CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

07-22RV035 Omgevingsverg. Sparrenheuvel - bijlage 7 Ruimtelijke onderbouwing

Raad 4 oktober 2022, gemeente ZeistBij agendapunt: Omgevingsvergunning Sparrenheuvel (Baarnseweg, Bosch en Duin)23.464 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het plan heeft gevolgen voor de rioleringssituatie. Wij adviseren om een lokaal rioleringsplan op te stellen. Het waterschap zal dit plan vervolgens goedkeuren. Basisprincipes omgaan met water: ● Klimaatbestendige leefomgeving (ruimtelijke adaptatie) ● Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit) ● Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit)

Disclaimer Dit wateradvies is maximaal 1 jaar geldig. Indien u graag deze termijn wilt verlengen, dan kunt u contact met ons opnemen. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden streeft naar correcte en actuele informatie in deze watertoetsapplicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Hoogheemraadschap aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld.

www.dewatertoets.nl

datum 20-10-2020 dossiercode 20201020-14-24554 Gegevens: ● Aanvrager: E. Baeten ● Emailadres aanvrager: eva.baeten@buro-sro.nl ● Organisatie: Buro SRO Oost B.V. ● Naam project: Baarnseweg 18 Bosch en Duin ● Plangebied grootte (m2): 390

Tekenen: Heeft u een beperkingsgebied geraakt? nee Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Zeist Vragen: Blijft de bebouwing staan en gaat het alleen om een interne functiewijziging? nee Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is? nee Is er sprake van een toename van verhard oppervlak van méér dan 500 vierkante meter in stedelijk gebied of méér dan 1000 vierkante meter in landelijk gebied? nee Gaat u hemelwater bergen buiten uw plangebied? nee Vindt er een lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater? nee Wordt hemelwater afgevoerd naar oppervlaktewater? nee Wordt hemelwater afgevoerd naar een hemelwaterriool? nee Wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de bodem? ja Wordt hemelwater afgevoerd via een gemengd rioolstelsel? (bij nieuwbouw is dit niet gewenst volgens het beleid) nee Op welke manier wordt afvalwater verwerkt? geïnfiltreerd in de bodem, nader te bepalen op welke wijze Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee Vinden er binnen het plan agrarische activiteiten plaats? nee

Is er in of aangrenzend aan het plangebied oppervlaktewater aanwezig? nee Bevat het bouwplan ondergrondse bouwwerken, zoals parkeergarage, grote kelders? nee Vindt er een tijdelijke of permanente onttrekking van grondwater plaats met een afvoer naar oppervlaktewater? Denk aan bronnering of drainage. nee

Overzicht kaartlagen geraakt

Afbeeldingen per geraakte kaartlaag

www.dewatertoets.nl

OV20201387

26-08-2021

f

BURO SRO B.V. T.a.v. mevr. E. Baeten Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

23 oktober 2020

Kenmerk

BE/2020/760/r

Uw kenmerk

Email d.d. 7 oktober 2020

Auteur(s)

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Revisie

24 juni 2021

Quickscan Wet natuurbescherming Baarnseweg 18 te Bosch en Duin Aan de Baarnseweg 18 te Bosch en Duin is de woonzorgvoorziening Sparrenheuvel gesitueerd, bestaande uit een hoofdgebouw en aanbouw. De initiatiefnemer is voornemens deze aanbouw in zuidelijke richting te verlengen. Tevens is de initiatiefnemer voornemens meer parkeerplekken te realiseren aan de westzijde van de woonzorgvoorziening. Ten behoeve van deze realisatie dienen enkele bomen en een schuur gesaneerd te worden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Baarnseweg 18 te Bosch en Duin. Op de planlocatie de woonzorgvoorziening en een omliggende tuin gelegen. De woonvoorziening is opgetrokken uit stenen muren en heeft een dakconstructie bestaande uit dakpannen. Delen van de woonzorgvoorziening zijn voorzien van houten sierlatten aan de buitenzijde van de muur. De tuin rondom woonzorgvoorziening wordt gekenmerkt door aanwezigheid van gras, bomen, tuinplanten, een schuur en zitgelegenheden en heeft een hoog onderhoudsbeeld. De schuur is opgebouwd uit enkellaagse muren bestaande uit houten stapelbalken. Het dak bestaat uit EPDM waartegen hout is bevestigd. De planlocatie is deels verhard ten behoeve van reeds bestaande parkeerplekken aan de westzijde van de planlocatie en een verhard pad rondom de woonvoorziening. Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door vrijstaande panden omgeven door een bosrijk gebied. De dichtstbijzijnde snelweg betreft de A28 op circa 2 km ten zuiden van de planlocatie. Op circa 16 km ten zuiden van de planlocatie zijn de Lek en het Amsterdams-Rijnkanaal gelegen.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Baarnseweg 18 te Bosch en Duin (bron kaartmateriaal: kadastralekaart.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie. Links: de westelijke zijde van de planlocatie waar de beoogde parkeerplaats gerealiseerd zal worden. Rechts: de tuin gelegen aan de zuidoost zijde van de planlocatie waar de verlenging van de aanbouw gerealiseerd zal worden.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een verlenging van de aanbouw en parkeerplaats. Ten behoeve van de realisatie van de verlenging van de aanbouw dienen een schuur en enkele bomen rondom de schuur gesaneerd te worden. Ten behoeve van de realisatie van de parkeerplaats dienen mogelijk ook enkele bomen gesaneerd te worden. Het totaal aantal (mogelijk) te saneren bomen op de planlocatie ligt tussen de 2 en 6 stuks. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

saneren van schuur: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie verlenging van de aanbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg parkeerplaats en overige verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie. Blauw omcirkeld: de beoogde parkeerplaats. Rood omcirkeld: de beoogde verlenging van de aanbouw (bron: Buro SRO B.V.).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst en ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 11 Celsius en windkracht 0-1 (Bft).

3

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

Wezel Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is

4

geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde vaatplanten bekend: dennenorchis en wilde averuit (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Wilde averuit komt voor op rivierduinen, dijken, langs spoorwegen, grasland, bermen (uiterwaarden), zeeduinen (bermen in de binnenduinen) en braakliggende grond. Het voorkeusbiotoop is droge, neutrale graslanden (FLORON verspreidingsatlas). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de soort en aanwezigheid kan derhalve uitgesloten worden.

Dennenorchis groeit in ‘ongerepte’ gebieden op een onverstoorde humuslaag waarbij vaak veel dennennaalden en mos aanwezig zijn. Vooral voedselarme, iets vochtige dennenbossen zijn vaak standplaatsen voor deze soort (wilde-planten.nl). Hoewel op de planlocatie enkele naaldbomen aanwezig zijn, is er van een ‘ongerepte’, mosrijke bosomgeving geen sprake. Ten gevolge van de hoge mate van onderhoud (c.q. menselijke verstoring) is er tevens geen sprake van een onverstoorde humuslaag. Het voorkomen van dennenorchis is wegens het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beuk, grove den, hosta, klimop, paardenkastanje, rododendron, roos, ruwe berk en spar. Op de muren van het woonzorgcentrum is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis en vos. (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, das en rode eekhoorn. Door de aanwezigheid van bomen op de planlocatie en beboste delen rondom de planlocatie, is het mogelijk dat de boommarter en rode eekhoorn gebruik maken van de planlocatie. Gezien de hoge mate van verstoring en kunstmatige inrichting van het perceel, is de kans dat de boommarter daadwerkelijk de planlocatie bezoekt echter gering. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen er enkele bomen (tussen de 2 en 6 stuks) verwijderd worden. Deze bomen zijn gelegen aan de randen van beboste gebieden (met eenzelfde boom-soortensamenstelling) en verwijderen hiervan zal niet leiden tot een onderbreking van eventuele (migratie)routes. Tevens zijn er geen nesten van de rode eekhoorn op of rondom de planlocatie waargenomen.

Op de planlocatie zijn geen waarnemingen van de rode eekhoorn en boommarter bekend (NDFF 2010-2020), en in de directe omgeving is voldoende soortgelijk habitat aanwezig. Een negatieve invloed van de kap van deze bomen op de rode eekhoorn en boommarter is derhalve uitgesloten. Dassen komen vooral voor in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. De soort vereist een goed vergraafbare bodem, voldoende dekking en weinig verstoring (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De planlocatie heeft een open structuur (c.q. weinig dekking), is gedeeltelijk omheind (c.q. lastig te betreden) en tevens zijn sporen van dassen, zoals burchten en vluchtpijpen, afwezig. De tuin rondom het woonzorgcentrum wordt zeer intensief gebruikt door de bewoners en begeleiders, waardoor er veel verstoring plaatvind. Daarnaast is er sprake van een hoog kwaliteitsbeeld. Het gazon en de tuin worden hierdoor strak onderhouden. Op basis van de vorengenoemde argumenten kan de aanwezigheid van functioneel leefgebied van de das op de planlocatie uitgesloten worden. De schuur heeft geen functie voor de vorengenoemde soorten. Doordat niet alle balken goed op elkaar aansluiten kunnen kleine zoogdieren, zoals ratten en muizen, de schuur betreden. In de schuur zijn keutels van ratten waargenomen.

Deze soort is niet beschermd onder de Wet natuurbescherming en tevens dermate opportunistisch dat deze een nieuwe schuilplaats zal vinden. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name de egel, konijn en bruine rat. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Eén van de te saneren bomen betreft een grove den met meerdere spechten- en takafbreuk-holten (figuur 4; bijlage 2). Door de hoogte waarop deze holten zich bevinden kon tijdens het veldbezoek niet worden vastgesteld of deze naar onder en/of boven zijn uitgerot.

6

Holten welke naar boven zijn uitgerot kunnen gebruikt worden als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Wanneer holten niet naar boven zijn uitgerot, is de aanwezigheid van een verblijfplaats uitgesloten. Om vast te stellen of de holten naar boven zijn uitgerot wordt een boomholteninspectie aangeraden (zie vervolgstappen). Als tijdens de boomholteninspectie blijkt dat geen van de holten naar boven toe is uitgerot, zijn er geen verdere vervolgstappen nodig. Wanneer blijkt dat één of meerdere holten wel naar boven zijn uitgerot (c.q. geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen) zal middels aanvullend onderzoek vastgesteld moeten worden of vleermuizen daadwerkelijk de holten gebruiken.

Figuur 4

Visuele representatie van de te saneren grove den en de holten in deze boom.

De te saneren schuur en de zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlenging gerealiseerd zal worden zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De te saneren schuur is opgebouwd enkellaagse muren bestaande uit houten stapelbalken. Derhalve is er van een open luchtspouw geen sprake. Het dak is opgebouwd uit EPDM waartegen houten platen bevestigd zijn. Derhalve is er ook geen sprake van een open dakruimte. Tevens bevat de schuur geen andere geschikte openingen of kieren welke gebruikt kunnen worden als rust- en of/ verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. De zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlenging van de aanbouw gerealiseerd zal worden is voorzien van houten sierlatten (figuur 5).

De latten sluiten niet op elkaar aan en tussen de latten en de muur is een grote kier (circa 1,5 cm) aanwezig. De latten zijn onvoldoende breed en door de grote kieren achter en tussen de latten is er sprake van tochtwerking. Derhalve is de aanwezigheid van een verblijfplaats achter deze sierlatten

7

uitgesloten. De zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlenging van de aanbouw gerealiseerd zal worden heeft een plat dak. Het overstek en de daklijst bevatten geen kieren welke geschikt zijn voor vleermuizen. Wegens het ontbreken van invliegopeningen is een rusten/of verblijfplaats van vleermuizen in de zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlenging van de aanbouw gerealiseerd zal worden, uitgesloten.

Figuur 5

Visuele representatie van de zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlenging van de aanbouw gerealiseerd zal worden. (A) Het woonzorgcentrum waartegen sierlatten bevestigd zin. (B) aan de bovenkant van de sierlatten is een grote kier aanwezig (c.a. 1,5 cm) welke achter alle latten doorloopt. (C) tussen de sierlatten zijn ook kieren aanwezig.

Naast dat het momenteel niet uitgesloten kan worden dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen er enkele bomen (tussen de 2 en 6 stuks) verwijderd worden. Deze bomen zijn gelegen aan de randen van de beboste gebieden en verwijderen hiervan zal niet leiden tot een onderbreking of aantasting van eventueel foerageergebied en/of vliegroutes. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Derhalve zal lichtuitstraling richting de bomen voorkomen moeten worden tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.

8

Wegens het ontbreken van oppervlaktewater op de planlocatie is de aanwezigheid van aquatisch habitat van amfibieën uitgesloten. Binnen een straal van 600 meter van de planlocatie is het voorkomen van beschermde amfibieën niet bekend en gezien deze afstand kan ook de aanwezigheid van functioneel terrestrisch habitat uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wegens het ontbreken van waterrijk gebied en duin- en heidegebied is de aanwezigheid van de ringslang en zandhagedis op voorhand uitgesloten (ravon.nl). De levendbarende hagedis komt voor in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden.

Levendbarende hagedissen overwinteren in grote gras- en zeggepollen, oude zoogdierholten en onder boomstronken. Verbossing heeft een negatieve invloed op de levendbarende hagedis. Deze soort is namelijk afhankelijk van structuurrijk habitat met daarbinnen open zon beschenen en snel opwarmende plaatsen (BIJ12 2017, Kennisdocument levendbarende hagedis). De levendbarende hagedis is binnen een straal van 2 km enkel op en rondom Vliegbasis Soesterberg (>1km van planlocatie) waargenomen (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft een woonterrein met een woonvoorziening. De aanbouw van de woonvoorziening zal verlengt worden in westelijke richting. Het terrein waarop de aanbouw verlengd zal wordt in de huidige situatie gekenmerkt door een gazon met hoog onderhoudsbeeld, enkele bomen (2 tot 6) en een schuur. Dit terrein vervult in de huidige situatie een functie als tuin waardoor er veel verstoring optreedt. Ook is op dit terreindeel geen structuurrijke vegetatie aanwezig welke een functie kan vervullen als leefgebied van de levendbarende hagedis. Wegens het ontbreken van geschikt leefgebied, de hoge mate van verstoring op de planlocatie en het ontbreken van waarnemingen binnen een straal van 1 km is het uitgesloten dat locatie van de beoogde uitbouw een functie vervult als functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis.

Negatieve gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de levendbarende hagedis zijn uitgesloten. De hazelworm leeft een verborgen leven en bevindt zich voornamelijk onder vegetatie of dood hout. Het voorkeurshabitat van de hazelworm bestaat hoofdzakelijk uit open bossen, bosranden, heide, wegbermen en andere ruderale plaatsen. De soort kan ook voorkomen in tuinen. Binnen een straal van circa 800 meter zijn geen waarnemingen van de hazelworm bekend (NDFF 2011-2021). Zoals bovenstaand toegelicht komt de locatie van de verlenging van de aanbouw van de woonvoorziening op terrein dat momenteel een functie vervult als tuin. Dit deel is ingericht met gazon, enkele bomen en een schuur. Op dit terreingedeelte is geen structuurrijke vegetatie aanwezig en ontbreekt eveneens dood hout. Derhalve is dit terreingedeelte niet geschikt als leefgebied voor de hazelworm, waardoor uitgesloten is dat dit gedeelte een functie vervult als vaste voortplantingsplaats of rustplaats van de hazelworm. Tevens vormt dit terreingedeelte geen essentiële verbinding tussen gebieden welke gebruikt kunnen worden door de hazelworm. Een functie als essentiële migratieroute is derhalve eveneens uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat het gedeelte waar de verlening van de aanbouw gesitueerd zal worden geen essentiële functie vervult voor de hazelworm.

Zekerheidshalve zijn enkele maatregelen opgesteld om hazelwormen die zich incidenteel op of rondom de planlocatie begeven niet te schaden (zie Te treffen maatregelen). Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de hazelworm zijn uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.

9

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: gevlekte witsnuitlibel, grote vos en kommavlinder (NDFF 2010-2020). Het habitat van de kommavlinder bestaat uit polletjes van schapengras, zwenkgras, buntgras en struisgras (vlinderstichting.nl). De gevlekte witsnuitlibel komt voor rondom laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (vlinderstichting.nl). De aanwezigheid van zowel de kommavlinder als gevlekte witsnuitlibel kan uitgesloten worden wegens het ontbreken van geschikt habitat. De grote vos komt voor in en rondom bosgebieden (vlinderstichting.nl). Waardplanten zijn iep, zoete kers en wilgensoorten. Wegens het ontbreken van deze waardplanten op en rondom de planlocatie kan de aanwezigheid van de grote vos uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, koolmees, pimpelmees en roodborst. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Gezien de dakconstructie van de schuur en het ontbreken van een open dakruimte is het uitgesloten dat huismussen gebruik maken van de schuur als nestlocatie.

De zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlenging gerealiseerd zal worden bevat een plat dak en er zijn geen kieren aanwezig welke mogelijk naar een open ruimte kunnen leiden. Derhalve is de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus in de schuur en de zijde van het woonzorgcentrum waartegen de verlening gerealiseerd zal worden, uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van eventueel leefgebied. Van aantasting functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Wegens het ontbreken van geschikte openingen in de zijde van het woonzorgcentrum waartegen gebouwd zal worden en de schuur, is de aanwezigheid van gierzwaluwen op de planlocatie uitgesloten. Het woonzorgcentrum en de schuur bevatten geen geschikte openingen voor in bebouwing levende uilen. Tevens zijn in de (mogelijk) te kappen bomen geen nesten of horsten aangetroffen van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil. Op en rondom de planlocatie zijn veel bomen gesitueerd waardoor eventueel leefgebied van roofvogelsoorten niet aangetast wordt ten behoeve van de kap van enkele bomen (2 tot 6 stuks).

Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een negatieve invloed heeft op de uilen en roofvogelsoorten.

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11759332/1