20210407 Beantwoording (29-04) raadsvragen GL zicht op bestedingen jeugdzorg
Tekst van het document
GV572
88
voorbeeld genoemd van een gemeente die voor een interventie die alleen door WO of HBO-professionals uitgevoerd mocht worden het tarief bleek te rekenen voor een MBOprofessional. Het feit dat in overleg met de gemeente een andere code gedeclareerd is, kan technisch gezien wellicht als ‘upcoding’ gecategoriseerd worden, maar in de kern is het natuurlijk een reële afspraak over een reëel tarief. - Er zijn ook voorbeelden van een tegenovergestelde beweging. Gemeenten hanteren veelal eenzelfde tarief voor een bepaald product voor alle aanbieders. Dit is anders dan zorgkantoren en zorgverzekeraars, die veelal gedifferentieerde tarieven hanteerden waardoor gespecialiseerde aanbieders voor al hun producten hogere tarieven kregen dan minder gespecialiseerde aanbieders. Op die manier werd de hogere overhead bij ‘systeemaanbieders’ verdisconteerd. Door één prijs voor alle aanbieders te hanteren, en vaak ook een gemiddelde prijs voor een bepaald type cliënten of producten, hebben met name sommige kleine aanbieders grote marges. Ook dit zijn voorbeelden van prijzen die niet reëel zijn. - Daarnaast is de jeugdhulp – en dan met name de jeugd- en opvoedhulp – een sector waarin de bedrijfsvoering in mindere mate geprofessionaliseerd is dan bijvoorbeeld de ziekenhuiszorg. Foutieve declaraties komen voor (ontbrekende declaraties overigens ook) en veelal is daar geen opzet in het spel.
Ook veranderingen in de bekostiging kunnen daar een rol bij spelen. Niet alle aanbieders begrijpen de bekostiging, dus hij wordt ook niet overal correct toegepast. - Ook gemeenten hadden processen de afgelopen jaren vaak nog niet strak genoeg op orde, waardoor afwijkingen niet altijd op tijd geconstateerd werden. Ook worden verschillende keuzes gemaakt in de manier waarop met afwijkingen omgegaan wordt. Voorbeeld: invoering resultaatgestuurd bekostigen In verschillende regio’s is resultaatgestuurd bekostigen ingevoerd, waarbij aanbieders aan de voorkant de intensiteit en daarmee de prijs van trajecten bepalen. In veel regio’s heeft dat geleid tot een toename van de afgegeven prijs. Regio’s zijn hier echter heel verschillend mee omgegaan. Er zijn voorbeelden van regio’s die naar aanleiding van een stijging van de totale kosten na een paar maanden een onderzoek lieten uitvoeren en daarna harde beheersmaatregelen namen, met een hoge administratieve last tot gevolg. Andere regio’s hadden strakke monitoring op de intensiteiten die aanbieders afgaven, en vergeleken deze met andere aanbieders en de trajectprijzen van eerdere jaren. Bij afwijkingen gingen zij direct in gesprek met de betreffende aanbieder. Vaak bleek deze het systeem verkeerd geïnterpreteerd te hebben, en akkoord te gaan met een aanpassing van de beschikking.
We hebben niet onderzocht welke van bovenstaande aspecten meer of minder voorkomt; in sommige gevallen lopen ze ook door elkaar. Wellicht nog belangrijker dan deze technische aspecten is echter dat upcoding ook samenhangt met de vraag wanneer het goed genoeg is. Upcoding is niet alleen een Hbo-tarief declareren terwijl een Mbo-er ingezet wordt, maar het gaat ook over de vraag of een Hbo’er of Mbo’er ingezet moet worden, welke toegevoegde waarde nodig is om een hogere prijs te legitimeren, en welke (impliciete) eisen gesteld worden aan de kwaliteit van jeugdhulp.
Belangrijkste conclusies De belangrijkste conclusies van de analyse van kosten en volume zijn: - De jeugdhulpkosten zijn de afgelopen jaren sterk gestegen.
GV572
89
- De instroom in jeugdhulp is sinds 2015 niet toegenomen. Wel blijft de uitstroom
structureel achter op de instroom. Daardoor neemt het aantal cliënten in jeugdhulp jaarlijks toe. - Het mediane inkomen van gezinnen die jeugdhulp zonder verblijf gebruiken is in de afgelopen jaren toegenomen ten opzichte van het landelijke mediane inkomen. Er worden daarin dus relatief meer welvarende gezinnen bereikt. - Ook de kosten per cliënt per jaar zijn toegenomen. Dit wordt niet verklaard door zwaardere zorgvormen, aangezien vooral ambulante jeugdhulp is toegenomen. Bovenstaande conclusies geven niet alleen inzicht in de achtergronden van de kostenstijging, maar ook in veronderstelde achterliggende oorzaken. Zo zou in het geval van een boeggolf in eerste instantie vooral een toename in de instroom verwacht worden60, en een stijgend aandeel groepen met een lagere sociaaleconomische achtergrond. Beide zaken blijken niet uit de gegevens: de instroom blijft constant, en vooral gezinnen met hogere inkomens zijn vaker ingestroomd. Deze conclusies gelden op landelijk niveau. Tussen gemeenten bestaat uiteraard variatie in de ontwikkeling in kosten en volume van jeugdhulp.
B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom In- en uitstroom jeugdhulp uitgesplitst naar met en zonder verblijf In onderstaande figuren is de in- en uitstroom getoond van jeugdhulp met verblijf en jeugdhulp zonder verblijf.
Zoals beschreven wordt in bijlage C Analysekader boeggolf, zou de instroom naar aanleiding van de boeggolf eerst toe moeten nemen (op het moment dat geïnvesteerd wordt in vroegsignalering) en pas later af moeten nemen (als de effecten van preventie zichtbaar worden). 60
GV572
90
In figuur 19 is zichtbaar dat de instroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2019 afneemt. De instroom blijft in elk jaar wel hoger dan de uitstroom. Tot 2017 stijgt het aantal cliënten dat uitstroomt uit jeugdhulp met verblijf, maar in 2018 neemt het aantal flink af. 1,6 1,4
10.000 Cliënten
1,2 1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 19 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2019.
Figuur 20 laat zien dat ook het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf dat instroomt, tussen 2015 en 2018 hoger is dan het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf dat uitstroomt. 16 14
10.000 Cliënten
12 10 8 6 4 2 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 20 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf tussen 2015 en 2019.
GV572
91
Figuur 21 laat zien dat tussen 2015 en 2018 het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, de uitstroom flink toeneemt, terwijl de instroom afneemt tussen 2016 en 2019. 4,5 4
10.000 Cliënten
3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 21 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, uitgevoerd door het wijkof buurtteam, tussen 2015 en 2019.
In figuur 22 is zichtbaar dat de in- en uitstroom van cliënten die ambulante jeugdhulp op de locatie van de aanbieder ontvangen over het algemeen stabiel blijft. 14 12
10.000 Cliënten
10 8 6 4 2 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 22 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder, tussen 2015 en 2019.
GV572
92
In figuur 23 is te zien dat de instroom van cliënten met daghulp op locatie van de aanbieder het ene jaar afneemt en dan het volgende jaar weer toeneemt. 1,6 1,4
10.000 Cliënten
1,2 1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 23 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, daghulp op locatie van de aanbieder, tussen 2015 en 2019.
Figuur 24 toont in de instroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, in het netwerk van de jeugdige een flinke stijging in 2018. De uitstroom blijft redelijk gelijk, enkel in 2017 is deze minder dan de andere jaren.
4,5 4
10.000 Cliënten
3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 24 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige, tussen 2015 en 2019.
GV572
93
Figuur 25 toont een stijging in de uitstroom van cliënten in gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2018. De instroom blijft tussen 2016 en 2018 gelijk, maar neemt in 2019 af. 0,35
10.000 Cliënten
0,3 0,25 0,2 0,15 0,1 0,05 0 2015
2016
2017
Instroom
Uitstroom
2018
2019
Figuur 25 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, gezinsgericht, tussen 2015 en 2019.
In figuur 26 is te zien dat de instroom van cliënten met pleegzorg tussen 2016 en 2017 licht stijgt, en daarna sterkt afneemt tot 2019. De uitstroom daalt in 2016 en in 2018. 0,45 0,4
10.000 Cliënten
0,35 0,3 0,25 0,2 0,15 0,1 0,05 0 2015
2016
2017
Instroom
Uitstroom
2018
2019
Figuur 26 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, tussen 2015 en 2019.
GV572
94
Figuur 27 laat zien dat de instroom van cliënten in jeugdhulp met overig verblijf geleidelijk daalt tussen 2016 en 2019. De uitstroom stijgt in 2016 en met name in 2017, waarna het in 2018 weer afneemt tot hetzelfde niveau als 2015. 1,4 1,2
10.000 Cliënten
1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 2015
2016
Instroom
2017
2018
2019
Uitstroom
Figuur 27 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, overig verblijf, tussen 2015 en 2019.
In figuur 28 is te zien dat de in- en uitstroom van cliënten met gesloten plaatsing ieder jaar licht toeneemt of afneemt, maar over het algemeen stabiel is over de jaren. 0,16 0,14
10.000 Cliënten
0,12 0,1 0,08 0,06 0,04 0,02 0 2015
2016
2017
Instroom
Uitstroom
2018
2019
Figuur 28 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, gesloten plaatsing, tussen 2015 en 2019.
GV572
95
Instroom specifieke doelgroepen in pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp In de gezingsgerichte jeugdhulp steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens, en het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond tussen 2015 en 2018. Dit is te zien in figuur 29.
Instroom gezinsgerichte jeugdhulp
40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% Bijstandsgezinnen
2015
Eenouderhuishoudens
2016
2017
Niet-westerse migratieachtergrond
2018
Figuur 29 Het aandeel van specifieke groepen in de jaarlijks instromende cliënten in gezinsgerichte jeugdhulp.
In de pleegzorg steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens ook tussen 2015 en 2018. Het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond blijft in de pleegzorg gelijk. Dit is te zien in figuur 30. 50% 45%
Instroom in pleegzorg
40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% Bijstandsgezinnen
2015
Eenouderhuishoudens
2016
2017
Niet-westerse migratieachtergrond
2018
Figuur 30 Het aandeel van specifieke groepen in de jaarlijks instromende cliënten in pleegzorg.
GV572
96