoeld in lid 1 worden naast de directe uitvoeringskosten tevens de overheadkosten verdisconteerd. 3. De Omgevingsdienst kan ieder kwartaal voorschotnota’s indienen bij de gemeenten. Artikel 342 1.
Indien enig jaar een batig saldo oplevert wordt dit saldo toegevoegd aan het weerstandsvermogen van de Omgevingsdienst. Het weerstandsvermogen mag maximaal 10% van de jaaromzet bedragen. Voor zover het batig saldo van enig jaar zou leiden tot een weerstandsvermogen van meer dan 10% van de jaaromzet, wordt het saldo boven de 10 % gerestitueerd op basis van de in lid 3 opgenomen verdeelsleutel, tenzij een meerderheid van de gemeenten colleges gemotiveerd instemt met een doelreservering van het batig saldo voor de Omgevingsdienst. Het algemeen bestuur stelt hiertoe een voorstel vast. 2. Indien enig exploitatiejaar een nadelig saldo oplevert en het weerstandsvermogen ontoereikend is om dit nadelige saldo te dekken, stelt het algemeen bestuur een plan vast dat is gericht op het afbouwen en/of dekken van het nadelig exploitatie-saldo, het algemeen bestuur bepaalt tevens of en zo ja, tot welk bedrag de gemeenten zullen bijdragen in het nadelig exploitatiesaldo. Het bedoelde plan wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de raden van de gemeenten gedurende een termijn van acht weken in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening ten aanzien van het plan naar voren te brengen. 3.
Wanneer het algemeen bestuur overeenkomstig het gestelde in het tweede lid een besluit heeft genomen omtrent het bijdragen door de gemeenten in het nadelig exploitatiesaldo, wordt het nadelig exploitatiesaldo door de gemeenten gedragen in verhouding tot het aantal in de dienstverleningsovereenkomsten gegarandeerde uren, gebaseerd op de taken genoemd in artikel 2118 lid 2, dat door ieder afzonderlijke deelnemende gemeentecollege wordt afgenomen van de Omgevingsdienst en zoals dit is vastgesteld in de schriftelijke afspraken, oftewel de dienstverleningsovereenkomsten, als bedoeld in artikel 2219. Artikel 353 1. De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet. Afdeling 2 Begroting en jaarstukken
Artikel 364 1. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarover de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de vertegenwoordigende organen. 2. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli1 september de begroting voor het eerstkomende begrotingsjaar vast. 2.3.
Het dagelijks bestuur zendt de algemene financiële en beleidsmatige kaders (ontwerp kadernota) aan de raden, waarna de raden gedurende een termijn van acht weken in de gelegenheid zijn hun reactie te geven. Het dagelijks bestuur voegt de reacties bij de ontwerp kadernota zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 3.4.
5.
6.
4.7.
Het dagelijks bestuur zendt de algemene financiële en beleidsmatige kaders (ontwerpkadernota) en de ontwerp-begroting, voorzien van een gespecificeerde toelichting uiterlijk acht twaalf weken voor de voorgenomen datum van vaststelling toe aan de raden van de gemeenten en de leden van het algemeen bestuur. De raden van de gemeenten kunnen zowel omtrent de ontwerp-kadernota als omtrent de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur gedurende een termijn van twaalf weken hun zienswijze naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerp-kadernota en de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierdeijfde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en, vijfde en zesde lid en het bepaalde in artikel 37, eerste en tweede lid, is, uitgezonderd de daarin genoemde data, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten.
Artikel 375 1. Het algemeen bestuur doet zo spoedig mogelijk mededeling aan de raden van de gemeenten van de vaststelling van de kadernota en de begroting. 2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen 14 dagen na vaststelling, maar uiterlijk vóór 15 september aan gedeputeerde staten van de provincie Utrecht. 3. Met betrekking tot wijziging van de begroting zijn de artikelen 34 lid 2, 3 en 4 en 35 lid 1 en lid 2 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de genoemde datum. 4.3. Het algemeen bestuur stelt bij besluit regels vast zoals bedoeld in artikel 212 en 213 Gemeentewet. Artikel 3836 1. Uiterlijk op 1 juli volgend op het jaar waarop het betrekking heeft stelt het algemeen bestuur de jaarstukken, zijnde de jaarrekening en jaarverslag, voorzien van een accountantsverklaring, hierna rekening te noemen, vast. 2. Het dagelijks bestuur zendt de rekening binnen 14 dagen na vaststelling maar in ieder geval vóór 15 juli aan de raden van de gemeenten. 3. Het dagelijks bestuur zendt de rekening binnen 14 dagen na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli aan gedeputeerde staten van de provincie Utrecht. 4. Artikel 199 Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 10 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 3937 1.
Toetreding tot de Omgevingsdienst is mogelijk nadat het een college van burgemeester en wethouders, na een daaraan voorafgaande zienswijze-procedure en verkregen toestemming van de raad van de gemeente waarvan het college wil toetreden, daartoe heeft beslotentoetredende gemeente daartoe heeft besloten. 2. Het algemeen bestuur beslist over de voorwaarden waaronder de toetreding als bedoeld in lid 1 plaats kan vinden. Het toetredende college kan pas besluiten over de toetreding in het geval zij de voorwaarden voor de toetreding schriftelijk heeft aanvaard. 2.3. De toetreding komt tot stand nadat twee derde van de colleges, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid van de wet, daartoe besluiten.
Het algemeen bestuur kan daarbij voorwaarden verbinden aan de toetreding. In dat geval komt de toetreding eerst tot stand nadat de toetredende gemeente de voorwaarden schriftelijk heeft aanvaard. De toetreding gaat - nadat besluitvorming als bedoeld in artikel 39 heeft plaatsgevonden in op een door het algemeen bestuur te bepalen tijdstip. Artikel 38 Een gemeente kan geheel of gedeeltelijk uit de Omgevingsdienst treden indien het algemeen bestuur met de financiële en organisatorische gevolgen van de uittreding instemt. Het algemeen bestuur besluit daartoe met twee derde meerderheid van de stemmen. De financiële gevolgen van de uittreding komen ten laste van de uittredende gemeente. In geval van uittreding verplicht de gemeente zich om het personeel over te nemen dat op grond van de regeling werkzaam is bij de Omgevingsdienst ten behoeve van de uitvoering van de taken en bevoegdheden voor deze betrokken gemeente. De gemeente kan met het algemeen bestuur een afwijkende regeling overeenkomen. Uittreding uit de Omgevingsdienst kan slechts plaatsvinden nadat besluitvorming als bedoeld in artikel 39 heeft plaatsgevonden en met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur heeft besloten met de uittreding in te stemmen. Na uittreding komt de overeenkomst als bedoeld in artikel 19 te vervallen, tenzij anders wordt overeengekomen. Artikel 40 1.
Een college kan, indien hij de gevolgen van de uittreding voor zijn rekening neemt, uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. 2. Uittreding kan plaatsvinden met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één jaar. Deze opzegtermijn vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin tot uittreden besloten is. 3. Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Het algemeen bestuur inventariseert, conform de daartoe door het algemeen bestuur vastgestelde uittredingsregeling, de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. 5. Onder de gevolgen van de uittreding wordt in ieder geval verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 6. In de uittredingsregeling wordt als uitgangspunt genomen dat de Omgevingsdienst alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening brengt bij het uittredende college.
Kosten die het uittredende college maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen eveneens voor rekening van het uittredende college. 7. Voorafgaand aan en ten dienste van het eventueel te nemen besluit bedoeld in het eerste lid kan een college aan het algemeen bestuur verzoeken een voorlopige berekening uit te laten voeren van de kosten die met de uittreding gemoeid zijn. De kosten die voortvloeien uit het verzoek tot een voorlopige berekening komen geheel ten laste van het verzoekende college. De voorlopige berekening is niet bindend.
Artikel 4139 De inhoud van de regeling kan worden gewijzigd indien ten minste twee derde van de colleges van burgemeester en wethouders, na een voorafgaande zienswijze-procedure en met toestemming van hun raad, van de gemeenten en het algemeen bestuur daartoe hebben besloten. Artikel 420 1. De Omgevingsdienst kan worden opgeheven indien ten minste twee derde van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten daartoe besluiten. 2. Het algemeen bestuur stelt, gehoord nadat de raden om zienswijze is gevraagd van de gemeenten, een liquidatieplan vast.
3.
4.
Het liquidatieplan als bedoeld in lid 2 voorziet in de verplichting van de gemeenten om alle rechten en verplichtingen van de Omgevingsdienst over de gemeenten te verdelen volgens de verdeelsleutel van artikel 34, derde lid. In het liquidatieplan zal de wijze van verdeling bepaald worden. Het liquidatieplan als bedoeld in lid 2 omvat in ieder geval: a een sociaal plan en voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel dat is aangesteld bij dan wel in dienst is van de Omgevingsdienst; b afspraken over de wijze waarop contracten van de Omgevingsdienst worden beëindigd of worden overgenomen, waarbij de verdeelsleutel bedoeld in het derde lid in acht genomen wordt; c de wijze waarop huisvesting en onroerend goed van de Omgevingsdienst wordt afgestoten of wordt overgenomen, waarbij de verdeelsleutel bedoeld in het derde lid in acht genomen wordt, en d de verdeling van alle goederen, zaken en vermogensrechten.
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 431 Indien zich zaken voordoen waarin deze Gemeenschappelijke Regeling regeling of de reglementen van orde niet voorzien, treft het algemeen bestuur de nodige voorzieningen. Het algemeen bestuur doet van deze voorzieningen onverwijld mededeling aan de gemeentencolleges. Een voorziening als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval getroffen met betrekking tot de zorg van het dagelijks bestuur voor de archiefbescheiden, zoals bedoeld in de Archiefwet. Artikel 44 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam/het samenwerkingsverband, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling (Archiefverordening), die aan gedeputeerde staten moet worden medegedeeld. 2. De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemende overheidsorganisaties gemandateerde taken berust bij deze overheden. 3. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.. 4. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 5.
De archivaris is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 6. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door een gemeente gemandateerde taken is belast de archivaris van de desbetreffende gemeente.
Artikel 452 1. Deze Gemeenschappelijke Regeling regeling is in werking getreden per 24 mei 2012. Een wijziging treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking met inachtneming van het daarover in de Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalde. 2. Deze Gemeenschappelijke Rregeling geldt voor onbepaalde tijd.
Artikel 46 Het algemeen bestuur draagt ervoor zorg dat deze regeling periodiek, maar in ieder geval éénmaal per zes jaar, wordt geëvalueerd. Artikel 473 Deze gemeenschappelijke regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Rregeling Omgevingsdienst regio Utrecht”.
Artikel 4844 1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist draagt zorg voor de in artikel 26 van de Wwet gemeenschappelijke regelingen voorgeschreven bekendmaking in het gemeenteblad. 1.2. Het dagelijks bestuur voegt de gegevens, bedoeld in artikel 136, lid 2 van de wet, toe in het daarvoor bedoelde register. toezending van de regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Utrecht.
Artikelsgewijze toelichting Wijzigingsvoorstel Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht naar aanleiding van wijziging Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022
Inleiding Onderstaand wordt artikelsgewijs toelichting gegeven op de voorgestelde tekstwijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht. Deze toelichting behoort bij de brief aan de colleges van de deelnemende gemeenten d.d. 11 april 2023 met het ontwerp-wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht.
Overwegingen -
Een verwijzing naar de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is opgenomen. Het is overbodig om de zin over het treffen van de gemeenschappelijke regeling op te nemen; derhalve wordt deze geschrapt.
Artikel 1 definities De definities zijn aangescherpt, maar niet inhoudelijk gewijzigd. Het begrip gemeenten is nader gespecificeerd. De colleges zijn deelnemer in de omgevingsdienst. De raden zijn in de definities opgenomen. Artikel 2 Toekomstige tijd is vervangen door tegenwoordige tijd. Artikel 4 en 5 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 4 en artikel 5 aangepast. Artikel 6 De Wet open overheid (Woo) is de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en is per 1 mei 2022 in werking getreden. De tekst is hierop aangepast. Artikel 8 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 8 aangepast. Artikel 9, 16 en 19 De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) schrijft voor dat in de regeling een bepaling wordt opgenomen over welke besluiten van het bestuur voor zienswijze aan de raden worden gestuurd. In de regeling is invulling gegeven aan de mogelijkheden die de wet geeft voor het geven van zienswijzen door de raden op besluiten van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Naast de zienswijzen die zijn vastgelegd in de wet en de regeling, blijft het mogelijk dat het bestuur van de Omgevingsdienst regio Utrecht de raden om een reactie vraagt, alvorens een besluit te nemen. Zie ook toelichting op artikel 36.
Artikel 13 (nu 14) Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 13 (nu 14) aangepast. Artikel 17 en 18 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 17 lid 1 en lid 3 en artikel 18 aangepast.
1 van 4
Hoofdstuk 5 De Omgevingsdienst werkt in mandaat in opdracht van het college van de deelnemende gemeenten. De Omgevingsdienst is een uitvoerende organisatie; er is geen sprake van delegatie van bevoegdheden. Het woord “overgedragen” is vervangen door het woord “opgedragen”. Artikel 22 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 22 aangepast. Lid 4 is een nieuw lid. De ‘gedeeltelijke uittreding’ oftewel, de urenvermindering en de gevolgen daarvan zijn op deze plek toegevoegd. Het artikel over uittreding (artikel 40) gaat nu alleen nog over daadwerkelijke uittreding uit de regeling. De uittredingsregeling moet dus worden gewijzigd en van toepassing worden verklaard op vermindering van taken/uren. Artikel 23 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 23 aangepast. Artikel 24 Lid 1: de bevoegdheid om de directeur te benoemen, te schorsen of te ontslaan is een bevoegdheid die door de wet (artikel 33b WGR) aan het dagelijks bestuur is voorbehouden. Zie artikel 31. Lid 2 en 3: zijn toegevoegd om het mogelijk te maken dat de organisatie bijvoorbeeld kan aansluiten bij een werkgeversorganisatie (thans WSGO) of een pensioenstichting. Voor de raden is een recht op zienswijze opgenomen. Artikel 25 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 25 aangepast.
Artikel 26 Dit nieuwe artikel gaat in op burgerparticipatie. Hoewel de Omgevingsdienst alleen taken uitvoert in opdracht van de colleges, kan het in voorkomende gevallen wenselijk zijn om ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid van de Omgevingsdienst te betrekken. Daarom is opgenomen dat het algemeen bestuur daartoe kan besluiten. Artikel 27, 29 en 30 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 27, 29 en 30 aangepast. Artikel 31 Per 1 januari 2020 is de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking getreden. Daarmee is een einde gekomen aan het benoemen van ambtenaren. Ambtenaren zijn in dienst van de regeling op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit geldt ook voor de directeur. Op grond van artikel 33b van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het dagelijks bestuur bevoegd de arbeidsovereenkomst met de directeur aan te gaan, te wijzigen en te beëindigen. De directeur is ook secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur. In die hoedanigheid wordt de directeur aangewezen (vergelijkbaar met de secretaris en griffier bij een gemeente worden aangewezen (artikel 100-102 gemeentewet). In de Wet gemeenschappelijke regelingen is de functie en aanwijzing van de secretaris niet expliciet geregeld.
Om die reden is het niet nodig op te nemen dat de aanwijzing als secretaris van rechtswege eindigt als de functie van secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. Het woord “aanwijzing” is gebruikt, in plaats van “in dienst nemen”, omdat de directeur niet in dienst hoeft te zijn. Er kan ook (tijdelijk) sprake zijn van detachering of inhuur. De bevoegdheid tot aanwijzen, schorsen (“op non actief stellen”) en ontslaan wordt bij het dagelijks bestuur gelegd. Maar niet dan nadat het algemeen bestuur is geraadpleegd. De bestaande tekst over voordracht door tenminste drie AB leden is overbodig, nu het DB de voordracht doet, en het besluit voorlegt aan het AB. Artikel 28 oud Is verwijderd. De CAO Samenwerkende gemeenten is van toepassing op de Omgevingsdienst.
2 van 4
Artikel 29 oud Is verwijderd. Sedert de invoering van de Wnra (1 januari 2020) is er sprake van arbeidsovereenkomsten. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 33b WGR bevoegd tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst. De voorzitter kan de rechtshandeling verrichten. Het dagelijks bestuur kan dit ook aan de directeur opdragen. Artikel 32, 33 en 34 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van artikel 32 en artikel 34 aangepast. Tevens is nummerverwijzing aangepast. Artikel 34 In artikel 34 lid 3 is een tekstuele verduidelijking aangebracht; duidelijker is welke uren worden bedoeld. Artikel 36 Lid 1 en 2: de data zijn aangepast aan de gewijzigde Wgr. Lid 3: De wetgever heeft geen zienswijze op de kadernota opgenomen. Toch hecht het algemeen bestuur van Odru er waarde aan dat de raden in de gelegenheid worden gesteld hun reactie op de ontwerp-kadernota te geven. Dat zal dan ook ieder jaar gebeuren, waarbij de huidige reactietermijn van 8 weken in stand blijft. Met die termijn blijft het mogelijk om met cijfers te werken die zo actueel mogelijk zijn. Overigens is in de wet de zienswijze op begroting en begrotingswijziging behouden, maar met een verlenging van de termijn voor raden van 8 naar 12 weken. Lid 5 is een uitwerking van de gewijzigde Wgr.
Lid 6 geeft aan dat voor een wijziging van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten niet de zienswijzeprocedure hoeft te worden gevolgd. Dit om de administratieve en bestuurlijke last te verminderen. Uiteraard stelt wel het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst, op voorstel van het dagelijks bestuur en na advisering door de auditcommissie, de begrotingswijziging vast. Artikel 37 Lid 1 en 2: ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst van lid 1 aangepast. Tevens is nummerverwijzing aangepast. Ter verbetering van efficiency wordt er geen apart bericht meer gestuurd van de vaststelling van de kadernota, maar wordt hierover bericht bij de toezending van de ontwerp begroting aan de raden, zoals bedoeld in artikel 36 lid 4. Lid 3: staat nu in artikel 36 lid 7. Artikel 38 Ten gevolge van verbetering van definities in artikel 1 is de tekst aangepast. Tevens zijn de data aangepast aan de gewijzigde Wgr. Artikel 39 De urenvermindering (“gedeeltelijke uittreding”) is geregeld in artikel 23 en de overige inhoud van deze bepaling is opgenomen in artikel 40. Artikel 40 In artikel 40 zijn de afspraken rondom uittreding vastgelegd. De tekst van het oude artikel 39 leidde tot vragen, omdat het leek alsof een college pas kon besluiten tot uittreden na instemming van het algemeen bestuur.
De tekst van artikel 40 is duidelijker, en in overeenstemming met hetgeen in de bestaande regeling en wet van toepassing is. Artikel 41 De wijziging van de Wgr is in dit artikel verwerkt. Artikel 42 De wijziging van de Wgr is in dit artikel verwerkt. Op grond van artikel 9 Wgr dient de regeling bepalingen te bevatten omtrent de vereffening van het vermogen bij ontbinding van de regeling. In lid 3 is een verdeelsleutel opgenomen.
3 van 4
Artikel 43 en 44 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst aangepast. De voorzieningen voor de Archiefwet zijn ten gevolge van de wijziging Wgr nader uitgewerkt in artikel 44. De tekst is conform het model uit de Handreiking Inrichting informatie-en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden (VNG/LOPAI). Artikel 45 en 47 Ten gevolge van verbetering definities in artikel 1 is de tekst aangepast. Artikel 46 De gewijzigde Wgr schrijft voor dat een evaluatie van de regeling in de regeling wordt opgenomen. Artikel 48 Aangepast aan de wettelijke voorschriften.
4 van 4
Model aanbiedingsbrief colleges aan raden Bijlagen: - tekstvoorstel gewijzigde regeling ODRU gemarkeerd en ongemarkeerd - artikelsgewijze toelichting - toelichting inhoudelijk, incl. proces besluitvorming
Geachte raad,
Voor u ligt een ontwerp-wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU), verder te noemen regeling ODRU. De ODRU is een samenwerkingsverband tussen de 15 deelnemende gemeenten in de regio Utrecht, die zowel wettelijke taken als niet-wettelijke taken op het gebied van de leefomgeving uitvoert in opdracht van de colleges van de deelnemende gemeenten. De regeling ODRU bevat de afspraken over de samenwerking tussen de colleges in de ODRU, alsook de samenwerking van de ODRU met de deelnemende gemeenten (colleges en raden). Op 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Ten gevolge daarvan dient de regeling ODRU voor 1 juli 2024 te worden gewijzigd. De ontwerp-wijziging van de regeling ODRU is door het bestuur van de ODRU voorgelegd aan de deelnemende colleges van de ODRU. Wij kunnen instemmen met dit voorstel en leggen het daarom aan u voor ten behoeve van het kenbaar maken van uw zienswijze. In de bijlage bij deze brief is een toelichting geschreven op de wijze waarop het bestuur van de ODRU de wetswijziging heeft verwerkt in de voorgestelde ontwerp-wijziging regeling ODRU. Wij verzoeken u uw zienswijze ten aanzien van bijgevoegde ontwerp-wijziging regeling ODRU aan ons college kenbaar te maken op uiterlijk (….. 2023, termijn 8 weken, dusdanige datum dat college op uiterlijk 15 augustus de zienswijze met standpunt en evt.
wensen college aan ODRU kenbaar kan maken). Indien u geen zienswijze kenbaar wil maken, verzoeken wij u dit zo spoedig mogelijk aan ons te laten weten. Uw college zal vervolgens uw zienswijze aan het bestuur van de ODRU kenbaar maken. Vervolgens zal de ODRU definitieve voorstellen voorbereiden voor de vergadering van het algemeen bestuur van de ODRU op 28 september 2023. Daarna kan het dagelijks bestuur een wijzigingsvoorstel (conceptwijziging regeling ODRU) aan de colleges voorleggen en kan de definitieve procedure voor instemming van de colleges en toestemming van de raden van de 15 deelnemende gemeenten worden ingezet. De verwachting is dat de regeling ODRU voor 1 juli 2024 wordt gewijzigd.
Bijlage bij modelaanbiedingsbrief college aan de raad Toelichting op ontwerp-wijziging regeling ODRU inhoudelijk incl. proces besluitvorming
Inleiding Per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Deze wijziging heeft als doel de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden in relatie tot gemeenschappelijke regelingen te versterken. Deels bevat de wetswijziging bepalingen die per 1 juli 2022 direct in werking zijn getreden, deels bepalingen die in een wijziging van de tekst van de gemeenschappelijke regeling ODRU moeten worden opgenomen. De verplicht op te nemen onderdelen zijn vrij uit te werken verplichte bepalingen in de regeling. Ter voorbereiding van dit voorstel tot wijziging van de regeling ODRU is overleg gevoerd met de directeuren van de vijf grote gemeenschappelijke regelingen binnen de regio Utrecht, te weten de VRU, de RUD Utrecht, de GGDrU en AVU. Het streven is om voor de gemeenten in de regio Utrecht zoveel mogelijk op dezelfde basis te werken.
Inhoudelijke toelichting op ontwerp-wijziging regeling ODRU Algemeen De ODRU vindt het belangrijk de betrokkenheid van raden vooral te vergroten op inhoud, en niet alleen te beperken tot het terrein van financiën (eigenaarschap). Daarin kan voorzien worden in de praktische werkwijze van de ODRU en AB leden in het informatieverkeer tussen ODRU en raad. Als uitgangspunt is gehanteerd dat in de regeling ODRU alleen wijzigingen worden opgenomen die wettelijk noodzakelijk zijn. Op die manier blijft de regeling ODRU zo flexibel mogelijk. Dat gezegd hebbende, zijn er toch enkele bovenwettelijke mogelijkheden opgenomen. Het bestuur van de ODRU wil de betrokkenheid van de raden bij de kadernota behouden. Tevens kan zowel het dagelijks als het algemeen bestuur besluiten dat bij een bepaalde ontwikkeling of onderwerp nadere betrokkenheid van burgers, colleges en/of raden noodzakelijk is.
Zienswijze kadernota De wetgever beoogt de raden meer invloed te geven. In dat kader heeft de wetgever het toch niet nodig geacht om een verplichte zienswijze op de kadernota van de gemeenschappelijke regeling op te nemen. Het bestuur van de ODRU vindt dat de huidige werkwijze van de ODRU en de betrokkenheid van gemeenten, zowel ambtelijk als bestuurlijk, goed past bij de doelen van de Wet en de raden de gewenste invloed geeft. Voorstel is om de huidige praktijk (met één aanpassing) voort te zetten. Aan de raden wordt een reactie op de ontwerp-kadernota gevraagd, met een termijn van acht weken. Het algemeen bestuur stelt (in december) de kadernota, eventueel aangepast, met kennisneming van de reacties van de raden, vast. De raden krijgen (in tegenstelling tot huidige praktijk) geen separate reactie op de zienswijzen, maar zien het resultaat terug in de ontwerpbegroting, waarop zij een recht zienswijze hebben. Dit draagt bij aan efficiency. Onderstaand een toelichting op de bepalingen die per 1 juli 2022 zijn ingegaan (directe werkende bepalingen) en de bepalingen die voor 1 juli 2024 in de regeling ODRU moeten zijn opgenomen (verplichte bepalingen). Tot slot is een technische wijziging opgenomen, die noodzakelijk is om aan de wet te kunnen voldoen.
Direct werkende bepalingen De volgende onderdelen: de zienswijze van de gemeenteraad bij het treffen, wijzigen, uittreden of beëindigen van een regeling, de bevoegdheid om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen, de actieve informatieplicht, het recht van onderzoek, de onderzoeksmogelijkheden van lokale
rekenkamer(commissie)s en de wijziging van de begrotingscyclus zijn per 1 juli 2022 direct in werking getreden. Het recht van onderzoek en onderzoeksmogelijkheden lokale rekenkamers Deze wettelijke bepalingen vergen geen opname in de tekst van de regeling. Initiatiefrecht gemeenschappelijke adviescommissie De raden hebben een initiatiefrecht om een gemeenschappelijke adviescommissie van raadsleden in te stellen, die het algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling van advies dient, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten kan voorbereiden of deze raden van advies kan voorzien. Dit initiatief ligt bij de raden, de ODRU onderneemt zelf geen actie hierin. De overige direct werkende bepalingen zijn opgenomen in de (besluitvormings)processen van de ODRU en zijn verwerkt in voorliggend voorstel. Zienswijze begroting en begrotingswijzigingen (wijziging begrotingscyclus) De wetgever heeft de termijn voor het indienen van een zienswijze op begroting en begrotingswijzigingen verlengd naar twaalf weken. Tevens heeft de wetgever het besluitvormingsproces aangescherpt. De regeling ODRU is daarop aangepast. Teneinde te kunnen bijdragen aan het terugdringen van administratieve lasten en bestuurlijke druk (efficiency) wordt voortaan voor een begrotingswijziging waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van gemeenten geen zienswijze gevraagd.
Zienswijze m.b.t. gemeenschappelijke regeling De wetgever heeft een extra stap ingevoegd. De wetgever geeft de raad de mogelijkheid een zienswijze in te dienen bij een ontwerpregeling. De raad kan zijn opvatting binnen acht weken kenbaar maken. Na verwerking van de zienswijzen van de raden, wordt aan de colleges van de deelnemende gemeenten om instemming gevraagd. Het college heeft (conform reeds voor 1 juli 2022 bestaande wettekst) voor instemming toestemming nodig van de raad. Actieve informatieplicht Deze is verwerkt in het voorstel. Niet alleen is gekeken naar de gemeentewet, maar ook naar de Wet Open Overheid (WOO). ODRU publiceert op dit moment reeds op de website agendabundels AB, en publiceert informatie op eigen Publicatieblad (overheid.nl). Daar komen straks bij de agenda en besluitenlijst van het dagelijks bestuur.
Verplichte onderdelen in GR Zienswijze op bepaalde bestuursbesluiten Betreft de mogelijkheid voor raden om een zienswijze te geven op bepaalde bestuursbesluiten. Bij een uitvoeringsorganisatie als de ODRU houdt het algemeen bestuur toezicht op het financiële beheer van de organisatie, stelt een bedrijfsplan en beleidsplannen, alsmede de begroting en jaarstukken vast. Het dagelijks bestuur voert het dagelijks bestuur van de organisatie, beheert de inkomsten en uitgaven van de organisatie en stelt de regels vast voor de ambtelijke organisatie. De colleges en raden sturen niet de bedrijfsvoering en interne organisatie aan, maar bepalen wel welk beleid de gemeente wil voeren, en welke taken zij neerleggen bij de ODRU. De invloed van de raad gaat dus niet zozeer over HOE de Omgevingsdienst de taken uitvoert, maar wel WAT de Omgevingsdienst aan taken uitvoert (de ‘output’). Er is geen standaardzienswijze voor raden op bestuursbesluiten opgenomen, maar zowel het dagelijks bestuur als algemeen bestuur kunnen kiezen voor het betrekken van de raad. Dit is conform de huidige praktijk. Burgerparticipatie De ODRU is een uitvoeringsorganisatie. Burgerparticipatie ligt meer voor de hand bij het bepalen van het beleid, dat bij de gemeenten zelf ligt.
Voorstel is om de inspraak via de gemeenten te laten lopen, waarna de inbreng door de gemeente kan worden meenomen naar de ODRU in de opdrachtverlening, een project of een zienswijze. Burgerparticipatie zal worden gebruikt als dat wettelijk is voorgeschreven of het algemeen bestuur dat besluit.
Evaluatie van de GR De wetgever stelt verplicht om een bepaling over evaluatie van de regeling op te nemen. Doel is om periodiek stil te staan bij het functioneren van de regeling. Voorgesteld is om dit periodiek, doch tenminste eenmaal per zes jaar te laten plaatsvinden. Deze frequentie draagt bij aan het voorkomen van administratieve lasten en bestuurlijke druk, en draagt bij aan de doelstelling van de wetgever. Uittredingsbepalingen In de regeling ODRU zijn de wettelijk verplichte bepalingen met betrekking tot uittreding opgenomen. Daarbij is de procedure voor uittreding verhelderd. Tevens is het verwarrende begrip “gedeeltelijke uittreding” vervangen door “taak-of urenvermindering”.
Technische reparatie Per 1 januari 2020 is de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking getreden. Om te kunnen deelnemen aan organisaties zoals de door de VNG opgerichte werkgeversorganisatie van samenwerkende verbanden (WSGO), en aan te sluiten bij de CAO, en eventuele pensioenstichtingen in de toekomst, is het noodzakelijk dat in de regeling ODRU een bepaling wordt opgenomen dat het algemeen bestuur, na zienswijze door de raden, kan besluiten tot oprichting of deelneming in een stichting of vereniging. Aangesloten is bij de tekst van de wet.
Planning besluitvorming wijziging regeling ODRU In het schema op de volgende pagina is het proces en de planning weergegeven om tot een gewijzigde regeling ODRU te komen.