CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

24RV057 - 3b- 2 20200511 NM Notitie en Addendum Dijnselburg versie 1.0 dl2

Ronde Tafel 26 september 2024, gemeente ZeistBij agendapunt: Ronde Tafel Gebiedsvisie Dijnselburg2.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Addendum ‘Omgaan met cultuurhistorische waarden Groot Dijnselburg’ Opgesteld door Nelleke Manschot Lopik, 11 mei 2020 Aanleiding Dit addendum is opgesteld ter aanvulling op het onderzoeksrapport ‘Cultuurhistorisch onderzoek Dijnselburg’, binnen het plangebied t.b.v. Gebiedsvisie Dijnselburg te Zeist (opgesteld door NM onderzoek & advies, 18 december 2019). Voor een beter begrip van de historische ontwikkeling van het plangebied en de waardestelling wordt er verwezen naar het onderzoeksrapport. Voorliggend document gaat in op de gewenste omgang met de cultuurhistorische waarden in de Gebiedsvisie Groot Dijnselburg en het benoemen van kansen vanuit cultuurhistorie. Het is opgesteld op verzoek van de projectgroep Gebiedsvisie Groot Dijnselburg, in opdracht van gemeente Zeist. NB Er wordt in dit document meermaals verwezen naar het cultuurhistorisch onderzoek, hiermee wordt het eerder genoemde onderzoeksrapport ‘Cultuurhistorisch onderzoek Dijnselburg’ (2019) bedoeld. Inleiding Een standaardrecept voor de omgang met cultuurhistorische waarden van een landgoed of buitenplaats bestaat niet. Monumentenzorg is immers maatwerk. Dat geldt niet alleen voor gebouwd erfgoed, maar ook voor groen erfgoed.

Kennis van de historie van de aanleg, de samenhang tussen de aanwezige elementen en de verschillende tijdslagen in de aanleg zijn cruciaal voor zorgvuldige omgang met bestaande waarden, voor behoud, herstel én ontwikkeling van groene monumenten. Specifiek voor het plangebied Groot Dijnselburg zijn onderstaande opgaven benoemd die in algemene zin van toepassing zijn voor omgang met cultuurhistorische waarden. Per opgave is een richtinggevend advies opgenomen. Vervolgens zal worden ingegaan op de zogenaamde kernwaarden van het plangebied en welke (meer concrete) kansen hier liggen vanuit cultuurhistorie voor de toekomst. Opgave 1: Balans tussen behouden, beschermen, herstellen, laten vervagen en vernieuwen Het doel van de Gebiedsvisie Groot Dijnselburg is tweeledig. Enerzijds is het nodig om de ontstane versnippering (van m.n. het westelijk deel) van het plangebied tegen te gaan en anderzijds is een verbetering beoogd van de ruimtelijke kwaliteit. Om te bepalen hoe deze doelstellingen kunnen worden bereikt is door de gemeente Zeist een veelomvattend proces en project gestart. Het cultuurhistorisch belang wordt hierin meegenomen op basis van het cultuurhistorisch onderzoek. In het uiteindelijke toekomstplan, de Gebiedsvisie Groot Dijnselburg, dient een evenwichtige balans te ontstaan tussen natuur, recreactie, cultuurhistorie en divers gebruik.

In het proces om te komen tot een gebiedsvisie zal er een constante wisselwerking zijn tussen deze verschillende thema’s. Waar kies je voor behoud van natuurwaarden en welke

Concept1

5

impact heeft dit op het recreatief gebruik? Of waar herstel je cultuurhistorische waarden en hoe verhoudt zich dat tot de gewenste bouwplannen? In dit proces is het vanuit cultuurhistorie belangrijk om onderbouwd keuzes te maken. Het cultuurhistorisch onderzoek biedt hiervoor handvatten. De waardestelling benoemd de aanwezige cultuurhistorische waarden en geeft richting voor keuzes door de waardetoekenning. Een (cultuurhistorische) waardestelling kent waarde toe aan (onderdelen van) de aanleg, maar is geen dictaat of pleidooi voor het musealiseren of bevriezen van een aanleg. Naarmate cultuurhistorische waarden hoger zijn, moeten er krachtiger en sterker onderbouwde argumenten zijn om ze op te offeren of in te ruilen voor andere waarden of belangen. Bij integrale afwegingen spelen waardestellingen die met bewijsvoering zijn onderbouwd een belangrijke rol. Richtinggevend advies/ uitgangspunt: Behoud en bescherm de onderdelen uit de waardestelling met een positieve en hoge cultuurhistorische waarde. Onderzoek of herstel van verdwenen structuren zinvol is en welke bijdrage deze elementen leveren aan de ambities binnen de Gebiedsvisie.

Je kunt hierbij denken aan verschillende elementen en schaalniveaus: - Het herstellen van een dubbele entree aan de Amersfoortsche weg (er was rond 1900 meer symmetrie aanwezig in de parkaanleg door een tweede entree richting het landhuis) - Ter inspiratie: het ‘sterrenbos’ als structuur herintroduceren om meer eenheid en structuur in het westelijk deel van het plangebied toe te voegen. - Het plangebied heeft van oudsher een boskarakter, ook in het westelijk deel. Het zwembad heette immers niet voor niets ‘Bosbad Dijnselburg’. Dat zegt iets over het karakter en de beleving van dit gebied. Door het boskarakter als ambitie te benoemen in de Gebiedsvisie en bijvoorbeeld alle functies te toetsen aan hun inpasbaarheid binnen het ‘boskarakter’, wordt er eenheid in identiteit bereikt. Opgave 2: Tijdlagen bewaren Veel parken en tuinen van landgoederen en buitenplaatsen zijn in de loop van de tijd gewijzigd. Verschillende aanlegperioden liggen over elkaar heen of naast elkaar. Goed beheer zorgt ervoor dat deze tijdlagen afleesbaar blijven. In het plangebied zijn echter ook enkele tijdlagen of onderdelen hiervan vervaagt door achterstallig onderhoud. Elke tijdlaag vertelt een deel van de geschiedenis, behoud van tijdlagen is daarom waardevol.

Hieronder de tijdslagen en bijbehorende relicten van het plangebied opgesomd: Relicten uit tijdsperiode ‘Hof van Dinslo’: • Kerkepad uit de middeleeuwen met delen van oude laanbeplanting. Relicten uit tijdsperiode ‘Aan de Wegh der Weegen’: • Ligging aan Amersfoortseweg (raamwerk van 3 aaneengesloten vakken nog deels herkenbaar); • Ligging aan Panweg; • Beukenlanen parallel aan de Amersfoortseweg.

Concept1

6

Relicten uit tijdsperiode ‘Buitenplaats in landschapsstijl’: • Het ensemble van bos als ruimtelijk onderdeel van de grotere buitenplaats; • Locatie en hoofdvorm van het landhuis; • Koetshuis en directe bijgebouwen; • Aanwezigheid en locatie van de moestuin, moestuinmuur en restanten muurkassen (periode kwekerij); • Restanten landschapspark voorterrein en restanten park in noordoostelijk deel (huidig bos); • Gebogen entreelaan vanaf Amersfoortseweg; • Zicht over zuidelijke weide; • Lanenstructuur in driesprong (westelijk deel); • Zichtlijn Badmeester Schenkpad; • Beukenhaag/ bomenrij achter Chinees-Indisch restaurant • Laan ten zuidwesten van de atletiekbaan. • Solitaire bomen met eventuele monumentale waarde op terreinen landgoed en camping (nader onderzoek nodig). Relicten uit tijdsperiode ‘Landgoed en bisdom’ • het Philosophicum met kapel; • bungalow; • parkeerplaats op voormalige tennisbaan; • riooloverstort. Relicten uit naoorlogse periode • Dijnselhoek als horeca-plek • Sporthal Dijnselburg • Bungalow Amersfoortseweg en bungalow Badmeester Schenkpad Richtinggevend advies: om de geschiedenis van Dijnselburg afleesbaar te houden is het minimaal nodig om relicten uit verschillende tijdslagen te behouden.

Daarnaast is het logisch om te kiezen voor een herstelplan voor relicten uit de tijdsperiode ‘Aan de Wegh der Weegen’ in samenhang met de tijdsperiode ‘Buitenplaats in late landschapsstijl’, waarbij de nadruk op deze laatste tijdslaag ligt. Door te kiezen voor een herstelplan van deze twee tijdslagen wordt de identiteit van deze unieke plek beter beleefbaar gemaakt. Dit draagt bij – mits op een goede manier uitgevoerd - aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, de beleving voor de gebruiker en de recreatieve waarde. Hoe verhoudt de nieuwe tijdslaag zich tot de voorgaande tijdslagen? In de Gebiedsvisie (hoofdstuk 7, pagina 25) wordt gesproken over het toevoegen van een nieuwe laag. Het is onduidelijk wat deze nieuwe ‘laag’ precies inhoudt en hoe deze laag zich verhoudt tot de voorgaande tijdslagen.

Concept1

7

Hieronder wordt ingegaan op (een voorzet van) de kernwaarden van het landgoed. Welke uitgangspunten kunnen meegenomen worden in de gebiedsvisie en welke kansen liggen hier voor de gebiedsvisie. Het cultuurhistorisch onderzoek concludeert dat het accent van de bestaande cultuurhistorische waarden te vinden is in de relicten uit de 18e en 19e eeuw. Dit zijn de zgn. kernwaarden van het gebied. Het is dan ook logisch om in de toekomstvisie deze kernwaarden minstens te behouden en waar het kan te herstellen. Dit zal bijdragen aan betere beleving van de cultuurhistorie en de herkenbaarheid van de unieke identiteit van Dijnselburg. Welke elementen zijn relicten uit deze tijdslaag? Welke relicten behouden we? Welke herstellen we? Welke worden gereconstrueerd? Kernwaarde 1 | Herkenbare vakkenindeling/ raamwerk ‘Wegh der Weegen’ (zie ook pagina 46-47 en pagina 56-57 uit het cultuurhistorisch onderzoek)

Afbeelding: Dijnselburg omvat de vakken 20-22 Zuid (uit: Zeist door de tijd).

Aan Dijnselburg zijn in de zeventiende eeuw drie vakken toebedeeld in het wegontwerp van de Amersfoortseweg. De eenheid van het grondeigendom van 3 vakken binnen het raamwerk van de Wegh der Weegen is door de eeuwen heen echter versnipperd geraakt. Door in te zetten op (herstel van) grootschalige structuren die aansluiten op het oorspronkelijke raamwerk wordt de relatie hersteld en blijft dit deel van de geschiedenis afleesbaar. Daarnaast biedt het raamwerk ook houvast voor het creëren van eenheid en het tenietdoen van de versnippering in het gebied (zie figuur 1). NB Een deel van vak 20 Zuid valt buiten het plangebied. Parallel aan de Amersfoortseweg is een achttiende-eeuwse structuur (bestaande beukenlaan) aanwezig op het landgoed. De herkomst en functie van de beukenlaan was tot voor kort onduidelijk. Uit het cultuurhistorisch onderzoek is bekend geworden dat het van oorsprong een zichtlaan betreft die in ruimtelijke verbinding stond met buitenplaats OudZandbergen. Hiermee is duidelijk geworden dat de aanleg van deze structuur zijn oorsprong vindt in de classicistische park/ bosaanleg uit die tijd en geen onderdeel was van het wegontwerp van de Wegh der Weegen. Sortie 20 en 21 zijn nooit aangelegd. Reden hiervoor was het al aanwezige Dijnselburg met een bestaande ontsluiting aan de weg. Extra sorties waren daardoor onnodig. Concept1

8

KANS: VERSTERK RAAMWERK WEGH DER WEEGEN Ø Denkbaar is herstel en aansluiting bij een grootschalige ‘raster’structuur die refereert naar het ontwerp van de Wegh der Weegen. Zie figuur 1. Hierbij geldt dat voor een besloten bosrand wel een bepaalde ‘maat’ van een bosrand nodig is om beslotenheid te bereiken. Ø Aandachtspunt: sortie 20 en 21 zijn nooit aangelegd. Het herstellen van verdwenen sorties die er nooit zijn geweest is vanuit cultuurhistorisch perspectief ongewenst. De aanwezige verwijzing (tegels) in het asfalt verwijzen dus eigenlijk naar het ontwerp van de Wegh der Weegen (en niet naar het uitgevoerde plan). Ø Kenmerkend voor de buitenplaatsen aan de Wegh der Weegen is de zichtrelatie met de Amersfoortseweg, de periode van aanleg, en het feit dat de buitenplaatsen duidelijk ‘gepresenteerd’ worden met hun statigheid en voorname uitstraling gericht naar de weg. Dit geldt niet voor Dijnselburg, omdat dit landhuis eigenlijk met de achtergevel naar de weg is gericht en het feit dat op kaartmateriaal duidelijk te zien is dat er destijds geen rechtstreekse zichtrelatie was tussen het landhuis en de Amersfoortseweg. Hiermee is Dijnselburg geen exemplarisch voorbeeld van een buitenplaats aan de Wegh der Weegen. Figuur 1

Grootschalige rasterstructuur (niveau 1 - extern) Uitstraling van een aaneengesloten bosvak met een besloten bosrand met een omvang van exact 3 vakken (‘Wegh der Weegen’). Er zijn geen herkenbare sorties binnen de 3 vakken. Sortie 20 en 21 zijn nooit aangelegd.

Grootschalige rasterstructuur (niveau 2 – intern) Binnen het plangebied zijn aan de noordzijde lange lanen herkenbaar die van de Panweg tot aan de Alexanderweg/ Willem Versteeghstraat doorlopen. Deze refereren naar de tijdslaag uit de 18e eeuw (waar de bestaande beukenlaan ook bij hoort).

Kernwaarde 2 | Buitenplaatsbiotoop en late landschapsstijl (in aanvulling op pagina 63 uit het cultuurhistorisch rapport) Het landschapspark van Dijnselburg is in 1854 aangelegd in late landschapsstijl. Er zijn geen ontwerptekeningen aanwezig of beschikbaar in de archieven en ook de ontwerper is onbekend. Ter referentie is er gekeken naar ontwerpen uit dezelfde periode van nabijgelegen tuinen en parken in het cultuurhistorisch onderzoek. Eigenaren keken immers naar elkaar welke tuinstijl in de mode was en hoe tuinen in elkaars tijdsbeeld werden aangelegd. Solitaire bomen of boomgroepen op weidse gazons met glooiende paden en waterpartijen is het algemene beeld van de landschapsstijl. Ter begeleiding van zichtlijnen zijn bosvakken en heesterpartijen onderdeel van het ontwerp.

Concept1

9

Sub-kernwaarden van de buitenplaatsbiotoop: - Naar binnen gerichte parkaanleg in late landschapsstijl (een subtiele zichtrelatie met de Amersfoortseweg is denkbaar); - Het negentiende-eeuwse landhuis als middelpunt van de aanleg binnen de buitenplaatsbiotoop. KANS: BEHOUD & HERSTEL 19E EEUWSE BUITENPLAATSBIOTOOP De ontstaansgeschiedenis van deze plek ligt in de oorsprong van de uithof van het vrouwenklooster en de doorontwikkeling in een 19e eeuwse buitenplaats. Alle waardevolle structuren maken hier onderdeel vanuit en horen bij elkaar. Behoud staat voorop. Door afbreuk te doen aan een van deze elementen, wordt er afbreuk gedaan aan de gehele buitenplaatsbiotoop (het ensemble). De buitenplaatsbiotoop van de 19e eeuwse buitenplaats wordt gekenmerkt door de parkaanleg in late landschapsstijl (1854) en door het feit dat de buitenplaats als een geheel was ontworpen. Daarbij was het hoofdhuis het middelpunt van de aanleg, alle andere gebouwen waren ondergeschikt.

Afbeelding: Gezicht op het huis Dijnselburg te Zeist met het bijbehorende park circa 1868 (Het Utrechts Archief: prent (litho) naar een tekening van P.J. Lutgers).

Concept1

10

Als we nu kijken naar de huidige bebouwing dan zien we dat het Philosophicum inbreuk heeft gedaan op de oorspronkelijke buitenplaatsbiotoop. Het Philosophicum is inmiddels ook van cultuurhistorische waarde en een belangrijk onderdeel geworden van de ontwikkelingsgeschiedenis van de buitenplaats. Met betrekking tot de parkaanleg is het goed om aan te geven dat het ontwerp in late landschapsstijl is uitgevoerd. De ‘late’ landschapsstijl wordt gezien als derde fase van de landschapsstijl die na het midden van de 19e eeuw zijn intrede doet op de Heuvelrug. De lange vloeiende lijnen verdwijnen. De tuinarchitecten werken minder geraffineerd, veel sjabloonmatiger dan voorheen en richten zich vooral op een zeer gevarieerd plantenbestand om daarmee hun speciale effecten te bewerkstelligen.1 De soortenrijkdom binnen de parkaanleg was in de negentiende eeuw zeer waarschijnlijk veel hoger. Door achterstallig onderhoud en spontane ontwikkeling van bos is de parkaanleg vervaagd. Het verdient aanbeveling een verrijking van soorten toe te passen binnen de buitenplaatsbiotoop. Objecten en gebouwen worden niet uit het ontwerp verbannen, maar zijn daaraan ondergeschikt. Een uitzondering vormt het landhuis: dat is steeds het natuurlijke middelpunt van de aanleg. Door de ruimtelijkheid van het ontwerp zijn de parken een eenheid.

Grofweg kan men deze parken in twee typen verdelen: de naar binnen gerichte parken en de parken met wijdse gezichten buiten de eigenlijke aanleg. Dijnselburg kent een naar binnen gerichte parkaanleg. Advies: de nieuw toe te voegen bebouwing binnen het plangebied dient in verhouding tot het landhuis te worden ontworpen en mag geen afbreuk doen aan de beleving van de buitenplaatsbiotoop en de kernwaarden. De nieuw toe te voegen bebouwing dient in maat en schaal ondergeschikt te zijn en ruimtelijk opgenomen te zijn in de parkaanleg/ boskarakter. Daarbij is de robuustheid van de parkaanleg ook een aandachtspunt. Bestaande groenstructuren kunnen kwetsbaar zijn. Door voldoende afstand tot bestaande waardevolle groenstructuren te houden voor nieuwe ingrepen blijven bestaande waarden intact. Daarnaast is het ook van belang om nieuwe robuuste groenstructuren toe te voegen die passen bij de maat en schaal van andere ingrepen. In het westelijk deel zijn bijvoorbeeld grote gebouwcomplexen aanwezig als een sporthal en zwembad, deze vragen logischerwijs om grote groenstructuren zoals brede lanen en grote bosvakken. Een juiste balans (of verhouding) tussen bestaande groenstructuren van de parkaanleg en de toevoeging van nieuwe bebouwing (schaalgrootte, korrelgrootte, bouwhoogten) is een aandachtspunt.

KANS: HERSTEL LANENSTRUCTUREN In het gebied zijn verschillende 18e, 19e en 20e-eeuwse lanen aanwezig. De lanen zijn zeer structuurbepalend voor het gebied in ruimtelijke zin, leggen zichtrelaties en maken het 1

(bron: https://www.dbnl.org)

Concept1

11

gebied toegankelijk. Echter niet alle lanen zijn meer goed herkenbaar door uitval van individuele bomen. Met name de restanten van de 18e eeuwse beukenlaan, parallel aan de Amersfoortseweg, en de beuken langs het kerkepad. Advies: opstellen lanenherstelplan.

Afbeelding: laanherstel op Boekesteyn (foto: Natuurmonumenten, Johan van Galen Last) Bij het herstellen van lanen op Groot Dijnselburg dient er goed te worden gekeken naar keuze voor behoud of herplant, groeiplaats, soortkeuze, plantafstand, plantverbanden en plantmaat.

KANS: NIEUWE BEBOUWING ALS ‘DECORSTUKKEN’ Door het toevoegen van een nieuwe tijdslaag kunnen er nieuwe elementen worden toegevoegd aan het plangebied. Hiervoor kan ook ter inspiratie uit de historie worden geput. Op buitenplaatsen in algemene zin (dus niet specifiek alleen voor Dijnselburg) waren bijvoorbeeld verschillende typen gebouwen aanwezig. Denk aan koetshuizen, poortgebouwen en portierswoningen, oranjerieën en kassen, duiventorens, ijskelders, belvedères of uitzichttorens, (thee)koepels, kinderspeelhuisjes en follies. Dit waren ‘decorstukken’ in het landschapspark die zorgden voor afwisseling en diversiteit. KANS: ONTWIKKEL EEN EIGEN IDENTITEIT PASSEND BIJ DE HISTORIE VAN DE PLEK Tot slot. Landgoederen kenmerken zich door een eigen identiteit en vaak ook een eigen huisstijl. Zo zijn er voorbeelden bekend van familiewapens op hekwerken die entrees markeren en bezoekers laten weten waar het landgoed start en eindigt. Of het identieke kleurenpalet van de luiken op landgoedgebouwen laten eenieder zien wat wel of niet tot het eigendom van het landgoed behoort.

De kleuren van de luiken op landgoed Eerde bij Ommen komen overeen met het familiewapen Van Pallandt op de gevel van het hoofdgebouw (bron: landgoedereninoverijssel.nl)

Concept1

12

Het gebruik van een huisstijl is daarmee onderdeel van de identiteit van een plek. Om een gevoel en uitstraling van eenheid voor Groot Dijnselburg te bereiken is het denkbaar om een passende huisstijl te ontwikkelen (met wellicht een passende nieuwe – historiserende naam). Dit hoeft niet per se in een logo of wapen, maar kan ook in de keuze voor (ontworpen) meubilair, hekwerken, bestratingen, en andere elementen in de openbare ruimte worden gezocht. Hiermee wordt het plangebied als eenheid herkenbaar. Figuur 2 Huisstijl van een landgoed of buitenplaats

Referentie logo ‘Keuken van Hackfort’

Concept1

Referentie logo ‘Landgoed Wellenseind’

Eigen huisstijl ontwikkelen, passend bij de identiteit Groot Dijnselburg

13

Leestips ‘Een toekomst voor groen’, Handreiking voor de instandhouding van groene monumenten, RCE, 2012. https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2012/01/01/een-toekomst-voorgroen Brochure Richtlijnen tuinhistorisch onderzoek https://www.stichtingerm.nl/doc/Tuinhistorisch%20onderzoek%20richtlijnen_kunsthgroen.p df

Concept1

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14585659/1