PR21.109 Besluitvorming Utrechtseweg 91-95
Tekst van het document
7/DVLP Ontv. Griffie 28-04-2021/PR21.109/474447 Aanaetekend en per e-mail:
Aan de raad van de gemeente Zeist t.a.v. de griffie Postbus513
3700 AM ZEIST Per e-mail aan: raadsgriffie@zeist.nl datum: 28 april 2021
betreft: Besluitvorming inzake de Utrechtseweg 91-95 uw ref:
Geachte raad,
Namens Blikkenburg B.V. vraag ik dringend uw aandacht voor het volgende. Zoals u weet, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist op 1 november 2017, gemeend een omgevingsvergunning te moeten verlenen aan Vivesta Woningen IV C.V. (Vivesta). De vergunning is verleend op grand van de Versnelde hluisvestingsopgave. De vergunning strekt tot het veranderen van een kantoorpand, gelegen aan de Utrechtseweg 91-95 te Zeist, in een complex met 36 appartementen. Blikkenburg B.V. (Blikkenburg), een houdstermaatschappij gevestigd aan de Utrechtseweg 89 te Zeist, begrijpt de gedachte achter de Versnelde hluisvestingsopgave, maar is uitdrukkelijk tegen deze ontwikkeling op deze locatie en vindt het besluit ruimtelijk gezien onbegrijpelijk. Ten slotte heeft zij ernstige kritiek op het besluitvormingsproces. Ter toelichting wordt het volgende opgemerkt. Geen inspraak bii besluitvorming
Vanaf het moment dat Blikkenburg bekend is geworden met het plan heeft zij, tezamen met omwonenden gewezen op de evidente bezwaren tegen de functiewijziging van deze locatie. Niet alleen verdwijnt hierdoor onnodig schaarse kantoorruimte en bedrijvigheid (in de vorm van de Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn), ook is het pand, zonder enige buitenruimte voor de toekomstige bewoners, ongeschikt voor bewoning. Ook heeft Blikkenburg al in een vroeg stadium gewezen op de parkeerdruk in de buurt, die verderzal toenemen als dit plan wordt gerealiseerd. hlet college heeft echter nooit serieus naar de bezwaren willen luisteren, laat staan dat daar iets mee is gedaan. In plaats daarvan heeft het college zich verscholen achter de Huisvestingsopgave en eenvoudigweg het standpunt ingenomen dat een en ander past binnen de geldende wet- en regelgeving. Dat een besluit zou passen binnen het beleid en de geldende wet- en regelgeving, maakt echter nog niet dat sprake is van goede besluitvorming. Ook zijn zaken in de ogen van Blikkenburg
Muntplein 10B
t. +31 20 737 27 04 f. +31 20 737 27 56
1012 WR Amsterdam
www.dvlp.nl
DVLP advocaten B.V.
Postbus 3245 1001 AA Amsterdam
KvK 61874981
// volstrekt in de verkeerde volgorde gegaan, doordat al een contract met ontwikkelaar Vivesta was gesloten voordat bewoners van de transformatie van het gebouw wisten en daar inspraak op konden geven. Van een reele mogelijkheid tot inspraak is derhalve nooit sprake geweest; eerst in de bezwaarfase kon Blikkenburg reageren op de plannen. Toen had het college zich al gecommitteerd aan de ontwikkelingswensen van Vivesta.
Door de opstelling en handelwijze van het college hebben Blikkenburg en de omwonenden zich genoodzaakt gezien om gebruik te maken van hun rechtsmiddelen en beroep ingesteld bij de rechtbank (Midden-Nederland). De rechtbank heeft op 21 april jl. een tussenuitspraak gedaan. Een kopie van deze uitspraak treft u bijgaand aan (bijlage). Tussenuitspraak van 21 april //.; tekortkominaen parkeersituatie en groenbestemminci
In de uitspraak wordt onder meer overwogen dat namens het college is toegegeven dat in de procedure slordig is gehandeld en de rechtbank stelt vast dat de omwonenden beter betrokken hadden kunnen warden. Omdat er strikt genomen geen wettelijke verplichting is geschonden, doet de rechtbank hier echter verder niets mee.
De rechtbank stelt ook vast dat het college niet, zoals het heeft gedaan, in de vergunning mocht bepalen dat Vivesta in de voortuin (met de bestemming "Beeldbepalend groen") ruimte voor parkeerplaatsen moet "reserveren". Volgens de rechtbank moet het college een duidelijke keuze maken: ofwel er wordt afgeweken van de parkeernorm, zodat Vivesta minder parkeerplaatsen op eigen terrain hoeft te realiseren (met een nog hogere parkeerdruk voor de buurt tot gevolg) of het gemeentebestuur moet afdwingen (wat het eigenlijk helemaal niet wil) dat ook de tuin aan de voorzijde met het beeldbepalende groen, net als de rest van het omliggende terrein, volledig als parkeerterrein wordt gebruikt.
Beide uitkomsten zijn evident negatief voor de omgeving. Desalniettemin krijgt het college wel ruimschoots de gelegenheid om het geconstateerde juridische gebrek te herstellen. Blikkenburg verwacht, op basis van de houding van het college tot dusver, dat het college maximaal van deze door de rechtbank geboden gelegenheid gebruik zal maken. Blikkenburg verwacht niet meer dat het college uit eigen beweging tot bezinning zat komen door alsnog een streep te zetten door dit onzalige plan.
Blikkenburg is zeer teleurgesteld over de gang van zaken, waarbij zij, zoals hiervoor uiteengezet, al in een vroeg stadium heeft gewezen op evidente bezwaren en zij gedwongen is geweest een juridische weg te bewandelen. Vanwege de marginale toetsing van de bestuursrechter is in de rechtszaal geen ruimte (meer) voor een integrale beoordeling van de volkshuisvestelijke en ruimtelijke belangen. De verantwoordelijkheid voor de afweging van die belangen ligt bij het college en de gemeenteraad. Duidelijk is dat het college hier zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen en tracht om een eenmaal genomen (en onvolkomen) besluit overeind te houden. Dat is in de ruimtelijke ordening een herkenbare reflex, die ver afstaat van zorgvuldig bestuur.
2/3
// Hoewel Blikkenburg en de omwonenden in juridische zin gelijk krijgen, dreigt, gezien de tussenuitspraak en de houding van het college tot dusver, een situatie te ontstaan die niemand vooraf heeft gewenst. Dit had voorkomen kunnen warden indien het besluitvormingsproces anders was vormgegeven en eerst serieus en in overleg met de burgers was onderzocht welke locaties onder welke voorwaarden geschikt zijn ofzijn te maken voor bewoning. Dat is iets heel anders dan het, met de Versnelde Huisvestingsopgave in de hand, goedkeuren van een locatie waarop een gebouw kan staan.
Het voorgaande steekt te meer aangezien Blikkenburg B.V. zal warden geconfronteerd met de gevolgen van dit besluitvormingsproces, terwijl zij de afgelopen jaren juist miljoenen heeft geTnvesteerd in renovatie van haar panden in de gemeente en op die manier een substantiele bijdrage heeft geleverd aan behoud van historische en architectonische waarden. Bovendien heeft zij de gemeente bij haar renovatieplannen leren kennen als kritisch en veeleisend, terwijl in het geval van het plan op de locatie aan de Utrechtseweg 91-95 juist zeer lichtzinnig is besloten tot vergunningverlening. Verzoek tot behandelina op een raadsvergaderinci / alsnoq afzien vam/erguaninQverlening
Gelet op het voorgaande, verzoekt Blikkenburg u primair om deze kwestie te agenderen in een raadsvergadering en het college op te roepen alsnog afte zien van medewerking aan dit project. De tussenuitspraak biedt hiervoor ruimte, aangezien het college niet gehouden is om medewerking te verlenen aan een ontheffing van de door u vastgestelde parkeernorm en evenmin gehouden is om toe te staan (en te verplichten) dat het gedeelte van het terrein, dat door u is bestemd voor beeldbepalend groen, ook wordt gebruikt als parkeerterrein. Blikkenburg acht het van groot belang dat gemeentebreed lessen warden getrokken uit deze casus en dat kritisch wordt gekeken naar inspraak en participatie in de gemeente Zeist. Alleen zo kunnen toekomstige misslagen warden voorkomen. Blikkenburg levert graag een bijdrage aan dit noodzakelijke verbetertraject. Daarbij past ook een vooruitblik naar de nieuwe Omgevingswet, die onderstreept dat participatie een belangrijke voorwaarde is voor goede ruimtelijke besluitvorming. Hoogachtend, namens
r. M
v
ur
en
Advocaat
3/3
tussenuitspraak
-'-'-..-
^' ^..iC.-/ ::"".
f
^
I
r'^'?
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
^
••
Zittingsplaats Utrecht
::^/
"~^^^.^ ,^'
Bestiiursrecht
zaaknummer: UTR 19/3385-Ten UTR 19/3440-T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen 1. D.J.L. Knoppers, 2. F.J. Elberse, 3. D. van Zon, 4. F.M.C. van 't Hoenderdaal,
5. Blikkenburg B.V. (gemachtigde: mr. M. van Harten) alien te Zeist, tezamen eisers en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder (gemachtigde: M. Peters).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: Vivesta Woningen IV C.V., te Ede (gemachtigde: mr. H.S. Weeda).
Inleiding
1. Derde-partij (hierna: Vivesta) is eigenaar van het pand aan de Utrechtsevveg 91-95 in Zeist. Het pand is in gebruik als kantoorpand. Vivesta wil het pand transformeren naar een appartementencomplex met 36 appartementen, vvaarvan 24 in het segment 'goedkoop' en 12 in het segment 'midden'. Het aantal parkeerplaatsen op het perceel vvordt uitgebreid als gevolg van het plan. Op 1 november 2017 heeft Vivesta een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor de transformatie van het kantoorpand naar een pand voor woonruimte. Op 18 juli 2018 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergiinning verleend
&
(hierna: de vergunning).
2. De oingevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouvven van bouvv\verken (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wet algemene bepalingen omgevinesrecht (hierna: Wabo)) en gebruiken van gronden of bouvwverken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo). Op het perceel is het bestemmingsplan 'Zeist Centrum e.o.' van toepassing (hierna: het bestemmingsplan), vvaarbij het perceel de bestemming 'kantoor"
heeft. Omdat deze bestemming wonen niet toestaat, is afgevveken van het besteinmingsplan op basis van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wabo in combinatie met bijlage
zaaknummer: UTR 19/3385-Ten 19/3440-T
2
II, artikel 4, negende lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Volgens verweerder past het boiivvplan, vvaarbij nieiivve sociale huurvvoningen warden gebouwd, binnen de Versnellingsopgave Hiiisvesting. 3. Eisers 1 tot en met 4 zijn woonachtig aan de Bloemenheuvellaan ten noorden van het pand. Eiseres 5 is gevestigd in het naburige monumentale pand aan de westzijde van het pand. Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar ingesteld. Tijdens de hoorzitting op 18 april 2019 is afgesproken dat verweerder een nadere notitie opstelt waarin hij verduidelijkt hoe het aantal parkeerplaatsen is berekend en vvat de concrete maatvoering is van de parkeerplaatsen. Vervveerder heeft hieraan voldaan met zijn notitie van 8 mei 2019. Verweerder heeft vervolgens, in afvvijking van de afspraken gemaakt tijdens de hoorzitting, nagelaten om eisers te laten reageren op deze notitie. Vervolgens heeft vervveerder op 16 juli 2019 een beslissing genomen op de bezwaren van eisers. Hiertegen zijn eisers in beroep gekoinen.
4. Met de brief van 15 augustus 2019 heeft vervveerder de aanvullende notitie van 8 mei 2019 alsnog naar eisers toegezonden met de mogelijkheid om hierop inhoudelijk te reageren. Eisers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft verweerder op 24 September 2019 een nieuvve beslissing op bezwaar genomen. Dit besliiit vvordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtsvvege bij deze procediire betrokken. De iiitkomst van het nieiivve besluit van 24 September 2019 is, evenals in de eerdere beslissing op bezvvaar van 16juli 2019, dat de verleende omgevingsversiinning onder aanvulling van de motivering in stand blijft. 5. De oorspronkelijke zittingsdatum van 24 april 2020 kon als gevolg van de tijdelijke sluiting van de rechtbank vanvvege de iiitbraak van het coronavinis niet doorgaan. Partijen hebben vervolgens de mogelijkheid gekregen om hun standpunten schriftelijk toe te lichten. Vervveerder heeft op 27 mei 2020 een verweerschrift ingediend. Eiseres 5 heeft op 17juli 2020 een reactie hierop gegeven. Daar is door dercle-partij weer op gereageerd op 1 September 2020 en door vervveerder op 9 September 2020. 6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021. Eisers 1 tot en met 3 zijn verschenen. Namens eiseres 5 zijn verschenen E. Lindenberg en A. van Heerde, bijgestaan door haar gemachtigde.
Vervveerder heeft zich laten vertegenvvoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door C. Marskamp. Namens derde-partij zijn verschenen C. Wagteveld en T. Oskam, bijgestaan door haar gemachtigde. Ovei-vvegingen Is er sprake van strijd met het beginsel van hoar en wederhoor?
7. Eiseres 5 voert aan dat verweerder in strijd met het beginsel van hoor en vvederhoor zoals verwoord in artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld doordat de notitie van 8 mei 2019 niet tijdig aan haar is voorgelegd, namelijk voordat de beslissing op bezwaar van 16juli 2019 vverd genomen.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers voorafgaand aan de nieuvve beslissing op bezvvaar van 24 September 2019 alsnog de mogelijkheid hebben gekregen om te reageren op
zaaknummer: UTR 19/3385-Ten 19/3440-T
3
de notitie van 8 mei 2019 en dat de bezwaarproceclure hiermee rechtmatig is verlopen. De rechtbank volgt verweerder hierin. Uit de nieuwe beslissing op bezvvaar van 24 september 2019 blijkt expliciet dat de reactie van eiseres 5 op de notitie van 8 mei 2019 is meegenomen in de bestuitvorming. Daarmee is naar liet oordeel van de rechtbank voldaan aan het beginsel van hoor en vvederhoor. Is het besluit onzorgvuldig .senomen?
9. Eisers 1 tot en met 4 plaatsen de gang van zaken random de notitie van 8 mei 2019 in een breder kader en voeren aan dat vervveerder onzorgviildig gehandeld heeft in de procedure die ziet op de vergunningverlening en het daarna ingediende bezvvaar. Ook eiseres 5 is van meniiig dat de procedure onzorgvuldig is geweest. Zo had vervveerder volgens eiseres 5 eerst een Quick Scan moeten maken en een verkenning moeten uitvoeren, zoats bepaald is in de Versnellingsopgave Huisvesting, voordat over werd gegaan tot de vergunningverlening.
10. Vervveercler heeft toegegeven dat hij in de procedure af en toe slordig heeft gehandeld. Zo is er wel een Quick Scan gemaakt, maar zijn omwonenden hier niet bij betrokken geweest. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oorcleel van de rechtbank ecliter niet dat vervveerder daarmee ook onzorgvuldig heeft gehandeld. Onnvoiienden hadden beter betrokken kiinnen worden in de procedure vooi-afgaand aan de vergunningverlening, maar vervveerder heeft op ciit vlak geen wettelijke verplichtingen geschonden. Zo is het maken van een Quick Scan waarbij omvvonenden betrokken warden geen vereiste voor het kunnen verlenen van de vergiinning. Eisers hebben gedurende de bezwaarfase hun standpunten naar voren kunnen brengen. LJit het dossier blijkt bovendien
dat verweerder deze standpiinten heeft betrokken bij de besluitvorming. Verweerder heeft er echter voor gekozen om voorrang te geven aan het belang van (goedkopere) huisvesting zoals verwoord in de Versnellingsopgave Huisvesting. Dat onnvonenden het daar niet mee eens zijn, en dat daardoor kantoorruimte verdwijnt betekent nog niet dat het besluit onzorgvuldig is genomen.
Is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject?
11. Eisers menen dat het bouvvplan aangemerkt moet vvorden als een (vvijziging van een) stedelijk ontvvikkelingsproject, zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 1 1.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit Milieueffectrapportage (hierna: Besluit MER). Volgens eisers treden namelijk door transformatie van het pand naar een appartementencomplex milieugevolgen op die niet al in het bestemmingsplan waren voorzien, doordat een deel van de benodigde parkeerplekken gerealiseerd moeten warden aan de voorkant van het perceel, op gi-ond die de bestemming 'Groen-Beeldbepaiend' heeft. Verweerder heeft daarom volgens eisers niet dejuiste procedure voor vergunningverlening doorlopen. Als er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dan had verweerder namelijk voor het verlenen van de vergunning de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb moeten toepassen. Volgens verweerder treden er geen milieugevolgen op die niet reeds in het bestemmingsplan zijn voorzien en is er daarom geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.
12. De rechtbank overweegt dat voor het beantvvoorden van de vraag ofer vvel ofgeen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsprojectvolgens vastejurisprudentie van de
zaaknummer: UTR 19/3385-Ten 19/3440-T
4
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet warden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene vvijziging van de stedelijk-e ontwikkeling een rol spelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het bouwplan, gezien de aard en omvang van de ontvvikkeling, niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als hiervoor bedoeid. Bij de transformatie van liet kantoorpand naar een appartementencomplex vvordt de bestaande bebouvving niet uitgebreid. Met perceel rondom liet pand is al in gebruik als parkeerterrein en dat verandert niet. Er is slechts sprake van een beperkte uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. Het is niet aannemelijk dat met de vvijziging van het gebruik van het pand en de beperkte uitbreiding van het parkeertei-rein milieugevoigen gepaard gaan die ertoe moeten leiden dat de ontwikkeling moet woi-den aangemerkt als een stedelijk ontvvikkelingsproject.
Dat in het onderhavige geval een deel van de benodigde extra parkeerpiaatsen mogelijk gerealiseerd moet worden op groiid die de bestemming 'Groen-BeeldbepaIend' heeft, maakt clit in het licht van dejurisprudentie van de Afdeling' niet anders.
13. Omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, was het niet nodig om de uniforme openbare voorbei-eidingsprocedure te doorlopen, Verweercler heeft daarom de jiiiste procedure doorlopen voor het verlenen van de vergunning. Is er voldoende ruimte op het perceel om de benodi.sde parkeerplekken te realiseren?
14. Op her perceel zijn wat betreft parkeren het 'Parapliibestemmingsplan parkeernormen Zeist' en de 'Parkeerbeleidsnota Zeist' van toepassing. Op basis van dit bestemmingsplan en deze beleidsnota kan de vergiinning alleen worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid, in dit geval 64 parkeerplaatsen. Tussen partijen is dit aantal benodigde parkeerplaatsen niet in geschil.
15. Wel in geschil is ofer op het perceel voldoende niimte is om deze parkeerplaatsen te realiseren. Partijen verschillen namelijk van mening over de vraag of de bestaande parkeergarage onder het pand en het omliggende terrein hier groot genoeg voor zijn. Ook verschillen partijen van mening over dejuiste toepassing van de CROW-normen die zien op de afmetingen van parkeerplaatsen.
16. Uit de beslissing op bezwaar van 24 September 2019, de notitie van 8 mei 2019 en het verliandelde ter zifting is de rechtbank gebleken dat er in de parkeergarage 32 parkeerplaatsen warden gerealiseerd. Daarvan waren 29 parkeerplaatsen al aanwezig en zijn drie parkeerplaatsen nieuw ingetekend. Vervveerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat op de reeds bestaande parkeerplaatsen geen nieuvve normen toegepast kunnen vvorden. Hiervoor geldt dat mag warden uitgegaan van het bestaande voorzieningenniveau. Van de drie "nieuwe" parkeerplaatsen (die op de tekening te herkennen zijn omdat deze breder zijn) is genoegzaam gebleken dat deze voldoen aan de normen. Op het parkeerterrein buiten zijn al 20 parkeerplaatsen aanvvezig. Ten aanzien van de "nieuwe" parkeerplaatsen op het parkeerterrein buiten aan de zijkant en achterkant van het pand heeft verweerder naar het oordee! van de rechtbank in de beslissing op bezwaar ' Zie de uitspraken van de Afdeling van 17april2019, ECL.I:NL:RVS:2019:1253, 29juli 2020,
ECLI:NL:RVS:2020:1832, 11 maan 2020, ECLI:NL:RVS:2020:729 en 18 november2020, ECLI:NL:RVS:2020:2747
zaaknummer: UTR 19/3385-Ten 19/3440-T
5
van 24 September 2019 voldoende gemotiveerd dat ook deze voldoen aan de maatvoeringen zoats die zijn vastgelegd in de CROW-normen en dat er voldoende iTianoeuvreerruimte is. Ma.g verweerder 8 parkeerplaatsen 'reserveren'?
17. Vervveerder heeft de vergunning verleend onder de voorwaarde dat 56 van de benodigde 64 parkeerplaatsen direct warden gerealiseerd en dat voor de resterende 8 plekken ruimte vvordt gereserveerd aan de voorzijde van het perceel. Pas als blijkt dat deze 8 parkeerplaatsen ook daadwerkelijk nodig zijn, moeten cleze door Vivesta warden gerealiseerd. Volgens vervveerder vvordt op deze manier niet afgeweken van de parkeernonnen in het paraplubestemmingsplan. 18. Eisers vinden dat vervveerder door deze voorvvaarde te stellen onterecht afwijkt van het paraplubestemmingsplan, terwijl dit plan niet de mogelijkheid biedt om op deze wijze parkeerplaatsen te reserveren. De rechtbank volgt eisers luerin. Verweercler had bij het verlenen van de vergunning de 8 parkeerplekken aan de voorzijde van het pand niet voorvvaardelijk inogen inpassen. Door dat vvel te doen, handelt venveerder in strijd met de rechtszekerheid.
19. Vervveerder krijgt van de rechtbank de gelegenheid om dit gebrek in de beslissing op bezvvaar te lierstellen. Dat kan door ofwel afte vvijken van het parapliibestemmingsplan en de beleidsnota en te verplichten dat er 56 in plaats van 64 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, ofwel door te verplichten dat er 64 parkeerplaatsen vvorden gerealiseerd. In het eerste geval za! vervveerder dan goed moeten motiveren waarom hij binnenplans afvvijkt van het paraplubestemmingsplan. Dat het mogelijk is om binnenplans afte wijken van het paraplubestemmingsplan blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank van 6 december 2019.
In het tvveede gev'al zal vervveerder alsnog door toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wabo in combinatie met Bljlage II, artikel 4, negende lid van het Bor moeten afwijken van het bestemmingsplan 'Zeist Centrum e.o.' voor het realiseren van 8 parkeerplaatsen aan de voorzijde van het pand, op de grand met bestemming "Groen". De rechtbank volgt verweerder namelijk niet dat deze afwijking ook valt onder de reeds vergunde afvvijking van het bestemmingsplan waarmee de transform at ie van kantoorgebouw naar appartemenlencomplex mogelijk is gemaakt. De door verweerder aangehaalde
uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 maakt dit oordeel niet anders, omdat deze alleen ziet op de te volgen procedure. Verweerder heeft de discretionaire bevoegdheid om op deze wijze afte wijken van het bestemmingsplan en zal daartoe een betangenafweging moeten maken. Ook deze eventuele afwijking zal hij goed moeten motiveren in een herstelbesluit,
20. Verweerder moet zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen twee weken, laten weten ofhij van deze mogelijkheid gebruik maakt. Verweerder krijgt vervolgens acht weken de tijd om het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, krijgt eiser daarna vier vveken de tijd om daarop te reageren. In beginsel zal de rechtbank daarna zonder tweede zitting een einduitspraak doen.
2 ECLI:NL:RBMNE:2019:6209 3 ECLI:NL:RVS:2019:477
zaaknummer; UTR 19/3385-Ten 19/3440-T
6
21. In de einduitspraak zal de rechtbank ook een oordeel geven over de vraag ofvervveerder door het verlenen van de vergunning we) ofniet in strijd met de goede ruimtelijke ordening heeft gehandeld. Ook het oordeel ofvervveerder vvel of niet de belangen van eisers zorgvuldig genoeg heeft afgewogen, zal onclerdeel zijn van de einduitspraak, 22. De rechtbank houdt iedere verclere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank:
- draagt vervveerder op binnen twee we ken de rechtbank mee te clelen ofhij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt vervveerder in de gelegenheid om binnen vier vveken na verzendiiig van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overvvegingen en aanvvijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.Pi.G. Visser, recliter, in aanvveziglieid van mr. E. Sloots, griffier. De beslissing is iiitgesproken op 6 apri! 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhindercl deze iiitspracik te
De rechter is verhinclercf deze iiitspraak te
oncfertekenen.
ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
? 1 APR, m\ Rechtsmiddel
Tegen deze tiissenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep vvorden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.