03.0-23RV083 Bijlage 03 Toelichting Joost van den Vondellaan 61
Tekst van het document
bestemmingsplan
Joost van den Vondellaan 61 Gemeente Zeist
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0355.BPJvdVondellaan61-OW01
Datum:
2022-07-19
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T. Oostrom | dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210347
Opdrachtgever:
Woongoed Zeist
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie .................................................................................................................................................. 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 8
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Rijksbeleid .......................................................................................................................................................11 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................13 3.3 Regionaal beleid ..............................................................................................................................................17 3.4 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................................17
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................22 4.2 Bodem ..............................................................................................................................................................23 4.3 Geluid ...............................................................................................................................................................24 4.4 Luchtkwaliteit...................................................................................................................................................25 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................25 4.6 Bedrijven en milieuzonering............................................................................................................................26 4.7 Externe veiligheid ............................................................................................................................................28 4.8 Water
................................................................................................................................................................31 4.9 Archeologie & Cultuurhistorie .........................................................................................................................33 4.10 Verkeer en parkeren .....................................................................................................................................34 4.11 Duurzaamheid ...............................................................................................................................................36
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 38 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................38 5.2 Verbeelding ......................................................................................................................................................38 5.3 Planregels ........................................................................................................................................................38 5.4 Wijze van bestemmen .....................................................................................................................................38
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 41 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................41 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................41
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om de locatie aan de Joost van den Vondellaan, op de hoek met de Schermerslaan te Zeist te herontwikkelen. Van 2013 tot december 2020 hebben in het plangebied portacabins gestaan, die in gebruik zijn geweest voor tijdelijke huisvesting op basis van een tijdelijke vergunning. De initiatiefnemer is op zoek naar een nieuwe invulling van het plangebied, nu deze portacabin verwijderd is. Het voornemen is op de locatie een appartementengebouw met 23 huurappartementen te realiseren. De toewijzing van deze huurappartementen verloopt via het Leger des Heils. Voor de betreffende ontwikkeling is reeds een principeverzoek ingediend waar door de gemeente Zeist positief op gereageerd is. De gemeente Zeist heeft aangegeven medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan 'BSP_Zeist_Noord' staat het voorgenomen plan niet toe. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt aan de Joost van den Vondellaan 61 te Zeist (gemeente Zeist). Deze locatie bevindt zich in het stedelijk gebied van Zeist, in het noordelijk deel van de kern. Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Zeist, sectie P, perceel 1146 met een oppervlakte van 1.320 m². Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied (wit omcirkeld, bron: Google Earth)
5
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl, luchtfoto verouderd portacabin inmiddels verwijderd)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'BSP_Zeist_Noord'. Dit bestemmingsplan is op 8 november 2011 vastgesteld door de raad van de gemeente Zeist. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'BSP_Zeist_Noord' (plangebied is rood omkaderd)
6
De gronden waar de beoogde ontwikkeling is voorzien hebben de bestemming ‘Maatschappelijk’. Op deze gronden zijn naast maatschappelijke voorzieningen ook groen, parkeer- en overige voorzieningen, zoals fietsenstallingen en nutsvoorzieningen toegestaan. Het voorgenomen plan betreft de realisatie van een appartementengebouw met 23 huurappartementen. Binnen het geldende bestemmingsplan is het niet toegestaan woningen te bouwen dan wel te gebruiken. Daarnaast voldoet het bouwvlak niet voor het beoogde gebouw. Er zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan opgenomen die toereikend zijn. Om die reden dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit één perceel: het perceel met perceelnummer 1146, dat gelegen is in sectie P van de kadastrale gemeente Zeist. Van 2013 tot december 2020 hebben in het plangebied portacabins gestaan, die in gebruik is geweest voor tijdelijke huisvesting op basis van een tijdelijke vergunning. Het plangebied is in de huidige situatie braakliggend, zoals te zien is op navolgende afbeelding.
Impressie plangebied huidige situatie (bron: Google Streetview)
Het plangebied maakt onderdeel uit van het stedelijk gebied van de kern Zeist. De planlocatie bevindt zich in het noordelijk deel van deze kern op de rand van een ten noorden gelegen groen gebied. Het perceel is gelegen op de hoek van de kruising van de Joost van den Vondellaan en de Schermerslaan. Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Centrum voor tandheelkunde Vondellaan. Verder bevinden zich rondom het plangebied voornamelijk woningen.
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om het braakliggende perceel te ontwikkelen tot woonperceel met een appartementencomplex bestaande uit 23 appartementen. Op navolgende afbeelding is een impressie van de beoogde situatie weergegeven.
8
Impressie beoogde situatie, gezien vanaf het zuidoosten (bron: Freek Laarhoven Architect)
Op de impressie is te zien dat bij het ontwerp uit is gegaan van vier bouwlagen. Daarbij hoort een bouwhoogte van 12 m. De galerijen lopen rondom het gehele gebouw, wat het gebouw een markante uitstraling geeft en waardoor de appartementen goed bereikbaar zijn. Op de navolgende afbeelding is te zien hoe de begane grond en de buitenruimte bij het gebouw zijn uitgewerkt.
Plattegrond begane grond en buitenruimte (bron: Freek Laarhoven Architect)
Uit de plattegrond van de begane grond blijkt dat op deze bouwlaag ruimte wordt geboden aan vier appartementen, een interne fietsenstalling en een gezamenlijke woonkamer. In de buitenruimte worden op eigen perceel 13 autoparkeerplaatsen en 10 fietsparkeerplaatsen voor bezoekers gerealiseerd. De ontsluiting voor auto’s bevindt zich aan de zuidzijde van het perceel; vanuit de bestaande parkeerkoffer aan
9
de westzijde van het perceel kan men het plangebied inrijden en aan de oostzijde kunnen auto’s het via de Joost van den Vondellaan verlaten. Verder vinden er enkele ingrepen plaats buiten het plangebied. Zo worden er aan de Schermerslaan 14 haaksparkeerplaatsen gerealiseerd. Ten zuiden van deze parkeerplaatsen wordt een trottoir aangelegd. Ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied worden drie parkeerplaatsen verwijderd bij de bestaande parkeerkoffer en dient het trottoir aangepast te worden ten behoeve van de uitrit. Deze aanpassingen worden in nauw overleg met de gemeente Zeist uitgevoerd. De nieuwe appartementen zijn sociale huurwoningen bestemd voor regulier woningzoekenden en voor specifieke doelgroepen. 4 huurwoningen worden toegewezen aan regulier woningzoekenden die als goede buur een steuntje in de rug kunnen bieden aan de overige bewoners. 8 appartementen zijn bedoeld voor woningzoekenden die door omstandigheden met spoed een eigen woning nodig hebben (denk aan gescheiden ouders). Hierbij gaat het om bewoners die geen zorg nodig hebben. Dit wordt mid stay genoemd. Vaak hebben ze als woningzoekende niet genoeg inschrijftijd bij WoningNet, waardoor de huisvestingsvraag niet via de reguliere woonruimteverdeling opgelost kan worden. De mid stay woningen zijn voor een periode van maximaal 3 jaar, waarna de bewoner vertrekt naar een andere huur- of koopwoning.
De tweede specifieke doelgroep betreft bewoners die op weg zijn naar volledig zelfstandig wonen en nog beperkte ondersteuning nodig hebben. Hiervoor zijn 10 appartementen bestemd. De verwachte woonduur is maximaal 2 jaar. Eén ruimte wordt bestemd als gezamenlijke woonkamer voor alle bewoners van het appartementengebouw.
10
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot efficiënt ruimtegebruik en een goede fysieke leefomgeving, door een braakliggend terrein in stedelijk gebied op te vullen met een passende woonfunctie.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
11
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
•
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een ‘stedelijke ontwikkeling’ verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Doordat het bij voorliggend plan gaat om de realisatie van 23 woningen is het aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Derhalve worden hieronder de 'treden' van de ladder doorlopen. Behoefte Voor een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat er sprake is van een actuele regionale behoefte. Er is in de provincie Utrecht en de gemeente Zeist sprake van een behoefte aan woningen. In de Woonvisie van de gemeente Zeist, zie toelichting paragraaf 3.4.2, is aangegeven dat er een behoorlijke behoefte aan woningen bestaat in Zeist. Tevens wordt aangegeven dat de woningmarkt een afspiegeling moet zijn van de samenleving, met kansen voor diverse doelgroepen, ongeacht inkomen, leeftijd of huishoudenssituatie. Hierdoor blijven wijken vitaal en is er voldoende draagvlak voor voorzieningen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet onder andere in voldoende woonruimte voor een specifieke doelgroep. Hierdoor wordt bijgedragen aan het streven om de woningmarkt een afspiegeling van de samenleving te laten zijn. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is gelegen in de kern Zeist en daarmee in het bebouwde gebied. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Omdat er op de planlocatie en in de omgeving verschillende van deze functies aanwezig zijn, is het aan te merken als 'bestaand stedelijk gebied'. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. De ontwikkeling kan derhalve als een passende ontwikkeling binnen de ladder voor duurzame verstedelijking worden beschouwd.
12
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Voorliggend plan raakt aan het vierde beleidsthema van de omgevingsvisie: vitale dorpen en steden. Er wordt gestreefd naar een provincie waar ruimte is voor goed wonen, werken en natuur. Het initiatief is in lijn met de ambitie die de provincie heeft voor vitale dorpen en steden. De ontwikkeling voorziet immers in de ontwikkeling van een ongebruikte binnenstedelijke locatie in Zeist, waarmee het stedelijk gebied beter wordt benut. Dit is onder andere wenselijk omdat zo ruimteclaims op landelijk gebied kunnen worden voorkomen. De beoogde ontwikkeling maakt kwalitatief hoogwaardige appartementen mogelijk, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de plancapaciteit in de regio en gemeente. Verder blijkt uit toelichting paragraaf 2.2 dat het plan een goede leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit borgt. De provincie wil de fysieke leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust maken. Het is belangrijk dat bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met een robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Onderdeel van een klimaatbestendige leefomgeving is klimaatadaptief bouwen. Om dit te stimuleren heeft de provincie Utrecht het initiatief genomen om met zoveel mogelijk gemeenten, bouwers, ontwikkelaars en waterschappen afspraken te maken over het 'klimaatrobuust' maken van gebouwen.
Deze afspraken zijn vastgelegd in de nota 'Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht'. In de nota is klimaatadaptief bouwen onderverdeeld in de
13
volgende thema's: hitte, droogte, wateroverlast, gevolgbeperking van overstromingen, biodiversiteit & natuurinclusiviteit en bodemdaling. Bij voorliggend plan is aandacht besteed aan klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Navolgend worden de relevante thema's beschouwd. - Hitte Overlast van hitte is in het plangebied niet te verwachten. Bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden en er wordt zoveel mogelijk groen toegevoegd rondom het gebouw. Ook hitte in de woningen is niet aan de orde, door de goede isolatie en de beschutte ligging. - Droogte Al het regenwater van het gebouw wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in het terrein. Dit gaat bodemverdroging tegen. - Bodemdaling Aangezien de bodem bestaat uit zandgrond is bodemdaling niet te verwachten. Naast de algemene doelen en ambities van de omgevingsvisie zijn er ook gebiedsspecifieke ambities opgesteld, die op kaart zijn weergegeven. De relevante kaartlagen komen navolgend aan bod. Op kaart 11 'Vitale steden en dorpen' van de omgevingsvisie is aangegeven dat het plangebied in stedelijk gebied ligt. De ambitie van de provincie is om de ruimtevraag voor wonen en werken op een duurzame wijze te accommoderen via binnenstedelijke en binnendorpse ontwikkeling. Zeist is onderdeel van de regio Utrecht (U10).
De regio Utrecht staat voor grote ruimtelijke opgaven op het gebied van mobiliteit, groen en landschap, de energieopgave, economie en wonen. Tot 2040 zijn er ruim 100.000 woningen nodig. Op kaart 14 'Aantrekkelijke landschappen wordt aangegeven dat het plangebied ligt in het Landschap Utrechtse Heuvelrug. Vanwege de ligging in bestaand stedelijk gebied is het instandhouden van dit landschap niet van toepassing. Er kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.
De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en
14
leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Uit de kaart behorende bij de Interim Omgevingsvisie blijkt dat voor het plangebied verschillende artikelen van de verordening relevant zijn. Deze artikelen worden navolgend getoetst. Landschap In artikel 7.9 is aangegeven dat de kernkwaliteiten van het landschap niet aangetast mogen worden. Uit kaart 15 'Cultuurhistorie en landschap kaart 2' blijkt dat het plangebied is gelegen in het landschap Utrechtse Heuvelrug. De kernkwaliteiten van dit landschap zijn: robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid. Aangezien op de planlocatie al bebouwing aanwezig was en de ligging in bestaand stedelijk gebied wordt aangenomen dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast. Verstedelijking Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied.
Met betrekking tot verstedelijking van het stedelijk gebied stelt artikel 9.15 van de Interim Omgevingsverordening dat verstedelijking is toegestaan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. b.
de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling;
In het programma Wonen en werken worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd. Het initiatief voldoet hier aan omdat het zich in stedelijk gebied bevindt. De woningbouw zal niet leiden tot extra bodemdaling. Er is reeds bebouwing aanwezig geweest op deze locatie en vanwege de ligging op zandgronden is bodemdaling niet aan de orde. Beschermingszone drinkwaterwinning De planlocatie ligt in het 100-jaarsaandachtgebied als bedoeld in artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening. Dit is een extra schil om het grondwaterbeschermingsgebied heen. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor onder andere de gemeente Zeist. Om te voorkomen dat activiteiten, zoals het toepassen van bodemenergiesystemen, plaatsvinden die verontreiniging of lokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben worden regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening gesteld. Voor iedereen in het 100jaarsaandachtsgebied geldt de bijzondere zorgplicht (artikel 3.12 van de Interim Omgevingsverordening). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt worden. Het verdient aanbeveling dat dergelijke ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf.
De beoogde woningen betreffen geen functie die een hoger verontreinigingsrisico voor het grond- en oppervlaktewater vormt dan de voormalige functies. Het plangebied is gelegen in het 100-jaarsaandachtsgebied, zoals te zien is op navolgende afbeelding.
15
Plangebied (rood) in 100-jaaraandachtsgebied van grondwaterbeschermingsgebied Zeist
Dit 100-jaarsaandachtsgebied is een gebied rondom de grondwaterwinning Zeist. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor onder andere de gemeente Zeist. In sommige kwetsbare gebieden is het 100-jaarsaandachtsgebied aangewezen als extra schil om het grondwaterbeschermingsgebied heen. Het totale gebied van de drie zones (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones) omvat de 100-jaarszone rondom de winning. Dit 100-jaarsaandachtgebied is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. Hiervoor geldt de instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater (artikel 3.7 van de Provinciale Omgevingsverordening). In de 100-jaarsaandachtsgebieden zijn geen specifieke regels van toepassing, maar geldt wel een bijzondere zorgplicht (artikel 3.12 Interim Omgevingsvisie Provincie Utrecht). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf. De beoogde woningen betreffen geen functie die een hoger verontreinigingsrisico voor het grond- en oppervlaktewater vormt dan de voormalige functies, waardoor verontreiniging niet te verwachten is.
Het hemelwater wordt afgekoppeld van het gemeentelijk riool en wordt in de bodem geïnfiltreerd. Daarbij worden niet-uitloogbare materialen toegepast. Naast deze bijzondere zorgplicht is een stimuleringsbeleid ingezet en moet altijd rekening worden gehouden met het drinkwaterbelang. Conclusie Gezien voorgaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de omgevingsverordening. In de regels en op de verbeelding bij dit plan is een regeling opgenomen ter bescherming van het 100-jaarsaandachtsgebied.
16
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied + (2009) Het Landschapsontwikkelingsplan voor het Kromme Rijngebied is een intergemeentelijke visie waarin de ambities op het gebied van landschap zijn vastgelegd. De deelnemende gemeenten zijn De Bilt, Zeist, Bunnik, Utrechtse Heuvelrug, Houten en Wijk bij Duurstede. Het landschapsontwikkelingsplan bestaat uit een inventarisatie, een visie(natuurvisie en landschapsvisie) en een uitvoeringsplan. In het algemeen staat het landschapsontwikkelingsplan een versterking van de identiteit van de verschillende landschapstypen voor. Dit kan enerzijds worden bereikt door middel van het stimuleren van de aanleg van passende landschapselementen (bosschages, kavelgrensbeplantingen, hoogstamboomgaarden, oeverzones, etc.). Daarbij wordt ingezet op nieuwe ontwikkelingen en nieuwe functiecombinaties van landbouw, natuur, recreatie en waterberging. Anderzijds wordt gestreefd naar een betere toegankelijkheid van de verschillende delen van het landschap voor met name recreanten in de vorm van aanleg van fietsen voetpaden. Ten aanzien van de agrarische sector wordt een vitaal landelijk gebied voorgestaan waarin schaalvergroting als een randvoorwaarde voor instandhouding van de sector wordt gezien. Van belang is dan wel dat bij de inpassing van grotere schuren en stallen de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd.
Daarbij dient aandacht te zijn voor vormgeving, situering, materiaalgebruik en kleurgebruik. Planspecifiek Het landschapsontwikkelingsplan is met name van toepassing op het landelijk gebied. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van de kern Zeist, waardoor het geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het landelijk gebied. Daarnaast was er in de voorgaande situatie reeds bebouwing aanwezig en treedt een kwaliteitsverbetering op ten opzichte van de bestaande situatie.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Zeist 2020 Op 1 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Zeist de 'Structuurvisie Zeist 2020' vastgesteld. Deze structuurvisie bouwt voort op het eerder ontwikkelde Ontwikkelingsperspectief 2030. In dit perspectief zijn vier kernwaarden geformuleerd: natuur en landschap, cultuurhistorie, duurzaam en zorgzaam en de kwaliteit van vijf kernen met een eigen identiteit. Deze kernwaarden zijn nu vertaald naar de volgende tien hoofdkeuzes: 1. groen versterken; 2. verleden zichtbaar maken; 3. ervaren en gebruiken; 4. kracht van buurten, wijken en kernen; 5. leefomgeving en milieu: A28 overkappen; 6. beter bereikbaar; 7. bouwen en wonen: maatwerk en kwaliteit voorop; 8. centrum aantrekkelijk; 9. economisch gezond en duurzaam; 10. van visie naar uitvoering. Planspecifiek Op de structuurvisiekaart zijn het plangebied en de omgeving indicatief aangewezen als bebouwing en gelegen aan een groene route binnen de bebouwde kom. Deze groene route blijft intact doordat er slechts enkele bomen gekapt worden ten behoeve van de openbare parkeerplaatsen. Gezien de locatie binnen bebouwd gebied is dit een geschikte locatie voor nieuwe woningen. De hoofdkeuze 'bouwen en wonen: maatwerk en kwaliteit voorop' komt sterk terug in het voorgenomen plan.
De woningen zijn een vorm van maatwerk door de focus op de beoogde doelgroep: Mid- en shortstay via het Leger des Heils. Daarmee staat op het punt van wonen kwaliteit voorop, niet het aantal woningen. Daarbij wordt voornamelijk kwaliteit
17
ontleend aan de kernwaarden natuur en landschap en zorgzaamheid. Door specifiek voor deze doelgroep te bouwen wordt aangesloten bij deze hoofdkeuze uit de structuurvisie.
3.4.2 Woonvisie Zeist 2021-2025 Op 21 april 2016 heeft de raad van de gemeente Zeist de Woonvisie 2016-2020 vastgesteld. Deze woonvisie is op 21 januari 2021 geactualiseerd in de vorm van de woonvisie 2021-2025. De woonvisie geeft geen kant-en-klare oplossing voor alle uitdagingen. De woonvisie geeft wel richting en duiding om een afweging te kunnen maken. Wonen wordt daarbij nadrukkelijk gezien als het geheel van stenen, sociale samenhang en omgeving. Het gaat hierbij om vitaliteit, eigenheid van wijken en diversiteit. Hiermee is een bandbreedte gecreëerd waarbinnen partijen in samenwerking kunnen komen met voorstellen om zowel bestaande situaties aan te passen, als om nieuwe plannen te realiseren. Passend in deze tijd – gekenmerkt door de groeiende rol van de samenleving in het publieke domein van wonen – is de woonvisie vooral flexibel en creatief. Wel is in de actualisatie aandacht gegeven aan verschillende ontwikkelingen op de woningmarkt. Zo zijn verschillende doelgroepen (verder) in de knel gekomen en is het belang van duurzaamheid en klimaatbestendigheid verder toegenomen en geconcretiseerd. Tot slot wordt de toegenomen impact van de beweging naar langer en meer zelfstandig wonen voor mensen met een (lichte) zorgvraag benadrukt. De woonvisie doet uitspraken over verschillende onderdelen van wonen in Zeist. De woonvisie is ook een toetsingskader.
Nieuwe bouwprojecten worden beoordeeld op de aansluiting bij het woonbeleid. Zeist maakt onderdeel uit van de regio Utrecht. Deze regio is economisch sterk groeiend en dit betekent dat de vraag naar woningen in de komende tientallen jaren hoog blijft. Er is geen sprake van krimp, de druk zal alleen maar toenemen. Deze druk komt vooral op de stad Utrecht terecht, maar als buurgemeente merkt Zeist hier ook de effecten van. De woningmarkt moet een afspiegeling zijn van de samenleving, met kansen voor diverse doelgroepen, ongeacht inkomen, leeftijd of huishoudenssituatie. Hierdoor blijven wijken vitaal en is er voldoende draagvlak voor voorzieningen. In het beleid richt de gemeente zich op vitale wijken en buurten met een diverse samenstelling van de bevolking. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich hierbij aan te sluiten. De eigenheid van wijken is hierbij belangrijk, waarbij we door behoud van de eigen identiteit van wijken ook zorgen voor diversiteit in woonmilieus. Nieuwbouw moet een goede aanvulling zijn op de huidige woningvoorraad en waar mogelijk inspelen op de behoefte die er is in de wijk. Wat betreft woningdifferentiatie geldt dat alle nieuwbouwprojecten vanaf 40 woningen moeten voldoen aan de differentiatie zoals deze is aangegeven in de volgende tabel. Tot 40 woningen is er een keuze. Of de volledige differentiatie, of een programma volledig gericht op het middensegment.
Vanaf 40 woningen geldt de aanvullende voorwaarde dat minimaal 50% van de woningen gerealiseerd dient te worden in de categorieën 'Sociale huur' en 'Middeldure koop (laag/ middeldure huur'. Segment Sociale huur Middeldure koop (laag)/middeldure huur Middeldure koop (hoog)/ dure huur Duur
Maximaal prijsniveau Tot €737 (prijspeil 2020) Gemiddeld €275.000 VON (max. gemiddeld €950 p./m. (max €1100)
NHG)/ huur
Gemiddeld € 375.000 VON (max. €450.000)/ huur gemiddeld €1.200 p./m. Vrij
% 20% tot 30% 25% tot 30%
25% tot 30% 20% tot 25%
In het woningmarktonderzoek Zeist (Companen, 2020) waar aan gerefereerd wordt in de woonvisie, wordt de woningbehoefte in de regio benoemd. In de regio is de woningbehoefte voor de periode tot 2040 bepaald op ruim 104.000 woningen. Hiervan staan er reeds 67.000 woningen in de planning. Er zijn nog 37.000 aanvullende plannen en locaties nodig om in deze woningbehoefte te voorzien. Hier ligt een gezamenlijke opgave voor de regiogemeenten. Zeist kan door zijn goede ligging ten opzichte van OV-bereikbaarheid en centrumvoorzieningen een deel van de gezamenlijke opgave oppakken.
18
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 23 woningen. Aangezien dit aantal kleiner is dan 40 woningen hoeft het plan niet te voldoen aan de differentiatie uit de woonvisie. Voor kleine plannen kan hiervan vrijstelling worden verleend. De voorgenomen ontwikkeling heeft een specifieke doelgroep in de vorm van mid- en shortstay via het Leger des Heils. Daarmee wordt woonruimte geboden aan doelgroepen die in de knel zijn gekomen en mensen met een (lichte) zorgvraag. Hiermee sluit de ontwikkeling zeer goed aan op de woonvisie. Ook blijkt uit de woonvisie en het woningmarktonderzoek een grote vraag naar woningen, hier draagt de voorgenomen ontwikkeling aan bij.
3.4.3 Groenstructuurplan 'Zeist (voor) Groen' Het groenstructuurplan 'Zeist (voor) Groen' is in september 2011 vastgesteld door de raad van de gemeente Zeist. Het groenstructuurplan schetst de hoofdlijnen van het beleid voor het openbaar groen binnen de bebouwde kom van de kernen van Zeist. Het is een kader voor beheer en onderhoud van het groen en het levert input vanuit het groen bij ruimtelijke of andere ontwikkelingen. Het is één van de toetsingskaders bij afwegingen tussen verschillende belangen. Daarbij zet de gemeente in op het veiligstellen, koesteren en versterken van het groene karakter van Zeist, dat bestaat uit een rijkdom van samenstellende, kenmerkende groene structuren. Planspecifiek De navolgende afbeelding toont de groenstructuur van het deel van Zeist in de omgeving van het plangebied.
19
Groenstructuur Zeist (plangebied rood omcirkeld)
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied grenst aan 'landschappelijke restanten (S1)'. Het herkenbaar houden van de verschillende landschapstypen, doorlopend tot in de directe woonomgeving van mensen, als drager van de Ecologische Hoofdstructuur Zeist, ook op privéterreinen, is een belangrijk beleidsdoel. In onderhavig geval gaat het om het groen ten noorden van het plangebied en langs de Schermerslaan. In het voorgenomen plan blijven deze groenstructuren behouden. Door de nieuwe woningen wordt de herkenbaarheid van het landschapstype niet aangetast en krijgen de nieuwe bewoners de kans te wonen in het groen.
20
3.4.4 Klimaatbestendig Zeist Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren, wil de gemeente Zeist investeren in een klimaatbestendige inrichting. Hoe de gemeente dit wil bereiken is beschreven in de nota 'Klimaatbestendig Zeist: route naar een klimaatbestendige gemeente', die vastgesteld is door de gemeenteraad in januari 2021. De volgende thema's zijn voor de gemeente Zeist relevant bij een klimaatbestendige inrichting van de fysieke leefomgeving.
•
Wateroverlast: de gemeente wil voorkomen dat het water woningen binnenstroomt of voor verkeersopstoppingen op hoofdwegen zorgt. De ambitie is het hemelwater op te vangen daar waar het valt of waar het geen overlast veroorzaakt.
•
Hitte: er worden verschillende maatregelen getroffen om hitte terug te brengen, waaronder het realiseren van voldoende koele plekken en voldoende groen.
•
Droogte: de gemeente wil zoveel mogelijk hemelwater in de bodem infiltreren en zo een buffer opbouwen voor droge periodes.
•
Waterveiligheid: om een goede waterveiligheid te bewerkstelligen is het belangrijk dat gevoelige functies op de juiste plek worden gerealiseerd en er goede calamiteitenplannen zijn.
De gemeente Zeist heeft voor deze vier thema's uitgebreide doelen en ambities beschreven, met een doorlooptijd tot 2050. Door nu al slim maatregelen mee te koppelen kan er in veel gevallen voor gezorgd worden dat een klimaatadaptieve inrichting bereikt wordt zonder dat dit hoge kosten met zich meebrengt. Planspecifiek In toelichting paragraaf 3.2.1 zijn al enkele thema's op het gebied van klimaatadaptief bouwen aan bod gekomen. Hieruit blijkt dat er op het gebied van tegengaan van droogte en hitte maatregelen worden getroffen. Om inzichtelijk te maken dat er een sprake is van een goede waterveiligheid en of er wateroverlast ontstaat in geval van zware regenbuien zijn modelmatige berekeningen nodig. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zullen deze berekeningen uitgevoerd worden. Er kan geconcludeerd worden dat er bij het initiatief voldoende rekening wordt gehouden met de ambities van de gemeente Zeist op het gebied van klimaatadaptief bouwen.
21
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan onder mogelijkheid c valt. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk 23 woningen. Daarnaast worden er enkele bedrijfsactiviteiten aan huis toegestaan. Deze activiteiten komen echter niet voor in de D-lijst. Omdat er desondanks sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot de conclusie leiden dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r. opgesteld worden.
22
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de planlocatie eerder al grotendeels bebouwd was, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. Deze effecten nemen beperkt toe ten opzichte van de situatie waarin de tijdelijke portacabins aanwezig waren. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen wordt beperkt door gebruik te maken van duurzame energiebronnen en materialen. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een m.e.r. zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen of er al dan niet een m.e.r.(beoordeling) nodig is en publiceert dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.(beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Bij een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Het woongebruik heeft een strenger bodemregime dan de geldende maatschappelijke bestemming. In dit kader is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, project 35325, 23 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Er zijn zowel in grond als in grondwater geen verhogingen aangetoond.
Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
23
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
•
geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De Wgh ziet toe op de bescherming van geluidgevoelige objecten. De beoogde woningen zijn geluidgevoelige objecten, waardoor beschouwd dient te worden of de geluidsbronnen uit de Wet geluidhinder belemmeringen vormen voor de planontwikkeling. Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder is bij wegen (met uitzondering van woonerven en 30 km/uur gebieden) met één of twee rijstroken een onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk als deze binnen een afstand van 250 meter van een geluidgevoelig object gelegen zijn. Er bevinden zich geen onderzoeksplichtige wegen in de directe omgeving van het plangebied. Het plan ligt wel in de invloedsfeer van 30 km/uur-wegen. Deze wegen vallen niet onder de Wet geluidhinder maar moeten, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, wel worden betrokken in de ruimtelijke afweging. In dit kader is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (VanderBoom, 22-179, d.d. 18 juli 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Er liggen in de omgeving van de woningen in de toekomst geen geluidgezoneerde wegen.
De geluidbelasting door wegverkeer hoeft daarom niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer. De geluidbelasting door wegverkeer op de niet gezoneerde Schermerslaan (30 km/h) bedraagt ten hoogste 50 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door de Schermerslaan overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door de geluidbelasting van de overige 30 km wegen niet overschreden. Omdat de geluidbelasting door de Schermerslaan slechts 2 dB boven de voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde wegen ligt zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De hoogste geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt 55 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k voor de gevels van de woningen bedraagt 22 dB. Voor geluidluwe geveldelen met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek zijn geen voorzieningen noodzakelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k voor geluidluwe gevels van de woningen bedraagt 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Spoorweglawaai Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een spoorlijn.
Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Wel is geluid van bedrijven nog van belang in het kader van milieuzonering, wat in toelichting paragraaf 4.6 aan bod komt. Conclusie Gezien het voorgaande is het bestemmingsplan uitvoerbaar voor het aspect geluid.
24
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek De realisatie van 23 woningen kan, gezien de zeer beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentratie NO2 over 2019 bedraagt 17 μg/m³. Voor fijnstof PM10 en PM2,5 bedraagt deze concentratie respectievelijk 18 μg/m³ en 10 μg/m³. Daarmee wordt er voldaan aan de wettelijke eisen. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten
25
zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Met voorliggend plan worden ingrepen mogelijk gemaakt die mogelijk een negatief effect uitoefenen op beschermde flora en fauna. Dit wordt navolgend beschouwd. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 10,2 km ligt het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.