PR21.126 Regionale rapportage COVID-19
Tekst van het document
Regionale rapportage COVID-19 19 mei 2021
1
Inhoudsopgave
INLEIDING ........................................................................................................................................................ 3 1.
VIRUSVERSPREIDING ................................................................................................................................ 4 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
2.
KWETSBAREN BESCHERMEN................................................................................................................... 22 2.1 2.2.
3.
AANTAL POSITIEF GETESTE PERSONEN ............................................................................................................... 4 TESTEN .................................................................................................................................................... 17 AANTAL COVID-19 VACCINATIES ................................................................................................................. 18 AANTAL OVERLEDENEN COVID-19 ............................................................................................................... 21
MONITORING VERSPREIDING VIRUS BINNEN ZORGINSTELLINGEN .......................................................................... 22 MELD- EN ADVIESPUNT BEZORGD ................................................................................................................. 24
ZORGCONTINUÏTEIT ................................................................................................................................ 26 3.1 Aantal ziekenhuisopnames landelijk ................................................................................................. 26 3.1.2 Verloop IC- en kliniek-capaciteit regio ........................................................................................... 26 3.1.3 INSCHALING ZORGCAPACITEIT ZIEKENHUIZEN................................................................................................ 27 3.2 ZORGINSTELLINGEN (EXCL. ZIEKENHUIZEN) ...................................................................................................... 28 3.2.1 Beddencapaciteit zorginstellingen ................................................................................................ 28 3.3 OPVANGLOCATIES BUITEN HET ZIEKENHUIS ...................................................................................................... 29
BIJLAGE 1. LANDELIJKE PANELONDERZOEK .................................................................................................... 31 BIJLAGE 2. COVID-MONITOR MIDDEN-NEDERLAND ....................................................................................... 35
2
Inleiding Voor u ligt de regionale rapportage COVID-19 van de regio Utrecht. De regionale rapportage is ter informatie. De Directeur Publieke Gezondheid (DPG) draagt in crisistijd de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de geneeskundige hulpverlening en draagt zorg voor een regionale gecoördineerde aanpak. De regionale integrale rapportage is een hulpmiddel om zo goed mogelijk overzicht te krijgen in de COVID-19 ontwikkelingen in de zorg (acuut en niet acuut) in de regio en daar waar nodig tijdig bij te sturen en maatregelen te nemen. Zodat een veilige en efficiënte zorgverlening wordt gewaarborgd en de zorg beheersbaar blijft. De regionale rapportage wordt één keer per week opgesteld. De gepresenteerde informatie uit de rapportage kan worden ingehaald door actuele ontwikkelingen en kan op details soms niet synchroon lopen met de door het RIVM gepresenteerde cijfers vanwege het moment van peiling. Aan de inhoud van de rapportage kunnen geen verdere conclusies worden verbonden.
3
1.
Virusverspreiding
1.1. Aantal positief geteste personen Begin 2021 lag het landelijk aantal nieuwe meldingen rond de 4.000 per dag, vanaf maart begon dit aantal te stijgen. Rond de tweede helft van april was het aantal meldingen per dag op een piek met gemiddeld 8.000 meldingen per dag. Afgelopen weken daalde dit naar rond de 7.500 meldingen per dag. Afgelopen week zette de daling door met landelijk ongeveer 5.000 meldingen per dag. In week 19 is dan ook een sterke daling ten opzichte van week 18 te zien met iets meer dan 35.000 meldingen. Dit is een daling van ongeveer 8.000 meldingen (Figuur 1).
Figuur 1. Landelijk bij de GGD gemelde patiënten COVID-19 vanaf 1 februari. Peildatum: 18 mei 2021 10:00. Bron RIVM
Een vergelijkbaar beeld zien we in de regio (Figuur 2). Tot en met 19 mei 2021 11:58 zijn in totaal 122.907 personen positief op COVID-19 getest in de regio Utrecht. In de regio waren de aantallen begin 2021 relatief laag, met net geen 2.000 meldingen per week. Vanaf begin maart namen de aantallen toe, wat nu te duiden is als het begin van de derde golf. Deze derde golf is ook in de regio te zien. Sinds week 16 lijken de aantallen weer te dalen. In week 19 is het aantal meldingen afgenomen naar 2.652 meldingen. Dit is een afname van ruim 600 meldingen vergeleken met de week ervoor. Deze afname is terug te zien binnen alle leeftijdsgroepen.
Figuur 2. Aantal COVID-19 positief gemelde personen per week GGD in regio Utrecht. Peildatum: 19 mei 2021.
4
De infectiedruk blijft hoog Ondanks de daling in het aantal meldingen afgelopen weken blijft de infectiedruk hoog. Ook de bezettingsgraad van de ziekenhuizen is nog steeds erg hoog, maar ook daar is de daling inmiddels ingezet. Nieuwe varianten De toename in het aantal meldingen kan niet los gezien van de opkomst van nieuwe, mogelijk besmettelijkere varianten van het coronavirus, waaronder de Britse-, de ZuidAfrikaanse, en recent de Indiase variant. Door middel van de nationale kiemsurveillance (Figuur 3) en modellering van het RIVM wordt geschat dat de nieuwe varianten inmiddels ruim 90% van alle nieuwe besmettingen betreft. Aangezien de analyse van deze bepalingen tot enkele weken kan duren, zijn de resultaten van week 16 het meest recent. Ondanks de hogere besmettelijkheid, ligt het reproductiegetal (R0, het gemiddeld aantal mensen dat besmet wordt door een persoon met Covid-19) voor Nederland op dit moment nog steeds rond de 1, zo wordt geschat door RIVM (Figuur 4). Zonder maatregelen had het reproductiegetal veel hoger gelegen. Als de R0 onder de 1 blijft, neemt de verspreiding van het virus af en komt het einde van de epidemie in zicht.
Aantal Britse onderzochte variant monsters (B.1.1.7) Weeknu mmer Totaal 2021/16 2021/15 2021/14 2021/13
18877 802 1367 1392 1688
Britse Zuid- Braziliaan Variant Indiase Indiase B.1.620 Colombia Californië Variant P.3 Variant variant Afrikaans se variant B.1.525 + variant variant anse variant 2 (Filipijnen) Bretagne met e variant P.1 E484K + (B.1.617.1/ (B.1.617.2) variant (B.1.427/ (B.1.616) E484K (B.1.351) F888L B.1.617.3) (B.1.621) 4.29) mutatie* 13523 20 380 140 27 3 1 0 1 7 4 0 774 4 8 12 3 0 0 0 0 0 0 0 1322 6 16 17 1 1 1 0 0 0 0 0 1328 2 25 21 2 2 0 0 0 0 0 0 1598 3 40 14 1 0 0 0 0 1 1 0
Figuur 3. Totaal aantal onderzochte monsters sinds eind 2020 t/m week 16 in 2021 die succesvol zijn geanalyseerd door nationale Kiemsurveillane. Bron: RIVM (Varianten van het coronavirus SARS-CoV-2 | RIVM).
Figuur 4. Het effectieve reproductiegetal R0 voor Nederland. Bron: RIVM, peildatum 18 mei 2021.
Aanscherping en versoepeling maatregelen Sinds 15 december 2020 zijn verschillende aanscherpingen in de maatregelen en versoepelingen doorgevoerd (Figuur 5). De opmars van de nieuwe varianten was aanleiding voor het instellen van extra maatregelen, waaronder verdere beperkingen op het ontvangen van bezoek en een reisverbod vanuit Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en India. In de persconferentie van 11 mei is een stappenplan gepresenteerd met een aankondiging van verdere versoepelingen vanaf 19 mei. Deze versoepelingen waren afhankelijk van een verdere daling van ziekenhuisopnamen en besmettingen. Hier is volgens het kabinet aan voldaan en stap 2 van de versoepelingen gaan vanaf 19 mei in. 5
Deze versoepelingen houden onder andere in dat doorstroomlocaties en sportscholen open gaan. Aantal COVID-19 positieve patiënten naar eerste ziektedag en effect van maatregelen In figuur 5 staan de COVID-19 positieve patiënten vanaf 1 juli 2020 uitgezet naar de dag dat deze personen voor het eerst klachten hebben ontwikkeld. Er zit altijd een paar dagen tijd tussen het begin van de klachten en een melding van de positieve uitslag. Hierdoor zullen de laatste dagen in de grafiek uiteindelijk veel hoger uitkomen. Onder in het figuur staat met blauw aangegeven wanneer aanscherpingen of versoepelingen van de maatregelen hebben plaatsgevonden. Het effect van de aangepaste maatregelen wordt na ongeveer 14 dagen verwacht. Inschaling ‘zeer ernstig’ De regio Utrecht is sinds 13 oktober volgens de landelijke richtlijnen van inschaling door de minister van VWS ingeschaald als risiconiveau ‘zeer ernstig’. Momenteel zit Nederland over de piek van de derde golf die begin maart begon. Na een toename in besmettingen en ziekenhuisopnamen is er nu een daling van de besmettingen zichtbaar. Het aantal ziekenhuisopnamen daalt afgelopen weken verder met 19% maar blijft hoog met 73,1 opnamen per miljoen inwoners. In week 18 waren dit nog 90,5 opnamen per miljoen inwoners.
Na een scherpe daling van 48% in week 18, is het aantal ziekenhuisopnamen in regio Utrecht afgelopen week licht gestegen van 52,4 opnamen per miljoen inwoners naar 65 opnamen per miljoen inwoners. Hierdoor is het risiconiveau “zeer ernstig” landelijk en in regio Utrecht nog steeds van toepassing. GGDrU voert bron- en contactonderzoek (BCO) op dit moment volledig uit, wat grotendeels te danken is aan de eigen applicatie (CoronaCare) die GGDrU heeft ontwikkeld om het BCO beter en efficiënter te kunnen uitvoeren. Dankzij CoronaCare zijn we in staat om ook bij hoge werkbelasting de indexpatiënten te blijven monitoren. Bovendien worden contacten via de applicatie zeer snel gewaarschuwd, vaak al voordat de GGD belt voor het bron- en contactonderzoek. Dit is een enorme winst vergeleken met het klassieke BCO zoals dat bij andere GGD’en wordt uitgevoerd. Dankzij CoronaCare zijn we als GGD in staat om belangrijke informatie over het verloop van de uitbraak ook bij hoge werkdruk te verzamelen en relevante informatie met het RIVM te delen.
6
Figuur 5. Totaal aantal positieve registraties naar begin van de klachten, indien niet aanwezig dan meldingsdag – 3 kalenderdagen. Peildatum 19 mei 2021. Maatregelen corona 1: (20 sept) Regionale maatregelen in zorgelijke regio’s (waaronder GGDrU). Horeca ontvangt geen nieuwe gasten na 00:00 en sluit om 01:00. Maximale groepsgrootte van 50 personen met uitzondering van demonstraties, religieuze bijeenkomsten, uitvaarten en dans/theatervoorstellingen. Meldingsplicht voor organisatoren van groepen groter dan 50 personen. 2. (28 sept) Thuiswerken, tenzij het echt niet anders kan. Bezoek eigen woning beperkt tot 3 gasten; in andere gebouwen maximaal 4 personen in zelfde gezelschappen en een maximum van 30 personen per ruimte. Buiten maximum van 40 personen. Horeca tot 21:00 inloop en sluit om 22:00; sportkantines zijn gesloten. Registratie van klanten voor contactberoepen. Geen publiek bij sportwedstrijden. Advies om reisbewegingen zoveel mogelijk te beperken 3. (14 okt) Horeca dicht. Winkels in detailhandels sluiten uiterlijk om 20:00 en verbod op verkoop alcohol en softdrugs na 20:00. Thuis maximaal 3 mensen per dag ontvangen en gezelschappen (binnen niet in thuissituaties) en buiten bestaat uit een groep van maximaal 4 personen van verschillende huishoud. Binnenruimte maximaal 30 personen. Geen amateursport voor volwassenen.
Evenementen zijn verboden met een paar uitzonderingen. Openbaar vervoer allen voor noodzakelijk reizen. 4. (4 nov – 19 nov). Maximale groepsgrootte: 2 personen buiten, 30 begrafenis, 20 huwelijk. Musea, theaters, zwembaden en sauna’s dicht voor 2 weken. Geen groepslessen in sportscholen. Dringend advies om t/m halverwege januari niet naar het buitenland af te reizen.
7
5. (15 dec) Nederland gaat in lockdown tot ten minste 19 januari om contacten tot het minimum te beperken. Alle niet-essentiële winkels, sportscholen, publieke binnen en buitenruimte en scholen sluiten. Maximale groepsgrootte binnen 2 bezoekers (m.u.v. 24, 25 en 26 december) en buiten 2 personen of 1 huishouden. Blijf zoveel mogelijk thuis. Reis niet naar het buitenland tot medio maart. 6. (12 jan) Anderhalve meter regel ook van toepassing op middelbare scholen. Maatregelen van 14 december worden verlengd tot tenminste 15 maart. 7. (19 jan) Maximum van 1 bezoeker per dag thuis ontvangen. Reisverbod voor VK, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika en daarnaast moeten reizigers een negatieve PCR testuitslag alsook een negatieve sneltest hebben voor het betreden van Nederland. Avondklok tussen 21:00 en 4:30. Maximum aantal bezoeker uitvaarten naar 50 personen. 8. (8 feb) Basisscholen en kinderdagverblijven weer open. Verzorgingshuisbewoners mogen 2 personen ontvangen per dag. 9. (1 mar) Middelbare scholen en MBO open voor minimaal 1 dag per week. 10. (16 mar) Versoepelingen niet essentiële winkels en buiten sporten met maximaal 4 personen in groepsverband. 11.
(28 apr) Avondklok verdwijnt, maximaal aantal mensen dat thuis op bezoek mag naar 2 personen, buitenterrassen worden heropend tussen 12-18 uur met maximaal 50 per terras, winkelen in niet-essentiele winkels mag weer zonder afspraak, maximale aantal aanwezigen op een begrafenis gaat naar 100 personen.
Vindpercentage per week In week 19 zijn totaal 22.541 testen uitgevoerd door GGDrU. Het percentage positieve COVID-19 uitslagenuit deze testen, het vindpercentage, is 10,4% in week 19 (Figuur 6). Landelijk is het vindpercentage op 12,2% gebleven, de regio Utrecht zit hier nog steeds onder. In Nederland worden hoge vindpercentages gezien in Limburg-Noord, Rotterdam-Rijnmond en Brabant-Noord met 16,4%, 16,3% en 14,7%. De laagste vindpercentages zijn te zien in Gooi en Vechtstreek, Drenthe en Groningen en variëren van 9,4% tot 6,6%.
8
Figuur 6. Overzicht trends in aantallen uitgevoerde testen in teststraten regio Utrecht en percentage. Peildatum 18 mei 09:30 uur.
9
Verloop epidemie Het aantal positieve geteste personen is niet het daadwerkelijk aantal besmettelijke personen, omdat niet alle besmettelijke mensen klachten hebben en zich daarom niet laten testen. Het RIVM maakt daarom schattingen voor het aantal besmettelijke personen (geïnfecteerde mensen die andere mensen kunnen besmetten) in Nederland (Figuur 7). Geschat wordt dat er op 7 mei ruim 150.000 mensen besmettelijk waren, een daling van 25.000 vergeleken met de schatting voor 23 april. Hiermee zit het geschatte aantal besmettelijke personen weer onder het niveau van de pieken van eerste en tweede golf.
Figuur 7. Het geschatte aantal besmettelijke personen in Nederland van 1 augustus 2020 tot 7 mei 2021. De onzekerheidsmarge geeft aan hoeveel hoger of lager het precieze aantal kan zijn. Bron: RIVM. Besmettelijke mensen | Coronadashboard | Rijksoverheid.nl
Aantal positief geteste COVID-19 inwoners per gemeente in de regio Figuur 8 presenteert het aantal meldingen van positieve gevallen per gemeente van week 19. In Figuur 9 zijn de besmettingen per 100.000 inwoners weergeven per gemeente van de regio Utrecht in de laatste vier weken. Daarbij geldt voor de weergave in relatieve cijfers dat hoe lager het inwonersaantal des te grilliger het verloop zal zijn, een kleine toename of afname geeft relatief een groot verschil. In de meeste gemeenten (19 van de 26) is een afname te zien, met uitzonderingen van kleine stijgingen in de gemeenten IJsselstein, Montfoort, Soest en Woerden. In de gemeenten Eemnes, Oudewater en Woudenberg is het aantal besmettingen gelijk gebleven ten opzichte van vorige week. In deze gemeenten zijn er uitbraken op bijvoorbeeld scholen en bedrijven, die de stijging kunnen verklaren.
Figuur 8. Aantal positief geteste personen per gemeente tussen 10 mei t/m 16 mei 2021. Peildatum: 19 mei.
10
Figuur 9. Aantal positief geteste personen per 100.000 inwoners per gemeente tussen 19 april t/m 16 mei 2021. Peildatum: 19 mei.
11
Figuur 10 laat het aantal meldingen per 100.000 inwoners per gemeente zien in de afgelopen twee weken. Met 189 besmettingen per 100.000 inwoners in week 19 zit de regio Utrecht landelijk gezien in de middenmoot qua aantal besmettingen. De 189 per 100.000 betekenen een daling ten opzichte van week 18, toen 248 besmettingen per 100.000 inwoners gemeld waren.
Figuur 10. Aantal in de afgelopen twee weken bij de GGD’en gemelde COVID-19 patiënten per 100.000 inwoners per gemeente met GGD-meldingsdatum van 4 mei t/m 18 mei 10:00 uur (Bron: RIVM). Peildatum: 18 mei 2021 10:00 uur.
12
Verschuiving in leeftijdsverdeling In Figuur 11 staan het aantal positieve meldingen van de laatste vier weken weergegeven, onderverdeeld naar leeftijdscategorie. Alle groepen met uitzondering van de leeftijdsgroep 80+ (stijging van 24 naar 29 van week 18 naar week 19) laten in absoluut aantal meldingen een afname zien. In Figuur 11 is te zien dat zowel 0-19 jaar als 80+ relatief gezien iets stijgen in het aantal COVID-19 registraties. De verklaring voor de groep 0-19 jaar wordt duidelijk bij het uitsplitsen van die groep, te zien in Figuur 12. Hier worden de leeftijdsgroepen tot 27 jaar uitgesplitst in kinderopvang (0-3), basisschool (4-12), voortgezet onderwijs onderbouw (13-15), voortgezet onderwijs bovenbouw (16-18) en studenten (19-27). Enkel de groep 16-18 laat een absolute en relatieve afname zien. Alle andere groepen jongeren laten relatief gezien een toename zien. Dit kan mogelijk verklaard worden doordat in delen van regio Utrecht de meivakantie weer is afgelopen.
Figuur 11. Leeftijdsverdeling COVID-19 registraties in absolute aantallen (boven) en % (onder) voor de weken 16 t/m 19 in 2021. Peildatum 19 mei.
Figuur 12. Leeftijdsverdeling COVID-19 registraties in absolute aantallen (boven) en % (onder) voor de weken 16 t/m 19 in 2021 met uitsplitsing 0-3, 4-12, 13-15, 16-18, en 19-27 t.o.v. alle andere leeftijden. Peildatum 19 mei.
13
In Figuur 13 en Figuur 14 worden de besmettingen per gemeente uitgezet naar leeftijdscategorie voor de periode van 19 april t/m 16 mei. In de meeste gemeenten zijn de besmettingen in de leeftijdsgroep 80+ gereduceerd tot een zeer klein aandeel. In de gemeenten Baarn, Bunnik, De Bilt, Houten, IJsselstein, Leusden, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist is het aandeel van de leeftijdsgroep 0-19 jaar groot. Bij de interpretatie van de figuren moet altijd rekening worden gehouden met het totaal aantal geregistreerde besmettingen van de gemeenten (Figuur 14) en het aantal afgenomen testen (Figuur 15). Daarnaast moet rekening worden gehouden met de leeftijdsverdeling van alle inwoners binnen een gemeente. Een aantal gemeenten heeft relatief gezien een groter aandeel jongeren, zoals De Bilt, Houten, Montfoort, Oudewater en Utrecht.
Figuur 13. Aantal besmettingen per gemeente verdeeld over leeftijdscategorieën, periode 19 april t/m 16 mei 2021, peildatum 19 mei 2021.
14
Tabel 1. Aantal besmettingen per gemeente per leeftijdscategorieën, periode 19 april t/m 16 mei 2021, peildatum 19 mei 2021.
Bron van besmetting Tijdens het bron- en contactonderzoek wordt gevraagd naar de mogelijke bron van besmetting. In Figuur 14 is het aantal COVID-19 registraties uitgezet naar de waarschijnlijke plek van besmetting, zoals geconstateerd in het bron- en contactonderzoek in periode 12 april t/m 9 mei 2021. De meeste besmettingen kunnen verklaard worden door uitbraken in gezinssituaties waar over het algemeen geen afstand wordt gehouden. Hierdoor betekent één positief geval meteen drie of vier positieven. Verder zijn verspreid over de regio clusters van besmettingen op werkplekken en in het basisonderwijs. Er zijn geen opvallende trends, behalve dat vooral de absolute daling in het aantal besmettingen in alle groepen zichtbaar is.
15
Figuur 14. Aantal COVID-19 registraties in de regio Utrecht uitgezet naar bron van besmetting. Periode 12 april t/m 9 mei 2021, peildatum 19 mei 2021.
16
1.2. Testen Op dit moment heeft de GGDrU ruim voldoende testcapaciteit. Met zeven regionale testlocaties, drie lokale testlocaties en diverse mobiele testunits zijn wij over de hele regio bereikbaar. Bij de vaste testplekken is een kindvriendelijke testlocatie ingericht. Hier nemen we ruim de tijd om kinderen (0-12 jaar) op hun gemak te stellen. Klik hier voor een actueel overzicht van de testlocaties in de regio. Per 12 april 2021 worden zelftesten door het ministerie van VWS beschikbaar gesteld aan geprioriteerde scholen en bedrijven. Zelftesten zijn als aanvulling op het staande testbeleid en de basisregels bedoeld. Deze extra testen zijn aanvullende vormen van preventief testen, waarmee anders onopgemerkte besmettingen aangetoond kunnen worden. Het doel is personen op te sporen die besmettelijk zijn maar geen klachten hebben. De zelftesten zijn niet bedoeld als vervanging van de COVID-19-maatregelen of in plaats van testen bij de GGD-testlocaties en zorginstellingen. In de Corona teststrategie van de Rijksoverheid is deze zogenoemd spoor 2 ‘Testen om de samenleving te openen’ verder toegelicht. Aantal uitgevoerde testen GGDrU In Figuur 15 wordt het aantal bezoekers in de teststraten vanaf 4 januari weergeven samen met de maximale testcapaciteit van GGDrU. Op dit moment heeft de GGDrU ruim voldoende testcapaciteit.
De dagelijkse testcapaciteit in de regio Utrecht is momenteel 6.000 testen, maar kan opgeschaald worden naar 15.000 testen per dag. Het aantal testen was begin maart tot april ook op weekbasis stabiel en schommelde tussen de 4.000 tot 7.000 testen per dag. Afgelopen weken is het aantal testen aan het dalen tot zo een 20.000 tot 30.000 testen per week.
17
Figuur 15. Overzicht van het wekelijks aantal bezoekers in teststraten GGDrU vanaf 4 januari 2021 met de maximale testcapaciteit op de teststraten weergeven. Peildatum: 18 mei 09:30 uur.
De in week 15 ingezette daling zet ook in week 19 door. In week 19 bezochten ruim 22.000 personen de teststraten van de GGDrU, een daling vergeleken met de ruim 26.000 in week 18. In totaal zijn sinds 4 januari ruim 593.000 testen door GGDrU afgenomen (stand van zaken 19 mei 13:30 uur), dat is ruim 9% van alle testen die door GGD’en in Nederland zijn uitgevoerd. 1.3. Aantal COVID-19 vaccinaties Operationele vaccinatie-locaties Sinds 8 januari is GGDrU gestart met het vaccineren van zorgmedewerkers van zorginstellingen op een vaccinatielocatie in Houten. Vanaf 2 februari is er in een tweede vaccinatielocatie in de Jaarbeurs Utrecht door GGDrU begonnen met het vaccineren van ouderen. Sinds 15 februari is een locatie in Amersfoort operationeel. Vanaf 1 maart is locatie Veenendaal geopend en per 22 maart is ook in Driebergen (gemeente Utrechtse Heuvelrug) een locatie geopend. In april zijn extra locaties in Woerden (12-04), Breukelen (12-04), en Zeist (26-04) geopend. Op 3 mei is vaccinatielocatie in Nieuwegein geopend. Gezette prikken door de GGDru Inmiddels zijn sinds 8 januari in totaal (eerste en tweede doses) 341.628 (19 mei om 10:00 uur) mensen door GGDrU gevaccineerd. Hiervan hebben 243.717 mensen in ieder geval een eerste prik ontvangen, 97.911 hebben tevens een tweede prik ontvangen.
Figuur 16 toont het aantal prikken op de GGD- priklocaties binnen de regio, gestapeld per ronde van vaccin.
18
Figuur 16. Aantal vaccinaties gegeven per dag door GGD regio Utrecht, uitgesplitst naar 1e en 2e vaccinatie. Peildatum 19 mei 10:00 uur.
Leeftijdsverdeling Een steeds groter deel van onze samenleving krijgt de mogelijkheid om een vaccinatie te krijgen. In Figuur 17 is weergegeven hoe het aantal eerste prikken gezet door de GGDrU verdeeld is over de verschillende leeftijdsgroepen. 55,8% van het aantal mensen die door de GGDrU een eerste vaccinatie hebben ontvangen is uit de leeftijdsgroep 60-79 jaar. 18,4% uit de groep 40-59 jaar, 17,7% uit de groep 80+, 8,0% uit de groep 18 t/m 39 jaar en 0,1% van de groep 0 t/m 17 jaar (op basis van een medische indicatie).
Figuur 17. Leeftijdsverdeling van het aantal gezette eerste prikken door de GGDrU. Peildatum: 19 mei om 10:00.
Type vaccin Alle geleverde vaccins worden gebruikt (Figuur 18). Vanwege mogelijke bijwerkingen werd in maart tijdelijk geen AstraZeneca gebruikt. Op 2 april werd aangekondigd dat de vaccinaties met AstraZeneca opnieuw per direct gestopt worden, vanwege meldingen van
19
mogelijke bijwerkingen. Op 9 april is besloten om te stoppen met vaccineren van cliënten jonger dan 60 jaar met AstraZeneca, in oudere leeftijdsgroepen is het risico veel kleiner en is de gezondheidswinst door vaccineren bovendien veel groter. Door extra beschikbaar Pfizer-vaccin kan het aantal prikken opgehoogd worden. Op 20 april is het door het ministerie van VWS aangekondigd dat per 21 april het vaccineren met het Janssen-vaccin gestart kan worden. Deze worden in eerste instantie aan zorgverleners in ziekenhuizen en GGZ-sector gegeven. Sinds 12 mei wordt op de vaccinatielocatie Utrecht Jaarbeurs ook geprikt met het Moderna-vaccin.
Figuur 18. Aantal mensen die door GGDrU de 1e prik hebben ontvangen, gesplitst per type vaccin en leeftijdgroep. Peildatum 19 mei 10:00 uur. Uit voorzorg was vaccinatie met AstraZeneca 2 t/m 7 april tijdelijk gestopt. Sinds 12 mei is gestart met de vaccinatie van Moderna.
Landelijke ontwikkelingen in het vaccinatieprogramma Beschikbaarheid van vaccins en prioritering van doelgroepen wordt landelijk bepaald en is afhankelijk van toelating en levering van vaccins. Naast de GGD’en vaccineren de ziekenhuizen hun eigen personeel op de acute zorgafdelingen. De volgorde voor een oproep voor vaccineren is gebaseerd op geboortejaar (van oud naar jong). Meer informatie is te vinden op rijksoverheid.nl. Iedereen met een DigiD kan via mijnRIVM zijn/haar vaccinatiegegevens inzien. Dit overzicht is enkel bedoeld om eenieder inzicht te bieden in zijn/haar eigen corona vaccinatiegegevens en kan dus niet gebruikt worden als officieel vaccinatiebewijs. Effect van vaccinatie steeds duidelijker zichtbaar onder bewoners verpleeghuizen Vanaf 26 januari is door GGDrU ook begonnen met het vaccineren van thuiswonende 90plussers in de regio. Acht weken na de eerste toegediende vaccinatie is het effect van vaccinatie in de verpleeghuizen duidelijk zichtbaar, zoals blijkt uit onderzoek van het RIVM (zie vorige rapportage). Inmiddels hebben bijna alle verpleeghuisbewoners een eerste vaccinatie gehad, een deel van de bewoners heeft ook de tweede vaccinatie ontvangen. Bij thuiswonende ouderen, waarvan de eerste mensen eind januari gevaccineerd zijn, is ook een daling zichtbaar in besmettingen. Het is nog te vroeg om te zeggen of dit een effect van de vaccinaties is.
Onder de leeftijdsgroep 80+ neemt verder het aantal ziekenhuisopnames af, waarschijnlijk als gevolg van het starten van vaccineren in deze groep. De komende tijd zal vanuit het Rijk onverminderd aandacht zijn voor het testen, de maatregelen en het vaccineren. Alleen met volledige inzet op alle drie deze pijlers kan de
20
verspreiding van het virus beperkt worden, kunnen de huidige maatregelen snel versoepelen en kunnen zware maatregelen in de maanden daarna voorkomen worden. 1.4. Aantal overledenen COVID-19 In totaal zijn in de regio Utrecht 1.296 personen aan een bevestigde besmetting met COVID-19 overleden (peildatum: 19 mei), waarvan 12 inwoners die officieel elders woonachtig zijn maar tijdelijk in de regio verbleven. De piek in het aantal overledenen was eind maart t/m begin april 2020, ongeveer een maand na de eerste piek in besmettingen. Vanaf oktober 2020 was weer sprake van een tweede piek in overlijdens, welke qua piek onder de piek van begin 2020 bleef (Figuur 20). Omdat er tijd zit tussen het overlijden, het melden en de registratie is het mogelijk dat de laatste dagen overlijdens nog niet aan de GGD zijn gemeld. Personen die overleden zijn in deze periode en die niet getest zijn op COVID-19, zijn niet in deze registratie meegenomen. Hierdoor zal het werkelijke aantal personen dat aan COVID-19 overleden is, hoger zijn. In de gemeenten met het hoogst aantal inwoners, Utrecht, Amersfoort, De Bilt en Zeist, is het aantal overledenen als gevolg van COVID-19 sinds het begin van de epidemie het hoogste (Figuur 19).
Figuur 19. Aantal personen overleden aan COVID-19 per gemeente in de regio Utrecht. Peildatum: 19 mei.
Net zoals het landelijk beeld laat zien, neemt ook in de regio Utrecht het risico op overlijden toe met de leeftijd (Figuur 20). Meer dan de helft van de overleden patiënten met een COVID-19 infectie valt binnen de leeftijdsgroep 80+. Dit aandeel is sinds het begin van de vaccinaties in januari enorm afgenomen. Inmiddels is de leeftijdsgroep 6079 jaar, in absolute aantallen, de groep met de meeste sterftegevallen. Met het toenemen van het aantal gevaccineerden in deze groep zal dit naar verwachting ook gaan afnemen.
21
Figuur 20. Aantal overledenen met een bevestigde COVID-19 infectie per leeftijdscategorie per week. Peildatum: 19 mei 2021.
Voor zover bekend bij het RIVM zijn er in de periode 11 t/m 18 mei 2021 om 10:00 uur landelijk 90 mensen overleden aan een COVID-19 besmetting. In vergelijking met week 18 is dat een halvering van het aantal overledenen bekend bij het RIVM. In de regio Utrecht is ook een daling van het aantal overledenen te zien. In de periode 11 t/m 18 mei 2021 zijn drie overlijdens van COVID-19 bevestigde patiënten gemeld aan GGDrU. Momenteel daalt het aantal overlijdens dus zowel regionaal als landelijk. Een belangrijke kanttekening is dat de GGD niet alle overlijdens krijgt gemeld. 2. Kwetsbaren beschermen 2.1 Monitoring verspreiding virus binnen zorginstellingen GGDrU monitort de verspreiding van het coronavirus binnen zorginstellingen in de regio Utrecht. Voor een aantal van de individuele locaties, is op basis van een risico inschatting, extra aandacht. Deze risico-inschatting vindt plaats op basis van een aantal indicatoren: • Isolatiemogelijkheden • Beschikbaarheid Persoonlijke Beschermingsmiddelen • Verzuim zorgmedewerkers • Beschikbare kennis/informatie bij medewerkers • Coördinatie van de isolatie • Aanwezigheid crisisteam • Cohortmogelijkheden • Plannen voor opschaling • Onrust onder het personeel • Of kritische processen noodgedwongen moeten stoppen Organisaties waar de risico inschatting hoog is, worden met regelmaat gecontacteerd door GGDrU.
Deze instellingen krijgen extra begeleiding vanuit GGDrU, bestaande uit regelmatig contact, gerichte advisering en zo nodig bezoek. De reden voor extra ondersteuning vanuit GGDrU wisselt per locatie.
22
Landelijke aantal COVID-19 besmettingen in woonzorgcentra
Figuur 21. Aantal positief geteste bewoner van woonzorgcentra in Nederland vanaf 1 februari 2021, naar meldingsdag. Bron: RIVM. Peildatum: 18 mei 2021 10:00 uur.
Het landelijk aantal verpleeghuis- en woonzorgcentrumbewoners met COVID-19 uitgezet naar dag van melding aan de GGD’en is weergeven in Figuur 21. In Figuur 22 is het aantal meldingen gerelateerd aan zorginstellingen voor 24-uurs zorg weergegeven, uitgezet naar eerste ziektedag voor de regio Utrecht. Deze grafiek bevat alleen de door laboratoriumonderzoek bevestigde gevallen woonachtig of werkend in deze instellingen en die gekoppeld zijn aan een zorginstelling. Deze figuur zal waarschijnlijk een onderrapportage weergeven, vergeleken de daadwerkelijke aantallen. Vanaf begin januari is een gestaagde afname te zien in het aantal besmettingen zowel landelijk als regionaal. Dit wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat vanaf begin januari gevaccineerd wordt in deze kwetsbare groep.
Figuur 22. Aantal positief geteste personen van woonzorgcentra in de regio Utrecht, naar eerste ziektedag. Peildatum: 19 mei 2021.
Vanuit het bron- en contactonderzoek komen locaties in beeld waar besmettingen voorkomen of waar besmettingen worden opgelopen (bron). De bijzondere locaties zoals zorginstellingen, scholen, kinderdagverblijven, horeca, werkplekken en verenigingen worden vervolgens geregistreerd en gemonitord, om te bepalen of er verdere acties nodig zijn. Als op een bijzondere locatie sprake is van één besmetting spreken wij van een issue. Indien drie of meer besmettingen aan elkaar gelinkt zijn wordt er gesproken van een cluster.
23
Figuur 23. Aantal COVID-19 cluster-gerelateerd aan 24-uurs zorg in de regio Utrecht die onder monitoring staan van de GGD afgelopen 14 dagen. Peildatum: 19 mei.
In Figuur 23 is het aantal actieve clusters bij instellingen met openstaande monitoring in de afgelopen 14 dagen weergegeven. Deze clusters zijn gerelateerd aan 24-uurs zorg en uitgezet per gemeente. 2.2. Meld- en Adviespunt Bezorgd Het Meld- en Adviespunt Bezorgd (MAB), uitgevoerd door GGDrU, heeft een vraagbaak-, consultatie- en vangnetfunctie waar ketenpartners en bezorgde burgers terecht kunnen met zorgen en vragen over personen met verward gedrag. Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan de taken uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz): ‘Meldfunctie’ en/of ‘Verkennend Onderzoek (VO)’. Wanneer een inwoner denkt dat een persoon in zijn omgeving misschien verplichte geestelijke gezondheidszorg nodig heeft, kan hij/zij hiervan een melding doen bij GGDrU. Het MAB is een regionaal meldpunt voor 17 van de 26 gemeenten binnen de Veiligheidsregio Utrecht. Door de coronacrisis en quarantaine maatregelen, zowel in de eerste als in de tweede golf, is de druk op de groep mensen met verward gedrag toegenomen en is er risico dat meer mensen in kwetsbare situaties terechtkomen. In het jaarverslag 2020 van het MAB worden deze zorgwekkende ontwikkelingen benoemd. Zo nam het aantal meldingen met bijna een verdubbeling toe. In 2019 ontving het MAB gemiddeld 9,4 meldingen per week, in 2020 waren dit 17,6 meldingen.
Mensen met verward gedrag hebben vaak complexe problematiek op meerdere levensgebieden. Tijdens de coronaperiode is een toename te zien in meldingen die betrekking hebben op overlast, huiselijk geweld en suïcidaal gedrag. Niet alleen de quarantaine maatregelen tegen verdere verspreiding van het coronavirus hebben gezorgd voor een stijging in het aantal meldingen (Figuren 24 en 25), ook heeft de invoering van de Wvggz, vanaf januari 2020, gezorgd voor extra bekendheid van het MAB. Daarnaast is vanaf oktober 2020 een nieuw landelijk meldpunt Zorgwekkend gedrag (tel: 0800-1205) gelanceerd. Dit meldpunt schakelt door naar desbetreffende regionale meldpunten en heeft ook bijgedragen aan een toename van het aantal meldingen in regio Utrecht. Gemiddeld worden ruim 50 meldingen per maand vanuit het landelijk meldpunt doorgezet naar het MAB.
24
Figuur 24. Meldingen MAB en Wvggz in de regio Utrecht in 2020 en 2021, uitgesplitst per maand (peildatum 17 mei).
Figuur 25. Meldingen MAB en Wvggz in de regio Utrecht in 2020 en 2021, uitgesplitst per week (peildatum 17 mei)
25
3. Zorgcontinuïteit 3.1
Aantal ziekenhuisopnames landelijk
Figuur 26. Landelijk aantal nieuwe COVID-19 patiënten opgenomen op verpleegafdelingen. De gegevens van de laatste week zijn nog niet volledig. Bron: NICE. Peildatum: 18 mei 14:46 uur.
Het aantal landelijke ziekenhuisopnames voor COVID-19 was het hoogst rond eind maart en begin april 2020. In de maanden mei en juni nam het aantal opnames gestaag af. De ziekenhuisopnames waren door een beperkte testcapaciteit een redelijke graadmeter voor de toe- of afname van het aantal besmettingen COVID-19 in Nederland tijdens de eerste golf. Sinds begin september zagen we de ziekenhuisopnames weer toenemen tot een nieuwe piek eind oktober, waarna het aantal opnames weer afnam tot de aantallen weer toenamen in december. Vanaf begin januari 2021 was een voorzichtige daling te zien in het aantal ziekenhuisopnames met een stabilisatie in februari. Sinds half maart is weer een stijging te zien, waarna eind maart een stabilisatie op een niveau vergelijkbaar met de pieken in oktober en december zichtbaar was (Figuur 26). Sinds eind april is een daling in ziekenhuisopnamen zichtbaar. Zoals eerder gemeld blijft het aantal ziekenhuisopnamen desalniettemin erg hoog. 3.1.2 Verloop IC- en kliniek-capaciteit regio Het aantal in IC-bezetting en kliniek bezetting COVID is na een gelijkmatige stijging sinds maart dit jaar gestabiliseerd en is de afgelopen week licht afgenomen. Wel is de druk in de ziekenhuizen nog altijd hoog door COVID bezetting, afgeschaalde reguliere zorg en hoge ervaren druk door ziekenhuispersoneel (Figuur 27).
De reguliere zorg uit klasse 3 (kritieke planbare zorg) dient zo nodig te worden afgeschaald. Zorg uit klasse 4 en 5 (overige planbare zorg) wordt in principe niet geboden. De verwachting is dat het aantal COVID-19 patiënten in de ziekenhuizen gaan dalen (prognose LCPS).
26
Figuur 27. Verloop kliniek en IC-capaciteit ziekenhuizen in de regio Utrecht. Peildatum: 17 mei 2021.
3.1.3 Inschaling zorgcapaciteit ziekenhuizen De regionale continuïteit van de (acute) zorg staat onder druk (continuïteitsfase oranje) (Figuur 28). De reguliere zorg uit klasse 3 (kritieke planbare zorg) dient zo nodig te worden afgeschaald. Zorg uit klasse 4 en 5 (overige planbare zorg) wordt in principe niet geboden (Figuur 29). Regio Utrecht biedt bovenregionale capaciteit met Militaire bijstand, die loopt tot 1 juli 2021.
Figuur 28. Continuïteitsfase in de zorgketen. Bron: Regionaal plan stagnatie in de zorgketen regio Utrecht, 2021.
27
Figuur 29. Raamwerk behoud reguliere klinische zorg. Bron: FMS-Raamwerk behoud reguliere klinische zorg in relatie tot pandemische druk, 2020.
3.2 Zorginstellingen (excl. ziekenhuizen) In de regio Utrecht zijn zo een 265 zorgorganisaties met meer dan 1400 zorglocaties. Het uitgangspunt is dat zorginstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de continuïteit en kwaliteit van zorg voor hun cliënten. Momenteel zijn vijf zorglocaties bij de GGD GHOR Nederland bekend waarbij de bewoners in quarantaine of isolatie zijn (ten opzichte van zeven in week 18). Het aantal uitbraken binnen zorginstellingen is beperkt. 3.2.1 Beddencapaciteit zorginstellingen De druk in de V&V, GHZ en GGZ is al meerdere weken beperkt (Figuren 30-32). Het aantal locaties in de V&V, GHZ en GGZ waarbij bedden bezet zijn met COVID-19 patiënten is beperkt tot enkele locaties. Ook het aantal personeelsleden in de V&V, GHZ en GGZ dat niet inzetbaar is, is beperkt.
Figuur 30. Beddenbezetting in verpleeg- en verzorgingshuis. Peildatum: 10 mei 2021. Bron: GGD GHOR NL.
28
Figuur 31. Beddencapaciteit GGZ. Peildatum: 10 mei 2021. Bron: GGD GHOR NL.
Figuur 32. Beddencapaciteit gehandicaptenzorg. Peildatum: 17 mei 2021. Bron: GGD GHOR NL.
3.3 Opvanglocaties buiten het ziekenhuis De verpleeg- en verzorgingshuizen (V&V), Gehandicaptenzorg (GHZ) en de Geestelijke Gezondheidzorg (GGZ), in het ROAZ regio Utrecht, hebben de opdracht gekregen van de DPG, in navolging van de opdracht van de minister van VWS (april 2020), om permanente COVID-19 zorg buiten het ziekenhuis te organiseren (Figuur 33). Binnen de V&V-sector is capaciteit georganiseerd voor mensen die meer zorg nodig hebben dan thuis geboden kan worden, maar geen ziekenhuisindicatie hebben. Daarnaast geldt dit voor mensen die ontslagen worden uit het ziekenhuis, maar nog onvoldoende hersteld zijn om naar huis te gaan. Momenteel is in regio Utrecht binnen de V&V-sector opgeschaald naar 65 bedden (vier zorglocaties en één hospice), opschalingsniveau midden (fase 1), waarvan ongeveer 30% bezet (Tabel 2). Landelijk wordt verwacht dat de piek van het aantal bedden bezet met COVID-19 patiënten bereikt is en de daling zich verder voortzet (prognose GGD GHOR Nederland). Wel is het nog afwachten hoe deze trend zich regionaal ontwikkelt. Verder is er capaciteit georganiseerd binnen de GGZ- en GHZ-sector om personen op te vangen die gezien hun corona besmetting niet in hun reguliere woonomgeving kunnen blijven en tijdelijk elders opgevangen moeten worden. Deze locaties zitten niet tegen de maximale capaciteit aan.
29
Figuur 33. Opvanglocaties buiten het ziekenhuis. Peildatum: 12 mei. Bron: GGD GHOR NL. Tabel 2. Opvanglocaties buiten het ziekenhuis. Peildatum: 11 mei. Bron: GGD GHOR NL.
30
Bijlage 1. Landelijke panelonderzoek Momenteel vindt er een grootschalig landelijk onderzoek plaats van het RIVM en GGD’en in Nederland. Dit onderzoek heeft meerdere peilingen, die ongeveer elke twee/drie weken plaatsvinden vanaf april 2020. Het onderzoek staat stil bij hoe mensen in Nederland de coronacrisis beleven en hoe zij hierop reageren. Voor een succesvolle bestrijding van het coronavirus zijn naast preventie van infectie ook het volhouden van de maatregelen en het vertrouwen in de aanpak belangrijke onderdelen. Denk hierbij aan het zat zijn om over het coronavirus te horen, de stress die kan ontstaan door het naleven van de maatregelen en de motivatie die er is om met de maatregelen om te kunnen gaan. Daarnaast speelt het vertrouwen in de aanpak van de bestrijding van het coronavirus door de Nederlandse overheid een rol. Hoe dit wordt ervaren, of ze het beter doen dan andere landen en of ze mogelijk teveel maatregelen nemen. In deze bijlage wordt beschreven hoe deelnemers die wonen in de regio Utrecht denken over bovenstaande aspecten. Ruim tweederde van de 16-39 jarigen is het zat om over het coronavirus te horen In Figuur 1 staat de mate van het zat zijn om over het coronavirus te horen uitgesplitst naar leeftijd. Hierbij valt op dat 68% van de 16-39 jarigen het zat is om over het coronavirus te horen.
Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat deze groep over het algemeen het hardst geraakt wordt door de maatregelen en er lange tijd geen versoepelingen zijn aangekondigd. Er valt te zien dat 51% van de 40-54 jarigen het zat is om over het coronavirus te horen, dit getal ligt beduidend lager bij de leeftijdsgroepen 55-69 jaar en 70+ (beide 35%).
Het zat zijn om over het coronavirus te horen 100% 80% 60% 40% 20%
0% 16-39
40-54
(helemaal) oneens
55-69 neutraal
70+
(helemaal) eens
Figuur 1. Het zat zijn om over het coronavirus te horen in meetronde 12 (5-9 mei).
35% van de 16-39 jarigen ervaart stress door het opvolgen van alle maatregelen In Figuur 2 staat de mate van stress door het opvolgen van alle maatregelen weergeven. Hierbij valt op dat 16-39 jarigen, beduidend meer stress hebben dan deelnemers in ander leeftijdsgroepen. De mate van stress neemt af naarmate de leeftijd stijgt. Waar ruim een derde van de 16-39 jarigen stress heeft, is dit 19%, 11% en 6% voor respectievelijk de leeftijdsgroepen 40-54 jaar, 55-69 jaar en 70+. Een mogelijke verklaring voor het verschil tussen de leeftijdsgroepen is het feit dat de jongste leeftijdsgroep vaak een drukker sociaal leven heeft dan 40 plussers en dit door de maatregelen erg is ingeperkt.
31
Stress door het opvolgen van alle maatregelen 100% 80% 60% 40% 20%
0% 16-39
40-54
(helemaal) oneens
55-69 neutraal
70+
(helemaal) eens
Figuur 2. Stress door het opvolgen van alle maatregelen in meetronde 12 (5-9 mei).
Grote verschillen tussen leeftijdsgroepen als het gaat om motivatie om tegen het virus te vechten In Figuur 3 staat het steeds minder motivatie hebben om tegen het virus te vechten weergeven. Wat hierbij opvalt dat de motivatie om tegen het virus te vechten afneemt naarmate de leeftijd stijgt. Ruim 4 op de 10 16-39 jarigen heeft steeds minder motivatie, terwijl dit bij ruim 2 op de 10 40-54 jarigen voorkomt en bij ongeveer 1 op de 10 55 plussers. Het blijkt dat 40-plussers het beter vol kunnen houden dan 40-minners (Figuur 3). Dit kan mogelijk verklaard worden door het gebrek aan perspectief en het feit dat het zo lang duurt, wat vooral impact heeft op de 40-minners.
Het steeds minder motivatie hebben om tegen het coronavirus te vechten 100% 80% 60%
40% 20% 0% 16-39
40-54 (helemaal) oneens
55-69 neutraal
70+
(helemaal) eens
Figuur 3. Het steeds minder motivatie hebben om tegen het virus te vechten in meetronde 12 (5-9 mei).
Het vertrouwen in de aanpak van de bestrijding van het virus door de overheid neemt in alle leeftijdsgroepen af In Figuur 4 staat de mate van het hebben van vertrouwen in de aanpak van de bestrijding van het coronavirus weergeven. Het valt op dat het vertrouwen tijdens de laatste meetronde (5-9 mei) in elke leeftijdsgroep afneemt. Wanneer er gekeken wordt naar 16-39 jarigen valt te zien dat er tussen meetronde 10 (10-14 februari) en meetronde 11 (24-28 maart) een afname was van slechts 3%, terwijl het vertrouwen tussen meetronde 11 (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei) met bijna 10% gedaald is. Voor de 40-54 jarigen valt een ander patroon te zien. Tussen meetronde 10 (10-14 februari) en meetronde 11 (24-28 maart) bleef het vertrouwen gelijk (43%), terwijl het
32
vertrouwen tussen meetronde 11 (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei) met 11% gedaald is. Bij 55-69 jarigen is er een gelijk patroon wat betreft meetronde 10 (10-14 februari) en meetronde 11 (24-28 maart), maar valt er een daling in vertrouwen van 12% te zien in meetronde 12 (5-9 mei). De 70 plussers hebben in alle meetronden die hier beschreven zijn het meeste vertrouwen. De laatste leeftijdsgroep laat de grootste stijging zien tussen meetronde 10 (10-14 februari) en meetronde 11 (24-28 maart), en de kleinste daling tussen meetronde 11 (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei), deze is 6%.
Vertrouwen in de aanpak van de bestrijding van het coronavirus door de overheid 100% 80% 60% 40% 20% 0% 16-39
40-54 10-14 feb
55-69 24-28 mrt
70+
5-9 mei
Figuur 4. Vertrouwen in de aanpak van de bestrijding van het virus door de overheid in meetronde 10 (10-14 februari), meetronde 11 (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei).
Geen grote verschillen tussen leeftijdsgroepen als het gaat om de vergelijking van het Nederlandse coronabeleid met dat van andere landen In Figuur 5 staan de percentages deelnemers die het Nederlandse coronabeleid beter vinden dan dat van andere landen. Er valt te zien dat 40-minners dit minder vaak vinden dan 40-plussers. Verder valt het op dat het voor elke leeftijdsgroep stabiel is over tijd.
Nederlandse coronabeleid is beter dan dat van andere landen 100% 80% 60% 40% 20% 0% 16-39
40-54 10-14 feb
55-69 24-28 mrt
70+
5-9 mei
Figuur 5. Nederlandse coronabeleid is beter dan die van andere landen in meetronde 10 (10-14 februari), meetronde 11 (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei).
33
Het percentage deelnemers dat vindt dat de overheid te veel maatregelen neemt om het coronavirus te bestrijden neemt af In Figuur 6 staan de percentages deelnemers dat vindt dat de overheid te veel maatregelen neemt om het coronavirus te bestrijden. Er valt te zien dat tussen meetronde 11 (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei) het in alle leeftijdsgroepen (licht) afneemt. Een mogelijke verklaring voor deze afname is het versoepeling van de maatregelen sinds eind april.
De overheid neemt te veel maatregelen om het coronavirus te bestrijden 100% 80% 60% 40% 20% 0% 16-39
40-54 10-14 feb
55-69 24-28 mrt
70+
5-9 mei
Figuur 6. Percentage deelnemers dat vindt dat de overheid te veel maatregelen neemt om het coronavirus te bestrijden. Meetrondes (24-28 maart) en meetronde 12 (5-9 mei).
34
Bijlage 2. COVID-monitor Midden-Nederland
Figuur 1. COVID-monitor Midden-Nederland van week 19 (18 mei). Bron: Traumazorgnetwerk UMC Utrecht.
35