Beantwoording technische vragen Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen over de Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing Vragen van David De SP heeft kennis genomen van het raadsvoorstel Verordening lokale heffingen 2026, waarin een generieke lastenverlichting van 566.000 euro op de afvalstoffenheffing wordt voorgesteld. Alleen in de Begroting 2026 wordt deze lastenverlichting genoemd, waarbij het op de volgende wijze staat verwoord: “In 2025 (sic) geven we een eenmalige bijdrage uit eigen middelen voor lastenverlichting op de afvalstoffenheffing” (p.64 van de Begroting 2026). Precies dezelfde passage is ook terug te lezen in de Begroting 2025, op p.71, maar ditmaal wel vergezeld van een concreet bedrag (van 551.000 euro) in de bijlage over beleidskeuzes. 1. Is er sprake van een typefout in de boven aangehaalde passage uit de Begroting 2026, waarin gesproken wordt over “2025”? Dit klopt, per abuis is hier de oude tekst blijven staan. 2. Welke betekenis heeft “eenmalig” als zowel in de Begroting 2025 als 2026 gesproken wordt over een “eenmalige bijdrage”? Met daarbij in aanmerking genomen dat in 2023 ook op deze wijze een generieke lastenverlichting voor dezelfde heffing was ingeboekt en toegepast.
Gaat het, achteraf bezien, dan hier niet eerder om iets periodieks dan iets eenmaligs? En had hier (dus) niet een andere zin moeten staan? De term eenmalig wordt gebruikt om aan te geven dat het niet structureel in het tarief zal worden verwerkt. Ieder jaar wordt de inzet van de lastenverlichting dan ook opnieuw vastgeklikt. Bij de besluitvorming van de Begroting 2023 (22RV039) is de stelpost meerjarig door de raad vastgesteld waarna deze via het raadsvoorstel “Invulling Lastenverlichting 2023 (Afvalstoffenheffing) 22RV056” voor het jaar 2023 invulling heeft gekregen. In 2024 is de lastenverlichting niet ingezet als gevolg van één van de beleidskeuzes bij de Begroting 2024 (23RV054). Voor 2025 is de stelpost wel weer ingezet voor de lastenverlichting via de afvalstoffenheffing. Dit is vermeld in de paragraaf Lokale heffingen van de Begroting 2025 (24RV067). Tegelijkertijd is bij de Begroting 2025 ook besloten, doormiddel van 1 van de beleidskeuzes, de stelpost vanaf 2027 te laten vervallen. Hiermee is ook het structurele karakter van de stelpost komen te vervallen. Bij de Begroting 2026 (RV25.054) is geregeld dat de stelpost ook in 2026 wordt ingezet ten behoeve van de afvalstoffenheffing. Hetgeen via het raadsvoorstel Verordeningen lokale heffingen 2026 (RV25.067) in de verordening wordt bekrachtigd.
De stelpost is dus voor de jaren 2023, 2025 en 2026 ingezet ten behoeve van de afvalstoffenheffing. Het woord “eenmalig” staat voor de technische wijze van verwerking waarbij het geen structureel effect heeft. Dat is, als gevolg van de besluitvorming bij de Begroting 2025, ook niet meer mogelijk aangezien de stelpost na 2026 niet meer bestaat in onze begroting. 3. Waarom komt deze begrotingspost van lastenverlichting ten bedrage van 566.000 euro pas nu, in dit raadsvoorstel, boven tafel? Had (het voorstel voor) deze lastenverlichting niet gewoon integraal opgenomen moeten zijn in de begrotingsstukken waarover de raad in november jl. heeft besloten? Zodat de raad ook over deze lastenverlichting (die, ten opzichte van het jaar 2025, ook nog eens 15.000 euro hoger uitvalt) opnieuw (ook al had dit strikt genomen misschien niet gehoeven) een integrale afweging had kunnen maken? De raad heeft bij de behandeling van de Begroting 2023 (22RV039) reeds ingestemd met het structureel opnemen van deze stelpost en is daarmee integraal onderdeel geworden van onze begroting. De raad stelt de begroting jaarlijks via het boekwerk van de begroting voor de onderdelen die reeds integraal onderdeel zijn op programmaniveau vast (zie hiervoor pagina 60 van de Begroting
2026 (RV25.054). Individuele posten komen daarbij niet meer jaarlijks per post aan de orde. Dit geldt dus ook voor deze stelpost. De stelpost is oorspronkelijk opgenomen voor € 500.000 per jaar. Vervolgens wordt per jaar onze gehele begroting via de kadernota geïndexeerd. Hierdoor is het totale bedrag in 2026 opgelopen naar € 565.759. Dat dit ten opzichte van 2025 € 14.874 hoger is, is het gevolg van de 2,7% indexatie uit de Kadernota 2026 (RV25.029). 4. In de Begroting 2023 was de stelpost “lastenverlichting” ingesteld. Was deze stelpost toen begrensd op een bepaald bedrag (waar dat gold voor de stelpost “effecten samenleving”) of niet? Gezien het over de periode 2023-2026 (met uitzondering van 2024) steeds oplopende bedrag aan op deze wijze uitgekeerde generieke lastenverlichting is tevens de vraag of hierop (in 2023) een koppeling ingesteld is geweest met de jaarlijkse stijging van de afvalstoffenheffing of de inflatie op jaarbasis. De stelpost is bij de besluitvorming van de Begroting 2023 niet begrensd op de € 500.000 en loopt daarmee jaarlijks mee met de dan geldende indexatie. De indexatie wordt in beginsel zowel aan de baten en aan de lasten kant van onze begroting verwerkt. Uitzonderingen hierop zijn, zoals in de Kadernota 2026 zijn opgenomen:
Kapitaallasten Overeenkomsten met betrekking tot jeugdhulp en Wmo waar de OVA (overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling) van toepassing is. Gemeenschappelijke regelingen Lonen (zie B)
Ook is het hierbij belangrijk te vermelden dat bij de afvalstoffenheffing een maximale kostendekkendheid van 100% geldt. Mocht de kadernota-indexatie tot gevolg hebben dat we over deze 100% kostendekkendheid gaan zal dit in de tarieven worden bijgesteld. Het is daarmee mogelijk dat de tarieven zich anders hebben ontwikkeld dan de kadernota indexatie. In de Begroting 2026 is op pagina 70 onderstaande tabel opgenomen:
Hierin is te zien dat dit voor 2026 inderdaad afwijkt.