CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

02-20221213 Rapportage doorwerkingsonderzoek Monitor Sociaal Domein

Raad 23 mei 2023, gemeente ZeistBij agendapunt: Doorwerkingsonderzoek Rekenkamer monitor sociaal domein5.236 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Secretariaat: Het Rond 1 Zeist Gemeente Zeist: Postbus 513 3700 AM Zeist Telefoon 14 030 ▪ rekenkamer@zeist.nl www.zeist.nl/rekenkamer

Hoe staat het met de Monitor Sociaal Domein? Zijn de aanbevelingen van de rekenkamer geland en opgevolgd? Korte samenvatting In 2019 heeft de Rekenkamer Zeist aanbevelingen gedaan om de raad van gerichte en gemonitorde sturingsinformatie voor het sociaal domein te kunnen voorzien. Uit haar onderzoek was gebleken dat deze informatie ontoereikend was, zowel cijfermatig als verhalend. Goede informatie is voor de raad cruciaal om te kunnen bepalen of de inwoners van Zeist voldoende en effectief worden geholpen als ze behoefte hebben aan zorg of ondersteuning. De aanbevelingen richten zich op het stellen van prioriteiten en het maken van keuzes (pilots) en hiermee aan de slag te gaan en vervolgens om de informatiebehoefte in kaart te brengen en met de (zorg)partners af te stemmen of de gevraagde informatie geleverd kan worden. Ook is geadviseerd om in dit verband na te denken over capaciteit en budget. In het raadsbesluit is de aanbeveling toegevoegd om te zorgen voor het beheer en de verankering van een monitor. In 2022 is de Rekenkamer (via een doorwerkingsonderzoek) nagegaan hoe het met de aanbevelingen staat. Hiervoor hebben we gesprekken gevoerd met betrokkenen bij de gemeente, vertegenwoordigers van partners en een oud-raadslid. We hebben daarbij de focus gelegd op de jeugdzorg.

Uit de gesprekken kan worden afgeleid dat -weliswaar met enige vertraging- de aanbevelingen zijn opgepakt door de ambtelijke organisatie en dat wordt gewerkt aan meer sturingsinformatie voor de raad. Het blijkt een complex vraagstuk, daarom is gekozen voor een stapsgewijze aanpak. Dit had naar onze mening wel sneller gekund, maar recent ziet de rekenkamer er meer vaart in komen. Hoewel de rekenkamer begrijpt dat het niet eenvoudig is om eenduidige informatie aan te leveren, moet de rekenkamer concluderen dat de raad onvoldoende verantwoording krijgt, de sturing door de raad is gebaseerd op aannames en resultaten van hulpverlening onvoldoende bekend zijn.

Aanleiding voor het onderzoek In 2017 is op initiatief en met behulp van de Rekenkamer Zeist begonnen met het opzetten van een monitor voor het sociaal domein (de ‘Raadsmonitor Meedoen in Zeist’). Het doel van deze monitor was een handzaam instrument te ontwikkelen waarmee op de hoofddoelen van het beleid voor het sociaal domein resultaatgericht kan worden gestuurd. De raad zou via de monitor inzicht moeten krijgen in de stand van zaken in het sociaal domein, in de ontwikkeling van het beleid en op welke punten bijsturing wenselijk is. Toen bleek dat er eigenlijk geen heldere doelstellingen geformuleerd waren die de basis moesten vormen voor de monitor, heeft de rekenkamer de organisatie geholpen om deze te formuleren. Vervolgens is gekeken welke informatie beschikbaar was om de doelstellingen te kunnen ijken. Op basis van dossiers, een korte online enquête en gesprekken is de beschikbare informatie samen met het bureau 7 Zebra’s bij elkaar gezet. De focus is daarbij gelegd op de 10 belangrijkste beleidslijnen (aandachtsgebieden en hoogste prioriteiten). Aan ieder doel zijn meetbare indicatoren en cruciale prestaties gekoppeld. Het ging daarbij niet alleen om cijfers maar ook om verhalen. Het verslag (afgerond in 2019) is een document met kerncijfers (nul-waarden) en een digitale rapportage.

Bureau 7 Zebra’s heeft hieruit de ‘sociale wandelkaart’ afgeleid, die de routes verbeeldt die inwoners lopen door de samenleving en hoe ze dit doen. Pagina 1 van 11

Met de aanbieding van het rapport aan de raad op 18 april 2019 adviseerde de rekenkamer om heldere doelen te kiezen, die aangeven waar de gemeenteraad prioriteit aan geeft, met een pilot rond deze prioriteiten te starten, in die pilot de informatiebehoefte inzichtelijk te maken en dit te verankeren in beheer van de monitor, inclusief budgetten en capaciteit. We lopen in deze notitie de vier aanbevelingen langs1: 1. Stel met elkaar de belangrijkste prioriteiten vast (in het beleid). 2. Kies één of enkele van deze prioriteiten en ga ermee aan de slag (richt bijv. enkele pilots in). 3. Bepaal de informatiebehoefte en stem de vraag aan uitvoerende partijen hierop af. 4. Denk na over de capaciteit en budgetten die hiervoor nodig zijn. In het raadsvoorstel van 5 september 2019 is voorgesteld de aanbevelingen van de rekenkamer over te nemen en hier een vijfde aanbeveling aan toe te voegen: 5. Regel het beheer en de verankering van de monitor. De reactie van de raad en het college op de aanbevelingen van de rekenkamer was: “gemeenteraad en college gaan na vaststelling van de aanbevelingen gezamenlijk in gesprek over de wijze waarop de aanbevelingen uitvoering zullen krijgen en de vraag hoe een goede werkwijze voor verankering en beheer van de monitor ontwikkeld kan worden.”

Het doorwerkingsonderzoek De rekenkamer vindt het van belang om periodiek na te gaan of aanbevelingen worden opgevolgd. Dit wordt een Doorwerkingsonderzoek genoemd. Doel van het doorwerkingsonderzoek is antwoord te krijgen op de volgende vragen: zijn de aanbevelingen geland bij de raad en het college? Wat is er met de aanbevelingen gedaan? Heeft de gemeenteraad sinds 2019 inderdaad meer mogelijkheden gekregen om bij te sturen, zowel door de (prioriteit van de) doelstellingen aan te passen, door betere informatie te leveren, als door maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de realisatie van de doelstellingen wordt verbeterd. Om de vragen te kunnen beantwoorden voerde de rekenkamer gesprekken met teamleiders en beleidsmakers van de gemeente Zeist, vertegenwoordigers van een ketenpartner die specialistische zorg biedt en een oud-raadslid2. Zo ontvingen we informatie van de betrokkenen bij de organisatie, een belangrijke aanjager uit de raad en een netwerkpartner. Kanttekeningen vooraf Voordat we de aanbevelingen langs lopen is het relevant om een aantal kanttekeningen te maken, bedoeld om de uitkomsten van de gesprekken in te kaderen en in perspectief te plaatsen. Want wat in Zeist gebeurt is niet uniek en voor veel gemeenten een worsteling. Daarom kijken we ook naar landelijke sentimenten en ontwikkelingen in andere gemeenten.

Jeugdzorg centraal De gemeente Zeist heeft voor betere sturing een project gestart om in de jeugdzorg en Wmo beter te zien wat de ontwikkelingen en resultaten zijn. De aanbeveling was immers om een pilotgebied te kiezen. De rekenkamer heeft de monitoring van de jeugdzorg gekozen om op door te vragen en te vernemen hoe het staat met de monitoring en de vier aanbevelingen van de rekenkamer. Dit sluit bovendien aan op wensen van gemeenteraadsfracties, geuit in gesprekken met de rekenkamer, om beter zicht te krijgen op de jeugdzorg. Het is ook een groot budget waarbij sturing belangrijk is. 1 2

Rekenkamer Zeist: “Meedoen in Zeist”, 2019 De namen en functies zijn bekend bij de rekenkamer Pagina 2 van 11

Veel gemeenten worstelen De rekenkamer beseft dat de gemeente in een complexe omgeving werkt aan verbetering. Het is goed te bedenken dat niet alleen Zeist maar veel gemeenten met de monitoring van het sociale domein worstelen. Het blijkt weerbarstige materie in een tijd waarin de zorgverlening met veel veranderingen te maken heeft. Zo stijgen de kosten en ging de decentralisatie gepaard met een flinke bezuinigingsopgave. Uit rekenkameronderzoek in andere gemeenten blijkt bijvoorbeeld dat deze gemeenten moeite hebben om de sociale basisvoorzieningen die de gemeente regelt voor inwoners die ondersteuning nodig hebben op orde te brengen, kosten in beeld te houden en bij te sturen. Dit bleek uit rapporten van rekenkamers in Lelystad3, Amersfoort4 en Haaglanden5. In de diverse gemeenten speelde eerst een financiële focus, vervolgens kwamen kwaliteit en sturing en verantwoording meer in beeld. Een onderzoek van adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) “Stelsel in groei” herinnert eraan dat de decentralisatie niet alleen als doel heeft om de kosten te beperken. De jeugdwet gaat immers ook meer uit van de eigen kracht van gezinnen. “Een van de problemen in de jeugdzorg was dat gezinnen het gevoel hadden dat zij werden ‘overgenomen’ door jeugdzorgmedewerkers waarvan de werkwijze niet aansloot bij het gezin. De jeugdhulp was daardoor vaak minder effectief dan mogelijk.

In de nieuwe Jeugdwet stond aansluiten bij de eigen mogelijkheden en het eigen netwerk van het gezin daarom centraal”6. Er komt ook meer aandacht voor preventie. Dit vraagt van gemeenten een behoorlijke inspanning om effectieve zorg te bieden, vroeg te signaleren, aan te sluiten bij de eigen kracht en goed aan te besteden in regionaal verband en vervolgens om te kunnen zien of preventiemaatregelen succes hebben. Deze transitie is nog niet af. AEF geeft aan dat “veel gemeenten hebben (...) aangegeven in de komende vijf jaar nog een grote verandering in haar jeugdhulpbeleid te voorzien. Op basis van het stadium waar gemeenten zich nu in bevinden, schatten we in dat de transitie gemiddeld ongeveer tien jaar in beslag zal nemen, gerekend vanaf de decentralisatie in 2015”7. Effecten van de coronapandemie De rekenkamer beseft daarnaast dat de coronapandemie nieuwe uitdagingen bracht. De zesde voortgangsrapportage van het Actieprogramma Zorg voor de jeugd van de landelijke Stuurgroep Zorg voor de jeugd stelt dan ook “De transformatie van de jeugdhulp is pas net op gang en partijen zijn nog zoekend naar hun rol in het systeem.

De coronapandemie is daarbij een vertragende factor.”8 En in de slotrapportage over het Actieprogramma Zorg voor de jeugd staat “Behalve de coronacrisis, die onverwacht haar intrede deed, drukte ook de discussie over het verschil tussen de gemeentelijke uitgaven en de door het Rijk toegekende middelen voor jeugdhulp op de samenwerking en resultaten binnen Zorg voor de Jeugd.” Tijdens de verbouwing bleef de winkel open Wij vinden het belangrijk om op te merken dat uit de gesprekken blijkt dat er ondertussen hard gewerkt wordt, zoveel mogelijk met interventies die bewezen effectief zijn. Tijdens de verbouwing (sinds de decentralisatie in 2015) moet de zorg toegankelijk en effectief blijven. De filosofie bij de start na de decentralisatie van de jeugdzorg was -zo benoemde een van de gesprekspartners hetvooral niet teveel meten en bureaucratie, maar aan het werk gaan. Voor iedereen staat de inhoud voorop. Er is vertrouwen en er wordt ook integraal gekeken. Het zijn goed opgeleide professionals. 3 4 5 6 7 8

Rekenkamer Lelystad “Code rood voor de jeugdzorg, Governance jeugdhulp Lelystad” 2021 Rekenkamer Amersfoort “Jeugdhulp in Amersfoort” 2019 Rekenkamer Den Haag “Zorgen voor de jeugd” 2021 AEF “Stelsel in Groei” (2020, pagina 8) Idem pag 17 Voortgangsrapportage Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, 2021 pg 8 Pagina 3 van 11

Gebrekkige verantwoording, gebrekkig zicht op doelmatigheid en weinig bijsturing van de raad is dus niet per sé ten nadele van de cliënten, zo gaven gesprekspartners aan. Het besef dat de verbetering van de verantwoording en sturing plaatsvindt in een gecompliceerde beleidsomgeving gaf de rekenkamer aanleiding om niet alleen af te vinken of de gemeente alles heeft opgelost, maar vooral wat dieper te graven en te kijken wat goed gaat en wat beter kan. Laatste ontwikkelingen In de tijd dat het doorwerkingsonderzoek heeft plaatsgevonden werkte de ambtelijke organisatie door aan het opzetten van een model voor gemonitorde sturingsinformatie voor met name de Wmo en jeugdzorg. In twee informatiesessies aan de raad en het college (september en oktober 2022) is de voortgang hiervan besproken en zijn de eerste resultaten voorgelegd. Vanwege de complexiteit van de materie (verschillen in registraties, afstemmen van kwantitatieve en kwalitatieve data e.d.) is gekozen voor een stapsgewijze aanpak. In 2023 komen het proces en de voortgang opnieuw op de agenda. Leeswijzer Dit verslag geeft onze bevindingen weer van de gesprekken met ambtenaren, twee vertegenwoordigers van een ketenpartner, een oud raadslid en het doornemen van diverse stukken. Daarbij hebben we de aanbevelingen als leidraad gekozen.

Op deze manier bieden we inzicht in hoe de aanbevelingen over monitoring zijn opgevolgd en hoe wordt gewerkt aan planning, uitvoering, evaluatie en zo nodig bijstelling (sluiten van de PDCA–cyclus). De voortgang beschrijven we aan de hand van de aanbevelingen van de rekenkamer. Het is echter nog te vroeg om te kijken naar het beheer en de verankering van de monitor, wat de raad toevoegde aan de aanbevelingen, omdat de monitor nu nog stapsgewijs in ontwikkeling is.

1. Stel met elkaar de belangrijkste prioriteiten vast en ga daarmee aan de slag De gemeente heeft prioriteiten vastgesteld. Dit is dus gebeurd. Rond het sociaal domein zijn de volgende prioriteiten gekozen en vastgelegd in het programma Sociaal in Balans (CV.0426513)9: • Preventiever werken om dure zorginzet te voorkomen. • Het organiseren van de juiste zorg op de juiste plek. • Meer samenwerking met partners om doelen te behalen. • Verhogen van het kostenbewustzijn in de organisatie om beter binnen budget te kunnen blijven. Recent krijgt landelijk overigens in discussies rond de jeugdhulp een invulling van het begrip “juiste zorg” aandacht (prioriteit 2). In het rapport Stelsel in groei staat dat het opvalt dat er voor de lichte zorgvormen eerder een verschuiving heeft plaatsgevonden naar huishoudens met een hoger inkomen, in plaats van naar huishoudens met een lager inkomen, wat de verwachting was als de vroeg-signalering en toegankelijkheid verbetert 10. Dit roept in onze gesprekken de vraag op hoe de toegankelijkheid van de zorg en juiste zorg uitgelegd moet worden. Betekent het organiseren van de juiste zorg op de juiste plek dat iedereen die vraagt ook zorg krijgt? Of is het soms beter om te kijken naar de stabiliteit en kracht van de omgeving en moeten ouders na advies vaker zelf aan een oplossing werken? De prioriteit verdient daarom nadere uitleg.

9 Zeist Programma Sociaal in Balans (CV.0426513), 2021 10 AEF Stelsel in groei, 2020 pag 16 Pagina 4 van 11

Voortgang moeilijk te beoordelen Het valt de rekenkamer op dat deze prioriteiten nog moeilijk meetbaar zijn. Dit maakt het moeilijker te beoordelen of er voldoende voortgang is. Wel worden deze prioriteiten gedeeld door de organisaties die hulpverlening bieden. Zo geeft zorgverlener Youké in het gesprek met de rekenkamer uitdrukkelijk aan dat het voorkomen van zwaardere zorg en het zorgen voor de juiste zorg op de juiste plek vooral belangrijk zijn vanuit het belang van de jongeren, dus pas in tweede instantie vanuit financieel oogpunt voor de overheid. Overeenstemming over de prioriteiten helpt in de samenwerking.

2. Kies één of meer van deze prioriteiten en ga ermee aan de slag. De gemeente heeft ervoor gekozen om de sturing van Wmo en jeugdzorg prioriteit te geven. Dat is de grootste begrotingspost waar ook nog altijd duidelijkheid nodig is. In 2020 meldde het college de raad in een cijfermatig overzicht: “Het afgelopen jaar hebben we vanuit de business control binnen het sociaal domein gewerkt aan verder ontwikkeling van het sturen en ontwikkelen en data-gedreven werken. We werken toe naar een voortdurende PDCA-cyclus om inzicht geven in de effectiviteit van ons beleid en de doelmatigheid van de bestede middelen”11. Het vertrouwen was dat “een steeds gedetailleerder beeld (zal) ontstaan welke mogelijkheden (de raad) heeft om op het sociaal domein (bij) te sturen, om zodoende een gefundeerde bestuurlijke afweging te kunnen maken in het proces richting de begroting”. Dit overzicht biedt wel zinnige informatie over ontwikkelingen in groei of afname van de jeugdzorg. Toch is de gemeente daarin nog niet ver. In oktober 2021 geeft de Raadsinformatiebrief aan in een toelichting op de factsheet 2018–2020: “Het samenstellen van de factsheet is op dit moment nog een proces waarin veel handmatige handelingen zitten” (13 oktober 2021). Onze gesprekspartners missen nog mogelijkheden om de cijfers te duiden en te koppelen aan gekozen ingrepen.

Uit het toelichtend gesprek met de ambtenaren en de ketenpartner, die weet hoe het in de praktijk gaat, blijkt al snel hoe lastig het is om goede sturingsinformatie te genereren. Niet alles wordt goed geregistreerd. Soms krijgt een cliënt een nieuwe vorm van zorg (bijvoorbeeld zorg met verblijf) en wordt niet gemeld dat de eerdere vorm van zorg (ambulant) is afgerond: de “beschikking” is dan nog geldig. En soms is die ambulante zorg ook niet afgerond. Als een cliënt meerdere vormen van zorg krijgt, kan het ook leiden tot een dubbeltelling en dan lijkt het alsof er meer cliënten met zorg zijn. Omdat er met meerdere zorgverleners gewerkt wordt, kan een zorgverlener wel zelf op dubbelingen checken, maar niet op die met andere instellingen. Hier is aan gewerkt door bij de inkoop ook afspraken te maken over de te leveren verantwoording. De vijf gemeenteraden van Zuidoost Utrecht (ZOU: Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist) hebben een wel brede, regionaal voorbereide Inkoopvisie vastgesteld. Op grond daarvan is in 2021 een nieuwe gezamenlijke aanbesteding Jeugd- en Wmo-begeleiding gedaan. Gesprekspartners zien dat hier een kwaliteitsslag is gemaakt en dat de accounts-gesprekken veel beter voorbereid worden waardoor er beter gekozen kan worden.

Het inkoopproces is ook tevens het moment om afspraken te maken over regionale kritische prestatie-indicatoren, vormen van verantwoording en om spiegel-informatie met partners te delen, zodat zij hun zorgverlening kunnen spiegelen aan die van collega’s.

11 Uit “Cijfermatig overzicht Jeugdhulp en Wmo over 2018 t/m half 2020” in het kader van de Stamtafel sturen sociaal domein, november 2020. Pagina 5 van 11

Een complicerende factor blijkt de verantwoording die andere regio's vragen: zorginstellingen die in meerdere regio's werken krijgen zo verschillende vragen om zich te verantwoorden. De behandeling kan verschillen, de urenregistratie kan verschillen (op dagdelen of op uren) en het tarief kan wel of niet zonder reistijd gelden. Terwijl de doelen: zicht op effectiviteit en doelmatigheid niet eens verschillen. De vaart valt tegen Hoe lastig ook, het valt de rekenkamer wel op dat in 2017 bij het starten van de regionale samenwerking ZOU al gesproken wordt over het “opzetten van een monitor om de ontwikkelingen in het sociale domein te kunnen volgen” als “stevige opdracht” voor de regionale samenwerking.12 Vijf jaar later is deze monitor nog niet beschikbaar. Inmiddels is wel al een webapplicatie Ervaringswijzer beschikbaar die cliëntervaringen ophaalt voor het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Ervaringswijzer is bedoeld om ervaringen uit te wisselen over inkoop van zorg (gerelateerd aan prestatie-indicatoren uit de Jeugdwet). Vanuit Zeist is de informatie gedeeld met collega’s in de regio, als input voor de kwartaalgesprekken. Lokaal is er een test geweest voor een klantervaringsonderzoek onder Wmo-cliënten. Dat was een succes. Maar een regionale pilot met de Ervaringswijzer op het gebied van jeugdhulp in 2021 leverde niet de respons die gehoopt was.

Vooralsnog is niet goed in beeld in hoeverre dit door andere gemeenten gebruikt zal worden. Al met al zijn prioriteiten gekozen en is in 2021 gestart met het project sturing Wmo en Jeugd. Binnen dit project werkt de gemeente Zeist aan beter inzicht en grip op de cijfers. De vaart die sinds 2017 gemaakt wordt om een goede monitoring te realiseren valt de rekenkamer tegen.

3. Bepaal de informatiebehoefte en stem de vraag aan uitvoerende partijen hierop af. De informatiebehoefte is nog niet goed in beeld. Het project Sturing jeugdzorg en Wmo probeert dit beter te structureren. Het is de inzet om de informatiebehoefte van raad en organisatie af te stemmen met uitvoerende partijen. Sinds de decentralisatie is bij de inkoop ingezet op goede informatie. Over de doelen in de jeugdzorg lijkt overeenstemming te zijn, maar welke informatie daar bij past en hoe deze zonder hoge administratieve lasten verzameld kan worden is nog niet helder. Op 20 oktober 2022 was er een informatiesessie voor de raad over de factsheet Jeugd en Wmo. Hieruit blijkt dat de gemeente gekozen heeft voor een stapsgewijze verbetering om te komen tot een monitor. In de factsheet over de ontwikkelingen in de Jeugdzorg wordt gebruik gemaakt van de GGDmonitor en Statline van het CBS. De prioriteiten van Sociaal in Balans (preventiever werken, organiseren van de juiste zorg op de juiste plek, meer samenwerking met partners en het verhogen van het kostenbewustzijn in de organisatie) komen hier echter nog niet in terug. De kwaliteit en de resultaten van de hulpverlening zijn nog niet in beeld gebracht. De volgende stap is de informatiebehoefte van de raad te koppelen aan de mogelijkheden van de uitvoerende partijen.

De rekenkamer had geadviseerd de informatiebehoefte af te stemmen met de uitvoerende partijen: zij registreren immers zelf ook en weten wat wel en niet makkelijk te registreren is. Het gesprek over de informatiebehoefte is wel gevoerd over zorg met verblijf, maar niet over het hele veld en ook niet over de afstemming tussen ambulante zorg en zorg met verblijf. 12 20170628 Zeist Raadsinformatiebrief voor gezamenlijke bijeenkomst over Sociaal Domein 28 juni 2017 pg 2 Pagina 6 van 11

Dit terwijl ook de netwerkpartners heel graag willen weten of het lukt om dure zorginzet (met verblijf) te voorkomen met ambulante hulptrajecten. Het blijft anders bij aannames. Centrum voor Jeugd en Gezin heeft belangrijke coördinerende rol bij de zorginkoop Nog steeds is de informatie van uitvoerders verschillend en is het gesprek over behoefte beperkt geweest of niet uitgekristalliseerd. De verklaring kan liggen bij een hogere prioriteit die gegeven wordt aan de bedrijfsvoering binnen de gemeente, bij het Centrum voor Jeugd en Gezin Zeist (CJG). Het CJG verheldert de vraag om te zien welke hulp nodig is, maar geeft ook zelf hulp en advies aan hulpzoekenden. Als de inzet van de jeugdhulp en eventueel andere hulp nodig is dan doet het CJG de coördinatie daarvan als de ouders dat niet zelf kunnen. Het CJG ontvangt ook informatie als een zorgtraject is afgesloten of verlengd wordt. Het CJG Zeist is gegroeid van 20 medewerkers in 2015 naar circa 45 in 2022. CJG en Sociaal Team tellen samen circa 90 medewerkers. Dat vraagt meer bedrijfsmatige sturing en heldere kaders. De rekenkamer heeft de indruk dat daardoor de aansturing van het voor de jeugdzorg zo belangrijke CJG voorrang gekregen boven het ontwikkelen van een monitor die niet alleen zicht geeft op de inspanningen, maar ook op de resultaten voor de jeugd.

Deze meer bedrijfsmatige aansturing lijkt nu pas wat op stoom te komen. Met externe hulp is recent de interne monitoring met kpi's voor een meer bedrijfsmatige werkwijze opgesteld, de verwachting van de gemeente is dat hier snel voortgang te zien zal zijn. Hier horen ook vragen bij over wie hulp kan ontvangen of hoe lang iemand in behandeling mag. Door laten lopen van behandelingen is bijvoorbeeld geen automatisme meer, het CJG vraagt toelichting en verantwoording. De rekenkamer vindt dat een goede ontwikkeling. Het CJG probeert ervoor te zorgen dat er (zoveel mogelijk) gewerkt wordt via bewezen effectieve werkwijzen (evidence based), zonder de innovatie tegen te houden. Om te kunnen beoordelen of de juiste zorg geleverd wordt is de bewezen werking van belang. Tegelijk moet bedacht worden dat dit bewijs voor een deel van de interventies niet beschikbaar is en niet die zekerheid en precisie heeft die bij beter meetbaar werk gevraagd kan worden. De maakbaarheid is geringer dan bij harde sectoren als de bouw. Over de vraag of eerst het CJG heldere kaders en prestatie-indicatoren moet hebben voordat het gesprek over de informatiebehoefte gevoerd kan worden, wordt verschillend gedacht. De meeste gesprekspartners zouden wel graag die gesprekken nu voeren.

Een enkeling vindt het te vroeg om nu het gesprek aan te gaan over outcome- en monitoring van het resultaat, vooral omdat de bedrijfsmatiger werkwijze van het CJG nu veel aandacht vraagt. Bij de werkwijze van het CJG ziet de rekenkamer ook de discussie over juiste zorg terugkomen, een van de gekozen prioriteiten. Een gesprekspartner noemde dit “doorgeslagen klantvriendelijkheid”: iedereen wordt geholpen, ook de mensen die zichzelf kunnen helpen. Dit terwijl zelf oplossen –mits dat kan– beter is. Voor de rekenkamer is dit des te meer reden om het gesprek over de doelen en informatiebehoefte te voeren. Kwaliteit is nog steeds onontgonnen gebied Bij de inkoop van zorg is de kwaliteit nog veelal een onontgonnen gebied. Kwaliteit is wel steeds meer een aandachtspunt, maar lastiger te meten en in te passen. De gemeente zoekt naar kwaliteit maar geeft aan er nog niet te zijn. Het meten van cliëntervaring, zoals ingezet, helpt maar wordt niet als voldoende gezien. Het gaat ook om doorlooptijd en daadwerkelijk resultaat: de uitkomst van de geboden hulp. De belangen van gemeente en zorgaanbieders lijken hier niet ver uiteen te lopen, de rekenkamer ziet dat netwerkpartners gemotiveerd zijn om resultaten te behalen voor de jeugd. Pagina 7 van 11

Het gezamenlijk gesprek over de informatiebehoefte om te zien of doelen behaald worden is niet alleen van belang om de kwaliteit te kennen, maar ook om de administratieve lasten beperkt te houden. Het uitvragen van gegevens bij de zorgverleners kan leiden tot extra administratieve lasten als deze niet aansluiten op de eigen manier van registreren. Zij registreren en evalueren ook hun werk. Door meer daarbij aan te sluiten verminderen de administratieve lasten. Er is wel al basale cijfermatige informatie maar dat wordt ook door de gemeente en netwerkpartners niet gezien als genoeg. Zo kan de problematiek in één probleemgezin de cijfers sterk vertekenen. Overigens erkent men wel dat niet alles in cijfers te vangen is. Er is (en blijft) altijd een toelichting nodig, ook op de basale cijfers. De rekenkamer ziet dat verschillende vragen rond de effectiviteit en efficiëntie van het bestede budget in de jeugdzorg nog steeds niet beantwoord kunnen worden. Daarbij neemt de rekenkamer in overweging dat een van de aannames in de jeugdzorg altijd was dat vroeger signaleren leidt tot minder zware zorg, maar dat dit geen automatisme is. Het AEF-rapport Stelsel in groei geeft aan “dat de inzet van preventie en vroeg-signalering niet kan leiden tot een structurele besparing binnen de Jeugdwet”.

“In plaats daarvan leidt de brede inzet op preventie en vroeg-signalering tot (...) een verhoogd voorzieningenniveau”13. Gegevens over effectiviteit en efficiëntie zijn onontbeerlijk om de raad goede verantwoording te geven.

4. Denk na over de capaciteit en budgetten die hiervoor nodig zijn. Voor de raad is sturen op resultaten en bijsturing nog niet mogelijk. Natuurlijk begint de gemeente niet op nul. De kosten en capaciteit van de huidige hulp en infrastructuur zijn bekend net als de trend. Eigenlijk is er nog steeds geen verbinding tussen inspanning en resultaat. Terwijl die verbinding nodig is om te zien of de aannames rond Kritieke Prestatie Indicatoren (kpi's) rond de inspanning en het resultaat voor de cliënten blijken te kloppen. Het is nog ingewikkelder om te zien hoe de efficiëntie is en hoe de raad bij kan sturen op te behalen resultaten. Als we kijken naar de gekozen prioriteiten van het programma Sociaal in Balans, waarin prioriteiten benoemd zijn, zien we hoe essentieel de informatie is. Is er succesvol preventief gewerkt? Leidt dit tot voorkomen van duurdere zorg of tot een hoger voorzieningenniveau in Zeist? Lukt het de jeugdzorg te verschuiven van zware naar lichtere interventies en leidt dat ook tot even goede of betere resultaten? Was er sprake van de juiste zorg op de juiste plek? Dat is nog altijd niet goed weer te geven. Dit heeft rechtstreeks gevolgen voor de benodigde capaciteit en budgetten. Daardoor ontbreekt het aan sturing door en verantwoording aan de gemeenteraad. Een andere vraag is hoe ver toegankelijkheid moet gaan.

Wat mag dat kosten? En wat zijn de baten? Wil de raad betere toegankelijkheid van de zorg of minder geld uitgeven? Kan dat per wijk verschillend zijn? Dit laatste is overigens politiek besproken en gekozen bij het programma Vollenhove Vooruit. Een meer financiële vraag is of het versnellen van de doorstroom naar de Wet langdurige zorg (Wlz) mogelijk is en of het CJG erin slaagt zelf passende ondersteuning te bieden zonder dat dit leidt tot herhaalde hulpvragen. Dit kan leiden tot besparing binnen de jeugdzorg, hoewel het eigenlijk het verplaatsen van kosten van gemeenten naar (door het Rijk gefinancierde) Wlz is.

13 AEF Stelsel in groei 2020 pg 21 Pagina 8 van 11

Een andere vraag is hoeveel aangesloten moet worden bij wat mensen zelf kunnen. Ook de keuze om inwoners meer zelf regie te geven is een politieke keuze. Die heeft invloed op de capaciteit en het budget dat nodig is. Het is van belang voor de gemeentelijke organisatie om de wensen van de raad te weten, omdat het veel implicaties heeft. Maar om deze vraag goed te kunnen beantwoorden blijft het nu bij aannames waar de raad mee moet werken. Pas dan kan de vraag rond budgetten en capaciteit goed beantwoord worden. Harde én zachte control is nodig Zoals gemeld kan niet alles in cijfers en harde gegevens gevangen worden. Onze gesprekspartners tonen hoe moeilijk het is om cijfers hard te maken en wijzen op de noodzaak om “het goede gesprek” met elkaar te voeren over hoe de gestelde doelen rond de jeugdzorg bereikt worden en welke informatie daarvoor beschikbaar moet zijn. Maar het belang van harde cijfers vervalt niet met het voeren van het goede gesprek. Integendeel, cijfers dienen als startpunt van een gezamenlijke analyse door de bij de zorg betrokken partners (de ‘warme’ control) van de behaalde resultaten. Uiteindelijk zal de gemeente moeten komen naar een vorm van control die bestaat uit een combinatie van gesprekken en storytelling (warme control) en hardere cijfers, kaders en meetbare doelen (koude control).

Het kan voor de warme control van belang zijn ook mensen met ervaringsdeskundigheid daarbij te betrekken.

Conclusie De rekenkamer heeft gezien dat er een kwaliteitsslag is gemaakt in de aanbestedingen in de jeugdzorg en dat er maatregelen zijn genomen die zullen helpen om het zicht op de effectiviteit en efficiëntie te vergroten en de verantwoording te verbeteren. Dit alles vindt plaats in een complexe omgeving met meerdere partners en regionale aanbestedingen. De planning en control-cyclus is echter nog onvoldoende in te vullen en er is meer vaart nodig om daar te komen. De twee belangrijkste prioriteiten van het programma Sociaal in balans (preventiever werken om dure zorginzet te voorkomen en het organiseren van de juiste zorg op de juiste plek) zijn nog niet te meten. De ingezette maatregelen rond het CJG en verbeterde aanbestedingen helpen, maar zijn niet genoeg. De raad krijgt nog onvoldoende verantwoording, de sturing door de raad is gebaseerd op aannames en resultaten van hulpverlening zijn onvoldoende bekend.

Adviezen 1

Voor het college: Houd de sinds dit jaar ingezette vaart er in. Het blijft van belang om vaart te maken met de monitoring in het sociaal domein, zowel vanuit oogpunt van resultaat voor de mensen die zorg nodig hebben als vanuit financieel oogpunt. Recente informatiesessies laten zien dat de organisatie hier werk van maakt en bezig is het proces te versnellen.

2

Voor het college en de raad: Voer het gesprek over de informatiebehoefte rond effectiviteit, kwaliteit en efficiëntie. Kom gezamenlijk tot een beeld van wat nodig is voor verantwoording, sturing en bijsturing en maak dit concreet. Stel streefwaarden op voor de doelen die in het programma Sociaal in balans zijn vastgesteld. Pagina 9 van 11

3

Voor het college: Ga het gesprek aan met ketenpartners, kijk daarbij of de prioriteiten erkend en gedeeld worden zodat de gemeente en de partners opereren in een gezamenlijk belang en kijk dan naar de mogelijkheden om informatie te kunnen leveren waaraan de gemeente en de raad behoefte hebben zonder dat dit leidt tot onnodige administratieve lasten.

4

Voor de raad en college: Zoek naar een combinatie van warme en koude control die past bij Zeist, recht doet aan het terrein en voldoende mogelijkheden biedt om een oordeel te vormen over de effectiviteit en efficiëntie.

Pagina 10 van 11

Bijlage 1: Gesprekspartners In de periode mei-augustus 2022 zijn gesprekken gevoerd met de volgende betrokkenen: • • • • • • • •

Jan Steven Eilander, adviseur sociaal domein, gemeente Zeist Mirjam Keuvelaar, business en beleidscontroller sociaal domein, gemeente Zeist Annemijn Doornenbal, accountmanager Youké (o.a. regio Zuidoost Utrecht) Nicole Quadakkers, controller Youké (regio Zuidoost Utrecht) Ingrid de Klein, teammanager sociaal domein, gemeente Zeist Freya Newton, teammanager samen leven, gemeente Zeist Juul Polders, adviseur sociaal domein, gemeente Zeist Karst Schuring, voormalig raadslid (PvdA), gemeente Zeist

Pagina 11 van 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12714218/1