06c-Protocol integriteit
Tekst van het document
Protocol handelwijze bij vermoeden van integriteitsschending door politieke ambtsdragers (gewijzigd)
Gemeenteraad Zeist 2018
(gewijzigde versie 30 januari 2018)
Inhoud
Hoofdstuk 1 – Drie principes…………………………………………………………… blz. 3 Hoofdstuk 2 – Vijf rollen: wie doet wat?................................................................... blz. 4 Hoofdstuk 3 – Bepalingen.………………………………………………………………..blz. 5
2
Hoofdstuk 1 - Drie principes Dit protocol is gebaseerd op een gedeelde opvatting over goede samenwerking en omgangsvormen. In het algemeen geldt dat het proces van (voor)onderzoek naar mogelijke integriteitsschendingen niet te lang moet duren. Zorgvuldigheid is een voorwaarde, maar er moet wel tempo in het proces zitten. Drie principes 1. Onpartijdige handhaving Gedragscodes voor raad, college en burgemeester (en de wetten waarop ze gebaseerd zijn) definiëren integriteitsschendingen en leggen zo de morele minimale criteria vast waaraan hun handelen moet voldoen. Over die minimale criteria zijn alle partijen het eens. De kern is dat de zuiverheid van de besluitvorming door deze criteria wordt gewaarborgd. Omdat alle partijen het over deze criteria eens zijn, is er geen enkele reden de handhaving ervan inzet te maken van partijpolitiek. Ook het verschil oppositie en coalitie zou in de handhaving geen rol mogen spelen. Gebeurt dat toch, dan is de kans bijzonder groot dat er in de handhaving onrecht plaatsvindt. Uit het beginsel van 'onpartijdige handhaving' volgt, dat politici van alle partijen de discipline zouden moeten opbrengen om bij de beoordeling van integriteitskwesties boven de partijen te gaan staan. 2. Terughoudend met onnodige publiciteit De media volgen in Nederland de politiek kritisch. Dat is een groot goed.
Bij vermeende integriteitsschendingen van politici heeft dat er echter in een aantal gevallen toe geleid dat er in de media al een (voor-)veroordeling heeft plaats gevonden, voordat er onderzoek is gedaan. Het gevolg is dat er sprake is van willekeur, dat individuele politici die (onschuldig?) onder verdenking komen te staan grote schade oplopen en dat de geloofwaardigheid van de politiek wordt aangetast. Het is daarom zaak dat alle betrokkenen bij een integriteitskwestie de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten en de kwestie niet in een te vroeg stadium in de publiciteit brengen. Daaruit volgt ook dat in alle stadia van de afhandeling van een kwestie de groep, die erbij betrokken wordt, zo klein mogelijk moet zijn. Als er uiteindelijk werkelijk van integriteitsschending sprake blijkt te zijn en er een oordeel over de ernst daarvan en over een passende maatregel/sanctie is gevormd, mag en moet de kwestie natuurlijk wel naar buiten worden gebracht. 3. Zorgvuldigheid tegenover vermeende schender Iedereen, die mogelijk een schending heeft begaan, heeft er recht op dat er uiterste zorgvuldigheid wordt betracht in alle fasen van de handhaving. Dat begint al voordat de handeling die mogelijk een schending is, is uitgevoerd.
Heb je er weet van dat iemand van plan is iets te doen dat mogelijk een integriteitsschending zou betekenen, dan word je geacht hem of haar daarvoor te waarschuwen en de weg te wijzen naar advies. Iedere politicus die twijfelt - uit zichzelf of na een opmerking van een ander - of een voorgenomen handeling een schending is, heeft recht op vertrouwelijk advies. Komt iemand onder verdenking te staan dat hij een integriteitsschending begaan heeft, dan dient er door middel van een vooronderzoek vastgesteld te worden of er überhaupt grond is voor de verdenking. Zijn er gronden, dan moet er een objectief onderzoek volgen waar ook de context in meegenomen wordt en waarin de mate van verwijtbaarheid apart wordt beoordeeld. Als er een maatregel moet volgen, moet die maatregel passend zijn en in verhouding tot de integriteitsschending.
3
Hoofdstuk 2 – Vijf rollen: wie doet wat? 1. Burgemeester • Is bewaker en begeleider van het proces. • Laat vooronderzoek doen of een vermoeden van integriteitsschending grond heeft. • Geeft, zodra vooronderzoek hiertoe aanleiding geeft, opdracht voor onafhankelijk integriteitsonderzoek • Beoordeelt de resultaten van het onafhankelijke onderzoek en legt de resultaten van het onderzoek voor aan de raad. • Doet een voorstel voor een passende maatregel of een andere sanctie zoals bedoeld in artikel X8 van de Kieswet.1 • Doet eventueel aangifte. 2. Griffier • Vervult de rol van vertrouwenspersoon voor de raad. • Is vraagbaak en geeft advies aan raadsleden over de vraag of een handeling een integriteitsschending is. • Ondersteunt de burgemeester, de raad en individuele raadsleden bij de uitvoering van hun rol. • Is ontvanger van een melding over de burgemeester.
3. Secretaris • Vervult de rol van vertrouwenspersoon voor het college. • Is vraagbaak en geeft advies aan collegeleden over de vraag of een handeling een integriteitsschending is. • Ondersteunt de burgemeester en individuele collegeleden bij de uitvoering van hun rol.
4. Seniorenconvent • Vormt het klankbord voor de burgemeester, waarmee deze tussentijds kan overleggen over trajecten rond vermeende schendingen, als hem dat raadzaam lijkt. • Neemt de rol van de burgemeester over als de melding de burgemeester zelf betreft. • Zorgt ervoor dat raadsleden door hun eigen fractievoorzitter worden gewaarschuwd als zij integriteitsrisico’s lopen. 5. Fractievoorzitter • Steunt het raadslid dat twijfelt, dat melding doet (of wil doen) of waarvan vermoed wordt dat hij/zij integriteit schendt/dreigt te schenden. • Waarschuwt raadsleden voor integriteitsrisico’s. • Doet eventueel een voorstel aan de fractie en aan de partijafdeling voor een op te leggen maatregel na onderzoek.
1 Artikel X8 van de Kieswet: voorzitter schorst raadslid en legt zaak voor aan de raad. Raad kan raadslidmaatschap
vervallen verklaren. Als dit gebeurt, kan raadslid hier tegen in beroep gaan.
4
Hoofdstuk 3 – De bepalingen I.
ALGEMENE BEPALINGEN
1.
Algemeen
1.1.
Onder politieke ambtsdrager worden verstaan: de burgemeester, de leden van het college, raadsleden en buitengewone raadsleden. In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, wordt de handelwijze bepaald door het seniorenconvent of het college, afhankelijk van de vraag of de melding een (buitengewoon) raadslid, burgemeester of een collegelid betreft. Bij het gebruik van dit protocol is de Gedragscode Integriteit (dagelijkse) bestuursleden, raadsleden en buitengewone raadsleden gemeente Zeist 2018 het uitgangspunt.
1.2.
1.3.
II.
PROCEDURELE BEPALINGEN
2.
Melding
2.1.
Iedereen kan bij vermoeden van integriteitsschending door een politieke ambtsdrager een melding doen bij de burgemeester. Dit kan mondeling, schriftelijk of digitaal. De burgemeester bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding. Indien de burgemeester oordeelt dat de melding voldoende concreet is en een voldoende ernstig karakter heeft, dan besluit hij een vooronderzoek in te stellen. Is dat niet het geval, dan besluit hij het onderzoek niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk in kennis gesteld. Meldingen over de burgemeester worden gedaan bij de griffier. De griffier informeert het seniorenconvent, dat in de plaats treedt van de burgemeester bij de behandeling van de melding.
2.2. 2.3. 2.4.
2.5.
3.
Vooronderzoek
3.1.
Het vooronderzoek vindt plaats op een door de burgemeester te bepalen wijze, waarbij voor de desbetreffende melding de meest geëigende onderzoeksmethode wordt gekozen. Van het vooronderzoek wordt een rapport van bevindingen opgemaakt. De burgemeester doet vertrouwelijk mededeling van de resultaten van het vooronderzoek aan het seniorenconvent en het college. Als het vooronderzoek geen aanleiding geeft voor het instellen van een nader onderzoek, besluit de burgemeester het onderzoek niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder alsmede de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk in kennis gesteld. Indien op grond van de bevindingen uit het vooronderzoek aanleiding blijkt voor het verrichten van een nader onderzoek, besluit de burgemeester een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 4 in te stellen. In het geval van een vermoeden van integriteitsschending van de burgemeester wordt, indien op grond van de bevindingen uit het vooronderzoek besloten wordt tot het instellen van een feitenonderzoek, de commissaris van de Koning in kennis gesteld door de plaatsvervangend raadsvoorzitter.
3.2. 3.3. 3.4.
3.5.
3.6.
4.
Feitenonderzoek
4.1.
Van de beslissing een feitenonderzoek in te stellen, wordt de betrokken politieke ambtsdrager in kennis gesteld. Tevens worden het seniorenconvent, het college, de gemeentesecretaris en de melder in kennis gesteld. De burgemeester kan in overleg met het seniorenconvent een schriftelijke opdracht voor het feitenonderzoek aan een onafhankelijke externe onderzoeker verstrekken. De bevindingen uit het feitenonderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksrapportage.
4.2. 4.3
5
5.
Kennisgeving aan betrokkene
5.1.
De betrokken politieke ambtsdrager wordt over het instellen van het feitenonderzoek tijdig per brief geïnformeerd. 5.2. In de brief is in ieder geval opgenomen: a) een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van onderzoek; b) de melding dat betrokkene en getuigen kunnen worden gehoord; c) de melding dat de betrokken politieke ambtsdrager zich kan laten bijstaan door een advocaat; d) de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsschending, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden; e) dit protocol. f) de vigerende gedragscode. 6.
Onderzoeksrapportage
6.1.
De onderzoeksrapportage wordt door de burgemeester vertrouwelijk aangeboden aan het college en de raad. De onderzoeksrapportage bevat alle informatie die nodig is om een oordeel te kunnen vormen over de aannemelijkheid en mate van verwijtbaarheid van het vermoeden van de integriteitsschending. De raad besluit in hoeverre en op welke wijze de onderzoeksrapportage geheel of gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt en wie daartoe mandaat krijgt.
6.2.
7.
Besluitvorming
7.1.
Na kennisname van de onderzoeksrapportage beoordeelt de raad of de rapportage aanleiding geeft voor nadere maatregelen.
III.
SLOTBEPALINGEN
8.
Horen van betrokkene en getuigen
8.1. 8.2.
De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord. De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen worden vooraf op de hoogte gesteld van de aard en de mogelijke duur van het gesprek. Hen wordt meegedeeld dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman. In het geval van een feitenonderzoek wordt er een gespreksverslag opgemaakt en ondertekend door de onderzoekers en de getuigen/ betrokken politieke ambtsdrager. Degene die is gehoord krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het desbetreffende gespreksverslag. Als degene die is gehoord weigert het gespreksverslag te ondertekenen wordt daarvan melding gemaakt in het verslag. Als degene die is gehoord dat wenst wordt er een schriftelijke weergave van diens afwijkende mening bij het gespreksverslag gevoegd.
8.3. 8.4. 8.5.
9.
Communicatie
9.1. 9.2.
De burgemeester zorgt voor de interne- en externe communicatie. Voor de interne en externe communicatie worden de verschillende belangen, voornamelijk het belang van het onderzoek, het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken politieke ambtsdrager en het belang van transparantie, nauwkeurig afgewogen.
6
10. Aangifte 10.1. Als er op enig moment een vermoeden is van een strafbaar feit doet de burgemeester na het informeren van het college of het seniorenconvent aangifte bij de politie. 10.2. Vanaf dat moment wordt alle beschikbare informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie. 10.3. Het strafrechtelijk onderzoek laat onverlet dat de burgemeester een feitenonderzoek, zoals bedoeld in artikel 4, kan instellen of een civielrechtelijke procedure tegen de betrokken politieke ambtsdrager kan instellen.
11. Registratie integriteitsschendingen 12.1. De gemelde vermoedens van integriteitsschendingen, de aard van de daarop volgende onderzoeken en de afdoeningen worden vastgelegd in een gemeentelijk register. 12.2. Jaarlijks worden het college en de raad geïnformeerd over het gevoerde bestuurlijke integriteitsbeleid.
7