CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

PR21.107 Hoorzitting Bethesda

Overige evenementen 11 mei 2021, gemeente ZeistBij agendapunt: A-Post derden1.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ontv. Griffie/PR21.107/474240 Aan de leden van de gemeenteraad

Geachte raadsleden, Op donderdag 22 april j.l. heeft er een hoorzitting plaats gevonden bij de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Zeist betreffende de omgevingsvergunning Paltzerweg 210 te Den Dolder. Omdat uw Raad zich betrokken voelt bij de Bethesda perikelen (zie de e-mail van Karst Schuring van 5 februari 2021) stuur ik u hierbij onze pleitnotitie. Tevens gaat hierbij een verslag van mevrouw Lida de Jager. Tijdens de zoom meeting is dit wel ter sprake gekomen, maar het verslag kon niet worden uitgereikt. Wij hopen op korte termijn met u van gedachten te kunnen wisselen. Met vriendelijke groet, mede namens alle ondertekenaars van het bezwaarschrift,

Pleitnotitie (hoorzitting bezw. commissie Zeist d.d. 22 april 2021 ter zake omgevingsvergunning Paltzerweg 210) Geachte commissie, Nadat het gemotiveerde bezwaarschrift is ingediend, zijn er van college-zijde nog diverse stukken aan het dossier toegevoegd. Deze gaan voornamelijk over de onderdelen 2 en 3 van ons bezwaarschrift (akoestisch onderzoek en te beschermen natuurwaarden). Wij hebben daar kennis van genomen en begrijpen dat de inhoud daarvan mogelijk tot een van ons bezwaar afwijkend standpunt zou kunnen leiden. Net zoals nieuwe rapporten van deskundigen met ook weer andere uitkomsten onze bezwaren zouden kunnen ondersteunen. Op dit moment zijn wij om die reden van mening dat onze eerder onderbouwde stellingname over de onzorgvuldigheid en ondeugdelijkheid van de initiële stukken voldoende aanleiding zou moeten zijn om deze onderdelen van het dossier, waar het besluit mede op is gebaseerd, op onafhankelijk wijze en door een andere expert over te laten doen om daarmee de deugdelijkheid en dus de houdbaarheid om het besluit mede daarop te baseren te rechtvaardigen. Om die reden zal ik me in deze pleitnotitie beperken tot het onderdeel van ons bezwaar, dat zich richt op de onrechtmatige vaststelling van (delen van) het bestemmingsplan en de aanleiding om hiertoe door middel van de zogeheten exeptieve toets te concluderen.

De argumenten die aanleiding zijn om wel degelijk te concluderen dat de exeptieve toets hier op z’n plaats is, hebben wij uitgebreid in ons bezwaarschrift benoemd en deze zal ik daarom hier niet compleet herhalen. Puntsgewijs zal ik echter nog wel ingaan op een aantal belangrijke elementen en tevens op relevante passages uit het verweerschrift. 1. Opvallend is, dat zowel in het verweer bij de Vovo als in het thans toegevoegde verweerschrift wordt erkend, dat de verhoging van het bebouwingspercentage niet was beoogd, tijdens de gehele procedure van totstandkoming van het bestemmingsplan onopgemerkt is gebleven en ook dat niet meer te achterhalen valt hoe dit er in is geslopen. Deze feiten (niet beoogd door wie dan ook en tijdens de gehele procedure onopgemerkt gebleven) zijn nu juist belangrijke elementen van onze stellingname. Immers, als dat al het geval was, hoe kan dan in alle redelijkheid van omwonenden worden verwacht dat zij deze omissie (immers niet beoogd) wel zouden hebben moeten opmerken 2. Juist door de herhaalde communicatie over de “koude overzetting” en de toelichting daarop dat dit inhoudt, dat er geen sprake is van inhoudelijke wijzigingen van enige importantie, maakt dat de eventuele ambitie om passages en percentages van het oude en het nieuwe plan naast elkaar te leggen aan iedereen is ontnomen.

Wij laten hier en op dit moment maar even in het midden of dit destijds al dan niet bewust is gebeurd. Het is een feit dat door deze handelswijze in materiële zin een belangrijke vorm van rechtsbescherming aan omwonenden is ontnomen en dat feit wijzigt door het al dan niet bewust om de tuin leiden immers niet. 3. De passage in het verweerschrift van het college waarin te lezen valt dat de belanghebbenden in de zogeheten voorontwerp fase uitdrukkelijk is gevraagd goed te kijken of alle bebouwingsbepalingen goed zijn overgenomen, komt ons merkwaardig voor. Niet alleen wordt dit door belanghebbenden niet herkend, maar ook staat dit nogal haaks op hetgeen door het college is verwoord in de brief van 23 juni 2020, (bijlage 3 van het bezwaarschrift). Daarin staat te lezen, dat de vergroting van het maximale bebouwingspercentage niet expliciet in de stukken wordt benoemd (met expliciete erkenning van het feit dat dit wel gebruikelijk is) en bovenal levert het ook een schril contrast op met hetgeen in het raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan (bijlage 1 van ons bezwaarschrift) door het college wordt geschreven. Letterlijk staat daar onder punt 3 van de argumenten: “Er heeft geen uitgebreide inspraakronde plaatsgevonden.

Gezien de aard van het bestemmingsplan, het uitsluitend overzetten van de planologische bestemmingen van bestaande bestemmingsplannen naar een actueel en digitaal

4.

5.

6.

7.

bestemmingsplan en de gemeentelijke inspraakverordening heeft geen officiële inspraakronde op het bestemmingsplan plaatsgevonden.” Met het vorenstaande is in onze ogen onmiskenbaar sprake van het in materiële zin volledig ontnemen van een vorm van rechtsbescherming aan belanghebbenden. Geen enkele gewone burger, die mag vertrouwen op de overheid, zal in een dergelijke situatie nog aanleiding zien om alles nog eens diepgaand te inspecteren. Het accentueren van de koude overzetting, het niet in de begeleidende stukken vermelden van toch aanwezige substantiële wijzigingen en het overslaan van de officiële inspraakprocedure onder (nota bene) de expliciete toelichting dat dit ook niet nodig is gezien het karakter van het voorstel, kan niet anders worden samengevat dan een schoolvoorbeeld van hetgeen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heel treffend formuleert als een schending van het Fair Play beginsel (bijlage 4 van ons bezwaarschrift) “Het bevoegd gezag mag de burger geen mogelijkheden om voor zijn belang op te komen ontnemen. Dit mag ook niet door een overigens volgens de letter van de wet toegestane handelswijze. Dit is hier exact aan de orde Juist i.v.m. deze conclusie is er dus sprake van een onrechtmatig tot stand gekomen bestemmingsplan i.v.m. flagrante schending van Artikel 2:4 van de Awb, maar ook van Art 3:2 Awb, (zorgvuldigheidsbeginsel).

Dit laatste uiteraard, omdat door de wijze van vaststelling het bestuursorgaan onvoldoende kennis heeft vergaard over de af te wegen belangen. De belanghebbenden hebben door de gebrekkige procesgang immers feitelijk hun mogelijkheden om hun zienswijzen naar voren te brengen niet kunnen uitoefenen. Voor wat betreft de beginselen van behoorlijk bestuur en de min of meer complete schending daarvan, brengen wij hierbij ook nog in, dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan natuurlijk ook is gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel zoals bedoeld in de artikelen 3:46 en 3:47 Awb. Niet alleen is er geen sprake van een deugdelijke (en kenbare) motivering, maar er is zelfs sprake van het volledig ontbreken van welke motivering dan ook. Uit diverse passages in de processtukken blijkt (en verweerder bevestigt dit ook zelf), dat niemand meer weet hoe de wijziging van het bebouwingspercentage “er in is geslopen” en ook niemand kan bedenken waarom dit het geval is geweest. Er vanuit gaande dat dit juist is, kan natuurlijk ook geen sprake zijn van een deugdelijke motivering, want daarvoor is in ieder geval een bewuste afweging van het bestuursorgaan vereist en die ontbreekt nu juist in alle toonaarden. Kortom en volledig anders dan verweerder in zijn verweerschrift concludeert, is de exeptieve toets derhalve absoluut op z’n plaats.

Deze zal overigens niet per sé hoeven opleveren dat bij het eventueel “buiten toepassing verklaren” van de aangevallen bepalingen er in het geheel geen bebouwingspercentages van toepassing zouden zijn. Uiteraard staat het bij een dergelijke conclusie de bestuursrechter namelijk vrij om in zijn uitspraak tevens te bepalen dat zolang er geen nieuwe en geldige bepalingen zijn vastgesteld het oude regime (vorige bestemmingsplan) geacht moet worden van toepassing te zijn. Dit is in de voorliggende situatie te meer voor de hand liggend, omdat immers beoogd was tot een “koude overzetting ” te besluiten, zodat er vanuit dient te worden gegaan dat het doen herleven van de bepalingen van het voormalige bestemmingsplan helemaal in lijn is met hetgeen destijds bestuurlijk werd en thans nog steeds wordt beoogd qua ruimtelijk beleid. De laatste conclusie wordt vooral ondersteunt door het emailbericht namens alle raadsfracties daarover(bijlage 7 van ons bezwaarschrift). Dit brengt ons tenslotte tot de conclusie, dat wij willen voorkomen de bestuursrechter (in hernieuwde Vovo en bodemprocedure) opnieuw in dit proces te zullen moeten betrekken. Wij doen daarom een oproep tot een bestuurlijke herbezinning die gelijk valt te schakelen met de rechterlijke exeptieve toets.

Op grond van deze herbezinning, zou het bestemmingsplan althans de aangevallen bepalingen daarvan ongeldig moeten worden verklaard en de vergunning moeten worden ingetrokken. Dit in combinatie met een nieuwe volledige procedure om te komen tot rechtmatige vaststelling. Wij tekenen hierbij echter nogmaals aan, dat een herbezinning in de vorm van aanpassing van de vergunning eventueel in combinatie met compensatie voor de vergunninghouder en dus een oplossing in der minne voor ons nog steeds prevaleert.

Pleitnotitie

Persoonlijk bezwaarschrift betreffende de hoorzitting bezwarencommissie Zeist van 22 april 2021 inzake de omgevingsvergunning Paltzerweg 210. Geachte commissie, In het verweerschrift wordt niet ingegaan op één niet onbelangrijk onderdeel in mijn persoonlijk bezwaar en wel het volgende: In 2012 (na getipt te zijn) heb ik contact gehad met de gemeente Zeist over mogelijke veranderingen die er zouden zijn voor het “Bethesda terrein”. Het enige antwoord was dat er geen wijzigingen waren van het bestemmingsplan, er zit een zorgbestemming op en dat blijft zo. Het moment waar de “koude omzetting”speelde en het argument van het (later) niet (meer) weten gaat hier niet op. Ook over mogelijke aanpassingen qua bouwvolume, hoogbouw etc. werd niet gesproken. Een “betrouwbare overheid”had mij dit wel moeten vertellen met het advies; houdt hierover de gemeentelijke berichtgeving in de gaten. Een berichtgeving die er nooit (aantoonbaar) is geweest en waar nog steeds op wordt gewacht. Dat dit er nooit is geweest wordt gesterkt door het feit; dat als dit al door één persoon zou zijn waargenomen, het proces van bezwaar maken vanaf dag één in gang gezet zou zijn. Hier wordt niet de waarheid gesproken.

De gemeente geeft niet thuis als er om relevante informatie gevraagd wordt waar de burger gewoon recht op heeft! Sterker nog alles wordt in het werk gesteld om het zoveel mogelijk aan een ieders aandacht te onttrekken. Een patroon van ontkennen en het niet meer weten loopt als een rode draad door het nu al 2 jaar durende proces. Ook is hierdoor een claim op mogelijke planschade voor alle omwonenden ivm verjaring ontnomen. Conclusie: Een bestemmingsplanwijziging welke op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen dient dan ook nietig verklaard te worden.

.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10072466/1