03.3-23RV083 Bijlage 03.3 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Projectnummer:
oktober 2018
Quickscan Wet natuurbescherming Joost van den Vondellaan 61 Zeist
In opdracht van: Woongoed Zeist Projectnummer: 2018-136
© 2018 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Beesdseweg 3-18 4104 AW Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87 Btwnr NL 8212 39 119 BO1 IBAN NL46 TRIO 0198 4486 00 Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:
D.C. (David) Broek D.C. (David) Broek D.C. (David) Broek
Foto voorblad:
Joost van den Vondellaan 61
Projectnummer: Wijze van citeren:
2018-136 Broek, D.C., 2018. Quickscan Wet natuurbescherming Joost van den Vondellaan 61 Zeist. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2018-136
In opdracht van: Contactpersoon:
Woongoed Zeist Jan van Wiggen
Status: Ondertekening: Paraaf:
05-10-2018 S.D. (Sietze) van Dijk
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal (Basis Registratie Topografie Kadaster 2018, tenzij anders wordt vermeld) inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus.
Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
D.C. (David) Broek
Quickscan Wet natuurbescherming Joost van den Vondellaan 61 Zeist
In opdracht van: Woongoed Zeist
Inhoud
1
2
3
Inleiding
2
4
Onderzoeksmethode
10
1.1
Aanleiding en context
2
4.1
Literatuuronderzoek
10
1.2
Onderzoeksvragen
2
4.2
Veldonderzoek
10
1.3
Leeswijzer
2
4.3
Analyse
10
Plangebied en werkzaamheden
3
5
Resultaten en effectbeoordeling
11
2.1
Beschrijving van het plangebied
3
5.1
Vleermuizen
11
2.2
Beschrijving van de werkzaamheden
3
5.2
Vogels
11
Wettelijk kader en beschermde soorten
5
5.3
Overige soorten
12
Conclusie en advies
13
3.1
Wettelijk kader
5
6
3.2
Wet natuurbescherming
5
6.1
Beantwoording onderzoeksvragen
13
3.2.1
Natura 2000-gebieden
5
6.2
Mitigerende maatregelen
13
3.2.2
Soortbescherming
5
6.3
Conclusie
13
3.2.3
Vogellijst
7
3.2.4
Zorgplicht
7
7.1
Literatuur
14
7.2
Websites
14
7
Bronnen
14
3.3
Ontheffing, vergunning of vrijstelling
7
3.4
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
7
Overzicht algemene vrijstellingen
15
3.5
Beschermde houtopstanden
8
Ter zake kundige
16
3.6
Conclusie benodigd onderzoek
8
1 Inleiding
1.1
Aanleiding en context
Voor de kavel aan de Joost van den Vondellaan 61 te Zeist staat nieuwbouw gepland. Hiervoor zal de huidige, tijdelijke bebouwing (“porto cabins”) worden verwijderd en zullen een aantal bomen gekapt moeten worden aan twee zijdes van het gebouw om plaats te maken voor parkeerplaatsen. Voor het plan is een bestemmingsplanwijziging nodig.
Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande herinrichting van de kavel in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren.
1.3 Sloop van de tijdelijke bebouwing (porto cabins) en kap van bomen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde soorten1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. In dit kader heeft Woongoed Zeist aan Ecologisch Adviesbureau Viridis gevraagd een onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van beschermde planten diersoorten middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan).
1.2
Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren?
Leeswijzer
In de rapportage worden bovenstaande onderzoeksvragen beantwoord. In hoofdstuk 2 zijn het plangebied en de werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 3 is het wettelijke kader met betrekking tot beschermde soorten in Nederland kort benoemd. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode beschreven en vervolgens zijn in hoofdstuk 5 de onderzoeksresultaten gepresenteerd (inclusief effectbeoordeling). De conclusie en het advies zijn in hoofdstuk 6 beschreven. Tot slot is een overzicht van de geraadpleegde literatuur in hoofdstuk 7 opgenomen.
Onderzoeksvragen
Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen:
Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden?
1
Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Utrecht.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
2
2 Plangebied en werkzaamheden
2.1
Beschrijving van het plangebied
De kavel ligt aan de Joost van den Vondellaan 61 in Zeist, op de hoek van de Joost van den Vondellaan en Schermerslaan. Op de kavel staat tijdelijke bebouwing (porto cabins). Langs de randen van de kavel staan diverse bomen, zoals eik, beuk, acacia, fijnspar, grove den en berk met een ondergroei van kleine struiken. Aan de noordkant is een klein stuk gras aanwezig en aan de zuidkant bevindt zich een klein betegeld en omheind pleintje.
In Figuur 2.1 en Afbeelding 2.1 t/m 2.6 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.
2.2
Beschrijving van de werkzaamheden
De porto cabins zullen worden verwijderd en om aan twee zijdes van de kavel parkeergelegenheid te realiseren zal een aantal bomen gekapt worden. Op de kavel staat nieuwbouw gepland.
Figuur 2.1 | Ligging van de kavel aan de Joost van den Vondellaan 61 in Zeist.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
3
Afbeelding 2.1 | Noordzijde van kavel
Afbeelding 2.2 | Zuidzijde van kavel
Afbeelding 2.3 | Oostzijde van kavel
Afbeelding 2.4 | Noordzijde van kavel
Afbeelding 2.5 | Westzijde van kavel
Afbeelding 2.6 | Plangebied vanuit noordoostelijke richting
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
4
3 Wettelijk kader en beschermde soorten
3.1
Wettelijk kader
De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO blijft wel het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken.
3.2
Wet natuurbescherming
Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. 3.2.1 Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten of activiteiten in en/of in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve
effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ligt op een afstand van ruim 10 kilometer. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied is het uitgesloten dat er negatieve effecten ten aanzien van het Natura2000-gebied optreden. Het is daarom niet noodzakelijk om een voortoets t.b.v. een habitattoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren. 3.2.2 Soortbescherming Het hoofdstuk ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen van vogels; 2. opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; 3. eieren rapen en onder zich hebben; 4. opzettelijk verstoren van vogels; 5.
het verbod onder 4) is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend wor-
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
5
den als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6. het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels.
Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) Voor in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden of vangen; 2. opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.
Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen; 2. opzettelijk verstoren; 3. opzettelijk vernielen of rapen eieren; 4. opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantings- of rustplaatsen; 5. opzettelijk plukken of vernielen planten.
Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.10, lid 2: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; b. ter voorkoming van schade of overlast; c. ter beperking van de omvang van populaties; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud landbouw of bossen; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 3.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding van natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; 5. op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben.
Voor vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen.
Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om soorten te beschermen middels de Natuurvisie (artikel 1.7) en de actieve soortbescherming (artikel 1.12). In het kader van deze actieve bescherming kunnen de provincies de lijst met beschermde soorten uitbreiden en/of gebieden aanwijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of te herstellen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
6
3.2.3 Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn en het verdrag van Bern (artikel 3.1 en 3.5). Een aantal vogelsoorten hebben een dubbele beschermingsstatus omdat zij onder beide beschermingsregimes vallen. Voor deze soorten geldt het verbod ‘opzettelijk verstoren’ ongeacht of deze verstoring van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie. De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 1 september). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 en 3.5 (afhankelijk van de soort) van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader 3.1). De wetgever verstaat onder verblijfplaatsen van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven. 3.2.4 Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11).
De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.
3.3
Ontheffing, vergunning of vrijstelling
Het is mogelijk om voor de in de Wet natuurbescherming vermelde verboden een ontheffing of vergunning aan te vragen. Er kan alleen een ontheffing verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: Er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; Er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt; Er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden.
Vrijstelling Het is niet altijd nodig om een ontheffing aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde plantenen diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. De zorgplicht blijft ook bij het werken via een gedragscode onverminderd van kracht. Naast de gedragscode is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling te krijgen (artikel 3.11). Deze ministeriële regelingen zijn opgesteld door Gedeputeerde Staten als vrijstellingslijsten. Zie Bijlage A en B voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten. In onderhavige rapportage wordt niet ingegaan op de voorkomende soorten van de vrijstellingslijst. Gezien de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, zijn negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde soorten niet uit te sluiten. Dit betekent dat er mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden. Een Quickscan Wet natuurbescherming is dan ook noodzakelijk.
3.4
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken (NNN). Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een ‘Nee, tenzij’toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. Voor onderhavig project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’-toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
7
3.5
Beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij
verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting. Binnen het plangebied bevindt zich aan noord-, westen oostzijde een bomenrij bestaande uit meer dan twintig bomen van verschillende soorten. Op deze houtopstand zijn de regels voor beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en de beoogde werkzaamheden bestaan enkel uit het verwijderen van een deel van de bomen. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Wel dient bij het verwijderen van bomen altijd gelet te worden op aanwezigheid van broedvogels en overige soorten in verband met het verbod op opzettelijk verstoren en doden zoals genoemd in artikel 3.1 en 3.5 en de Zorgplicht (artikel 1.11) van de Wet Natuurbescherming.
3.6
Conclusie benodigd onderzoek
Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is het noodzakelijk de volgende toetsingen uit te voeren: Quickscan Wet natuurbescherming; In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toets beschreven.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
8
Kader 3.1 | Jaarrond beschermde vogelnesten
De meeste vogels gebruiken hun nest slechts eenmalig voor de voortplanting. Elk jaar bouwen de dieren een nieuw nest op meestal een andere locatie. Nesten van deze vogels zijn slechts gedurende het broedseizoen beschermd. Er zijn echter ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 en 3.5 (afhankelijk van de soort) van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn. Er worden 5 categorieën onderscheiden: 1. Vogels waarvan de nesten ook buiten het broedseizoen als vaste rust- en verblijfplaats gebruikt worden (voorbeeld: steenuil). 2. Koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar en kerkuil). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. (voorbeeld: ransuil). 5.
De volgende vogelsoorten behoren tot deze categorie: vogels die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
9
4 Onderzoeksmethode
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie onderzocht. Op deze manier wordt het voorkomen van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming bepaald. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
oordeeld of in en rond het plangebied beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
4.1
4.3
Literatuuronderzoek
Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen van relevante soorten, het archief van Bureau Viridis en vrij beschikbare verspreidingsgegevens. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten.
4.2
Veldonderzoek
Er is eveneens beoordeeld of voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken of aanvullend specialistisch onderzoek noodzakelijk is om de aanwezigheid van beschermde soorten en effecten van de werkzaamheden te kunnen beoordelen.
Analyse
De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen verspreidingsgegevens van beschermde soorten zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen (art. 3.1, 3.5 of 3.10) van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Wanneer blijkt dat er mogelijk beschermde soorten voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven. Wanneer mogelijk worden alternatieven aangeboden om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien het voorkomen van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.
Naast het literatuuronderzoek heeft Ecologisch Adviesbureau Viridis een veldbezoek uitgevoerd. Dit veldbezoek heeft plaatsgevonden op 24 september 2018. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement be-
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
10
5 Resultaten en effectbeoordeling
Hierna worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Daarbij is per soortgroep een effectenbeoordeling opgenomen, waarin beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.
5.1
plangebied bevatten geen holten die mogelijk voor vleermuizen geschikt zouden kunnen zijn. Aanwezigheid van verblijfplaatsen in bomen is daarom ook uit te sluiten. Vliegroutes Vleermuizen kunnen lijnvormige elementen in het open landschap, zoals bomenrijen, gebruiken als vliegroute. Bij het plangebied is dat niet aan de orde.
Vleermuizen
Uit onderzoek in de NDFF blijkt dat gewone en ruige dwergvleermuis in de omgeving van het plangebied (<200 meter) waargenomen zijn en zij kunnen dus ook binnen het plangebied verwacht worden. Ook andere soorten vleermuizen zijn op basis van de bekende verspreiding te verwachten in de directe omgeving van het plangebied. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen gebruik maken van zowel gebouwen als boomholten als verblijfplaats, afhankelijk van de soort. Binnen het plangebied is bebouwing in de vorm van ‘porto cabins’ aanwezig. In dit gebouw bevinden zich kleine openingen tussen de metalen golfplaten en de dakrand die voor dwergvleermuizen (Pipistrellus sp.) al voldoende groot zijn. Tevens zijn er per zijde twee ventilatieroosters die ook mogelijkheid geven de ruimte erachter binnen te gaan. Anders dan bij stenen bebouwing leveren de metalen platen waaruit deze ‘porto cabins’ zijn opgebouwd echter weinig grip aan vleermuizen en is de temperatuurfluctuatie veel groter. Metaal isoleert veel minder dan een stenen muur, waardoor het snel te warm of te koud wordt. Om deze redenen kan het gebruik van de bebouwing in het plangebied door vleermuizen uitgesloten worden. De aanwezige bomen in het
Foerageergebied Als foerageergebied voor vleermuizen fungeren windluwe plekken met een hoge dichtheid aan insecten. Rondom en in het plangebied zijn deze locaties in ruime mate aanwezig en het is dan ook goed mogelijk dat het plangebied of de zone daaromheen functioneert als foerageergebied voor vleermuizen. Effectbeoordeling Gezien het gebrek aan geschikte verblijfplaatsen voor zowel gebouw als boom bewonende vleermuizen, is uit te sluiten dat de geplande werkzaamheden tot vernieling of beschadiging van verblijfplaatsen van vleermuizen leidt. Omdat slechts een beperkt aantal bomen verwijderd zal worden, blijft het foerageergebied voor vleermuizen behouden. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op vleermuizen.
5.2
Vogels
Binnen het plangebied bevinden zich bomen die als nestlocatie kunnen voldoen voor veel verschillende vogelsoorten. Ook uit de omgeving zijn waarnemingen van veel verschillende (bos)vogels bekend. Voor in gebouwen broedende soorten is het plangebied ongeschikt, gezien er geen ruimtes zijn in de ‘porto cabins’ waarin gebroed kan worden. Tijdens het veldbezoek is één nest van vermoedelijk houtduif in een boom aangetroffen. Andere nesten werden niet
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
11
aangetroffen. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aanwezig. Effectbeoordeling De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in zowel gebouwen als bomen is uitgesloten. Voor algemene broedvogels als houtduif is broedgelegenheid aanwezig in de bomen. Wanneer de kap van de bomen buiten het broedseizoen plaatsvindt zullen er geen negatieve effecten zijn op beschermde nesten van algemene broedvogels en wordt overtreding van artikel 3.1 van de Wet Natuurbescherming voorkomen.
5.3
Overige soorten
Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde soorten grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen ongewervelden of vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen (NDFF, 2018). De ligging in een woonwijk, aanwezigheid van slechts een smalle groenstrook en afwezigheid van boomholten sluit aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren uit, met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten. Enkel eekhoorn, die uit de directe nabijheid van het plangebied bekend is, zou zich incidenteel binnen het plangebied kunnen bevinden. Aanwezigheid van een nest is tijdens het
veldbezoek uitgesloten en ook zijn geen aanwijzingen dat er gefoerageerd wordt in de bomen. Vanwege de afwezigheid van water en/of geschikt landbiotoop zijn beschermde amfibieën (m.u.v. vrijgestelde soorten), vissen en reptielen uit te sluiten binnen het plangebied. Beschermde plantensoorten en ongewervelden kunnen op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid uitgesloten worden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde soorten grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden of vaatplanten (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op overige beschermde soorten. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
12
6 Conclusie en advies
6.1
Beantwoording onderzoeksvragen
Om na te gaan of door de herinrichting van het kavel verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord.
Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, in de bomen kunnen algemene vogels tot broeden komen. Mogelijk fungeert het plangebied ook als foerageergebied voor (beschermde) vleermuizen.
Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, broedende vogels kunnen negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden wanneer deze binnen het broedseizoen plaatsvinden. Omdat slechts een deel van de bomen gekapt wordt zal de functie als foerageergebied voor vleermuizen behouden blijven en ondervinden de vleermuizen hier dus geen negatieve effecten door.
Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Ja, door de werkzaamheden niet binnen het broedseizoen (15 maart- 31 augustus) uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole worden uitgevoerd door een ter zake kundige (zie Bijlage B).
Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Nee, aanvullend onderzoek naar één of meerdere soortgroepen is niet noodzakelijk.
6.2
Mitigerende maatregelen
Indien de beschreven mitigerende maatregelen in acht worden genomen, is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het betreft de volgende mitigerende maatregelen: Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen (als broedseizoen kan de periode 15 maart – 31 augustus worden aangehouden). Indien dit niet mogelijk is kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole worden uitgevoerd door een ter zake kundige. Ook buiten het broedseizoen zijn broedgevallen mogelijk en ook die zijn beschermd. Indien tijdens het kappen van bomen een broedgeval wordt aangetroffen dan mag deze boom niet gekapt worden en dient er contact opgenomen te worden met een ter zake kundige. Vanuit de Wet Natuurbescherming geldt een algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming). Om invulling te geven aan deze zorgverplichting zijn de volgende mitigerende maatregelen noodzakelijk: Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden;
6.3
Conclusie
Met inachtneming van de beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen sloop van bebouwing en kap van bomen met oog op nieuwbouw en realisatie van parkeerplaatsen op beschermde soorten uitgesloten. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van nader onderzoek.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
13
7 Bronnen
7.1
Literatuur
Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
7.2 Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
Websites
Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/
Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
14
Overzicht algemene vrijstellingen
Tabel 1 | Overzicht vrijgestelde soorten Provincie Utrecht
Soortgroep
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën
Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker / Bastaardkikker
Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Mustela putorius Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europaeus Sorex araneus Lepus europaeus Mustela erminea Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Mustela nivalis Arvicola terrestris Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Pelophylax ridibundus (Rana ridibunda) Pelophylax klepton esculentus (Rana esculenta)
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
15
Ter zake kundige TER ZAKE KUNDIG
.
Alle mitigerende maatregelen moeten worden begeleid en/of uitgevoerd door een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen, jaarrond beschermde nestplaatsen en broedvogels. Voorafgaande aan de uitvoering van de gewenste werkzaamheden, dient te alle tijden de aannemer/uitvoerder de werkzaamheden af te stemmen met een ter zake kundige. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of; op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of; als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of; zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties. Alle medewerkers van Bureau Viridis voldoen aan de eisen van het ministerie en zijn ter zake deskundig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wnb Joost van den Vondellaan 61 Zeist
16