CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

PR23.004 Wijziging gemeensch. regeling RDWI

Vragenuur Lijst ingekomen stukken 17 januari 2023, gemeente ZeistBij agendapunt: A-post derden4.537 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

PR22.004/105879

Wijziging

Inhoud wijziging

Doel

Bron: VNG handreiking verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke regelingen, September 2022, R. de Greef Data/termijnen P&C cyclus Kadernota: voor 30 De ontwerpbegroting (Art. 34, 34b en 35 Wgr) april moet aan de Ontwerpbegroting: 12 gemeenteraden weken voor de worden gezonden zienswijze twaalf weken Conceptjaarverslag: voordat zij aan het voor 30 april algemeen bestuur wordt aangeboden. Nieuw is dat de Dat was voorheen inzending van de acht weken. Tevens vastgestelde is nieuw is dat het ontwerpbegroting aan dagelijks bestuur GS voor 15 september schriftelijk én moet geschieden (was gemotiveerd aan de voorheen 1 augustus) gemeenteraden moet laten weten wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid. Die ‘terugkoppeling’ moet aan de raden worden gegeven vóórdat het algemeen bestuur de begroting vaststelt.

Gemeenschappelijke raadscommissie/Adviescommi ssie (Art. 24a Wgr) Geen wijziging van de regeling noodzakelijk!

De instelling van een raadsadviescommissie geschiedt door het algemeen bestuur, op verzoek van de betrokken gemeenteraden. Alle raden moeten instemmen met de instelling van de raadsadviescommissie, maar als ze dat doen, dan is het voor het algemeen bestuur ook een verplichting om tot instelling over te gaan. Het kiezen van de leden van de commissie is dan weer aan de raden, waarbij een raad er ook voor kan kiezen niet actief te participeren.

Huidige GR

Kadernota: voor nvt 15 april (artikel 24 GR RDWI)

1. De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden; 2. De gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverban d; 3. De gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittreder als de overblijvende gemeenten).

Aantekeningen

Wetstekst volgen.

De cyclus start met de kadernota. Moest deze voorheen voor 15 april verzonden zijn aan de gemeenteraad, die datum is wat naar achter geschoven, naar 30 april. Dit is een uiterste termijn en kan ook eerder worden bepaald. De gemeenteraad hoeft formeel niets met de kadernota te doen, anders dan deze voor kennisgeving aannemen. Dat laat onverlet dat de raad er wel over kan debatteren en er op kan reageren, maar dat moet de raad dan wel tijdig doen (voor dat de ontwerpbegroting is toegezonden).De kadernota wordt toegezonden door het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam. Dit betekent dat het algemeen bestuur formeel geen rol heeft bij het op- of vaststellen van de kadernota

Conceptjaarversla g: voor 15 april (artikel 27 GR RDWI)

Doel is het zo vroeg Nvt mogelijk betrokken zijn bij politieke besluitvorming om zodoende het besluitvormingsproc es van de beleidscyclus te kunnen beïnvloeden en om te bevorderen dat raden met elkaar overleggen. De raadsadviescommissi e is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. Besluitvorming en sturing blijft bij de individuele raden liggen.

Verscherping en verduidelijking van dit vereiste. De regels moeten in de regeling worden opgenomen (er mag niet worden verwezen naar een uittreedregeling). In artikel 9 lid 1 is gesteld 'met inachtneming van artikel': hieruit moet worden afgeleid dat

Voorstel(tekst)

Ontwerpbegroting : 8 weken voor zienswijze (artikel 25 GR RDWI)

Alleen raadsleden kunnen lid zijn.

Vastleggen uittredingsregels (Art. 9 lid 1 Wgr)

Toelichting

Art. 30 lid 3 GR RDWI: Het algemeen bestuur stelt de gevolgen van de uittreding vast (noot: zie vorige cel: dit moet dus aangepast)

Kantekening: het ‘gevaar’ van verschillende raadsadviescommissie s is dat een gemeenteraad overvraagd wordt. Er is immers slechts beperkte tijd beschikbaar voor raadsleden om naar extra vergaderingen te gaan. Daarnaast is het ook voor een samenwerkingsverban d niet te doen wanneer voor ieder besluit eerst de raadsadviescommissie om advies moet worden gevraagd.

Advies: de mogelijkheid van een raadsadviescommis sie niet opnemen in de regeling (deze mogelijkheid geldt op basis van de wet).

Mogelijke tussenvormen kunnen zijn werken met een agendacommissie of ad hoc bijeenkomstensten voor raadsleden. Dit kan tzt nader onderzocht worden. Mogelijkheden: Wordt aan gewerkt 1. Uitgaan van reele na bepalen van de kosten/werkelijke keuze uit vorige cel. kosten van de uittreding: dit is een moeilijke(re) en mogelijke duurdere variant gezien betrokkenheid accountant en eventuele geschillencommissie; 2. Forfaitair bedrag: (aan een degelijke

de besluitvorming rond wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding door de deelnemende bestuursorganen plaatsvindt. Het bestuur van het samenwerkingsverba nd heeft daarin formeel geen rol.

Uitbreiding zienswijzeprocedure (Art. 10 lid 5 en 6 Wgr)

Verplicht een Doel is verbeterde overweging opnemen democratische in de regeling over een invloed te creeren. eventuele uitbreiding van de zienswijzeprocedure. Ook wanneer er (aanvullende) géén zienswijzen worden gebruikt, moet dit in de gemeenschappelijke regeling worden benoemd.

regeling is invulling geven in een uitspraak van de ARvS) 5 jaar lang met 100, 80, 60, 40, 20regeling. Het idee is dat 5 jaar redelijk is voor de organisatie om zich aan te passen aan een uittreder. Een langer termijn wordt afgeraden (anders kom je nooit van elkaar af), korter is ook mogelijk. Neem mee in het bepalen van de termijn een eventueel vastgelegde opzegtermijn (de GR RDWI heeft een opzegtermijn van 2 jaar). Zienswijzeprocedu re geldt nu voor: Art. 5 lid 5 GR RDWI (deelname aan privaatrechtelijke rechtspersonen) Art. 11 lid 3 GR RDWI (meerjaren strategisch plan) Art. 25 GR RDWI (begroting)

In de regeling dient te worden opgenomen voor welke besluiten de zienswijzeprocedure geldt (of er moet worden opgenomen dat er geen gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid) met uitzondering van het besluit tot het vaststellen of wijzigen In de praktijk van de begroting wordt de bedoeld in artikel 35 zienswijzeprocedu Wgr. Belangrijk is af te re ook toegepast wegen welk doel het op de kadernota geven van zienswijze (art. 24 GR RDWI). moet dienen en hoe Dit is niet dit op zo'n manier opgenomen in de wordt ingericht dat GR. het ook daadwerkelijk effect heeft. Voor deelname aan privaatrechtelijke rechtspersonen (art.5 lid 5 GR RDW) en het meerjaren strategisch plan (art 11 lid 3 GR RDWI) is dit al ten dele geregeld. Aangevuld dient te worden de verplichte terugkoppeling van het dagelijkse bestuur danwel het algemeen bestuur over wat er met de zienswijze is gebeurd: het 'gemotiveerd in kennis stellen van het oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die daaraan worden verbonden'. De vraag is altijd met welk doel vraag je om zienswijze!

Aanvullend: tekst over dat de (verplichtige) terugkoppeling bij zienswijze schriftelijk en gemotiveerd plaatsvindt inclusief de conslusie die hieraan worden verbonden. Geen nieuwe besluiten waarvoor de zienswijzeprocedur e kan worden ingezet (naast de reeds bestaande) maar wel opnemen de mogelijkheid in incidentele gevallen, bij maatschappelijk gevoelige onderwerpen, een zienswijzeprocedur e in te zetten (flexibiliteit). Voorbeeldartikel X 1. Behoudens verplichtingen voortvloeiend uit de wet of deze regeling worden besluiten van het bestuur niet aan zienswijzen van de raden onderworpen. 2. Het algemeen bestuur beslist bij voor de gemeenten ingrijpende besluiten, of wanneer ten minste 2 gemeenteraden hierom verzoeken, niet dan wanneer de raden om zienswijzen zijn gevraagd over een ontwerpbesluit dat ter besluitvorming voorligt. In spoedeisende gevallen kan het algemeen bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. 3. Indien het tweede

In een zienswijze procedure wordt gemeenteraden gevraagd wensen en bedenkingen te geven bij conceptvoorstellen voor bijvoorbeeld nieuwe verordeningen of kaderstellende plannen of wijzigingen in die besluiten die worden voorbereid. De gemeenteraden worden dan in staat gesteld om over de voorstellen te beraadslagen en hun inzichten mee te geven voordat er een definitief voorstel komt. Daarmee wordt ook inzichtelijk waar lokale wensen zitten, zodat de uitvoerbaarheid daarvan ook getoetst kan worden door het samenwerkingsverba nd. De zienswijze speelt vooral bij oordeelsvorming binnen de gemeenteraad, en moet nog niet als besluitvorming van de gemeenteraad worden gezien. Bij de vergadering waarin over de zienswijzen wordt gesproken, kan ook inspraak worden geregeld. Dit zodat ook burgerparticipatie mogelijk blijft en het democratische gehalte van beleidskeuzes kan worden vergroot. De zienswijzeprocedure is dus het best geschikt ten tijde van de fase van planvorming, nog voordat tot besluitvorming wordt overgegaan.

lid wordt toegepast, dan hebben de raden acht weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur bekend te maken. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is, stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Evaluatiebepaling (artikel 11a Wgr)

Burgerparticipatie/inspraak (Art. 10 lid 7 en 8 Wgr)

Er moeten in de regeling afspraken staan over evaluatie van de regeling. Wat, hoe en hoe vaak er geëvalueerd wordt, is aan de deelnemers van de regeling. Er kan ook bepaald worden dat er niet geëvalueerd wordt.

In elke regeling wordt afgesproken hoe om te gaan met burgerparticipatie. Dat kan nog steeds inhouden dat deze mogelijkheid niet geboden wordt, maar dat is dan een bewuste keuze, waar de gemeenteraad mee dient in te stemmen.

De raad moet betrokken zijn bij deze bewuste keuze. Resultaten van evaluatie kan sturing makkelijker maken.

Art. 37 GR RDWI: om de 4 jaar wordt geëvalueerd op initiatief van het dagelijks bestuur.

Vergroting van Geen bepaling betrokkenheid van inwoners bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid (vooruitlopend op de komende wetswijziging 'Wet versterking participatie op decentraal niveau' met de uitbreiding Voorts is nieuw dat als van betrokkenheid je niets regelt, afdeling van inwoners bij de 3.4 Awb van uitvoering en toepassing is, de evaluatie van beleid uniforme openbare (betrokkenheid bij voorbereidingsproced voorbereiding is in de ure (ter inzage leggen gemeentewet reeds van ontwerpbesluiten geregeld door de en de mogelijkheid verplichte hier zienswijze op te inspraakverordening) geven). )

Willen de deelnemers evalueren? Hoe vaak? De huidge evaluatiebepaling is voldoende om de uit te voeren evaluatie zo in te zetten als gewenst. Dit kan een ruime evaluatie zijn naar het functioneren van de samenwerking - of een beperkte evaluatie zijn - naar de regeling zelf -. Hierdoor blijft er ruimte voor keuzes bestaan. Voor welke besluiten is burgerparticipatie gewenst? Op welke wijze geef je hier vorm aan? Mogelijkheden zijn: - inspraak via de gemeenteraden (die hier bekend mee zijn), of - inspraak bij het bestuur van het samenwerkingsverban d?

Geen aanpassing. Mogelijk meenemen in de toelichting bij het definitieve wijzigingsvoorstel dat na x jaar de nieuw ingezette instrumenten worden geevalueerd bijvoorbeeld door het bevragen van de deelnemers over hun ervaringen.

Leg vast in de regeling inspraak/participati e van belanghebbende van door middel van de clientenraad. Leg vast in de regeling dat inspraak/partcipatie van ingezetenen plaatsvindt via de reeds bestaande weg bij de raden Nu de verordende van de deelnemers. bevoegdheid is Leg vast in de overgedragen aan het regeling de optie algemeen bestuur van dat, indien dit nodig het openbaar lichaam, wordt geacht, in lijkt inspraak een specifieke geval rechtstreeks bij de inspraak via het gemeenschappelijke algemeen bestuur regeling voor de hand kan plaatsvinden te liggen: de raad is (met bekendmaking immers niet langer vooraf). beslisbevoegd maar kan nog slechts Voorbeeldartikel X controleren of via 1. Ingezetenen en politieke belanghebbenden instrumenten sturen. kunnen via de Aan de andere kant normale procedure heeft de raad ervaring bij de met burgerinspraak, gemeenteraden heeft de raad hiervoor respectievelijk de een reeds bestaande colleges inspreken procedure en kan omtrent besluiten worden afgesproken van de regeling. dat indien inspraak 2. In afwijking van betreft onderwerpen het eerste lid, kan die bij de het dagelijks gemeenschappelijk bestuur beslissen dat bij ingrijpende

regeling liggen, dat de besluiten een apart raad dit doorsluist. traject voor inspraak wordt doorlopen, waarbij zowel belanghebbenden als ingezetenen de kans krijgen inspraak te doen. In het geval er een adviescommissie, als bedoeld in artikel 17, aanwezig is, dient deze betrokken te worden. 3. Het dagelijks bestuur informeert de colleges en het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak. 4. De colleges én het dagelijks bestuur maken op de gebruikelijke wijze bekend dat de mogelijkheid tot inspraak wordt geboden. Actieve informatieverplichting (art. 17 lid 2 en 3 Wgr)

Actief informeren van de raden in die gevallen dat het orgaan dat het besluit heeft genomen dit nodig acht.

Goede en gelijke informatiepositie bij alle raden zodat controle en sturing door de raden kan plaatsvinden.

Geen bepaling

De afweging om actief informatie te delen ligt bij het orgaan dat een besluit neemt. Dat kan dus zowel het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur als de voorzitter zijn. In de gemeenschappelijke regeling kunnen kaders worden gegeven omtrent welke informatie in elk geval actief moet worden gedeeld. Bijvoorbeeld: - vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur (onder de Woo wordt dit ook verplicht); - agenda’s en besluitenlijsten van het dagelijks bestuur (onder de Woo wordt dit ook verplicht); Voorts kunnen er afspraken worden gemaakt over het moment van informatievoorziening , de wijze van informatievoorziening en het onderwerp van informatievoorziening . Er kunnen ook keuzes worden gemaakt tussen informatieverstrekkin g op hoofdlijnen en meer gedetailleerde informatie. Het is wenselijk dat vaker kort en krachtig op hoofdlijnen wordt geïnformeerd en dat

Houd de bepaling flexibel: de raden worden actief geinformeerd in die gevallen dat dit nodig wordt geacht door het orgaan dat het besluit heeft genomen. Neem hierbij op dat in dergelijke gevallen gelijktijdig de colleges dezelfde informatie in cc ontvangen.

slechts eens per jaar (bijv. bij het jaarverslag) op meer gedetailleerde wijze wordt geïnformeerd. Daarmee wordt de werklast voor het samenwerkingsverban d, maar ook voor de raadsleden verminderd. De hoofdlijnen moeten zich vooral beperken tot: (a) Welke beleidswijzigingen worden voorbereid en wat zijn de politieke keuzes daarbij; (b) Hoe zijn beleidskeuzes die het afgelopen jaar zijn gemaakt uitgevoerd, en ligt dit op schema; (c) Bij afwijkingen van de afgesproken beleidslijnen moet direct en actief geïnformeerd worden waarom er een afwijking plaatsvindt en wat hieraan gedaan kan worden om bij te sturen. De verstrekte informatie moet kort en bondig zijn, maar met inzicht in de te maken keuzes. Hierdoor hebben de raden meer mogelijkheden om tussentijds te sturen. De frequentie van de informatieverstrekkin g moet zodanig vaak zijn dat de raden niet achteraf met onvoorziene tekorten worden geconfronteerd, maar ook weer niet zo vaak dat de raden én het samenwerkingsverban d er overbelast door raken. Het idee achter dit instrument is dat de raden ook actief iets met de informatie doen die zij ontvangen. Maatwerk is daarom van belang. Zaken die meer going concern zijn (zoals uitvoering van langlopende beleidsafspraken) kunnen jaarlijks terugkomen in de jaarrekening en het jaarverslag. Naast de structurele informatievoorziening vindt ook incidentele informatievoorziening plaats.

Dit kan zijn aan de hand van een onverwacht voorval, waarbij het samenwerkingsverban d of het college de raad actief informeert.

De raadsleden kunnen ook zelf om inlichtingen vragen, dat recht hebben zij wettelijk.

Artikel 17 lid 2 Wgr: Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

Artikel 17 lid 1 Wgr: De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.

Artikel 11a Wgr: Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling

Artikel 10 lid 5 Wgr: Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, met uitzondering van het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 35, en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, en de wijze waarop de zienswijze gegeven kan worden. Artikel 10 lid 6 Wgr: Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 10 lid 7 Wgr: Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. Artikel 10 lid 8 Wgr: De in het zevende lid bedoelde inspraak wordt verleend door de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover in de regeling niet anders is bepaald Artikel 9 lid 1 Wgr: De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. Artikel 34 Wgr: 1. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

[…] Artikel 34b Wgr: Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 35 Wgr: 1. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4.

Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. […] Artikel 24a Wgr 1. Op voorstel van de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk stelt het algemeen bestuur van een openbaar lichaam een gemeenschappelijke adviescommissie in die het algemeen bestuur van advies kan voorzien, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de regeling kan voorbereiden of de raden van advies kan voorzien. 2. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam regelt de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de commissie, nadat het de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid heeft gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. 3 . De commissie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden worden aangewezen. Een raad kan besluiten geen lid aan te wijzen.

Regionale onderzoekscommissie

De regionale onderzoekscommissie kan onderzoek doen naar het door het samenwerkingsverband gevoerde bestuur. Dat betekent dus dat ook onderzoek kan worden gedaan naar het handelen van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter of een adviescommissie of bestuurscommissie bij een gemeenschappelijk orgaan. Een onderzoekscommissie kan géén onderzoek doen naar het handelen van een bij een samenwerkingsverband ingesteld bestuur, indien de gemeenteraad (mede-)deelnemer is aan de betreffende gemeenschappelijke regeling

Art. 155g lid 2 Gemeentewet

Bevoegdheden rekenkamer

Een gemeentelijke rekenkamer kon altijd al onderzoek doen bij een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan om zo de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur vast te stellen. Strikt formeel mocht géén onderzoek worden gedaan naar de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het samenwerkingsverband gevoerde bestuur als zodanig. Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is nu expliciet ook voorzien in die mogelijkheid.

Art. 184 lid 3 Gemeentewet

Een mogelijke voorbeeldtekst Artikel X-1. Uittredingsplan 1.

Het algemeen bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding.

2. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële -, juridische -, personele - en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3.

Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende Gemeente overneemt, als bedoeld in artikel X-4, lid 1. 5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 6. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel X-4, lid 1, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 8.

Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

9.

De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:

a.

Relevante regelgeving;

b.

Relevante jurisprudentie;

c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 10. Het openbaar lichaam alsmede de uittredende deelnemer is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 11. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een door de externe deskundige nader te bepalen risico-opslag toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. 12. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

Artikel X-2. Externe deskundige 1. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het algemeen bestuur, voor specifieke onderdelen van het Uittredingsplan andere deskundigen inschakelen. 2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel X-1 lid 5. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het algemeen bestuur.

Artikel X-3. Uittreedsom 1. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel X-1, derde lid en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel X-1, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemers de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het algemeen bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.

Artikel X-4. Verplichtingen uittreder 1. De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel X-5. Opheffing 1.

De Regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de raden en colleges van alle gemeenten.

2.

Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan niet worden genomen dan nadat het algemeen bestuur daarover is gehoord.

3.

De opheffing gaat in op de in het opheffingsbesluit genoemde datum.

4. In geval van opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur ter regeling van de financiële en andere gevolgen van de opheffing een liquidatieplan vast, gehoord het dagelijks bestuur, de raden en colleges van de gemeenten. Hierbij kan van bepalingen van deze Regeling worden afgeweken. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze. 6. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval ook in de financiële en overige gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. Het plan bevat een personeelsplan als bedoeld in artikel 108 van de Wgr. 7.

Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie conform het liquidatieplan.

8.

Zo nodig blijven de bestuursorganen en commissies van de regling ook na het tijdstip van opheffen in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

Alle rechten en verplichtingen van de Regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de deelnemers, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de Regeling in het jaar voorafgaande aan de opheffing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12223475/2