24RV057 - 3h- Blom Ecologie - onderzoek besch f&f Landg Dijnselburg (a) - 2018-11-19
Tekst van het document
BURO SRO T.a.v. Dhr. E. Stevens Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
19 november 2018
Kenmerk
BE/2018/560/r
Uw kenmerk
Email d.d. 10 oktober 2018
Auteur(s)
T.W.D. Schrader
Collegiale toets
K.J. Rebergen
Projectleider
C.J. Blom
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna op het Landgoed Dijnselburg te Zeist Aan de Amersfoortseweg 10A te Zeist is Landgoed Dijnselburg gesitueerd. Recentelijk is het landgoed van eigenaar gewisseld en momenteel wordt er nagedacht over mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Op het landgoed zijn in een zeer bosrijk gebied 7 gebouwen gelegen en een drietal maïsvelden. Project Stroet B.V. is voornemens de kwaliteiten van het Landgoed te herstellen en te behouden voor de toekomst. Hiervoor is waarschijnlijk een zekere ruimtelijke ontwikkeling noodzakelijk, waarbij het vooralsnog onduidelijk is wat exact de beoogde ontwikkelingen zijn. Het plangebied biedt mogelijk potentie voor beschermde flora en fauna en er kunnen mogelijk effecten optreden op beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkelingen geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologisch oriënterende onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Op basis van de inventarisatie kan een afgewogen keuze gemaakt worden welke ruimtelijke ontwikkelingen in de beoogde inrichting mogelijk conflicteren met de Wet natuurbescherming.
Buro SRO begeleidt de ruimtelijke ontwikkelingen en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke (potentieel) aanwezige flora en fauna kunnen mogelijk negatieve effecten ondervinden als gevolg van mogelijke ruimtelijke ingrepen? • Hebben mogelijke ruimtelijke ingrepen een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Welke deelgebieden van het plangebied hebben een hoge potentie voor beschermde flora en fauna en zijn derhalve kwetsbaarder voor mogelijke overtreding Wet natuurbescherming?
Planlocatie De planlocatie is gelegen op het Landgoed Dijnselburg te Zeist (figuur 1). Op de circa 28 hectare grond zijn in een bosrijke omgeving 7 gebouwen gelegen. Op het perceel zijn verder verschillende structuren als bos, bomenlanen, agrarische percelen en tuinen aanwezig. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Het landgoed ligt ingeklemd tussen de A28 en de N237. De directe omgeving wordt gekenmerkt als relatief bosrijk, met veel bomenlanen langs wegen en velden. De bebouwde kom van Zeist ligt direct aan de overzijde van de A28. Ten noorden van de N237 is direct villapark Blookerpark gelegen. Ten oosten en ten westen zijn woonblokken aanwezig, waarbij aan de westelijke zijde ook een sportpark is gelegen met sintelbaan, zwembad en sporthal.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) betreft het Landgoed Dijnselburg, gelegen aan de Amersfoortseweg 10A te Zeist (bron: arcgis.com).
Figuur 2
Een satellietfoto van het Landgoed Dijnselburg (rood kader) te Zeist (bron: arcgis.com).
Aanwezige bebouwing 1. Het Huis der Professoren is een gemeentelijk monument. Het ligt centraal op het landgoed. Het Huis der Professoren bestaat uit 2 bouwlagen plus souterrain en een zolder met afgeplat schilddak. Het pand is opgetrokken uit steense muren met spouw en heeft een dak uit dakpannen. 2. Het Philosophicum is later aan het landhuis gebouwd. Dit pand is in karakteristieke Delftse Schoolarchitectuur gebouwd, waarbij de kapel in de vorm van een vroegchristelijke basiliek is uitgevoerd. Ook het Philosophicum is een gemeentelijk monument. Een groot deel van het pand staat leeg. Het pand is opgetrokken uit steense muren met een zadelduik uit dakpannen. Er is een aluminium daklijst aanwezig. 3. Het voormalige koetshuis / zusterhuis bestaat uit 2 bouwlagen en een kapverdieping. Het gebouw bood ruimte voor dagrecreatie en een gymzaal. Op dit moment wordt het gebruikt als onzelfstandige woonruimte. Het pand is opgetrokken uit steense muren en heeft een zadeldak uit dakpannen. Rondom zijn witte boeiboorden aanwezig. 4. Op de woon/werk locatie zijn naast 3 zelfstandige woningen ook enkele inpandige werkruimtes aanwezig. Een gedeelte van het pand heeft dakpannen en er is rondom sprake van boeiboorden. Het pand is opgetrokken uit steense muren met spouw. 5. De bungalow is de voormalige woning van de aartsbisschop van Utrecht. Deze bestaat uit één bouwlaag met een plat dak. 6.
De voormalige boerderij is opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en bestaat uit één bouwlaag. Het gedeelte met aanbouw is grotendeels uit houten panelen gebouwd. 7. De verouderde agrarische schuur is opgetrokken uit houten panelen en heeft een zadeldak met dakpannen. Het dak heeft geen isolatieplaten.
Figuur 3
Bestaande bebouwing op de planlocatie (bron: Buro SRO)
Functieverandering en effecten Momenteel zijn er nog geen heldere ontwikkelingen beoogd. Op basis van dit rapport kunnen risico’s met betrekking tot de Wet natuurbescherming ingeschat worden en overeenkomstig beslissingen gemaakt worden. Onderstaand volgt een korte inschatting van ingrepen die mogelijk uitgevoerd kunnen worden en effecten op flora en fauna kunnen resulteren: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • renoveren van bebouwing: algemene sloop- en bouwwerkzaamheden en afvoer materiaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • kapwerkzaamheden: kappen en afvoer hout; • grondverzet en egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden;
3
Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie kunnen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van mogelijke ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018 en is uitgevoerd door drie personen. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 13 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
4
Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: dreps (Floron Verspreidingsatlas). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Op het plangebied is een variatie aan vegetatietypen aanwezig en vrijwel het gehele plangebied is onverhard, op de oprit en parkeerplaatsen na. Een groot gedeelte van het perceel is bosgebied, waarbij de overheersende combinatie eiken-beukenbos is. Lokaal zijn er plekken waar grove den abundant is. Tussen de algemene bomensoorten als Amerikaanse eik, beuk, grove den en zomereik staat meer houtige vegetatie in de vorm van: gewone esdoorn, mannetjesvaren, paardenkastanje, tamme kastanje, taxus en zachte berk.
Over het algemeen is er weinig sprake van onderbegroeiing, maar op de bosgrenzen, in de meer open gebieden en als opkomende vegetatie zijn kruidige planten en struiken aanwezig. Dergelijke soorten zijn: braam, hulst, lelietje-van-dalen, robinia en rododendron. Mogelijke sloop van bebouwing of bomenkap leidt aannemelijk niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. De beschermde dreps is zeer zeldzaam en is vrij recentelijk ingezaaid ten zuiden van Zeist. Deze soort groeit hoofdzakelijk op zonnige, open plaatsen als akkers, braakliggende grond, wegranden of ruigte waar sprake is van lichte gronden. De planlocatie is met vrij zware zandgronden geen ideale standplaats voor de soort. Daarnaast is de afstand en de tussenliggende bebouwde kom een barrière voor mogelijke kolonisatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht binnen het plangebied. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten door mogelijke ingrepen derhalve niet worden verwacht.
Het risico dat beschermde flora mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, boommarter, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2018). Voor boommarter, das, rode eekhoorn en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
5
Boommarter Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters. De rusten nestplaatsen zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. Een territorium kan circa 1000 hectare groot zijn en er worden nachtelijk afstanden tot wel 20 km afgelegd. Het voedsel van boommarters bestaat uit insecten, vogels en eieren, kleine zoogdieren en bessen en vruchten (Zoogdiervereniging boommarter). De soort wordt geregeld in de nabije omgeving van het plangebied waargenomen, onder andere als verkeersslachtoffer op de A28, direct ten zuiden van het plangebied. Het gebied tussen de drukke wegen de N237 en de A28 is vrij smal. Theoretisch is een territorium zonder de drukke wegen als barrières circa 130 hectare. Deze beperkingen zorgen er voor dat het niet wordt verwacht dat het plangebied onderdeel is van het vaste territorium van een boommarter. Gedurende het veldbezoek zijn er boomholten aangetroffen met potentie tot mogelijke nesten. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat bijvoorbeeld een jong individu op zoek naar nieuw leefgebied zich (tijdelijk) vestigt binnen het plangebied. Daarnaast kan het nog steeds voorkomen dat boommarters incidenteel gebruikmaken van het plangebied bij foerageer- of migratieactiviteiten.
Bij bomenkap dient er geïnventariseerd te worden of er mogelijk nestbomen van boommarters aanwezig zijn binnen het plangebied. Mocht de bomenkap grootschalig zijn, kan het wenselijk zijn om middels wildcamera’s in kaart te brengen of boommarters aanwezig zijn binnen het plangebied en wat de functie van het plangebied is voor de soort. Het risico dat de boommarter mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld. Das De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Dassen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen, hieronder vallen (grote) hoofdburchten, bijburchten en vluchtpijpen. Het stapelvoedsel van dassen bestaat uit regenwormen, maar daarnaast staan vruchten, noten, granen en ook ongewervelden op het menu. Tijdens het veldbezoek is een dassenburcht aangetroffen op de planlocatie (figuur 4). Deze is gelegen ten noordoosten van de bebouwing (bijlage 2). De burcht bestaat uit circa 7 pijpen. De burcht lijkt door de aanwezigheid van zand dat reeds vergraven is met daar bovenop een dunne laag bladeren momenteel in gebruik.
Onduidelijk is of de burcht in gebruik is door een das of door bijvoorbeeld een vos of haas. Deze algemenere soorten maken sporadisch gebruik van oude dassenburchten. Om de functie van de dassenburcht beter te kunnen duiden wordt aanvullend onderzoek met wildcamera’s aangeraden. Met de resultaten van dit onderzoek kan bekeken worden of er daadwerkelijk een das aanwezig is in de burcht en wat de functie is van de burcht in relatie tot mogelijke andere burchten in de omgeving. Het gebied rondom de burcht heeft een groot risico dat dit essentiële habitatonderdelen van dassen zijn. Bij ontwikkelingen verder weg van de burcht is de kans kleiner dat dassen gebruik maken van het gebied en het desbetreffende gebied essentieel is, ondanks dat het gehele plangebied geschikt leefgebied is. De rust- en voortplantingslocatie van een das is beschermd, evenals het functioneel leefgebied dat nodig is om deze verblijfplaatsen goed te laten functioneren. Bij deze onderdelen kunnen ook foerageer- en migratiegebieden gerekend worden. Het risico dat de das mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is nabij de dassenburcht hoog.
6
Figuur 4
Op het plangebied is een dassenburcht aanwezig, hier 2 van de circa 7 pijpen.
Rode eekhoorn Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Op en rondom de planlocatie zijn geen (nest)bomen (vaste rust- en verblijfplaatsen) van rode eekhoorn aangetroffen, maar dient vermeld te worden dat wegens de gesloten kroon het voorkomen van nesten niet uitgesloten kan worden. Gelet op de inrichting van de directe omgeving en de potentie voor rode eekhoorn is het aannemelijk dat onderdelen van de planlocatie een relevante functie heeft voor de soort gedurende het foerageren, migreren en sociale interactie (bijlage 2). Gedurende het veldbezoek zijn op meerdere plekken, hoofdzakelijk aan de noordzijde, sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van eekhoorns (figuur 5). Eventuele kap leidt mogelijk tot afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de rode eekhoorn. Om in te kunnen schatten wat de functie van het plangebied heeft voor rode eekhoorns kan een gerichte nestinventarisatie uitgevoerd worden. Een beter inventarisatiemoment voor nestbomen van rode eekhoorn is midden in de winter, waarbij de kroon van de bomen veel beter valt te inventariseren. Bij het vinden van eventuele nestbomen van rode eekhoorn dient mogelijk ontheffing aangevraagd te worden. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de gunstige staat van instandhouding van de lokale eekhoornpopulatie.
Het risico dat de rode eekhoorn mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog.
Figuur 5
Op het plangebied zijn op meerdere plekken sporen van eekhoorns aangetroffen. Dit betreffen opengebroken eikels/beukennootjes, over het algemeen geconcentreerd onder bomen.
Steenmarter Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter). In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. Gedurende het veldbezoek zijn geen structuren aangetroffen die een hoge potentie hebben voor rust- en verblijfplaatsen van steenmarters. Deze rustplaatsen zijn over het algemeen ook voorzien van prooiresten, uitwerpselen en andere geurmarkeringen. Dergelijke sporen zijn niet aangetroffen. Op de planlocatie is in beperkte mate sprake van de genoemde habitatonderdelen
7
van het functioneel leefgebied van steenmarters. Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen wordt niet verwacht, maar kan niet geheel uitgesloten worden. Het risico dat de steenmarter mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. De planlocatie heeft naast de strikter beschermde soorten ook zeer waarschijnlijk een functie voor een breed scala aan algemene soorten. Dit betreft met name soorten als egel, gewone bosmuis, haas, konijn, ree, veldmuis en vos. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat, bij beperkte ontwikkelingen, in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2018). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als habitatrichtlijnsoorten beschermd. Van de vleermuizen die voorkomen in de omgeving van het plangebied komen zowel gebouw- als boombewonende soorten voor. Gebouwbewonende vleermuizen De bebouwing op de planlocatie is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Bij het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw of een afgesloten ruimte in het dak is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.
Het grootste gedeelte van de bebouwing heeft geen spouwmuren, waardoor de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen uitgesloten kunnen worden (figuur 6). Het Philosophicum (2) heeft wel een spouwmuur en hier is een grote hoeveelheid aan open stootvoegen aangetroffen. Aan de aluminium daklijsten zijn geen geschikte openingen aangetroffen. In dit gebouw kan niet uitgesloten worden dat deze gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger of ruige dwergvleermuis. In de overige bebouwing is geen potentie voor vleermuizen aanwezig. Bij mogelijk sloop of andere werkzaamheden die mogelijk schade toebrengen aan vleermuizen aan het Philosophicum dient er aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden, middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei – oktober, om vast te stellen welke functie de bebouwing voor vleermuizen heeft. Het risico dat gebouwbewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld.
8
Figuur 6
Van de aanwezige bebouwing op de planlocatie is mogelijk het Philosophicum (2) geschikt voor vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen.
Boombewonende vleermuizen Binnen het plangebied is een hoog aantal bomen aangetroffen met boomholten die potentie hebben tot vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen (figuur 7, 8 en 9). Enkele van deze bomen laten zwarte sporen zien. Dit type sporen is een sterke indicatie dat de holte bewoond is of ooit bewoond is geweest door vleermuizen. Het onderscheid met wondvocht van een boom is in sommige gevallen moeilijk te zien. Een geschikte boomholte voor een verblijfplaats is naar boven toe ingerot, waardoor de vleermuizen aan de bovenzijde van de holte veilig en droog zitten. Inrotting naar beneden toe is niet geschikt, aangezien er aan de onderzijde nog sprake is van inregenen.
Figuur 7
Een boomholte is pas geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen als deze naar boven toe is ingerot. Hier het rottingsproces chronologisch uitgebeeld.
Bij het kappen van bomen dient te worden vastgesteld of er bomen met holten aanwezig zijn en of deze boomholten geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Mocht dit niet uitgesloten kunnen worden dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden, middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei – oktober, om vast te stellen welke functie de bomen voor vleermuizen hebben. Het risico dat boombewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog.
9
Figuur 8
Op de planlocatie zijn veel bomen aangetroffen met boomholten geschikt voor vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Drie aangetroffen boomholten laten kenmerkende sporen zien en hebben een hoge potentie voor mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen.
Figuur 9
Op de planlocatie zijn veel bomen aangetroffen met boomholten geschikt voor vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De drie boomholten met hoge potentie zijn hier ook ingetekend, maar biedt geen uitsluitsel dat dit de enige geschikte boomholten zijn.
Foerageergebied en vliegroute Tussen de bebossing, langs bomenlanen, boven open gebieden en in de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens mogelijke sloop-, kap- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik.
10
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens mogelijke ontwikkelingen dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, hazelworm, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, levendbarende hagedis, meerkikker, poelkikker, ringslang en zandhagedis (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2010-2018). Voor alpenwatersalamander, hazelworm, heikikker, kamsalamander, poelkikker, ringslang en zandhagedis geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het is zeer aannemelijk dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming).
Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander en poelkikker Op en nabij het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Voor deze beschermde amfibieën is het van belang dat binnen een straal van circa 300 m de combinatie van potentieel voortplantingswater en overwinteringslocaties aanwezig zijn. Tussen deze essentiële habitatonderdelen dienen er gunstige migratieroutes aanwezig te zijn om massale sterfte gedurende de migratie te voorkomen. De afwezigheid van oppervlaktewater op het plangebied in combinatie met de aanwezigheid van bedreigende barrières in de vorm van de A28 en de N237 zorgen er voor dat het voorkomen van deze beschermde amfibieën zijn uitgesloten. Hazelworm Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (Ravon hazelworm, 2018). Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit regenwormen en naaktslakken. Hazelwormen zijn actief in de periode maart – oktober, waarna er wordt overwinterd in droge holen, al dan niet zelf gegraven, of spleten in rotsen (Creemers & Van Delft, 2009). Op meerdere plekken op de planlocatie is geschikt habitat gevonden voor hazelwormen. Dit zijn hoofdzakelijk de overgangsgebieden van bos naar open terrein (bijlage 2). Vooral aan de noordelijke zijde van het plangebied is hier optimaal habitat aanwezig, bijvoorbeeld nabij de bosovergangen en de rododendrons.
Het risico dat hazelwormen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is gemiddeld. Ringslang Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Ringslangen kunnen goed zwemmen en grote afstanden afleggen. Voor het broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn (Ravon ringslang). In de omgeving van het plangebied worden ringslangen geregeld waargenomen. Dit betreffen over het algemeen locaties achter de barrières A28, N237 en N238. Binnen het plangebied is in zeer beperkte mate functioneel leefgebied van ringslangen aanwezig, maar zijn de aquatische omstandigheden afwezig. Gunstige migratieroutes richting kwalitatief hoogwaardigere gebieden zijn afwezig, waardoor het voorkomen van ringslangen op het plangebied wordt uitgesloten. Het risico dat ringslangen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Zandhagedis Zandhagedissen leven in zandige, droge en open terreinen als heide en duinen (BIJ12 kennisdocument Zandhagedis, 2017).
De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen worden is van groot belang. Zandhagedissen overwinteren in (muizen)holletjes in de periode september – april. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit insecten, spinnen en andere ongewervelden. Binnen het plangebied is geen functioneel leefgebied van zandhagedissen aanwezig. Het voorkomen van de soort op de planlocatie wordt uitgesloten.
11
Het risico dat zandhagedissen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van mogelijke ontwikkelingen bevindt zich geen oppervlaktewater. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Het risico dat beschermde vissen mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. In de nabije omgeving is voorkomen bekend van grote vos. De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. Exemplaren die worden aangetroffen zijn aannemelijk zwervers uit het buitenland of onregelmatige populaties (Vlinderstichting grote vos, 2018). De verwachting is dat de grote vos als standvlinder al is uitgestorven in Nederland. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Het vliegend hert komt voor in oude eikenbossen, maar wordt aanwezigheid van de soort uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Het risico dat beschermde insecten, libellen en andere ongewervelden mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is uitgesloten.
Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: buizerd, ekster, fitis, gaai, grote bonte specht, grote Canadese gans, houtduif, kauw, kleine bonte specht, koolmees, merel, pimpelmees, spreeuw, Turkse tortel, vink, winterkoning, zanglijster en zwarte kraai. De planlocatie biedt een variatie aan nestlocaties voor een breed scala aan algemene soorten, in zowel vegetatie als bebouwing. Binnen de Vogelrichtlijnsoorten wordt onderscheid gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) en vogels waar de nesten alleen jaarrond beschermd zijn wanneer er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (cat. 5). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de vegetatie op en rondom de planlocatie. Nesten in bomen Het plangebied biedt met de intensieve bebossing potentiële nestlocaties voor vogels met jaarrond beschermde nesten die in bomen broeden.
Soorten met de hoogste potentie, gezien de aanwezige habitatonderdelen, verspreiding en waarnemingen, zijn: buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. Gedurende het veldbezoek is ook een laag cirkelende buizerd aangetroffen. Op het perceel staan op veel locaties bomen die mogelijk geschikt zijn voor de voorgenoemde soorten. Deze nesten kunnen aanwezig zijn nabij bosranden, in solitaire bomen en in dichte bebossing. Bij eventuele kap van bomen dient allereerst geïnventariseerd te worden of er nesten van vogels aanwezig zijn met een jaarrond beschermd nest. Het inventariseren van deze nesten kan het beste gebeuren in de winter, wanneer de bomen kaal zijn en de boomtoppen goed te overzien zijn. Bij het aantreffen van mogelijke horsten van roofvogels of uilen dienen deze gemonitord te worden gedurende het respectievelijke broedseizoen van de soort om de aanwezigheid van daadwerkelijke broedgevallen vast te stellen. Nesten in gebouwen Huismus Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Sporadisch is de soort ook onder golfplaten daken te vinden. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).
Geschikte ruimtes onder daken met dakpannen zijn aangetroffen in drie gebouwen; het Philosophicum (2), het koetshuis (3) en de woon/werk locatie (4). In de overige bebouwing zijn geen geschikte daken aangetroffen (figuur 10). Ongeschikte daken betreffen met name daken zonder dakbeschot of zonder dakgoot. Het voorkomen van nestlocaties
12
van huismus in deze bebouwing kan uitgesloten worden. Bij sloop of werkzaamheden van de gebouwen waar huismussen niet uitgesloten kunnen worden, kunnen er negatieve effecten op huismussen ontstaan. Bij het aantasten van essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied van huismussen, o.a. jaarrond groene heggen, kan er ook sprake zijn van overtreding Wet natuurbescherming. In deze situaties kan het nodig zijn om aanvullend onderzoek uit te voeren naar huismussen middels 2 gerichte veldbezoeken in de periode april – mei. Daarnaast is het mogelijk om middels een inspectie naar nestlocaties buiten het broedseizoen nesten te inventariseren.
Figuur 10 Van de aanwezige bebouwing op de planlocatie is mogelijk het Philosophicum (2), het koetshuis (3) en de woon/werklocatie geschikt voor nestlocaties van huismussen. Gierzwaluw De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Aan de aanwezige bebouwing op de planlocatie zijn geen geschikte openingen aangetroffen die gierzwaluwen mogelijke in- en uitvliegopeningen kunnen bieden (figuur 11). Daarnaast ontbreken krijtsporen die duiden op gierzwaluwnesten en is de ligging van het plangebied uitermate ongeschikt voor gierzwaluwen, aangezien deze over het algemeen meer gebonden zijn aan dichte concentraties van bebouwing. Gezien vorengenoemde kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
Figuur 11 De aanwezig bebouwing op de planlocatie is ongeschikt als nestlocatie voor gierzwaluwen.
13
Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig en zijn geen nesten waargenomen. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in ruim voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Er zijn op meerdere plekken aan het koetshuis (3) sporen van nesten van huiszwaluwen aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 10 km ligt het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (figuur 12). De planlocatie ligt op een afstand van circa 50 m ten zuiden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 13).
Figuur 12 De planlocatie ligt op een afstand van 10 km tot het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (bron: nationaal Georegister PDOK).
14
Figuur 13 De planlocatie ligt op een afstand van circa 50 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK). Momenteel is het nog onduidelijk wat de exacte beoogde ontwikkelingen zijn. Derhalve is het ook moeilijk om in te schatten wat de effecten op omliggende natuurgebieden is, waarvan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op 10 km afstand ligt. Mogelijke sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Bij de realisatie van nieuwbouw op de plaats van oude bebouwing is over het algemeen sprake van een relatief lage(re) uitstoot door hogere isolatiewaarden. Dit is afhankelijk van het type en de hoeveelheid bebouwing dat verdwijnt of wordt gerealiseerd. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De drempelwaarde stikstofdepositie voor negatieve effecten ten opzichte van kwetsbare natuurgebieden is 0,05 mol/hectare. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing kan door bevoegd gezag het wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand;
15
h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Momenteel is het nog niet bekend of en in welke mate er kapwerkzaamheden op het plangebied plaats zullen hebben. Mochten er kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, is het mogelijk dat deze melding- en/of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Afhankelijk van de beoogde ontwikkelingen dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar beschermde zoogdieren, vleermuizen, reptielen en/of vogels met jaarrond beschermde nestlocaties. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden is afhankelijk van de beoogde werkzaamheden. Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
16
Risicofactoren Tabel 1 Overzicht van de risicofactoren per werkzaamheden. De kolom “R” (risico) geeft een indicatie of het een hoog (++) of laag (--) risico betreft. Werkzaamheden
Soort(groep)
R
Locatie
Vervolgstappen
Bomenkap
Rode eekhoorn
+
Totale bosgebied
Nestbomen inventariseren in winter
Boommarter
+/-
Totale bosgebied, vooral bij houtwallen
Nestbomen inventariseren, aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Boombewonende vleermuizen
++
Totale bosgebied, vooral gebieden aangegeven in fig. 8
Inventariseren boomholten, aanvullend onderzoek, 5x in mei – oktober
Vogels met jaarrond beschermde nesten
+
Totale bosgebied
Nestbomen inventariseren in winter, mogelijk aanvullend onderzoek in broedseizoen, periode afhankelijk van soort
Gebouwbewonende vleermuizen
+
Philosophicum (2)
Aanvullend onderzoek, 5x in mei – oktober
Huismussen
+/-
Philosophicum (2) Koetshuis (3) Woon/werklocatie (4)
Aanvullend onderzoek, 2x in april – mei
Stikstofdepositie
+/-
Totale bosgebied
Aerius berekening, mogelijk een voortoets of passende beoordeling
Boommarter
+/-
Totale bosgebied, vooral bij houtwallen
Nestbomen inventariseren, aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Das
++
Totale bosgebied, vooral nabij burcht (bijlage 2)
Aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Steenmarter
+/-
Totale bosgebied, vooral bij houtwallen
Aanvullend onderzoek met wildcamera’s
Hazelworm
+/-
Totale bosgebied, vooral bosranden (bijlage 2)
Aanvullend onderzoek, 4x in juni – september
Sloop/restauratie
Grootschalige bouwactiviteiten
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +
-
-
+
+
-
n
j
n
+
+
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat overige soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
j
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
10 km
n.t.b.
n.t.b.
Natuurnetwerk Nederland
50 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding / vergunning
Struiken
ja
n.t.b.
n.t.b.
Bomen
ja
n.t.b.
n.t.b.
j
-
broedvogels (j)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Legenda
broedvogels (a)
Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.
+/-
n
j
17
Figuur 14 Inschatting van de regio’s waar sprake is van hoog (III), matig (II) en beperkt (I) risico waarbij ontwikkelingen mogelijk kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. N.B. ook bij een beperkt risico dient er met betrekking tot beoogde ontwikkelingen allereerst uitsluitsel gegeven te worden middels aanvullend onderzoek. Conclusie Afhankelijk van de beoogde werkzaamheden leiden deze mogelijk tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan kapwerkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te kappen bomen een relevante functie heeft voor rode eekhoorn, boommarter, vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Voorafgaand aan sloopwerkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor beschermde vleermuizen en/of huismussen. Voorafgaand aan grootschalige bouwprojecten dient middels inventarisaties en aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of het plangebied een relevante functie heeft voor marterachtigen, das, hazelworm, vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
18
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Roek Corvus frugilegus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii, versie 1.0.
Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Werkgroep 'Standaarden en protocollen', Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
19
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Overzicht van geschikte habitats voor beschermde fauna
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
20
Bijlage 1
Fotografische impressie
Bebouwing
Figuur 1
Huis der Professoren.
Figuur 2
Philosophicum.
21
22
Figuur 3
Koetshuis/zusterhuis.
Figuur 4
Woon/werklocatie.
Figuur 5
Voormalige boerderij.
Figuur 6
Schuren.
23
Landschappelijke en natuurelementen
Figuur 1
24
Locaties waar de foto’s van onderstaande indrukken zijn genomen.
1.
2.
25
3.
4.
26
5.
27
Bijlage 2
Overzicht van geschikte habitats voor beschermde fauna
Figuur 1
Mogelijk habitat en aangetroffen burcht van de das. Het onderscheid in mogelijk gebruik wordt gemaakt op basis van afstand tot de burcht.
28
Figuur 2
Mogelijk habitat van de rode eekhoorn.
29
Figuur 3
30
Mogelijk habitat van de hazelworm.