20201221 Beantwoording (03-02) raadsvragen VVD en PvdA nadere gevolgen koude overzettingen
Tekst van het document
460869 FORMULIER (BEANTWOORDING) RAADSVRAGEN
Datum vraag Datum beantwoording Soort Vragensteller Onderwerp
: : : : :
21 december 2020 03 februari 2021 Schriftelijk te beantwoorden vragen Ernst van Splunter (VVD) en Karst Schuring (PvdA) Nadere vragen over de gevolgen van “koude overzettingen”
Geacht college, Naar aanleiding van onze vragen naar de ongewenste effecten als gevolg van “koude overzettingen” (bijvoorbeeld Bethesda in Den Dolder en het appartementengebouw aan de Middellaan/Slotlaan) hebben wij in juli raadsvragen gesteld die in oktober zijn beantwoord. Gesteld wordt in de beantwoording bij vraag 3 (“Welke kunnen op korte termijn problemen geven?”) dat: “Wij hebben momenteel geen situaties in beeld waar sprake is van een mogelijke fout in het bestemmingsplan vanwege de overzetting in 2013. We zien dat deze fouten zeer zeldzaam voorkomen (in de afgelopen jaren niet voorgekomen bij nieuwe aanpassingen binnen gebieden van de 6 bestemmingsplannen), maar zeker niet uit te sluiten zijn. De overzetting vond immers handmatig plaats (van analoge kaarten naar digitale kaarten)”. Daarover hebben wij nog de volgende aanvullende vragen: 1. Zijn er de laatste jaren geen andere signalen binnengekomen van omwonenden die verrast zijn door een aanvraag omgevingsvergunning in deze 6 bestemmingsplannen. In de kern gaat de vraag over het feit dat omwonenden verrast werden door het gewijzigde toetsingskader voor het perceel van Bethesda in het ‘koud overgezette’ bestemmingsplan. Voor dit perceel geldt, dat zonder expliciete toelichting en zonder expliciete motivatie het bestemmingsplan is aangepast.
Hierdoor zijn de rechten van perceelseigenaar en omwonenden veranderd zonder de gewenste communicatie vooraf, wat tot bedoelde verrassing heeft geleid. Een dergelijke fout is tot op heden slechts één keer aan het licht gekomen binnen onze gehele gemeente. Dat is gelukkig heel weinig, aangezien wij elke dag een veelheid aan aanvragen en percelen behandelen en dus sinds 2012 de bestemmingsplannen aan zeer veel situaties hebben getoetst. Nergens is sprake van een dergelijke fout gebleken. Dat neemt niet weg, dat omwonenden ook om andere redenen verrast kunnen worden door een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Dit komt meestal voort uit onbekendheid met het instrument ‘bestemmingsplan’. Veel inwoners krijgen hier zelden tot nooit mee te maken en gaan er min of meer van uit dat uitsluitend de bestaande functies en bouwwerken op een bepaalde plek zijn toegestaan. Dat is echter niet correct. Uw raad stelt immers bestemmingsplannen vast, waarin u ruimte biedt aan maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. De eigenaar van een perceel kiest zelf of en wanneer hij gebruik wil maken van die ontwikkelruimte en soms gebeurt dit pas vele jaren later. Regelmatig voelen omwonenden zich dan overvallen door de ontwikkeling, omdat zij zich niet (meer) realiseerden, dat deze ontwikkeling al die tijd al mogelijk was.
Dat komt in dezelfde mate voor bij ontwikkelingen binnen als bij ontwikkelingen buiten de gebieden waarvoor de plannen destijds ‘koud zijn overgezet’. Wij leggen dan steeds zo goed mogelijk aan omwonenden uit hoe dit juridisch is geregeld en wat hun mogelijkheden wel en niet zijn.
2. Is de afgelopen jaren of naar aanleiding van onze vragen een onderzoek gedaan naar mogelijke fouten binnen de “koude overzettingen”? Nee. In de afgelopen jaren hebben we - behoudens de situatie in Den Dolder - geen andere fouten opgemerkt bij de ‘koude overzetting’. We zien dat in de gehanteerde voorbereiding op de overzettingen in 2012 voldoende zorgvuldigheid is toegepast. Daar waar sprake was van afwijking tussen het nieuwe en oude bestemmingsplan, is dit expliciet toegelicht in de nota’s van toelichting. In de periode vanaf 2012 zijn vele omgevingsvergunningsaanvragen aangevraagd en getoetst aan de bestemmingsplannen. Daaruit is nergens gebleken dat een fout zoals bij het terrein van Bethesda is voorgekomen. Voor het College is er dan ook geen aanleiding geweest hier breder onderzoek naar te doen, omdat we hebben geconstateerd dat er geen structurele of systematische fouten zijn gemaakt bij de overzetting van de bestemmingsplannen in 2012. 3. Hebben de twee genoemde kwesties aanleiding gegeven nogmaals goed te kijken naar de 6 verschillende bestemmingsplannen? Allereerst merken wij op, dat bij het bouwplan voor de Middellaan de ‘koude overzetting’ geen rol heeft gespeeld. De daar ontstane situatie is eerder het gevolg van de invoering van de nieuwe Wro in 2010. Daarmee zijn de mogelijkheden om af te wijken van de gestelde grenzen in het bestemmingsplan verruimd.
Dat is anders dan de situatie bij Bethesda, waar de bestemmingsplanbepalingen zijn aangepast zonder motivering en zonder de daarbij gewenste expliciete communicatie naar belanghebbenden. De twee genoemde zaken zijn dus heel verschillend. Ook zien wij de grote hoeveelheid percelen waar geen fouten worden geconstateerd tijdens de behandeling van ruimtelijke aanvragen. Dit alles geeft ons geen aanleiding om te vermoeden dat er structurele of systemische fouten zouden zijn gemaakt. Tegelijk dient bedacht te worden dat het gedetailleerd onderzoeken van deze 6 plannen een grote en specialistische inzet vereist. Aangezien wij geen aanleiding hebben om te vermoeden dat er sprake was van een systemische onzorgvuldigheid in de wijze van voorbereiding van de genoemde plannen, zou de inzet van de benodigde capaciteit niet in verhouding zijn. Daarom hebben wij deze plannen niet opnieuw bekeken.
4. Welke capaciteit zou nodig zijn om een dergelijk onderzoek te doen? Ieder gebiedsplan kent enkele honderden “attributen” (aanduidingen, bestemmingsvlakken, zones, etc.) die in samenhang met elkaar en de bestaande bebouwing bekeken zouden moeten worden. Om deze zes plannen na te lopen zou, naar schatting, tenminste een jaar fulltime een vakspecialist ingezet moeten worden. Gelet op de intensiteit van het onderzoek, het lage risico en de invoering van de Omgevingswet per 1 januari volgend jaar, is het de vraag of deze inzet gerechtvaardigd is. Onder de Omgevingswet zullen de plannen immers wederom aangepast moeten worden, wat wederom zorgvuldig en met voldoende participatie zal moeten gebeuren om onnodige onduidelijkheid en mogelijke fouten te voorkomen. 5. Zou het mogelijk zijn een beperkt onderzoek/quick scan uit te voeren naar die mogelijke fouten? Het is niet zinvol een quickscan uit te voeren, omdat dat onvoldoende is om de fouten op te sporen, waarover deze vragen gaan. Zoals bij vraag 4 opgemerkt, is het daarvoor nodig om de verschillende bestemmingsplanvoorschriften in samenhang met de verleende vergunningen, de bestaande bebouwing en de wettelijke bepalingen te bekijken. Bovendien is een steekproefsgewijs onderzoek niet wezenlijk anders dan wat wij doen in de dagelijkse praktijk, waarbij vele aanvragen binnen en buiten deze zes plangebieden worden behandeld.
Zoals al bij de beantwoording van vragen 2 en 3 vermeld staat, geeft deze dagelijkse praktijk geen aanleiding om structurele fouten te vermoeden.