22VRAAG067 Beantwoording (08-12) raadsvragen NDZ landelijke verhoging grondwaterpeil
Tekst van het document
Met name gemeentelijk beleid en opdrachtverlening vanuit alle overheidslagen zal hier veel meer op aansturen. De Rijksoverheid geeft het goede voorbeeld door in de opdrachtverlening voor grondverzet de voorkeursvolgorde voor grondgebruik te borgen. Hier worden pilots voor gestart (2023-2025). Daarin wordt onder meer ervaring op gedaan met de impact van deze volgorde op het civiel-technisch werk bij de ontwikkeling en het beheer van infrastructurele netwerken. Hierna wordt samen met decentrale overheden verkend hoe dit centraal vorm gegeven kan worden. Preventie bodemverontreiniging en sanering IenW herijkt de bestaande aanpak van bodemverontreiniging in het licht van de grote veranderingen van klimaatverandering tot woningbouw. Hierbij is er aandacht nodig voor: (a) drinkwater; we willen voorkomen dat (resterende) bodemverontreinigingen een bedreiging kunnen vormen voor grondwater bestemd voor drinkwaterproductie of permeatie van drinkwaterleidingen. (b) de opwarming van de ondergrond, omdat dit nadelige effecten heeft op de kwaliteit van de ondergrond en ecologie. Provincies en gemeenten zien toe op voldoende scheiding van drinkwaterleidingen, warmtenetten en clusters van energiekabels.
P agina 17 van 32
(c) de bodemaspecten in vergunningverlening, toezicht en handhaving die in lijn met de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen worden versterkt. Zo is een vergunningssystematiek voor ondiepe warmtewinning voor bodemenergiesystemen voor de ondiepe ondergrond (tot 500 m) minder goed gewaarborgd dan voor de diepe ondergrond onder de mijnbouwwet. (d) voor de gebiedsgerichte aanpak van bestaande bodemverontreiniging ten behoeve van (her)ontwikkeling. Doordat we meer gebieden en meer ruimte (ook ondergronds) innemen, zal bij een (her)ontwikkeling soms verdere sanering van aanwezige bodemverontreiniging nodig zijn. Deze concrete maatregelen worden nader uitgewerkt met provincies en gemeenten, omdat de verantwoordelijkheid hier ligt en keuzes afhankelijk zijn van het gebiedstype.
-
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Consequenties Er zijn aanpassingen nodig in de wijze van projectontwikkeling en de aanpak van grondverzet als de grond zo min mogelijk wordt afgedekt, zo min mogelijk wordt vergraven, verplaatst en zo mogelijk lokaal wordt hergebruikt. Voor alle sectoren betekent dit dat er mogelijk aanpassingen worden gevraagd in de uitvoeringspraktijk om onze bodems ook duurzaam gezond en vruchtbaar te houden. Zo kan de keuze van de bestemming of een geschikte teelt hierdoor worden beïnvloed.
2. Bebouwd gebied Problematiek In de periode tot en met 2030 wordt ingezet op de bouw van 900.000 nieuwe woningen. Een deel hiervan ligt in kwetsbare delen waar zich risico’s met betrekking tot overstromingen, wateroverlast en/of bodemdaling voordoen. De druk op het water- en bodemsysteem is hoog en door klimaatverandering neemt zoals eerder in deze brief beschreven de problematiek rond bodemdaling, overstromingen, wateroverlast, en verdroging toe. Nieuw te ontwikkelen bouwlocaties moeten hier tegen bestand zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor het bestaand bebouwd gebied. Problemen die door bodemdaling veroorzaakt zijn, worden nu nog te vaak afgewenteld op andere gebieden, naar de toekomst of van private naar publieke financiering. Daarnaast dekken we steeds meer van onze bodem af voor onder andere nieuwe woningbouw en andere functies. Dat maakt dat Nederland de hoogste bodemafdekking in Europa kent. Maar liefst 12,6% van ons land is bedekt, waar het Europese gemiddelde 4,2% bedraagt16.
Structurerende keuzes Bebouwd gebied 21. We maken de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. Hiermee voorkomen we dat we nieuwbouw gaan realiseren op locaties waar we later spijt van gaan krijge n. Provincies nemen in hun ruimtelijke arrangementen het (concept) richtinggevend kader mee. 22. We benutten locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing.
Eurostat: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics explained/index.php?title=Land_cover_statistics#Land_cover_in_the_EU_Member_States 16
P agina 18 van 32
23. We passen de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe. Daarmee ontwikkelen we gebieden klimaatbestendiger. Deze maatlat is voorzien in december 2022. 24. We sturen als overheden op zo min mogelijk afdekking van de bodem. Daarmee behouden we buiten het bebouwd gebied goede landbouwgrond, reduceren we hittestress en bevorderen we waterinfiltratie binnen het bebouwd gebied. We werken dit samen met provincies en gemeenten uit en zetten in de ladder duurzame verstedelijking in op minder netto landgebruik.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Inzet Door nu bij de inrichting van ons land slimme keuzes te maken, kunnen we al veel doen om straks schade, extra kosten als gevolg van klimaatverandering te voorkomen, ook na 2050. Dat geldt zeker voor de bebouwde omgeving. Hierbij gaat het om een combinatie van locatiekeuze, inrichting van een gebied, wijk of straat en bouwwijze. Bouwen op verstandige locaties In het licht van klimaatverandering is het belangrijk te weten waar het verstandig is om te bouwen. Er zijn nu al locaties aan te wijzen waarvoor geldt dat bebouwing niet verstandig is en dus vermeden dient te worden. Hier gaat het om locaties, zoals de buitendijkse gebieden in het IJsselmeer, het rivierbed, langs dijken en keringen en de diepste delen van de (diepe) polders. Dit geldt ook voor de beekdalen met een groot overstromingsrisico. Met uitzondering van deze gebieden waar we nieuwe bebouwing willen vermijden, kan op de meeste plaatsen van Nederland woningbouw plaatsvinden, zij het onder voorwaarden. Grote delen van Nederland zijn immers op één of andere manier kwetsbaar voor wateroverlast, overstromingen en bodemdaling. De ministeries van IenW en BZK zijn bezig met het ontwikkelen van een richtinggevend kader, samen met medeoverheden.
Doel van het kader is de ondersteuning van het regionale proces om een bewuste afweging te maken over waar wordt gebouwd gegeven het water en bodem systeem en de risico’s vanuit wateroverlast, overstromingen, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid. Dit kader is richtinggevend voor gebiedsontwikkeling en keuzes die bevoegde gezagen maken. Hiermee worden water en bodem sturend bij ruimtelijke planvorming. De provincies gaan hiermee aan de slag. De definitieve versie van het kader zal onderdeel zijn van de af te sluiten bestuursovereenkomsten in het najaar 2023. Vooruitlopend op het richtinggevend kader ma ken provincies, in afstemming met de waterschappen, gebruik van de het concept-kader dat dit jaar door het Rijk beschikbaar wordt gesteld. Het kader geeft richting aan gemeenten en provincies voor het maken van lokale afwegingen en keuzes voor locaties, inrichting en bouwwijze bij nieuwe bebouwing. Daarbij wordt een brede kosten-batenafweging gemaakt. Verschillende locaties zijn op dit moment al in een vergevorderd stadium van ontwikkeling en daarvoor geldt dat heroverweging vanuit water en bodem tot onevenredige vertraging zou leiden. Daarom geldt dat het concept-kader om een klimaatrobuuste ontwikkeling te realiseren wordt toegepast op projecten en gebiedsontwikkelingen waar op 1-1-2025 nog geen bestemmingsplan is vastgesteld.
Voor alle andere ontwikkellocaties wordt het kader zoveel mogelijk toegepast, waarbij de locatiekeuze wordt geëvalueerd en lokale afwegingen en keuzes worden gemaakt voor inrichting van de locatie en de bouwwijze voor nieuwe bebouwing. Het richtinggevend kader is zowel een uitwerking van de adviezen van de Deltacommissaris om bij nieuw te kiezen woningbouwlocaties water en bodem sturend te laten zijn, maar geeft ook invulling aan de toezegging, gedaan naar aanleiding van vragen van de leden Grinwis, Goudzwaard, Minhas en Van Esch P agina 19 van 32
tijdens het commissiedebat Water van 7 juli jl. om te komen met een uitwerking van ‘w ater en bodem sturend’ bij de keuze voor nieuwbouw. Tevens is deze werkwijze in lijn met de motie Grinwis 17, waarin gevraagd wordt de locatiekeuze van woningbouw te baseren op kwantitatieve risicoprofielen en levenscycluskosten in gebieden gevoelig voor bodemdaling. Het richtinggevend kader helpt om afgewogen keuzes te maken in gebieden waar er een aanzienlijke risico is vanuit het water en bodem systeem. Het gaat hierbij om gro tere risico’s dan waar de landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving een oplossing voor zal bieden, de maatlat is de landelijke standaard, lokaal kunnen er grotere risico’s zijn.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Duurzaam bouwen met landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving Naast de keuze waar te bouwen vanuit het water en bodemsysteem en klimaatverandering, is een klimaatrobuuste inrichting en bouwwijze voorwaarde om nu en in de toekomst schade en extra kosten als gevolg van klimaatverandering te voorkomen. Daarom werkt IenW samen met BZK en LNV aan een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving, die eind 2022 wordt opgeleverd. Deze maatlat geeft richting bij de vraag ‘hoe’ een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Dit geldt zowel voor bestaand bebouwd gebied als nieuw in te richten gebieden. Hierbij wordt er o.a. gekeken naar hitte, droogte, wateroverlast, waterveiligheid, bodemdaling en biodiversiteit (zowel boven- als ondergronds). De keuze over wijze van borging van de landelijke maatlat volgt een zorgvuldig proces , dit wordt in 2023 nader uitgewerkt. Vooruitlopend hierop worden overheden gevraagd de maatlat zoveel mogelijk al toe te passen. Naast de maatlat die voor gebiedsontwikkelingen gaat gelden, is het ook belangrijk dat er binnen het bebouwd gebied meer ingezet wordt op circulariteit van de waterhuishouding en op verplichte besparing.
Zoals in hoofdstuk 1 van deze brief al naar voren kwam, is er nog veel waterwinst te behalen door het gebruik van waterbesparende maatregelen bij de realisatie van woningen. BZK en IenW onderzoeken in afstemming met de VEWIN wat de voor- en nadelen van een mogelijke verplichting in het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en verruiming van toepassing van huishoudwater in het Drinkwaterbesluit zijn. Op basis hiervan zal worden besloten of aanpassing van het Bbl en/of Drinkwaterbesluit nodig is. Minder bodemafdekking, ‘ontharding’ van onze omgeving Slimme keuzes maken bij locatiekeuze betekent ook zuinig omgaan met de beschikbare ruimte en onze bodem. Onze bodems hebben we immers hard nodig. Alleen een onafgedekte bodem levert diensten als waterberging, opname van koolstof en biodiversiteit. Daarom willen we in bestaand bebouwd gebied de bodemafdekking verminderen, de bodem herstellen en inzetten voor (stedelijk) groen. Dit bevordert hemelwaterinfiltratie en vermindert hittestress. Bovendien draagt (stedelijk) groen bij aan de leefbaarheid en gezondheid van mensen. Herontwikkeling van nu afgedekte bodem (bijvoorbeeld braakliggende voormalige industrieterreinen) naar deels onafgedekte heringerichte ruimte biedt kansen. Maatregelen Het richtinggevend kader locatiekeuze woningbouw wordt samen met mede overheden verder ontwikkeld.
Provincies nemen vooruitlopend op het kader het water en bodem belang mee bij hun ruimtelijke arrangementen, door gebruik te maken van het concept kader dat dit jaar beschikbaar komt. We gebruiken bij nieuwe gebiedsontwikkelingen zoveel mogelijk de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Deze maatlat is december 2022 voorzien en wordt vooruitlopend op (wettelijke) borging door verschillende overheden toegepast. 17
Kamerstukken 27 615, nr. 574 P agina 20 van 32
-
Om circulariteit in waterhuishouding en waterbesparing bij nieuwbouw te stimuleren, onderzoeken BZK en IenW in afstemming met de VEWIN wat de voor- en nadelen van een mogelijke verplichting in het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en verruiming van toepassing van huishoudwater in het Drinkwaterbesluit zijn. Op basis hiervan zal worden besloten of aanpassing van het Bbl en/of Drinkwaterbesluit nodig is. Provincies passen de Ladder Duurzame Verstedelijking toe. Daarnaast verkennen we of aanvullend instrumentarium nodig is om bodemafdekking te verminderen, zowel in bestaand stedelijk gebied als bij nieuwbouw. Daarbij is bescherming van waardevolle onafgedekte bodems een belangrijk uitgangspunt.
-
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Consequenties Niet alle beoogde nieuwbouwlocaties zullen vanuit het water en bodem systeem even geschikt zijn voor woningbouw. Hier zal gekozen moeten worden tussen anders bouwen, het bekostigen van extra maatregelen om de risico’s te verminderen, of het zoeken naar andere locaties. Naast een slimme klimaatbestendige inrichting van onze openbare ruimte, vraagt ook de bescherming van de vitale en kwetsbare functies (zoals netwerken en ziekenhuizen) en crisisbeheersing extra aandacht. Voor de heel lange termijn (na 2100) zal bij een versnelde zeespiegelstijging het risico op overstromingen mogelijk zwaarder gaan meewegen in de locatiekeuze voor nieuwbouw. Gegeven het hoge waterveiligheidsniveau in Nederland is er nog voldoende tijd hier vroegtijdig op te anticiperen. Naast de resultaten van het kennisprogramma zeespiegelstijging, zijn hier ook een brede maatschappelijke en economische verkenning voor nodig. Een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting werkt ook door in hoe banken, investeerders en verzekeraars omgaan met de impact van klimaatrisico’s op investeringsbeslissingen in de Nederlandse infrastructuur, economische sectoren en in de ruimtelijke inrichting.
3. Gebieden 3.1 Laagveengebieden Problematiek Bodemdaling en CO2 uitstoot In het landelijke laagveengebied (ca 85% van alle veengronden) daalt de bodem. Dat komt door zetting, inklinking en veenoxidatie, waarbij inklinking en veenoxidatie vooral veroorzaakt worden door ontwatering. De ontwatering wordt met name veroorzaakt door de huidige peilbesluiten. Oxidatie (verbranding) van veengrond leidt tot uitstoot van broeikasgassen18. Dit wordt versterkt als grasland wordt gescheurd en er andere gewassen op worden geteeld. Bodemdaling leidt tot extra beheerkosten van infrastructuur, rioleringen en openbare ruimte, maar ook tot schade aan funderingen. De kosten kunnen tot 2050 oplopen tot 2 miljard 19. Bodemdaling leidt ook tot verdroging van hoger gelegen natuurgebieden en tot een verslechtering van de waterkwaliteit. Tot slot neemt met name in de diepe (grotendeels ontveende) polders op termijn het risico op verzilting en overstromingen toe.
Structurerende keuzes
4,7 megaton CO 2-equivalenten per jaar: https://edepot.wur.nl/138952 https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2016-dalende-bodems-stijgendekosten-1064.pdf 18 19
P agina 21 van 32
Laagveengebieden 25. We bewegen toe naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. Hiermee wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en uitstoot broeikasgassen wordt gereduceerd. Dit wordt in NPLG gebiedsprocessen door alle betrokken partijen samen uitgewerkt. 26. We minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting. De provincies en waterschappen maken in gebiedsprocessen ruimte voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water. Met name in perioden van droogte zal externe aanvoer toch nodig blijven. 27. We beheren onze landbouwgronden duurzaam. In aanvulling op structurerende keuze 18 voorkomen we hiermee onomkeerbare oxidatie van veen en behouden we ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. We werken maatregelen voor beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. uit. Het Rijk vraagt provincies stevig in te zetten op het behoud van grasland.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Inzet Vertragen bodemdaling en reductie CO2-emissies We willen het laagveenlandschap in de toekomst behouden. Een belangrijke economische en cultuurhistorische drager van het landschap is de landbouw. Dat blijft zo. Ook in de toekomst blijft het laagveengebied een belangrijk agrarisch gebied. Dat laat onverlet dat het laagveenlandschap onder druk staat. Veenoxidatie is een vrijwel onomkeerbaar proces. Aangroei van veen is weliswaar mogelijk, maar vergt een lange adem en stelt hoge eisen aan de waterkwaliteit en het peilbeheer. Vanwege deze praktische onomkeerbaarheid en de urgentie van reductie van emissies van broeikasgassen, is het van belang om bodemdaling te verkleinen door veenoxidatie sterk te verminde ren. Hierdoor wordt funderingsschade eveneens beperkt. Voor laagveengebieden is de inzet, overeenkomstig met de Veenweide strategie, gericht op een reductie van de CO 2-uitstoot van 1 Mton CO 2-eq in 2030, verdere reductie richting 2050 conform het Klimaatakkoord 20 en op minimalisatie van bodemdaling. In de praktijk wordt in grote delen van het veengebied gestreefd naar een zo hoog mogelijke grondwaterstand tussen de 20 tot 40 cm onder maaiveld. Uit veldexperimenten blijkt dat de huidige landbouwpraktijk goed mogelijk is bij een peil van 40 cm onder maaiveld 21.
Een peil van 20 cm onder maaiveld wordt door het RLI gegeven als optimum voor reductie van uitstoot van de broeikasgassen CO 2, methaan en lachgas22. Dit kan door oppervlaktewaterpeilen te verhogen, veelal in combinatie met bijvoorbeeld greppelinfiltratie of de aanleg van waterinfiltratiesystemen. Wanneer het peil van 40 naar 20 cm onder maaiveld beweegt, zal de huidige landbouwpraktijk steeds meer beïnvloed worden en zullen extensivering en aangepaste teelten onderzocht moeten worden.
20 21
https://www.klimaatakkoord.nl/
https://www.hdsr.nl/publish/pages/117157/eindrapportage_sturen_met_grondwater_bedrijv enproef_spengen_2017_2022_lage_resolutie.pdf 22 https://www.rli.nl/sites/default/files/advies_stop_bodemdaling_in_veenweidegebieden__def.pdf
P agina 22 van 32
Dit betekent uiteraard niet dat overal een peil van 20 cm onder maaiveld gehaald moet of kan worden. Hier is lokaal maatwerk nodig. Dit gebeurt in de gebiedsprocessen waar de agrarische sector een belangrijke rol heeft. Indachtig het principe comply or explain kan de uitkomst zijn dat (afwijkende) beredeneerde keuzes worden gemaakt. Dit gebeurt in de gebiedsprocessen waar de agrarische sector een belangrijke rol heeft. Daarbij maken we gebruik van recent onderzoek 23 en is er ruimte voor gebiedsgericht maatwerk binnen de doelen en het tempo van het Klimaatakkoord en de ambities ten aanzien van bodemdaling. Dit gebiedsgerichte maatwerk is ook van belang om een balans te vinden in gevallen waarin waterkwaliteit en peilve rhoging tegengestelde belangen hebben, bijvoorbeeld wanneer er door een hogere grondwaterstand meer uitloging plaatsvindt van nutriënten of gewasbeschermingsmiddelen. Omdat de peilen in het veengebied van Fryslân doorgaans lager worden gehouden dan in die van het Groene Hart, zal de inspanning daar groter zijn. We leggen de prioriteit bij dikke veenpakketten.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Verhoging van biodiversiteit Een verhoging van het oppervlaktewaterpeil kan ee n belangrijke bijdrage leveren aan de instandhouding en bevordering van de habitat van planten en dieren. Met name insecten, bodemleven zoals wormen en weidevogels als de grutto en de kievit kunnen hier baat bij hebben. Zo draagt een dergelijke maatregel o ok bij aan de landelijke Natura 2000-doelen. Wentel de watervraag zo min mogelijk af Omdat het beschikbare water uit het hoofdwatersysteem tijdens langere perioden van droogte zal afnemen, is het belangrijk dat er zoveel mogelijk gebiedseigen water wordt vastgehouden. Bij droogte hebben peilverhogingen in veengebieden de hoogste prioriteit bij verdeling van water uit het hoofdwatersysteem, om onomkeerbare schade aan de natuur, zettingen en inklinking te voorkomen. Dit is vastgelegd in de verdringingsreeks. Deze hogere prioriteit in de verdringingsreeks doet echter niets af aan de verplichting om zo min mogelijk van de watervraag af te wentelen op andere gebieden. Het meer vasthouden van gebiedseigen water zal gebiedsgericht worden opgepakt. Natte natuurgebieden kunnen zeer substantieel bijdragen aan het vasthouden en leveren van schoon gebiedseigen water, mits ook daar dan geen veenoxidatie optreedt in droge perioden.
Naast het feit dat peilverhoging invloed heeft op de watervraag en het -aanbod, zorgt verhoging van de peilen ook voor een afname van de bergingscapaciteit in de oppervlaktewateren en de bodem. Daarom moet per polder worden bezien waar water kan worden geborgen om de behoefte aan afvoer bij piekbelasting te verminderen. Maatregelen Onder leiding van de provincies en samen met de agrarische sector en andere betrokken partijen wordt bepaald wat en wanneer nodig is om de grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld te realiseren en de ambities van CO 2-reductie en vertraging van bodemdaling in 2030 te kunnen behalen. Provincies en waterschappen komen, samen met andere betrokkenen, binnen deze gebiedsspecifieke aanpak met voorstellen hoe watervraag en -aanbod in laagveengebieden moeten worden opgepakt. IenW ontwikkelt samen met BZK en in overleg met decentrale overheden een afwegingskader voor locatiekeuze woningbouw, omdat s lappe, bodemdalingsgevoelige grond extra eisen stelt aan woningbouwontwikkeling. Zo zorgen we ervoor dat de kosten niet afgewenteld worden op overheden (onderhoud openbare ruimten en infrastructuur) of de toekomst (schade aan funderingen). 23 www.nobveenweiden.nl P agina 23 van 32
-
-
Het Rijk vraagt provincies stevig in te zetten op behoud van grasland danwel overstap op natte teelten. Een goed voorbeeld is de milieuverordening van de provincie Noord-Holland waar dergelijke voorwaarden via het ruimtelijke plan zijn opgenomen.24 In het kader van het NPLG worden bestuurlijke afspraken met de decentrale overheden gemaakt waarin deze maatregelen op het gebied van oppervlaktewaterpeilen, bergingscapaciteit van water en sponswerking van de bodem, indicatoren voor het adagium ‘functie volgt peil’ en duurzaam bodembeheer gebiedsgericht worden opgenomen. Deze afspraken moeten minimaal voldoen aan de klimaatdoelstelling zoals voor 2030 voor het veengebied zijn vastgelegd, maar zullen ook een doorkijk bieden voor de periode na 2030. Het is van belang een balans te vinden tussen de gebiedsspecifieke behoeften en de mogelijkheden van het nationaal watersysteem, om het bodem- en watersysteem in de veengebieden duurzaam in evenwicht te brengen.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Consequenties Een hogere grondwaterstand heeft impact op de agrarische bedrijfsvoering in deze laagveengebieden en dus voor het verdienmodel. Het kabinet heeft tegelijk met deze brief een brief over de toekomst van de landbouw aan de Tweede Kamer aangeboden, waarin wordt aangegeven hoe het kabinet samen met de partijen gaat werken aan toekomstbestendige landbouw en hoe boeren daarmee een eerlijk inkomen kunnen verdienen. Er kan ondersteuning worden geboden uit verschillende bronnen. Zo valt het faciliteren van de omslag van ondernemers naar extensieve landbouw door het opkopen van grond, afwaardering en verpachting binnen de voorlopige afbakening van het Transitiefonds landelijk gebied en natuur. In de provinciale gebiedsprogramma’s moet rekening worden gehouden met vermindering van waterbergingsmogelijkheden bij hogere waterstanden. De oppervlaktewaterpeilverhogingen in veengebieden om de emissiereductie CO 2 te bewerkstelligen en bodemdaling te vertragen verhouden zich slecht tot de eisen waaraan een woningbouwlocatie moet voldoen. 3.2 Verziltende kustgebieden Problematiek Stijgende zeespiegel, lagere rivierafvoeren en bodemdaling Op dit moment heeft 14% van het Nederlandse oppervlakte te maken met of kans op verzilting. Om verzilting tegen te gaan voeren we zoetwater aan uit de rivieren en het IJsselmeer.
Dat blijven we doen, echter toename van verzilting is in de komende decennia helaas onafwendbaar door klimaatverandering. Door zeespiegelstijging, langere periodes van droogte, verminderde rivierafvoeren en bodemdaling zal het op termijn vaker voorkomen dat er langere periodes niet voldoende zoetwater beschikbaar zal zijn om zoute kwel vanuit de ondergrond in de kustgebieden weg te spoelen en natuur en veengebieden nat te houden. Gebiedseigen zoetwater is minder beschikbaar omdat door klimaatverandering de verdamping toeneemt en in de warme en droge periodes de kans op lokale neerslag afneemt. Als gevolg van zeespiegelstijging neemt ook de zoute kwel en verzilting van de grote meren en estuaria toe, wat de problematiek vergroot. Het is niet precies te voorspellen hoe snel dit zal gaan. Wel is het verstandig met verzilting rekening te gaan houden; het zal met name voor de agrarische sector en de winning van drinkwater in toenemende mate consequenties kunnen gaan hebben.
https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingswet/Omgevingsverorde ning 24
P agina 24 van 32
Structurerende keuzes
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Verziltende kustgebieden 28. Het Rijk en waterschappen zetten zich in voor aanvoer van zoetwater, maar kunnen geen nieuwe maatregelen garanderen om verziltende gebieden te voorzien van zoetwater van elders. Omdat de aanvoer van extra (schaars) zoetwater van buiten het gebied niet altijd en overal kan worden gegarandeerd, zal er op termijn vaker sprake zijn van tijdelijke en regionale verzilting. 29. We vragen alle watergebruikers rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting. Inzet Waterbeheerders blijven zich zoveel mogelijk inzetten op het terugdringen of beperken van verzilting om mogelijk bestaande functies te bedienen. We werken dit samen met de betrokken sectoren uit in de gebiedsprocessen, het gaat hier immers om vruchtbare landbouwgrond. Op termijn is vanwege zeespiegelstijging, bodemdaling in combinatie met de toenemende watervraag en de verdringingsreeks minder zoetwater beschikbaar om verzilting tegen te gaan. Daarom wordt tegelijk ingezet op vermindering van watergebruik en aanpassing aan verzilting. Dit kan bijvoorbeeld door meer water te bergen in andere gebieden zoals het laagveengebied, waardoor meer water beschikbaar blijft voor het tegengaan van verzilting. Ook aanpassing van het landgebruik kan nodig zijn.
Op termijn krijgen met name het de Waddengebied, de Zeeuwse eilanden, de kustgebieden en de polders in het westen te maken met verzilting. In het Deltaprogramma zoetwater nemen Rijk en andere overheden gezamenlijk maatregelen hoe we met verzilting om kunnen gaan. De belangrijkste oplossingen voor de waterkwaliteitsproblemen in de verziltende gebieden zijn vastgelegd in de KRW Stroomgebiedsbeheerplannen 2022-2027. Er blijft ruimte voor technische maatregelen voor ontzilting van water, zolang er geen afwenteling plaatsvindt van de kosten naar de toekomst, naar een ander gebied of van privaat naar publiek. Maatregelen Met het watergebruik en het landgebruik wordt geanticipeerd op de toename van de verzilting. Er wordt in 2026 een besluit genomen over de zoetwaterverdeling tussen de regio’s in het kader van de herijking van de Deltabeslissing Zoetwater. Waterbeheerders agenderen in gebiedsprogramma’s de problematiek van verzilting en werken uit op welke wijze in hun gebied met verzilting op termijn kan worden omgegaan. In de volgende Stroomgebiedsbeheerplannen (2028-2033) vraagt de relatie tussen verzilting en waterkwaliteit extra aandacht, omdat op termijn de haalbaarheid van de nu op zoetwater gebaseerde ecologische doelstellingen van de KRW in het gedrang komen als gevolg van toenemende verzilting. Dat geldt ook voor de Natura 2000-doelen.
Consequenties Het gaat vaker in de toekomst voorkomen dat bij schaarste van doorspoelwater uit het hoofdwatersysteem veengebieden prioriteit krijgen boven het tegengaan van verzilting bij andere gronden op basis van de verdringingsreeks. Verzilting heeft gevolgen voor de zoetwaterinlaten en de wateraanvoer naar de verziltende gebieden. Regionaal moet worden bepaald welke gebieden nog
P agina 25 van 32
zoetwateraanvoer van elders krijgen en welke niet. Voor de Rijn-Maas monding blijft er in droge perioden minder water over om de verzilting tegen te gaan. Onder normale omstandigheden zullen het Rijk en de regionale waterbeheerders alles blijven doen wat in het vermogen ligt om verzilting tegen te gaan, maar in extremere omstandigheden zoals droogte - die zich ook vaker voor zullen doen - zal dat niet altijd meer mogelijk zijn.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
3.3 Hoge zandgronden Problematiek Grote opgave waterkwaliteit en vasthouden van water De hoge zandgronden hebben te maken met grote waterkwaliteit-, bodem- en biodiversiteitsproblemen. Intensief gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, buitenlandse belasting en lokale lozingen van rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn de belangrijkste oorzaken. Er is vaak sprake van een slechte bodemstructuur. Het zuiverend en waterbergend vermogen van de bodem en de veerkracht tegen ziekten en plagen en verdroging is daardoor beperkt. Het aantal verontreinigde (grond)waterbronnen neemt toe. Delen van deze gebieden zijn bovendien niet bestand tegen extreme neerslag, wat leidt tot erosie en overstromingen.
Structurerende keuzes Hoge zandgronden 30. We houden water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. Dit wordt in gebiedsprocessen geborgd. 31. We verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. Omdat het hier maatwerk betreft, wordt dit in gebiedsprocessen verder uitgewerkt. 32. In de gebiedsprocessen zetten we in op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Hiermee halen we niet alleen de doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) maar kunnen we ook andere doelstellingen realiseren (zoals natuur, groenblauwe dooradering en waterberging). 33. We beperken de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging deze gebieden. Dit wordt in de gebiedsprocessen uitgewerkt.
Inzet Herstellen robuust grondwatersysteem Om eind 2027 aan de doelen voor de KRW te voldoen, moeten de afgesproken maatregelen uit de Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027, het 7 e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, inclusief addendum, en de vereisten uit de derogatiebeschikking worden uitgevoerd. Aanvullende gebiedsgerichte maatregelen als uitwerking van het addendum worden opgenomen in de gebiedsprogramma’s van het NPLG. Voor een duurzame drinkwatervoorziening, natuurherstel en een vitale landbouw is het nodig om te komen tot een robuust grondwatersysteem met bufferwerking dat bestand is tegen periodes van droogte. Dat betekent dat vooral rond grondwaterafhankelijke natuurgebieden een hoger grondwaterpeil vereist is. Voor beïnvloedingsgebieden van natuur zetten we daarom in op een verhoging van de grondwaterstand (‘ontwateringsbasis’) met 30 cm en elders wordt dat 10 cm. In P agina 26 van 32
2050 wordt dat gemiddeld +20 cm in het gehele gebied, waarbij uitzonderingen, mits onderbouwd en met inachtneming van de eerder vermelde structurele keuzes, mogelijk zijn.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Voor het herstellen van het grondwatersysteem is het noodzakelijk dat de aanvoer naar het grondwater wordt vergroot en de drainage verminderd. Dit kan door de sponswerking van de bodem terug te brengen, onder andere door het aangepast peilbeheer te combineren met het verondiepen of het dempen van sloten. Met het vasthouden van water in de bodem kan er ook een herstel van de natuur plaatsvinden. Hiervoor is het van belang dat de bodem niet alleen voldoende water bevat, maar ook vitaal is, dus een functionerend ecosysteem is met o.a. voldoende organische stof. Een structureel hoger grondwaterpeil en verbeterde sponswerking, waardoor het grondwater weer sneller op peil komt, zorgt voor natuurherstel en voor een grotere buffer in droge periodes. Hierdoor kan grondwater ook in die tijd langer gebruikt worden voor andere functies (waaronder landbouw). In het Deltaprogramma zoetwater nemen Rijk en andere overheden gezamenlijk maatregelen om op de hoge zandgronden water beter vast te houden. Grensoverschrijdende watersystemen vragen om afstemming over normen en maatregelen. Maatregelen Provincies werken in gebiedsprogramma’s de maatregelen uit om doelen voor waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) te halen. Het betreft de gebiedsgerichte invulling van maatregelen die voortvloeien uit het addendum bij het 7 e Actieprogramma en het grootschalig herstel van beekdalen.
Beekdalherstel wordt ook ingezet voor andere opgaven, zoals waterberging, de bossenstrategie, groenblauwe dooradering en vertraging van de waterafvoer in de zomer naar lager gelegen gebieden. Uitgangspunt daarbij zijn bufferstroken van 100-250 meter aan beide zijden van de beek. Dit vergt regionaal maatwerk in de gebiedsprocessen, met doelbereik voor KRW en Nitraatrichtlijn als uitgangspunt. In deze gebiedsprocessen is er plaats voor slim agrarisch gebruik waar mogelijk. Provincies nemen in gebiedsprogramma’s maatregelen op om het grondwaterpeil te verhogen en de ontwatering te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door het verondiepen of dempen van sloten, het verhogen van sloot- en beekpeilen, het afkoppelen van bebouwd gebieden de verbetering van de bodemstructuur. Provincies nemen maatregelen op in gebiedsprogramma’s om het grondwatersysteem rond natuurgebieden voor 2027 te herstellen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door gebiedsgericht grondwaterbeschermingszones aan te leggen, het grondwaterpeil te verhogen, geen nieuwe onttrekkingen toe te staan in grondwaterwingebieden en in - en nabij Natura 2000-gebieden (afhankelijk van de hydrologische situatie indicatief 1 km zone tenzij onderbouwd anders geschikter) en bestaande onttrekkingen in dit gebied te heroverwege n om het effect op de natuur te verminderen.
In gebiedsgerichte processen kunnen hier volgens het principe ‘comply or explain’ ook afwegingen worden gemaakt waarbij het beëindigen van grondwateronttrekkingen door stoppers ruimte biedt voor bestaande en/of nieuwe gebruikers. We vragen alle watergebruikers rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte en watertekorten. Daarnaast nemen provincies in hun gebiedsprogramma’s een regionale voorkeursvolgorde voor het gebruik van grondwater op, waarbij rekening gehouden wordt met de daadwerkelijke grondwaterbeschikbaarheid. Consequenties
P agina 27 van 32
-
-
Om langjarig duurzaam perspectief te hebben is het nodig in nabije toekomst goed te kijken naar wat je teelt op uitspoelingsgevoelige gronden. De emissies van gewasbeschermingsmiddelen moet verminderd worden om overschrijdingen van de drinkwater- en KRW-normen te voorkomen. Ook zal de belasting van grondwater met nutriënten verminderd moeten worden. In het Transitiefonds landelijk gebied en natuur zijn middelen opgenomen voor het inrichten van brede bufferstroken in beekdalen en voor het herstellen van hydrologische condities van natuurgebie den.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Samen werken aan realisatie We staan voor een flinke opgave. Maar de structurerende keuzes dragen bij aan het behoud van de strategische positie van onze agrarische sector en creëren ruimte voor het toekomstbestendig realiseren van alle andere ambities die we in Nederland hebben in de beperkte ruimte. Realisatie van deze keuzes kan in veel gevallen gecombineerd worden met andere opgaven. Iedereen heeft hierbij een rol en we moeten het samen doen. Borging en monitoring In dit hoofdstuk gaan we in op de borging en monitoring van de geschetste structurerende keuzes. Samen met de andere betrokken departementen is het ministerie van IenW verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de benodigde instrumenten, het monitoren en het bewaken van de uitvoering van de keuzes. Er zijn verschillende instrumenten waarmee de structurerende keuzes kunnen worden uitgevoerd: van bestuurlijke afspraken, financiële ondersteuning, aanvullende regelgeving tot aanwijzingen. We staan samen als Rijk, medeoverheden en inwoners voor deze maatschappelijke opgave. Voor een aantal structurerende keuzes zal het betekenen dat het Rijk haar beleidsregels aanpast, zoals dit is voorzien bij het aanscherpen van het beleid ten aanzien van activiteiten in het rivierbed. Soms nemen we als overheden in gezamenlijkheid een besluit, zoals het geval bij de herijking van de Deltabeslissingen IJsselmeer en Zoetwater.
Voor andere keuzes geldt dat het Rijk een kader voor de uitvoering meegeeft, zoals bij het richtinggevend kader water en bodem voor locatiekeuze nieuwbouw. Omdat het hier gaat om een nieuw gezamenlijk (nationaal) kader zullen we samen met medeoverheden bepalen hoe de borging eruit moet komen te zien. Bij andere keuzes gaat het om een aanpassing van het decentraal wetgevend instrumentarium (waterschaps- en provinciale verordeningen). Dit is bijvoorbeeld het geval bij het reserveren van extra ruimte rond waterkeringen. Het proces om de ondergrond beter in beter in beeld brengen en te monitoren wordt daarentegen weer gefaciliteerd door de gemeentes. Omdat vele structurerende keuzes in deze brief betrekking hebben op het landelijk gebied, zal borging ook voor een groot deel via het NLPG spoor gaan lopen. Via het NOVEX spoor (startpakketten en de ruimtelijke arrangementen), het afweegkader voor financiering uit Mobiliteitsfonds voor bereikbaarheid en grootschalige woningbouw en de woondeals, zorgen we voor een toekomstbestendige nieuwbouw, waar de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid richtinggevend zijn bij de locatie van nieuwbouw. Daarnaast zal uit de gebiedsprocessen ook naar voren komen welke instrumenten en middelen nodig zijn.
‘Water en bodem sturend’ is veelomvattend en zal in vele beleidsvelden, sectoren en op verschillende niveaus van invloed zijn. Daarom wil het kabinet de wijze waarop we monitoring en de verslaglegging van de voortgang van de structurerende keuzes met de regionale partners oppakken en afstemmen. Hierbij sluiten we aan bij de toetsing- en monitoringsopzet van programma’s zoals het NPLG, of de woningbouwprogrammering. Om samenhang, overzicht en P agina 28 van 32
doorwerking te borgen zal het ministerie van IenW elk jaar een rapportage naar de Kamer sturen over ‘w ater en bodem sturend’. Daarin worden de nieuwste inzichten meegenomen alsmede de resultaten van de monitoring, het actuele instrumentarium en eventueel voorstellen tot aanvulling en verbetering daarvan. Daarmee wordt het structurerende karakter geborgd. Uiteraard hebben ook de reguliere periodieke bestuurlijke overleggen tussen ministeries en koepels op het gebied van bodem en water een belangrijke rol bij het bewaken van de voortgang op bestuurlijk niveau.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Financiering Met deze brief geven we aan wat het betekent dat water en bodem sturend worden voor ruimtelijke planvorming. Daarmee heeft dit beleidskader invloed op veel grote investeringsbeslissingen. De uitvoerbaarheid van al die plannen hangt onder andere af van de financierbaarheid. Het beleid zoals verwoord in d eze brief kan ertoe leiden dat bepaalde kosten op langere termijn lager zullen zijn . Met ‘water en bodem sturend’ worden publieke kosten voor risicomitigatie en schadelijke neveneffecten zo veel mogelijk voorkomen. Deze ontwikkeling past nadrukkelijk binnen het principe van ‘niet afwentelen’. Hoewel er in het coalitieakkoord geen specifieke extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor ‘water en bodem sturend’, is er voor veel maatregelen wel financiering beschikbaar uit bestaande middelen en kan er voor de maatregelen waar dit niet voor geldt synergie gezocht worden met andere opgaven, waar wel extra middelen beschikbaar voor zijn gekomen met het coalitieakkoord. De maatregelen die voortkomen uit de structurerende keuzes kunnen deels worden opgevangen binnen reeds voorgenomen rijksprogramma’s. Het uitvoeren van deze programma’s zal in grote mate bijdragen aan het bereiken van de doelen Water en Bodem sturend.
Denk hierbij aan reeds voor deze programma’s gereserveerde middelen voor: het Deltaprogramma Zoetwater (totaal 800 miljoen euro waarvan 250 miljoen uit het Deltafonds voor 2022-2027); KRW-maatregelen (t/m 2027 is 517,9 miljoen voor het hoofdwatersysteem beschikbaar en ongeveer 1 miljard euro van waterschappen en provincies voor regionale systemen); Programmatische Aanpak Grote Wateren (198 miljoen euro in uitvoering; naast een beleidsreservering van 601 miljoen euro); Wateroverlast beekdalen in zuid Nederland (300 miljoen gereserveerd op de aanvullende post); Programma Integraal Rivier Management (703 miljoen gereserveerd). Er wordt ook ingezet op de ten behoeve van het Transitiefonds gereserveerde middelen. Het landelijk gebied staat aan de vooravond van een grote transitie. Die wordt vormgegeven met het NPLG en het Transitiefonds landelijk gebied en natuur kan een bijdrage leveren aan de kosten. Hydrologische maatregelen verbonden aan de doelen van Natura 2000 (tegengaan van verdroging) en de aanvoer van water naar veengebieden voor peilverhoging (en daarmee reductie broeikasgassen) vallen binnen de voorlopige afbakening van het fonds25. Dat geldt ook voor het faciliteren van de omslag van ondernemers naar extensieve landbouw door het opkopen van grond, afwaardering en verpachting.
Ook onderdeel van het fonds zijn additionele middelen voor de KRW, zoals aangekondigd in het Coalitieakkoord. Met het addendum bij het 7 e Actieprogramma Nitraatrichtlijn zijn deze gekoppeld aan grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden. Met deze inzet kan gecombineerd resultaat worden geboekt op alle vier de doelstellingen omtrent natuur, stikstof, water en klimaat en kan tegelijkertijd ingezet worden op extensivering van de landbouw, agrarisch https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK014001/documenten/Raad%20van% 20State/Adviesaanvraag%20aanhangig%20bij%20Raad%20van%20State/1 25
P agina 29 van 32
natuurbeheer of natuurontwikkeling afhankelijk van de mogelijkheden in specifieke gebieden. Het fonds voorziet ook in financiële middelen waarmee stoppen van agrarische ondernemingen op een verantwoorde manier wordt mogelijk gemaakt en in middelen voor financiële afwaardering van grond. Door in te zetten op omschakeling en extensivering zullen bedrijven beter aansluiten op de draagkracht van het bodem- en watersysteem in de omgeving. Zo kunnen boeren bijvoorbeeld geholpen worden om de transitie in het veenweidegebied te kunnen maken, omdat hiervoor middelen uit het Transitiefonds ingezet kunnen worden.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Naast het Transitiefonds en het Deltafonds zijn er additionele middelen beschikbaar die kunnen bijdragen aan het realiseren van de veranderingen in het landelijk gebied. Zo ontvangt Nederland Europese middelen via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 26. Daar profiteren de wateropgaven ook van, zoals waterkwaliteit, ecologie en waterberging. De beschikbare middelen op de Rijksbegroting zijn kaderstellend voor de Rijksbijdrage aan gebiedsprocessen. De gebiedsprocessen leiden tot een inzicht welke instrumenten en middelen nodig zullen zijn en de verdeling van de daaruit blijkende financiële opgave tussen rijk en andere overheden. Om de opgave goed in beeld te krijgen, zullen wij met provincies, waterschappen en gemeenten een uitvoeringsagenda opstellen. Ter voorbereiding daarvan zal op onderdelen nader worden verkend welke impact het beheer hoofdsysteem heeft op bijvoorbeeld waterbeschikbaarheid voor de provincies. Hoe nu verder Naast keuzes die het Rijk zelf ter hand neemt, zijn er ook keuzes die het kabinet meegeeft aan de gebiedsprocessen, zoals bijvoorbeeld bij het NPLG en de NOVEXstartpakketten voor de provincies. De periode november 2022 tot januari 2023 gebruiken we om regionale doelen en structurele keuzes samen verder uit te werken. Tegelijk wordt er met de betrokken partijen gewerkt aan een Landbouwakkoord.
Door de structurerende keuzes van deze brief daarbij als vertrekpunt te hanteren wordt invulling gegeven aan het advies van de heer Remkes om water en bodem sturend te laten zijn bij ruimtelijke keuzes. Tot juli 2023 vindt intensieve afstemming tussen Rijk en andere overheden plaats, met als doel de voorliggende keuzes als randvoorwaarde mee te nemen in gebiedsprocessen en uiteindelijk te verankeren de gebiedsprogramma’s van de provincies. Provincies ontvangen in het kader van het NPLG een handreiking die aangeeft wat wordt verwacht van het gebiedsprogramma op 1 juli 2023. Conform de motie De Groot 27 zullen we hierbij als Rijk de gebiedsprogramma’s van het NPLG beoordelen op de hierboven beschreven structurerende keuzes, waaronder de keuzes die betrekking hebben op waterbeschikbaarheid. De toekenning van middelen uit het Transitiefonds landelijk gebied en natuur zijn afhankelijk van deze toets. In het kader van het traject van BZK is in de tweede helft van volgend jaar voorzien in het afsluiten van ruimtelijke arrangementen. Hiervoor verwijzen wij naar de brief van de minister voor VRO. Hierbij worden ook nadere afspraken gemaakt over ‘water en bodem sturend’. Uit gesprekken in de voorafgaande periode zal duidelijk worden waar de grootste spanning zit.
Hierbij wordt vanuit het principe ‘comply or explain’ ruimte gegeven voor maatwerk; provincies wordt gevraagd een gewogen afweging te maken voor de verschillende gebieden, passend bij de specifieke regionale kenmerken. Deze aanpak geldt ook voor de afspraken die met de provincies worden gemaakt in het kader van de ruimtelijke arrangementen vanuit het NOVEX-spoor. IenW zal in de aanloop naar het afsluiten 26 27
Kamerbrief over gemeenschappelijk Landbouwbeleid, Kamerstukken 28 625, nr. 343 Kamerstukken 27 625, nr. 573 P agina 30 van 32
van de ruimtelijke arrangementen het advies vragen van de betrokken waterschappen.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Om de doorwerking van ‘water en bodem sturend’ verder te borgen gaan we samen met de waterschappen werken aan een verbeterde en dwingender watertoets. Daarnaast gaan we samen met provincies en gemeenten de ondergrond in beeld te brengen. Zo gaan we ervoor zorgen dat bij lokale beslissingen met ruimtelijke impact in het begin van het proces zowel het belang van water als het belang van de bodem en ondergrond op een goede wijze meegewogen worden. Samen met de koepels werken we deze lokale instrumenten verder uit. Omdat ‘water en bodem sturend’ onderdeel uitmaakt van een gezamenlijke Rijksopgave maar ook op regionaal niveau moet landen in gebiedsprocessen, is deze brief niet alleen interdepartementaal, maar ook met de koepelorganisaties afgestemd. De uitvoeringstrategie zal ook interdepartementaal en met de medeoverheden worden ontwikkeld om vervolgens te landen in de gebiedsprocessen. Als vervolgstap op deze brief zal ook het instrumentarium verder worden ontwikkeld. De uitwerking en implementatie van de keuzes en maatregelen, zoals in deze brief beschreven, vergen inzet en inspanning van alle betrokken partijen. Het gaat dan over middelen, kennis en capaciteit. In de overleggen is door verschillende partijen daarvoor nadrukkelijk aandacht gevraagd, vooral vanwege de samenloop met andere opgaven. Dit vraagt aandacht in breder perspectief dan de context van deze brief.
Er is een wetenschappelijke review uitgevoerd, onder leiding van mevrouw Nijhof, directeur van Deltares. Deze is als bijlage aan de brief toegevoegd. De concrete opmerkingen zijn zoveel mogelijk verwerkt. Zo is explicieter verwerkt dat een vitaal water- en bodemsysteem randvoorwaardelijk is voor een op termijn duurzaam functionerende maatschappij waarbij w e ook richting geven aan de ontwikkelingen op de korte termijn. De bevindingen vormen een belangrijke bouwsteen voor het vervolg. Daarnaast is de ontwikkeling van nieuwe kennis en innovaties, zowel technisch als sociaaleconomisch, ook in de toekomst noodzakelijk om in een veilig en gezond Nederland te kunnen leven. Om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening is kennis en informatie op grond van voldoende en betrouwbare data randvoorwaardelijk. Belangrijk daarbij is dat de benodigde (en beschikbare) data worden ontsloten. Ook Rijkswaterstaat heeft een quickscan uitgevoerd op de uitvoerbaarheid van ‘water en bodem sturend’ voor de netwerken van RWS. Ook deze is als bijlage toegevoegd. RWS is blij met het gedachtegoed van ‘water en bodem sturend’ en ondersteunt de introductie van structurerende keuzes en maatregelen. Omdat in deze brief beleidskeuzes en maatregelen van verschillende abstractieniveaus zijn opgenomen, is RWS nog niet in staat om dit op uitvoerbaarheid te toetsen.
RWS beveelt aan een uitvoeringsagenda te maken en dat sluit aan bij het voornemen om jaarlijks naar de Tweede Kamer te rapporteren.
P agina 31 van 32
Tot slot De kennis die ons eeuwenlang heeft geholpen om water en bodem aan te passen, zodat we hier fijn kunnen wonen en leven, he lpt ons nu om in een veranderd klimaat te zorgen voor een veilig en gezond leven in Nederland. Niet voor niks staat Nederland internationaal bekend als waterexpert. Voorop staat dat water en bodem sturend zijn bij alle ruimtelijke ontwikkelingen. Zo kunnen we toekomstige problemen, maar ook hoge kosten en verdere schade voorkomen. Daarvoor moeten keuzes gemaakt worden. Daar hebben we uiteindelijk allemaal baat bij. Overheden gaan samen met ondernemers, maatschappelijke organisaties en de inwoners van Nederland werken aan een gezond, veilig en toekomstbestendig Nederland. Nu en in de toekomst.
Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat
Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Mark Harbers
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
drs. V.L.W.A. Heijnen
P agina 32 van 32