24RV057 - 3i- Blom Ecologie - quickscan f&f omgeving Landg Dijnselburg (b) 2019-12-13
Tekst van het document
GEMEENTE ZEIST T.a.v. Dhr. A.J. Hille Het Rond 1 3701 HS Zeist
Datum
31 oktober 2019 (revisie op 11 december 2019)
Kenmerk
BE/2019/565/r
Uw kenmerk
Email d.d. 8-8-2019
Auteur(s)
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Revisie
ir. T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna in de omgeving van Landgoed Dijnselburg te Zeist Tussen de Amersfoortseweg (N237) en de A28 te Zeist ligt het Landgoed Dijnselburg. In het gebied tussen het dorp Huis ter Heide en de Panweg wordt momenteel nagedacht over ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor zijn twee ontwikkelregio’s aangewezen; het landgoed Dijnselburg zelf en het gebied op en rondom het recreatiepark Dijnselburg (figuur 1). Voor het landgoed zelf is een apart rapport reeds in 2018 opgesteld, onderhavig rapport spitst zich op het westelijke gebied rondom het recreatiepark. Op het westelijke deel van het landgoed zijn de volgende elementen aanwezig: het recreatiepark (eigenaar: Dijnselburg Recreatie en Verblijf BV), Chinees restaurant met daarnaast een tankstation (eigenaar: Chi Man Woo en Autofood Liesveld B.V.), het zwembad en sportpark (eigenaar: Gemeente Zeist), de atletiekbaan (eigenaar: Fysio sport & training B.V.), een bosgebied (eigenaar: Gemeente Zeist) en twee woningen aan de Amersfoortseweg 8A en 10 gesitueerd (eigenaar: particulier). Gezien de beoogde ruimtelijke ontwikkeling vooralsnog onzeker is, wordt het gehele gebied onderzocht.
Het zwembad zal zeer waarschijnlijk in de huidige staat behouden blijven en aan het sportpark worden wellicht wijzigingen aangebracht Het plangebied heeft mogelijk potentie voor beschermde flora en fauna en er kunnen mogelijk effecten optreden op beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkelingen geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologisch oriënterende onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Op basis van de inventarisatie kan een afgewogen keuze gemaakt worden welke ruimtelijke ontwikkelingen in de beoogde inrichting mogelijk conflicteren met de Wet natuurbescherming. De Gemeente Zeist begeleidt de ruimtelijke ontwikkelingen en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de mogelijke werkzaamheden.
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen tussen de Amersfoortseweg en de A28. Deelgebied 1 (oranje) is reeds onderzocht in 2018 en deelgebied 2 (geel) wordt in dit rapport besproken (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
In de huidige fase van de planontwikkelingen (visieontwikkeling) zijn de exacte ingrepen nog onbekend. Derhalve kan ook nog niet getoetst worden aan alle mogelijke ingrepen. Het proces wordt in de volgende tabel uiteengezet: Fase 1. visieontwikkeling
Ecologisch onderzoek Oriënterend onderzoek
Doel onderzoek In kaart brengen van risico’s. Ondersteuning keuzes bij het nemen van beslissingen t.a.v. ruimtelijke visie
2. omgevingsplan
Aanvullend onderzoek (detailniveau)
In kaart brengen waar aanvullend onderzoek naar soorten nodig is (beoogde ingreep bekend)
3. bouwplan
Aanvullend onderzoek (soortgericht), maatregelen, ontheffing
In kaart brengen waar beschermde soorten aanwezig zijn, en of overtreding Wet nb aan de orde is
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van mogelijke ruimtelijke ingreep? • Heeft een mogelijke ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft een mogelijke ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
2
Planlocatie De planlocatie is gelegen tussen de Amersfoortseweg en A28 te Zeist (figuur 1). De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt als relatief bosrijk, met veel bomenlanen langs wegen en velden. De bebouwde kom van Zeist ligt direct aan de overzijde van de A28. Ten noorden van de N237 is direct villapark Blookerpark gelegen. Aan de oostzijde is de bebouwde kom van Huis ter Heide gelegen. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden; in dit rapport wordt het gebied behorende bij deelgebied 2 onderzocht. Deelgebied 2 betreft het westelijke deel van het plangebied en de woning aan de Albert Plesmanring 15 te Zeist (figuur 3). Op het westelijke deel is een recreatiepark, chinees restaurant, tankstation, zwembad, sportpark, atletiekbaan, bosgebied en twee woningen aan de Amersfoortseweg 8A en 10 gesitueerd (figuur 2). Ten zuiden van het bosgebied ligt vlak langs de atletiekbaan en het zwembad een klimbos. De recreatiepark bestaat uit een aantal bebouwingen als het toiletgebouw, receptie en opslagruimte. Daarnaast staan op het recreatiepark een groot aantal stacaravans/vakantiehuizen en is er een camping gedeelte. De bebouwingen en recreatie structuren zien er als volgt uit: •
•
•
• • • • •
het recreatiepark (A) ligt ten noordwesten van het plangebied en bestaat uit enkele losstaande gebouwen, stacaravans en vakantiehuizen met tuinen en een campingplaats. Door het park lopen paden en groenstructuren als haagbeuken en coniferen hagen en bomen als Amerikaanse eik, beuk en ruwe berk. De voorzieningen zien er als volgt uit (figuur 4): 1. de stacaravans en vakantiehuizen zijn opgetrokken uit kunststoffen en/of houten muren en hebben dakpannen, bitumen of kunststoffen daken. De vakantiehuizen hebben geen spouwmuren, uitstekende boeiboorden en enkele hebben een dakgoot; 2. de campingplaats bestaat uit een kaal grasgazon met enkele hoge coniferen bomen. Langs de campingplaats staat het toiletgebouw welke uit houten potdeksels is opgetrokken met een golfplaten dak; 3. het bijgebouw (voor opslag en woonruimte) is deels opgetrokken uit gemetselde en houten muren en heeft een dakpannen dak. Het gebouw heeft een veranda en aanbouw bestaande uit hout; 4. de receptie is een volledig uit hout opgetrokken bungalow met een kunststofpannen dak; het Chinees restaurant (B) is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een plat bitumen dak met een kierende boeiboord. Aan de noordzijde heeft het restaurant een glazen serre en aan de zuidoost zijde een aanbouw met een grote diliatatiescheur. Om het restaurant ligt een groot parkeerterrein met aan de zuidzijde een tankstation.
Aan de oostzijde van het restaurant ligt een groene strook met daarop een verwilderde moestuin, bomen, struiken, afval en twee containers; het zwembad (C) is opgetrokken uitgemetselde muren met een spouwmuur en een plat bitumen dak. In de muren zitten open stootvoegen en kierende daklijsten. Het zwembad heeft ook een buitenbad met een ligweide; het sportpark (D) is opgetrokken uit gemetselde muren en damwandplaten en heeft een plat bitumen dak; de atletiekbaan (E) is volledig omheind; de woning aan de Amersfoortseweg 10 (F) is opgetrokken uit houten muren en heeft een schuin bitumen dak zonder dakgoot; de woning aan de Amersfoortseweg 8A (G) is opgetrokken uit gemetselde muren met een schuin dakpannen zadeldak met daaronder een dakgoot; de woning aan de Albert Plasmanring 15 (H) is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en heeft een schuin dakpannen zadeldak met een dakgoot. De woning heeft een uitstekende gevel en aan de noordzijde potdeksels.
In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
3
4
Figuur 2
De planlocatie Deelgebied 2 (rood omkaderd) is gelegen tussen de Amersfoortseweg en de A28. Het betreft het recreatiepark, Chinees restaurant, zwembad, sportpark, atletiekbaan en bosgebied (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 3
De woning aan de Albert Plesmanring 15 te Zeist (rood omkaderd) is gelegen tussen de Amersfoortseweg en A28 (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 4
Het recreatiepark met stacaravans en vakantiewoningen (1), de campingplaats (2), bijgebouw (3) en receptie (4).
Functieverandering en effecten Momenteel zijn ontwikkelingen nog niet definitief en is het project in de fase van visievorming. Op basis van dit rapport kunnen risico’s met betrekking tot de Wet natuurbescherming ingeschat worden en overeenkomstig beslissingen gemaakt worden. Onderstaand volgt een korte inschatting van ingrepen die mogelijk uitgevoerd kunnen worden en in effecten op flora en fauna kunnen resulteren: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • renoveren van bebouwing: algemene sloop- en bouwwerkzaamheden en afvoer materiaal; • verwijderen terreininrichting, voor wat betreft het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • kapwerkzaamheden: kappen en afvoer hout; • grondverzet en egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden; Het is mogelijk dat als gevolg van de planontwikkeling de thans aanwezige (ecologische) functies van het de planlocatie geheel of gedeeltelijk kunnen komen te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Aanpak oriënterend onderzoek Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Op basis van deze onderzoeksopzet kan slechts een inschatting worden gedaan van de kans op de aanwezigheid
5
van soorten en soortgroepen. Uit aanvullend onderzoek in de omgevingsplanfase, kan pas het ontbreken of daadwerkelijk voorkomen van soorten worden aangetoond. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019 en is uitgevoerd door drie ecologen: ir. T.W.D. Schrader, ir. S. Schuuring en ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog/lichte regen, 7/8 bewolkt, 15 Celsius en windkracht 1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen en in alle situaties. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland
6
geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van mogelijke ontwikkelingen. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: bosandoorn, duizendblad, gewone braam, grote brandnetel, judaspenning, kleefkruid, klimop, lelietje van Dalen, Robertskruid, smalle weegbree en stinkende gouwe. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.
Door het recreatiepark zijn solitaire bomen struiken en hagen aangeplant bestaande uit: Amerikaanse eik, beuk, conifeer, haagbeuk, laurier, liguster, robinia en ruwe berk. Een deel van het plangebied bestaat uit een bosgebied welke voornamelijk bestaat uit beuken, Douglasspar, ruwe berk en zomereik. Mogelijke sloop van bebouwing of bomenkap leidt aannemelijk niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie is een bosgebied met een zware zand bodem. Daarnaast zorgen de vele beuken voor een voedselarme en zure bodem. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Het risico dat beschermde flora mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn.
In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergmuisspits, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 20092019). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, das en rode eekhoorn. Boommarter
7
Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters. De rusten nestplaatsen zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. Een territorium kan circa 1000 hectare groot zijn en er worden nachtelijk afstanden tot wel 20 km afgelegd. Het voedsel van boommarters bestaat uit insecten, vogels en eieren, kleine zoogdieren en bessen en vruchten (Zoogdiervereniging boommarter). De soort wordt geregeld in de nabije omgeving van het plangebied waargenomen, onder andere als verkeersslachtoffer op de A28, direct ten zuiden van het plangebied. Het gebied tussen de drukke wegen de N237 en de A28 is vrij smal. De aanwezigheid van mensen in het recreatiepark, bij de sporthal en het zwembad zorgt voor veel verstoring. Theoretisch zou een aanwezig territorium zonder de drukke wegen als barrières circa 130 hectare beslaan. Deze beperkingen zorgen er voor dat het niet wordt verwacht dat het plangebied onderdeel is van het vaste territorium van een boommarter. Gedurende het veldbezoek zijn er boomholten aangetroffen met potentie tot mogelijke nesten. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat bijvoorbeeld een jong individu op zoek naar nieuw leefgebied zich (tijdelijk) vestigt in het bosrijke deel van het plangebied.
Daarnaast kan het nog steeds voorkomen dat boommarters incidenteel gebruikmaken van het plangebied bij foerageer- of migratieactiviteiten. Aanwezigheid wordt niet verwacht ten zuiden van het bosgebied waar een klimbos is gesitueerd wat voor veel verstoring zorgt. Bij bomenkap dient er geïnventariseerd te worden of er mogelijk nestbomen van boommarters aanwezig zijn binnen het plangebied. Mocht de bomenkap grootschalig zijn, kan het wenselijk zijn om middels wildcamera’s in kaart te brengen of boommarters aanwezig zijn binnen het plangebied en wat de functie van het plangebied is voor de soort. Het risico dat de boommarter mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld. Das De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Dassen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen, hieronder vallen (grote) hoofdburchten, bijburchten en vluchtpijpen. Het stapelvoedsel van dassen bestaat uit regenwormen, maar daarnaast staan vruchten, noten, granen en ook ongewervelden op het menu.
Tijdens het veldbezoek zijn sporen waargenomen die erop wijzen afkomstige te zijn van een das; snuitsporen en mogelijke wisselsporen. Echter doordat in dit onderzoek, het plangebied het recreatiepark, het Chinees restaurant, sportpark en zwembad betreft en er voornamelijk werkzaamheden zijn beoogd aan en om deze bebouwingen zijn effecten op de das beperkt. Op deze locaties is er sprake van verstoring door menselijke aanwezigheid. Mogelijk gebruikt de das het bosgebied aan de oostzijde als foerageer- en migratiegebied. Hierdoor is het bij grootschalig kap wenselijk om inzichtelijk te maken of er sprake is van functioneel leefgebied. Aanvullend onderzoek kan middels wildcamera’s, waarbij in kaart te brengen valt of das het plangebied gebruikt als foerageer- en migratiegebied. Het risico dat de das mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld. Rode eekhoorn Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Op en rondom de planlocatie zijn geen (nest)bomen (vaste rust- en verblijfplaatsen) van rode eekhoorn aangetroffen, maar dient vermeld te worden dat wegens de gesloten kroon het voorkomen van nesten niet uitgesloten kan worden.
Gelet op de inrichting van de directe omgeving en de potentie voor rode eekhoorn is het aannemelijk dat onderdelen van de planlocatie een relevante functie heeft voor de soort gedurende het foerageren, migreren en sociale interactie (bijlage 3). Aanwezigheid wordt niet verwacht ten zuiden van het bosgebied waar een klimbos is gesitueerd wat voor veel verstoring zorgt. Eventuele kap in het bosgebied leidt mogelijk tot afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de rode eekhoorn. Om in te kunnen schatten wat de functie van het plangebied heeft voor rode eekhoorns kan een gerichte nestinventarisatie uitgevoerd worden. Een beter inventarisatiemoment voor nestbomen van rode eekhoorn is midden in de winter, waarbij de kroon van de bomen veel beter valt te inventariseren. Bij het vinden van eventuele nestbomen van rode eekhoorn dient mogelijk ontheffing aangevraagd te worden. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de gunstige staat van instandhouding van de lokale eekhoornpopulatie. Het risico dat de rode eekhoorn mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld.
8
De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, gewone bosmuis, konijn, mol, ree, veldmuis en vos. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, vale vleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; verspreidingsatlas NDFF, 20092019).
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als habitatrichtlijnsoorten beschermd. Van de vleermuizen die voorkomen in de omgeving van het plangebied komen zowel gebouw- als boombewonende soorten voor. Gebouwbewonende vleermuizen De bebouwing op de planlocatie is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Bij het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw of een afgesloten ruimte in het dak is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. In het recreatiepark (A) zijn verschillende stacaravans en vakantiewoningen aanwezig. Deze zijn opgetrokken uit kunststoffen en/of houten muren en hebben dakpannen, bitumen of kunststoffen daken. De vakantiehuizen hebben geen spouwmuren, uitstekende boeiboorden en enkele hebben een dakgoot.
Doordat deze geen spouwmuur hebben en slecht één bouwlaag hebben wordt aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet verwacht. Op het recreatiepark staat ook een bijgebouw (voor opslag en woonruimte) en is deels opgetrokken uit gemetselde en houten muren en het heeft een dakpannen dak. Het gebouw heeft een veranda en aanbouw bestaande uit hout. In het gebouw zijn verschillende kieren, scheuren en openingen aanwezig die mogelijk geschikt zijn als rust- en verblijfplaats (figuur 5). Het Chinees restaurant (B) is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een plat bitumen dak met een kierende boeiboord. Aan de noordzijde heeft het restaurant een glazen serre en aan de zuidoost zijde een aanbouw met een grote diliatatiescheur. Tussen de boeiboorden en de scheuren in het gebouw kunnen geschikte rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn voor vleermuizen. Het zwembad (C) is opgetrokken uitgemetselde muren met een spouwmuur en een plat bitumen dak. In de muren zitten openstootvoegen en kierende daklijsten. Via de open stootvoegen en de kierende daklijsten kunnen vleermuizen in de spouwmuur komen en hier een geschikte rust- en verblijfplaats vinden. Echter zal het zwembad zeer waarschijnlijk in de huidige staat behouden blijven. De sporthal (D) is opgetrokken uit gemetselde muren en damwandplaten en heeft een plat bitumen dak.
Er zijn geen geschikte openingen, kieren en scheuren aanwezig welke geschikt zijn als in- en uitvliegopeningen. Hierdoor kan aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen in de sporthal worden uitgesloten. Mogelijk wordt de sporthal gerenoveerd of herbouwd. De woning aan de Amersfoortseweg 10 (F) is opgetrokken uit houten muren en heeft een bitumen dak. De woning op 8A (G) is opgetrokken uit gemetselde muren met een schuinzadeldak. Deze twee woningen zijn geïnspecteerd vanaf de openbare weg en vanaf het recreatiepark. Mogelijk zijn deze woningen geschikt als rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Bij eventuele
9
werkzaamheden als sloop of renovatie dient vastgesteld te worden of vleermuizen gebruik kunnen maken van de bebouwing. Om potentie voor vleermuizen uit te sluiten wordt geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren d.m.v. een extra veldbezoek waarbij gezocht wordt naar geschikte in- en uitvliegopeningen voor vleermuizen. Naar aanleiding hiervan kan besloten worden of een aanvullend vleermuis onderzoek gewenst is. De woning (H) aan de Albert Plesmanring 15 is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en ventilatieroosters en heeft een schuin dakpannen zadeldak met een dakgoot. De woning heeft een uitstekende gevel en aan de noordzijde potdeksels. Via de ventilatieroosters en tussen de potdeksels kunnen geschikte rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Bij mogelijk sloop of andere werkzaamheden die mogelijk schade toebrengen aan vleermuizen aan de bebouwing dient er aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden, middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei – oktober, om vast te stellen welke functie de bebouwing voor vleermuizen heeft. Het aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden bij sloop van de volgende gebouwen (figuur 5): • het bijgebouw op het recreatiepark; • het Chinees restaurant; • het zwembad; • de woning aan de Albert Plesmanring 15; • mogelijk ook de woningen aan de Amersfoortseweg 10 en 8A.
Het risico dat gebouwbewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog.
10
Figuur 5
11
De bebouwingen op het plangebied welke mogelijk geschikt zijn als rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen (rood en oranje omkaderd).
Figuur 6
Kieren, open stootvoegen, kierende daklijsten en boeiboorden kunnen geschikte rust- en verblijfplaatsen zijn voor gebouwbewonende vleermuizen.
Boombewonende vleermuizen Binnen het plangebied is een aantal bomen aangetroffen met boomholten die potentie hebben tot vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen. Een geschikte boomholte voor een verblijfplaats is naar boven toe ingerot, waardoor de vleermuizen aan de bovenzijde van de holte veilig en droog zitten (figuur 6). Inrotting naar beneden toe is niet geschikt, aangezien er aan de onderzijde nog sprake is van inregenen.
12
Figuur 7 Links: Een boomholte is pas geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen als deze naar boven toe is ingerot. Hier het rottingsproces chronologisch uitgebeeld. Rechts: een spechtenhol in een berk op het recreatiepark, vanaf de grond is het moeilijk te inspecteren of een dergelijke holte geschikt is voor vleermuizen. Bij het kappen van bomen dient te worden vastgesteld of er bomen met holten aanwezig zijn en of deze boomholten geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Mocht dit niet uitgesloten kunnen worden dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden, middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei – oktober, om vast te stellen welke functie de bomen voor vleermuizen hebben. Het risico dat boombewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, tevens beslaat het voor een groot deel uit een bosgebied en verharding.
In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en vroedmeesterpad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Voor de heikikker, kamsalamander en vroedmeesterpad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Heikikker, kamsalamander en vroedmeesterpad Op en nabij het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Voor deze beschermde amfibieën is het van belang dat binnen een straal van circa 500 m de combinatie van potentieel voortplantingswater en overwinteringslocaties aanwezig zijn. Tussen deze essentiële habitatonderdelen dienen er gunstige migratieroutes aanwezig te zijn om massale sterfte gedurende de migratie te voorkomen. De afwezigheid van oppervlaktewater op het plangebied in combinatie met de aanwezigheid van bedreigende barrières in de vorm van de A28 en de N237 zorgen er voor dat het voorkomen van deze beschermde amfibieën zijn uitgesloten Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming).
Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Het risico dat amfibieën mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Voor de hazelworm, ringslang en zandhagedis geldt dat deze beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming of geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelworm Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (Ravon hazelworm, 2018). Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit regenwormen en naaktslakken. Hazelwormen zijn actief in de periode maart – oktober, waarna er wordt overwinterd in droge holen, al dan niet zelf gegraven, of spleten in rotsen (Creemers & Van Delft, 2009). Op de randen van het bosgebied op de planlocatie is
13
geschikt habitat aanwezig voor hazelwormen. Dit zijn hoofdzakelijk de overgangsgebieden van bos naar open terrein, richting bv. het recreatiepark (bijlage 2). Verder is de aanwezigheid van geschikt habitat in het plangebied beperkt. Het risico dat hazelwormen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. Ringslang Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Ringslangen kunnen goed zwemmen en grote afstanden afleggen. Voor het broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn (Ravon ringslang). In de omgeving van het plangebied worden ringslangen geregeld waargenomen. Dit betreffen over het algemeen locaties achter de barrières A28, N237 en N238. Binnen het plangebied is in zeer beperkt functioneel leefgebied van ringslangen aanwezig, door de verstoring rondom de recreatieplaatsen, verharding en de afwezigheid van water. Gunstige migratieroutes richting kwalitatief hoogwaardigere gebieden zijn afwezig, waardoor het voorkomen van ringslangen op het plangebied wordt uitgesloten.
Het risico dat ringslangen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Zandhagedis Zandhagedissen leven in zandige, droge en open terreinen als heide en duinen (BIJ12 kennisdocument Zandhagedis, 2017). De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen worden is van groot belang. Zandhagedissen overwinteren in (muizen)holletjes in de periode september – april. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit insecten, spinnen en andere ongewervelden. Binnen het plangebied is geen functioneel leefgebied van zandhagedissen aanwezig. Het voorkomen van de soort op de planlocatie wordt uitgesloten. Het risico dat zandhagedissen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van mogelijke ontwikkelingen bevindt zich geen oppervlaktewater. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Het risico dat beschermde vissen mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de kommavlinder en witsnuitlibel.
Beide soorten hebben een specifiek habitat, de komma vlinder komt alleen voor in open schrale graslanden of heide gebieden en de witsnuitlibel is gebonden aan wateren met een hoge waterkwaliteit. Beide habitat onderdelen zijn afwezig op het plangebied. Daarnaast zijn er geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Derhalve kan de aanwezigheid van deze soorten worden uitgesloten. Het risico dat beschermde insecten, libellen en andere ongewervelden mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: ekster, gaai, houtduif, koolmees, merel, roodborst, vink, witte kwikstaart, winterkoning, zanglijster en zwarte kraai. De planlocatie biedt een variatie aan nestlocaties voor een breed scala aan algemene soorten, in zowel vegetatie als bebouwing. Binnen de Vogelrichtlijnsoorten wordt onderscheid gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) en vogels waar de nesten alleen jaarrond beschermd zijn wanneer er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (cat. 5).
14
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de vegetatie op en rondom de planlocatie. Nesten in bomen Het plangebied biedt met de aanwezige bebossing potentiële nestlocaties voor vogels met jaarrond beschermde nesten die in bomen broeden. Soorten met de hoogste potentie, gezien de aanwezige habitatonderdelen, verspreiding en waarnemingen, zijn: buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. In het bosgebied staan op veel locaties bomen die mogelijk geschikt zijn voor de voorgenoemde soorten. Daarnaast is een plukplaats met een duif aangetroffen ten zuiden van de atletiekbaan, aannemelijk betreft dit hier een havik, maar is het niet uitgesloten dat de duif door een andere soort geslagen is. Nesten van roofvogels of uilen kunnen aanwezig zijn nabij bosranden, in solitaire bomen en in dichte bebossing. Bij eventuele kap van bomen dient allereerst geïnventariseerd te worden of er nesten van vogels aanwezig zijn met een jaarrond beschermd nest. Het inventariseren van deze nesten kan het beste gebeuren in de winter, wanneer de bomen kaal zijn en de boomtoppen goed te overzien zijn.
Bij het aantreffen van mogelijke horsten van roofvogels of uilen dienen deze gemonitord te worden gedurende het respectievelijke broedseizoen van de soort om de aanwezigheid van daadwerkelijke broedgevallen vast te stellen. Het risico dat bomen nestende vogels een belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld. Nesten in gebouwen Huismus Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Sporadisch is de soort ook onder golfplaten daken te vinden. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het Chinees restaurant (B), het zwembad (C) en sportpark (D) hebben platte bitumen daken zonder geschikte openingen voor nestlocaties. Hier kan de aanwezigheid van de huismus derhalve worden uitgesloten. Het recreatiepark bestaat uit enkel losstaande gebouwen, stacaravans en vakantiehuizen met tuinen en een campingplaats. Door het park lopen paden en groenstructuren als haagbeuken en coniferen hagen en bomen als Amerikaanse eik, beuk en ruwe berk. De stacaravans en vakantiehuizen zijn opgetrokken uit kunststoffen en/of houten muren en hebben dakpannen, bitumen of kunststoffen daken. Enkele daken hebben vogelschroot waardoor het ontoegankelijk is voor vogels om onder het dak te nestelen.
Tevens zijn de woningen erg laag en is er geen oppervlaktewater aanwezig. Met de aanwezigheid van veel grote bomen wordt de kans op de aanwezigheid van huismussen lager (BIJ12 Kennisdocument huismus), aannemelijk vanwege een verhoogde kans op predatie door soorten als sperwer. Gedurende het veldbezoek op 15 oktober 2019 is het plangebied nauwgezet onderzocht, hierbij is geen enkele huismus gehoord of gezien. Al het voorgenoemde zorgt ervoor dat de aanwezigheid van huismussen niet wordt verwacht op het recreatiepark. De woning aan de Albert Plesmanring 15 (H) is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en heeft een schuin dakpannen zadeldak met een dakgoot. De woning aan de Amersfoortseweg 10 (F) is opgetrokken uit houten muren en heeft een bitumen dak. En de woning op 8A (G) is opgetrokken uit gemetselde muren met een schuinzadeldak. Bij sloop of werkzaamheden aan deze gebouwen kunnen er negatieve effecten op huismussen ontstaan (figuur 8). Bij het aantasten van essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied van huismussen, o.a. jaarrond groene heggen, kan er ook sprake zijn van overtreding Wet natuurbescherming. In deze situaties kan het nodig zijn om aanvullend onderzoek uit te voeren naar huismussen middels 2 gerichte veldbezoeken in de periode april – mei.
Daarnaast is het mogelijk om middels een inspectie naar nestlocaties buiten het broedseizoen nesten te inventariseren. Het risico dat huismussen een belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is laag. Gierzwaluw De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Aan de aanwezige
15
bebouwing op de planlocatie zijn geen geschikte openingen aangetroffen die gierzwaluwen mogelijke in- en uitvliegopeningen kunnen bieden. In- en uitvliegroutes worden belemmerd door de aanwezigheid van bomen. Daarnaast ontbreken krijtsporen die duiden op gierzwaluwnesten en is de ligging van het plangebied uitermate ongeschikt voor gierzwaluwen, aangezien deze over het algemeen meer gebonden zijn aan dichte concentraties van bebouwing. Het risico dat gierzwaluwen een belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is uitgesloten. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in ruim voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 10 km ligt het Natura 2000gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 8). Op een afstand van circa 50 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 9).
Figuur 8
16
De planlocatie ligt op een afstand van 10 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 50 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat mogelijke ontwikkelingen buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v.
de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld.
17
Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019). Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Mogelijke ontwikkelingen betreffen onder andere de realisatie van woningen wat ten opzichte van de huidige situatie kan leiden tot een toename in het aantal verkeersbewegingen.
De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’). Gezien de verwachte afname in stikstofemissie, het beperkte projecteffect en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (10 km) worden geen negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht, maar wordt wel aanbevolen om dit middels een Aeriusberekening rekenkundig inzichtelijk te maken.
Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven
per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Momenteel is het nog niet bekend of en in welke mate er kapwerkzaamheden op het plangebied plaats zullen hebben. Mochten er kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, is het mogelijk dat deze meldingsplichtig zijn in het kader van de Wet Natuurbescherming. Het
18
kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Mogelijke ontwikkelingen leiden evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
Conclusies Samenvatting a) Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Afhankelijk van de ontwikkelingen dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar beschermde zoogdieren, vleermuizen, reptielen en/of vogels met jaarrond beschermde nestlocaties. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden is afhankelijk van de werkzaamheden. c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Risicofactoren Verschillende type werkzaamheden nemen ander soort risico’s met zich mee voor verschillende soorten (tabel 2). Het plangebied kan zo opgedeeld worden in verschillende categorieën (figuur 10). Er is een inschatting gemaakt of er sprake is van een hoog, gemiddeld of laag risico waarbij mogelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.
19
Tabel 2 Overzicht van de risicofactoren per werkzaamheden. De kolom “R” (risico) geeft een indicatie of het een hoog (++) of laag (--) risico betreft. Werkzaamheden
Soort(groep)
R
Locatie
Vervolgstappen
Bomenkap
Rode eekhoorn
+/-
Totale bosgebied, m.u.v. het klimbos
Nestbomen inventariseren in winter
Boommarter
+/-
Totale bosgebied, m.u.v. het klimbos
Nestbomen inventariseren, aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Boombewonende vleermuizen
++
Totale bosgebied
Inventariseren boomholten, aanvullend onderzoek, 5x in mei – oktober
Vogels met jaarrond beschermde nesten
+
Totale bosgebied
Nestbomen inventariseren in winter, mogelijk aanvullend onderzoek in broedseizoen, periode afhankelijk van soort
Gebouwbewonende vleermuizen
++
Het Chinees restaurant, zwembad en de woningen aan de Amersfoortseweg 8A en 10 en Albert Plesmanring 15 te Zeist (B, C, F, G en H)
Aanvullend onderzoek, 5x in mei – oktober / extra veldbezoek voor potentie
Huismussen
+/-
woningen aan de Amersfoortseweg 8A en 10 en Albert Plesmanring 15 te Zeist (F, G en H)
Aanvullend onderzoek, 2x in april – mei
Stikstofdepositie
+/-
Totale bosgebied
Aerius berekening, mogelijk een voortoets of passende beoordeling
Boommarter
+/-
Totale bosgebied
Nestbomen inventariseren, aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Das
+/-
Totale bosgebied (foerageergebied)
Aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Hazelworm
+/-
Totale bosgebied, vooral bosranden (bijlage 2)
Aanvullend onderzoek, 4x in juni – september
Sloop/restauratie van de bebouwingen
Grootschalige bouwactiviteiten
Figuur 10 Het plangebied (rood omkaderd) met daarin de potentie voor aanwezigheid van beschermde natuurwaarden (hoog, gemiddeld of laag). Zie bijlage 3 voor potentiekaarten per soort.
20
Uitvoerbaarheid Afhankelijk van de beoogde werkzaamheden leiden de ontwikkelingen mogelijk tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan kapwerkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te kappen bomen een relevante functie heeft voor rode eekhoorn, boommarter, vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Voorafgaand aan sloopwerkzaamheden dient, afhankelijk van de bebouwing, middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor beschermde vleermuizen en/of huismussen. Voorafgaand aan grootschalige bouwprojecten dient middels inventarisaties en aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of het plangebied een relevante functie heeft voor boommarter, das, hazelworm, vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Conclusie Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied leiden, afhankelijk van de exacte locatie en de type werkzaamheden, mogelijk tot negatieve effecten ten aanzien van soortbescherming, gebiedsbescherming en/of houtopstanden. Afhankelijk van de exacte locatie en de type werkzaamheden dient aanvullend onderzoek naar soorten uitgevoerd te worden, een Aeriusberekening uitgevoerd te worden en een kapmelding in het kader van de Wet natuurbescherming te worden gedaan. Daarnaast dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels.
Vervolgstappen aanvullend onderzoek Aanvullende onderzoeken die ingezet kunnen worden wanneer bekend is hoe groot een ingreep in bosgebied is: • Een aanvullend onderzoek naar boommarter en/of das wordt uitgevoerd middels het inzetten van wildcamera’s (periode afhankelijk van soort). • Een aanvullend onderzoek naar hazelworm wordt uitgevoerd middels vier gerichte veldbezoeken in de periode juni t/m september. • Een aanvullend onderzoek naar rode eekhoorn wordt uitgevoerd door het inspecteren van nestbomen in de winterperiode. • Een aanvullend onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen wordt uitgevoerd middels een gerichte inspectie van de te kappen bomen op aanwezige nesten. Vervolgens dient bekeken te worden of er broedgevallen aanwezig zijn, dit kan middels meerdere gerichte veldbezoeken in de broedperiode van de te verwachten soort (afhankelijk van het aangetroffen nest). • Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen in bomen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.
Aanvullende onderzoeken die ingezet kunnen worden wanneer bekend is welke gebouwen gerenoveerd of gesaneerd gaan worden: • Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen in gebouwen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie
21
voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Te treffen maatregelen Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
• Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
22
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Roek Corvus frugilegus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K.